Poëzie Kort februari 2016

 

Jane Leusink, Een grazende streep in de lucht

door Lennert Ras

Een grazende streep in de lucht is een goed doordachte bundel, een coherent geheel, bijna prozaïsch. Ze neemt je mee door de tijd, een grazende streep door de lucht, liefde, geboorte en vooral dood.

We worden meegenomen in het verhaal van de Shoa, maar de dichteres laat ook zien, dat er andere rampen zijn, die los staan van een onmenselijk regime. De dood krijgt ook de gedaante van een lijkhuisje en hoe heden ten dage mensen zich inspannen om dat te behouden, opdat de doden niet twee keer sterven.

Het is poëzie, maar er zijn duidelijke personages. Een vader, beeldhouwer en rokkenjager (maar ook vrouwen zijn jagers), een moeder, een kind. Joodse mensen met een naam. Liefde ontbreekt niet, soms in het kleine, en kort wordt scheiding aangestipt. In het leven en door de dood.

De bundel is een ode aan het leven in al haar facetten en ook een vanitas. Ze geeft je een gevoel van melancholie. Soms zie je de dichteres lijfelijk zitten achter de pc of het toetsenbord. De taal hapert nergens en is soms heel plastisch. Zoals in het gedicht ‘Tot het af is’ waarin het proces van beeldhouwen wordt geschetst: ‘Doordat de houwer zijn beeld bouwt uit een / vierkant blok, dat als eenheid beschouwt en / daar omheen werkt.’

De bundel springt van Sobibor naar Sneek en naar het Starkenborchkanaal. Een hond moet een geliefde vervangen. De stijl is rond en nergens schurend. Opeens staat ergens een stukje proza en er is zelfs een gedicht opgenomen in een gedicht.

De besproken thematiek zet aan het denken. Een grazende streep geeft een aangename leeservaring, die niet schuwt ook de hardheid van het bestaan onder woorden te brengen. Een caleidoscopische kijk op het leven, waarin ook de dood onderdeel is.

***

Jane Leusink (2015). Een grazende streep in de lucht. Uitgeverij Kleine Uil, 72 blz. € 15,-


Bart Chabot,
Bananenrepubliek

door Lennert Ras

Bananenrepubliek is een heel toegankelijke bundel en leest als een trein. Het is licht. Zelfs de dood is licht, een lolletje. De hoofdpersoon Richard, een arts met trekjes van God, heeft niet eens in de gaten dat hij dood is. De dood is licht. Behalve als de geliefde Tim zichzelf ophangt vanwege psychotische klachten, dan doet de dood even pijn.

Richard haalde naast Tim wel vaker jongens in huis. Pleegde hij daar ontucht mee? Je denkt van wel. Maar het wordt nergens uitgesproken. Zijn gezin schijnt te verzuipen, maar Richard blijft netjes op de spulletjes op het strand passen. Begraafplaatsen komen voorbij en er wordt overlegd of die moeten worden aangeharkt. De doden moeten zich nog maar rustig houden, want het is nog geen tijd. Uiteindelijk wast de zee het begraafplaatszand weg van Richards schoenen. Gaat hij zijn familie achterna.

Veel drama eigenlijk … maar spottend .. We doen er niet veel mee. Nederland, een bananenrepubliek.

***

Bart Chabot (2016). Bananenrepubliek. De Bezige Bij, 48 blz. € 16,90


Maarten Buser,
Club Brancuzzi

door Hans Puper

In zijn debuut Club Brancuzzi presenteert Buser een samenhangende reeks gedichten over drie jonge mensen: de ik-verteller, de kunstenaar Claude en het meisje Sybille. ‘Onze driehoek is een triangel’, zegt de ‘ik’ in het gedicht ‘Verdeling’. Een wensgedachte, want gaandeweg blijken de verhoudingen minder idyllisch te zijn: als een Judas – de titel van het betrokken gedicht is ‘Zilverlingen’ – verraadt Sybille hun vriend Claude door de ik-verteller mee uit te nemen; later is de ‘ik’ degene die geschokt is, doordat hij haar jas aan de kapstok van Claude ziet hangen. (‘Chez Claude’).

De gedichten vormen een hecht gestructureerd verhaal, wat niet betekent dat de lezer bij de hand wordt genomen: hij moet dat zelf herscheppen. De structuur zit hem in de vorm: Buser werkt met opvallend veel interne verwijzingen. Een paar voorbeelden uit zo’n reeks: Claude zegt in ‘Voorstudie’ een houten Christus te willen maken die ‘lijkt te trillen alsof / / Hij in- en uitademt, zoals jij en ik dat doen’. De ik-figuur haalt in ‘Dit lichaam’ een splinter (‘een stukje hout’) uit Sybilles nek en houdt het vast alsof hij communie heeft gedaan. In ‘Kalmerend groen’, als hij trekjes heeft gekregen van een lijdende Christus, zegt Claude echt niet te kunnen ademhalen. Het gedicht ‘Het zalven’ moet dan nog komen.

De dichter werkt ook met externe verwijzingen die – hoe kan het anders – samenhangen met de interne: veel bijbelverwijzingen en muziektitels die in hetzelfde betekenisveld liggen. Het motto is van de rapper Kendrick Lamar: ‘Halle Berry or Hallelujah’. ‘Radicaal kiezen voor het wereldse of juist het religieuze leven bieden beide geen oplossing’, schrijft Buser over dit citaat in een stuk over zijn favoriete songtekst. (http://passionateplatform.nl/2015/03/20/de-favoriete-songtekst-van-maarten-buser/)

Maar waar vind je die oplossing dan wel? In ‘Club Brancuzzi’? Dat kan een heilige plaats zijn die voor ieder van hen iets anders betekent. Kunstenaar Claude beweert in het gedicht ‘De uitnodiging (le commencement)’ dat de naam van de club verkeerd is gespeld. Wat zou de juiste spelling zijn? Brâncuși, de naam van de kunstenaar die net als hij een liefde voor hout had?
De ‘ik’ stelt zich in ‘Daar zijn’ voor dat er door de luiken van de club een ‘zacht gezoem’ ontsnapt, of een ‘vage geur van hogere / hitte’. Een verwijzing naar Nijhoff. Zoekt de ‘ik’ zijn bestemming in de poëzie? Niet voortdurend in ieder geval. Hij zal weer buitengesloten worden, maar ‘hoe dan ook / zal ik zeggen: Club Brancuzzi was subliem.’
Ze vinden de oplossing niet. Na ‘uitgebreid tegen de uitsmijter te hebben getierd’ omdat de naam van de club verkeerd is gespeld, wil Claude niet meer naar binnen en beent hij weg als een boze zenmonnik. In hetzelfde gedicht (‘Hier zijn’) zegt Sybille dat ook zij niet naar binnen wil: ze is bang voor de massa. ‘We besluiten dat naar huis lopen ook ascese is.’ Een nieuwe zoektocht?
Ze komen er niet uit. ‘Er is geen kerk in de wildernis’ luidt de titel van een van de gedichten, opnieuw een verwijzing, nu naar ‘No church in the wild’ van Frank Ocean – hij is te vinden in hetzelfde stuk over de favoriete songtekst.

Het moge duidelijk zijn dat Buser een veelbelovend dichter is. Toch stoort me iets: hij heeft het in Club Brancuzzi mijns inziens te mooi willen doen, waardoor de bundel enigszins lijdt aan overconstructie. Hij zou zijn gedichten meer lucht moeten geven, zonder bang te zijn dat er een paar ontsporen. De ik-verteller zegt in ‘Helletjes’ dat in een van zijn lievelingsliedjes een valse noot zit en dat hij daar steeds weer van schrikt. Die schrik heb ik in zijn bundel gemist.

***

Maarten Buser (2016). Club Brancuzzi. Koppernik, 64 blz. € 15,-


Kees Godefrooij,
Amoureuze mechanieken

door Hans Puper

De bundel Amoureuze mechanieken bevat vrije verzen, prozagedichten en voor het overgrote merendeel sonnetten.
Uit de sonnetten blijkt de fascinatie van Kees Godefrooij voor de 19e-eeuwse zwarte romantiek. ‘La belle dame sans merci’, vampirisme, het scheppen van schoonheid uit lijden, satanisme, l’ennui: al deze motieven zie je terug in Amoureuze mechanieken. Op het achterplat lezen we onder andere: ‘De zwarte Romantiek. Toen ( … ) gedichten en romans werden geschreven met het bloed uit de wonden van de ongelukkigen; men schreef ze met een gloeiende kool die nog stamde uit de brandstapel van de heilige inquisitie.’ Die heilige inquisitie komt niet uit de lucht vallen. Religie, en met name het katholicisme, was een dankbaar onderwerp in de zwarte romantiek. De nadruk lag op mystiek, pracht en praal, decadentie, vaak uitlopend in satanisme. In het sonnet ‘De twee zusters van liefde II’ klinkt op de achtergrond een duivelse behandeling van Jezus mee door de beide Maria’s:

Je wreedheid wakkert de levensdrift aan
liefje, dus bijt in z’n tepels terwijl
je vriendin hem aftrekt. Tja, zijn bestaan
krijgt pas betekenis wanneer jouw stijl

van liefkozen geest en lijf doen vergaan
de pijn die je hem schenkt trekt als een pijl
dwars door zijn vlees pal in het kruis, voortaan
zoekt hij bij jullie Maria’s zijn heil

jullie feeërieke boosaardigheid
tonen hem de duistere kanten van
de liefde van vóór zijn opstanding. Tijd

is de ware maîtresse van een man
liefje, alleen in het uur dat hij lijdt
is hij als mens waarachtig, alleen dan.

De sonnetten worden eentonig doordat ze zonder uitzondering het rijmschema abab/abab/cdc/dcd hebben, met daaraan gekoppeld de afwisseling van mannelijk en vrouwelijk volrijm. Dit keurslijf leidt nog wel eens tot rijmdwang. ‘Demonen’: ‘hij weet een listenvlechtster aan zijn zij / met offervaardigen die voor hem strijden // hij ziet hun tranen als een hete brij’. ‘Brij’ lijkt mij geen adequate omschrijving van tranen, ook niet vanuit het perspectief een vampier.

De sonnetten hebben iets geforceerds. Beter vind ik Godefrooij als hij de zwarte romantiek achter zich laat en een persoonlijk en direct geluid van weemoed en verval laat horen. Het prozagedicht ‘Pa’, een brief:
‘een biertje in de kroeg kost tegenwoordig € 2,50. Je hoort het goed, de euro is sinds 10 jaar het betaalmiddel in Nederland en grote delen van Europa. Naar guldens omgerekend is dat dus Fl. 5,50. Ja pa, ik wist dat je zo zou reageren, je draait je om in je graf en ik zal je maar niet vertellen wat een pakje shag kost. Regen en onweer gaan steeds vaker samen, dat komt door de klimaatopwarming
zeggen ze. Zoals jij vroeger al zag dat er geen kikkervisjes meer in de sloot zaten. Ik heb inmiddels de leeftijd bereikt waarop jij vier jaar moest ploeteren voor je pensionering en het gaat me goed. Mis alleen weleens onze zondagse wandelingen door het park naar Schiedam als we bij tante Grada op de thee gingen. Terug dan altijd met de bus. Je kleindochters zijn groot geworden. O ja, ma heeft haar laatste levensjaar doorgebracht in een verzorgingshuis bij mij op de hoek.’

***

Kees Godefrooij (2015). Amoureuze mechanieken. Uitgeverij Kontrast, 78 blz. € 15,00

Een lezer maakte mij er terecht op attent dat ik twee grammaticale fouten in het geciteerde gedicht niet heb benoemd. Het onderwerp van de bijzin ‘wanneer jouw stijl // van liefkozen geest en lijf doen vergaan’ (r. 4 en 5 ) is ‘jouw stijl van liefkozen’. De persoonsvorm ‘doen’ moet daarom zijn ‘doet.’ In de derde strofe gebeurt hetzelfde: ‘jullie feeërieke boosaardigheid / tonen hem de duistere kanten van / de liefde van vóór zijn opstanding’ . Onderwerp is het enkelvoudige ‘jullie feeërieke boosaardigheid’; de congruente persoonsvorm moet daarom ook hier in het enkelvoud staan: ‘toont’.

 


Ofran Badakhshani,
De banneling

door Hans Puper

De banneling is de eerste bundel van Ofran Badakhshani in het Nederlands. Een debutant is hij niet: in het Perzisch publiceerde hij reeds vijf bundels. Sander de Vaan publiceerde op 28 januari jongstleden een interview met hem in Meander. ( https://meandermagazine.net/wp/2016/01/alsof-brood-ergens-groeit/). Het wordt gevolgd door een keuze uit de gedichten van deze bundel.

De titel Een banneling is opvallend. Dat is niet zozeer een vluchteling, maar een uitgestotene. Door wie? Het land van herkomst, van aankomst of beide? De taal? Cultuur? De dichter verwoordt het verdriet van velen: ‘Ik ben een uiteengerukte ziel / die door vernedering en verdriet / beroofd is van rust ( … ) ik vlucht / om in het hart van het onbekende / uit te schreeuwen: / ik ben een banneling!’

De gedichten zijn voor het merendeel kort, maar dat betekent niet dat ze eenvoudig zijn. Een gedicht als ‘Herfst aanbid ik’ roept vragen op die niet makkelijk zijn te beantwoorden. Juist dat maakt het interessant:

Lente heb ik lief
maar herfst aanbid ik
herfst
de verlosser van bladeren
uit verbondenheid.

De ‘ik’ – die ik voor het gemak even de dichter noem – heeft de lente lief: de lente waarin nieuw leven ontstaat, bladeren groeien. In de herfst sterft het leven af: die vallende bladeren zijn dood of bijna dood. Kun je de dood aanbidden en tegelijkertijd het leven liefhebben? Sterker nog: die dood als een verlossing zien? En hoe zit het met die verbondenheid? Moet je die koppelen aan de herfst of aan de bladeren? In het laatste geval: is het een verlossing als bladeren hun onderlinge verbondenheid kwijtraken doordat de boom hen loslaat? Net als bij mensen die losraken van – bijvoorbeeld – hun geboorteland? Kun je dat als dood zien?

Jammer is, dat de bundel storende fouten bevat die bij een aandachtige redactie makkelijk vermeden hadden kunnen worden. De cursiveringen zijn van mij: ‘Ik vond haar / tussen een mist van uiteenlopende ideeën’ (‘Het leven’), Alleen / bewandel ik het pad der leven (‘De weg’), ‘beschaamd reikt hij de hand / om ons te bevrijden / van die ene euro / waarmee we niets kunt kopen’. (‘Levensliederen’). Ik gun Badakhshani een foutloze tweede druk.

***

Ofran Badakhshani (2015). De banneling. Uitgeverij Kontrast, 48 blz. € 15,-

Gedichten

Levensliederen

Midden in een dode stad
lacht hij het leven toe
beschaamd reikt hij de hand
om ons te bevrijden
van die ene Euro
waarmee we niets kunnen kopen
in ultieme onbezonnenheid
lopen we hem voorbij
sommige liederen zijn nou eenmaal niets waard;
de daklozenkrant!
de daklozenkrant!
geïntimideerd kijk ik de reus aan
en vraag mezelf af:
zou ik ooit mans genoeg zijn
om in zijn schoenen te staan?

Vergeef jezelf

Daar
waar moeders de dood der mensheid baren
kom ik vandaan;
mijn zus heb ik gestenigd;
moeder!
vergeef jezelf.

Ontwaking

Ik fluister mezelf
in je oren
en groei
in de laatste adem van je onderdrukte vrouwelijkheid
wanneer je je schuldig maakt
aan jezelf zijn
doe ik je tepels ontwaken.

Kabul

Kabul!
diep onder je ruïnes
schuilen duizenden kroegentochten
schud de dood van je schouders af
en hef je glas met mij
vrijheid
heeft geen kater tot gevolg.