Gedichten

Vertaling: Jan Pieter van der Sterre 

LES CHATS

Les amoureux fervents et les savants austères
Aiment également, dans leur mûre saison,
Les chats puissants et doux, orgueil de la maison,
Qui comme eux sont frileux et comme eux sédentaires.

Amis de la science et de la volupté,
Ils cherchent le silence et l’horreur des ténèbres;
L’Érèbe les eût pris pour ses coursiers funèbres,
S’ils pouvaient au servage incliner leur fierté.

Ils prennent en songeant les nobles attitudes
Des grands sphinx allongés au fond des solitudes,
Qui semblent s’endormir dans un rêve sans fin;

Leurs reins féconds sont pleins d’étincelles magiques,
Et des parcelles d’or, ainsi qu’un sable fin,
Etoilent vaguement leurs prunelles mystiques.

KATTEN

Hevig verliefden en gestrenge hooggeleerden
beminnen allen in hun rijpe tijd de kat,
de trots des huizes, krachtig, zacht, en net als zij
bij voorkeur binnen zittend, en op warme plekjes.

Als vrienden van de wellust en de wetenschap
verlangen ze naar stilte en schrikwekkend duister.
Erebus had ze graag als lijkkoetspaard gezien,
maar fierheid liet zich niet door dienstbaarheid vervangen.

Nadenkend nemen zij nobele poses aan
van grote sfinxen die, diep in de eenzaamheid
en dromend zonder eind in slaap lijken te vallen.

Hun flank is vruchtbaar en vervuld van tovervonken,
zwak pinkelen er gouden, flinterdunne puntjes
in hun mystieke oogbol, als een fijn soort zand.

*

PARFUM EXOTIQUE

Quand, les deux yeux fermés, en un soir chaud d’automne,
Je respire l’odeur de ton sein chaleureux,
Je vois se dérouler des rivages heureux
Qu’éblouissent les feux d’un soleil monotone;

Une île paresseuse où la nature donne
Des arbres singuliers et des fruits savoureux;
Des hommes dont le corps est mince et vigoureux,
Et des femmes dont l’œil par sa franchise étonne.

Guidé par ton odeur vers de charmants climats,
Je vois un port rempli de voiles et de mâts
Encor tout fatigués par la vague marine,

Pendant que le parfum des verts tamariniers,
Qui circule dans l’air et m’enfle la narine,
Se mêle dans mon âme au chant des mariniers.

GEUR UIT DEN VREEMDE

Drink ik met ogen dicht in zoele najaarsnachten
de geur in van je borsten met hun diepe gloed,
dan dagen voor mijn ogen kusten vol geluk,
die door eentonig zonlicht zich laten verblinden.

Een ingeslapen eiland, waar Moeder Natuur
een vreemd soort bomen voortbrengt, smakelijke vruchten,
naast mannen met een lijf dat krachtig is en mager
en vrouwen die verbazen met hun open blik.

Jouw geur geleidt mij naar verrukkelijke streken,
waar ik een haven zie vol scheepsmasten en zeilen,
die nog vermoeid zijn van het strijden met de zee,

terwijl de zoete reuk van groene tamarinden
zacht zwevend door de lucht mijn neusschelp binnendringt
en zich in mij vermengt met zang van varensgasten.

*

L’INVITATION AU VOYAGE 

            Mon enfant, ma sœur,
            Songe à la douceur
D’aller là-bas vivre ensemble !
            Aimer à loisir, 
            Aimer et mourir
Au pays qui te ressemble !
            Les soleils mouillés 
            De ces ciels brouillés
Pour mon esprit ont les charmes
            Si mystérieux
            De tes traîtres yeux,
Brillant à travers leurs larmes.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté. 

            Des meubles luisants,
            Polis par les ans,
Décoreraient notre chambre;
            Les plus rares fleurs
            Mêlant leurs odeurs
Aux vagues senteurs de l’ambre,
            Les riches plafonds,
            Les miroirs profonds,
La splendeur orientale,
            Tout y parlerait
            À l’âme en secret
Sa douce langue natale.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

            Vois sur ces canaux
            Dormir ces vaisseaux
Dont l’humeur est vagabonde;
            C’est pour assouvir
            Ton moindre désir
Qu’ils viennent du bout du monde.
            — Les soleils couchants
            Revêtent les champs,
Les canaux, la ville entière,
            D’hyacinthe et d’or;
            Le monde s’endort
Dans une chaude lumière.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

GA MET MIJ MEE OP REIS 

             Stel je voor, kind, zusje,
             hoe heerlijk het is
samen ginder te gaan leven!
             Liefhebben volop,
             liefhebben en sterven
in het land dat op jou lijkt! 
             De vochtige zon 
             in die wolkenhemel
heeft voor mij de toverkracht
             vol raadsels van jouw
             verradersogen die
glanzen door hun tranen heen.

Ginds is alles rust en orde,
weelde, schoonheid, zinnenlust.

             Glimmend meubilair, 
             door tijd gepolijst,
zou onze kamer opsieren. 
             De zeldzaamste bloemen, 
             die hun geur vermengen
met een vleugje amberlucht, 
             de rijke plafonds, 
             de peilloze spiegels,
de pracht en praal van de Oost, 
             tersluiks zou dat alles 
             tot ieders ziel spreken
in haar milde moedertaal.

Ginds is alles rust en orde,
weelde, schoonheid, zinnenlust.

             Zie daar op de grachten 
             de slapende boten,
die het liefst zouden gaan zwerven; 
             om jouw kleinste wens  
             te vervullen kwamen
ze van het eind van de wereld.
             — De zonsondergang 
             overdekt de velden,
de grachten, de hele stad, 
             met wijnrood en goud; 
             de wereld slaapt in,
omhuld door warm glanzend licht.

Ginds is alles rust en orde,
weelde, schoonheid, zinnenlust.

*

RECUEILLEMENT

Sois sage, ô ma Douleur, et tiens-toi plus tranquille.
Tu réclamais le Soir; il descend; le voici :
Une atmosphère obscure enveloppe la ville,
Aux uns portant la paix, aux autres le souci.

Pendant que des mortels la multitude vile,
Sous le fouet du Plaisir, ce bourreau sans merci,
Va cueillir des remords dans la fête servile,
Ma Douleur, donne-moi la main; viens par ici,

Loin d’eux. Vois se pencher les défuntes Années,
Sur les balcons du ciel, en robes surannées;
Surgir du fond des eaux le Regret souriant;

Le Soleil moribond s’endormir sous une arche,
Et, comme un long linceul traînant à l’Orient,
Entends, ma chère, entends la douce Nuit qui marche.

BEZINNING

Probeer je te beheersen, lieve Smart, kalmeer.
Het is al Avond, kijk, was dat niet wat je wilde?
De stad wordt overtrokken door een donker waas;
het brengt de een respijt, de ander zware zorgen.

Terwijl de grote massa vuige stervelingen
gegeseld door Genot, die wrede folteraar,
op wroeging uitgaat tijdens feesten voor de slaven —
reik mij je hand, mijn Smart, en kom maar met me mee,

we gaan ver weg. Kijk daar, gestorven jaren hangen
in ouderwetse robes over luchtbalkons;
daar duikt glimlachend Spijt diep uit het water op;

en daar, onder een boog, de Zon die stervend inslaapt;
en luister, lieve, luister naar de zachte Nacht
die als een lange wade door het Oosten schrijdt.

*


LA FIN DE LA JOURNÉE

Sous une lumière blafarde
Court, danse et se tord sans raison
La Vie, impudente et criarde.
Aussi, sitôt qu’à l’horizon

La nuit voluptueuse monte,
Apaisant tout, même la faim,
Effaçant tout, même la honte,
Le Poète se dit : « Enfin !

« Mon esprit, comme mes vertèbres,
Invoque ardemment le repos;
Le cœur plein de songes funèbres,

« Je vais me coucher sur le dos
Et me rouler dans vos rideaux,
Ô rafraîchissantes ténèbres ! »


HET EIND VAN DE DAG

In vaalbleek licht en onbekommerd
hupt, kronkelt, holt het leven rond
gedachteloos, met veel geschreeuw.
Zodra dus aan de verre einder

de zinnelijke nacht verrijst,
die alles lenigt, zelfs de honger,
en alles uitwist, zelfs de gêne,
verzucht de dichter: ‘Het werd tijd!

Net als mijn wervels smeekt vol vuur
mijn geest of er nu rust kan komen.
Vervuld van dromen over dood

strek ik me ruggelings hier uit,
en ga me hullen in uw sluiers,
o zoet, verfrissend schemerduister!’