De gedichten van de finale (1)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Onno-Sven Tromp

Weinig zijn

het was een dag van weinig zijn, dat veel
was opgeheven, onze aanwezigheid niet
op prijs werd gesteld, gras zich beklaagde
over blote voeten, lucht weerstand bood,

dat regen zich omdraaide, wind niet wilde,
horizon zich achter ons verschool, niemand
zich zijn naam herinnerde, planten onder de
modder kropen, huizen werden ontbouwd,

dachten we: alle bomen staan op één been,
grond is geduldig, we gaan wildernis voorbij,
besparen op adem en kijken naar onszelf,

wisten we: tijd is water, water is steen, tijd
slaat gaten in een muur, water verliest niet,
kiezels verrotten, geen mens wordt gedoogd

Opnieuw

waren we zwijgend met elkaar verbonden, raakten
onze neuzen elkaar, vertelden we vergeten verhalen,
over winterslaap, over toen er nog geen licht was,

mopperden we, worstelden we binnensmonds,
jonglerend met planeten, de aarde een toverbal op
de tong, waren we scheppers van een klein heelal,

wachtten we tot alles ging krimpen, lieten we
onze blikken verschrompelen, verdween de energie,
werden we ingedikt, afgescheept en over tijd verklaard,

stonden we aan zee, was het een oud moment,
waren we er niet om beroemd te zijn, wilden we
namen helen, vleugels plakken, hemelwaarts vallen,

begonnen we opnieuw, lieten we kurken knallen,
dronken we gekromde ruimte in, vulden we zwarte
gaten met vermeend genot, dijden we oneindig ver uit

Verder

ze tilde zichzelf op, dat ze kon zweven, of ik
het wilde zien, liep ze een eindje zonder de grond
te raken, het was een gebrek aan zwaartekracht

dat haar opbrak, hing ze zich als vitrage voor de
ramen, kon ik van binnen door haar heen kijken,
van buiten niet, of ik het misschien wilde zien,

ze lichtte haar hielen, zeilde ze als weesvlinder
door een wintertuin, dat ze behoefte had aan
houvast, ik wist het niet, een verdorde bloemknop

om op te zitten, had ik haar mijn hand gegund,
mijn gewicht tegen haar aan gelegd, had ik haar
uit de lucht gegrepen, riep ze me immers nog,

durfde ik niet te kijken, bang dat ze vleugels
zou breken, als bevroren papier, ze schreef hoog
haar vallende brief, was ze gevlogen, verder

Peter Vermaat

Zwartman

[omega]
Hij staat te wachten onder een lantaarn,
ondergedoken in kleurloosheid. Uren lang
passeert geen schaduw die zijn schoenen past.

Hij wacht op hem. Hij weet wie hem verwacht,
want alle brieven hebben zijn adres.
Hij is zijn broodheer, leidt zijn botervloot
en leest hem in de voorkamer de les.

Hij is het zwart dat niemand lijkt en iedereen
uiteindelijk omarmt, de loodbeslagen deur
die zonder sleutel opent en het naambordje,
waar wie het ziet zijn eigen letters leest.

Daar komt hij aan. Hij steekt zijn hand al uit
om over wat hij biedt het eens te worden.
Hij heeft hem reeds ontmoet. Loopt met hem heen.

De refreinen van Doodstil

Iedere nacht houdt het geluidstekort
– van kinderstemmen ooit – mijn voeten vast,
ligt er gemis als stof op richels
en in kieren. Plinten komen los,
kunnen op elk moment de benen nemen.

Een klein heelal, geknepen tot een bal,
deelt al je kleurensmaken op mijn tong
en hangt de dag een lappendeken om
van lichtval in dopplergedaante.

Ik hoor wat niemand spreekt. Gebrek
aan stem schrijft woorden in het grauw
van wie zich in mijn achterhoofd ontvouwt,
mijn voetspoor volgt als trouwe hond.

Hij wordt een wolf en kromt zich voor de sprong.

Hoe ruikt een woord?

Hoe ruikt dit woord? De klinkers uit
het gras, tegen de avondval, met uitgestorven
bloemen en een vreemde kever, die zo afgemeten
in de vele tinten groen loopt te verdwalen.
Eetlust blijft er ver van. Nu handen wassen
denk je, maar het kleeft, het zeurt.

Hoe smaakt jou deze zin? Opengesneden huid
tongen de tegenvoeters zich een dieptepunt
van dierlijkheid en taalbegrip. Slurp je
de glottisslag het vruchtvlees uit en laat
het zoet logeren op je tongpapillen.

Hoe kijkt de klank je luchtpijp in?
Volgt zij je adem op het ritme van je
harteklop de aders door, of er een slagorde
je lichaam in marcheert. Geen spoor
van oorlog, loog de mondmachine.

Hoe steekt een punt? Tegen je huig.

Hester van Beers

Xiphisternum

Langs mijn vingers loopt de kleur
van je donkerrode lakschoentjes aarzelend
naar beneden.

Kogels vallen door mijn bloedbaan
op je naakte ribbenkast, wringen zich
door de openingen. Ik trek mijn ogen ervan af
als een vinger van een gloeiende plaat, je hals

is zoeter dan vanillesuiker. Onze natte haren
klitten samen tot iets dat schoon
en blond is, zoals alleen kinderen schoon
en blond zijn. Mijn borstbeen is een kraterlandschap

waar we blootsvoets overheen rennen tot het splitst
in dor en vruchtbaar land.   

We staan op de dijk met onze armen hoger
dan de zee en we noemen onszelf Abraham.
Ik ontwijk de rubberen moedervlekken
die we ooit op het fietspad spuugden,

het asfalt bloedt van kinderknieën
en ik heb nooit eerder een meisje gehad
maar dit is dus oud zijn: de Melkweg
leeg zien lopen langs de muren.

groter dan

vandaag ben ik groter dan de stapelhuizen.

ik knijp mijn ogen stijf dicht en kies
een knikker uit de glazen pot.

een groene werveling zit gevangen
in het glas, een klein heelal
tussen mijn duim en wijsvinger.

ik rol het heen en weer
en broed een wereld uit.

de slager stelt de grote vragen.
hij rolt een plakje worst, knipoogt

en ik sta op mijn tenen
met mijn vingers uitgestrekt.

het vlees voelt koud en zacht
als oma’s dode wangen. kauwend loop ik weg.    

de tegels omlijsten mijn stappen.
precies voor de stoeprand blijf ik staan.

ik laat de wereld vallen.
het glas klinkt
naar botsende planeten.

Chocoladesigaretten

Het leven is een boot en ik hang kotsend over de reling.

Mijn vingers blijven het litteken vinden
op mijn knie, van toen we naar de trein renden
en ik te graag naar huis wilde om niet uit te glijden.

In je schouders woont muziek. Mijn duimen zweven
over je sleutelbeenderen die ik graag claviculae noem
omdat dat zo’n mooi woord is en er misschien nog iets
van ons terechtkomt als we zo mooi mogelijk
proberen te praten.

Ik vertel over hoe ik vroeger met mijn zusje in bad paste
en hoe eenvoudig dat was. Dat ik de handdoek om mijn schouders
sloeg om het kinderlichaam te verstoppen
dat op de badrand op het warme water wachtte.
Over hoe we in kleermakerszit
onder het klimrek zaten, chocoladesigaretten
tussen onze tanden geklemd, en opschepten
over onze vaders die koning waren.

Je zegt dat ik nog altijd te klein ben
om warmte vast te houden,
dat mijn binnenkant te dicht onder de huid zit.
Ik zeg dat ik naar het licht groei
en alleen ‘s nachts mijn ogen open kan houden.

Poëzie Kort 2017 / 3

Hester van Beers, Het einde van de roltrap

In het debuut Het einde van de roltrap van Hester van Beers (1995) baant een jongvolwassen lyrisch ik zich moeizaam een weg door het leven en de liefde. Ook het doodsbesef komt onvermijdelijk aan de orde, zoals in ‘Helium’, dat in deze context doet denken aan een snelle en pijnloze manier om een einde aan het leven te maken. In dit gedicht heeft de dichter weinig woorden nodig om haar onrust te verwoorden en dat doet ze ook nog eens indirect: de ‘ballonnenwinkel’ heeft in deze context en door de titel een dreigende connotatie en de ironie die zij gebruikt kan een manier zijn om angst te onderdrukken:

Helium

De piano klinkt door de hal van het ziekenhuis.
Het is bijna mooi.

Ze verkopen hier gebakjes
en bloedtransfusies.

Ik drink kersencola uit de ballonnenwinkel.
Af en toe loopt er een infuuspaal langs de leestafel.

Dit is de wereld maar dan wit, de plek
waar men veilig dood kan gaan.

Deze sobere gedichten zijn aantrekkelijk: met weinig woorden roept zij een wereld op. Ook kan Hester van Beers heel beeldend zijn. De eerste strofe van het titelgedicht luidt:

Ik was altijd bang dat ik zou worden verslonden
door het einde van de roltrap. Ik klemde me vast
aan de hand die uit de hemel leek te hangen,
maar later gewoon van mijn vader bleek te zijn.

Een klein meisje dat zich vastklemt ‘aan de hand die uit de hemel leek te hangen’: een kinderlijke angst en een onvoorwaardelijk vertrouwen in zowel haar hemelse als haar eigen vader vallen in deze regels mooi samen. Later blijkt de angst te zijn gebleven, maar het vertrouwen is verdwenen. De roltrap blijkt een beeld voor de moeizame gang naar volwassenheid te zijn: ‘Soms wou ik dat de roltrap me verslonden had.’

De gedichten zijn niet altijd geslaagd, meestal doordat de beeldspraak ontspoort. In ‘Sneeuwbol’ maakt zij metaforen van metaforen: ‘Mijn hoofd in je handen / schud je tot het sneeuwt, / watersnippers voor mijn ogen // dwarrelen als droge kapucijners wanneer de pot door je vingers glipt, ( … ). Bovendien kan ik me bij ‘dwarrelende kapucijners’ kan niets voorstellen, bij vallende wel.
Deze gedichten zijn in de minderheid. Hester van Beers heeft in ieder geval laten zien dat zij talent heeft. Meer gedichten kunt u lezen in Meander.

De uitgever is helaas nogal slordig. In het stukje over de dichter en Katja Fred, die de illustratie op het voorplat heeft gemaakt, staan maar liefst acht spelfouten. Ik noem er een paar: ‘je [ … ] word’, ‘verantwoordelijkheid gevoelens’, ‘( … ) dat je een soort schuldgevoel overhoud’. Onnodig en ontsierend.

***
Hester van Beers (2016). Het einde van de roltrap. Lipari, 48 blz. € 14,90

 

Nanne Nauta, Bokalen

Bokalen is zijn meest intieme bundel tot nu toe, stelt Nanne Nauta in zijn inleiding. Hij ontdekte dat hij droombeelden in hun geheel terug kon halen als hij er korte notities van maakte. Zijn interesse in dromen was gewekt, vooral omdat recent onderzoek naar de werking van de hersenen veel nieuws heeft opgeleverd: ‘Zo weten we tegenwoordig waarom een droom vooral visueel is en een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Waarom je je een droom moeilijk of niet kan herinneren. Waarom er geen waarom is in dromen.’
Hij besloot een bundel te maken van droombeelden die hij gedurende een jaar noteerde: één zin per beeld. Met die moeizame herinneringen valt het dus nogal mee. En het visuele vangt hij in taal, in zijn taal, die natuurlijk de beelden kleurt. Vervolgens moet je zijn notities weer omvormen tot taalloze droombeelden.
De gedichten hebben de vorm van bokalen – de lezer mag ze leegdrinken. Een voorbeeld:

5.5

rij vanaf het vakantieadres terug in een 2CV met het stuur aan de rechterkant.
      wacht bij het CBR tot ze alledrie hun rijbewijs hebben opgehaald.
         betrap mijn vriendin in bed met een ander en loop huilend weg.
             rij met een voor een bruiloft afgehuurde tram door Parijs.
                 eet de laatste zelfgemaakte maaltijd met tomatensaus.
                            fotografeer een molen die verlicht wordt.
                                  drink een beker melk op IJsland.

De bundel roept veel vragen op en dat maakt hem amusant. Lukt het je de zinnen te vertalen in droombeelden? Je doet dat per definitie in je eigen stijl, als filmregisseur. En roepen ze ook eigen droombeelden op? Zie je per bokaal beelden uit één droom of uit allemaal verschillende? Je zou zeggen: het laatste, want de notities lijken uitgezocht op lengte om de vorm van een bokaal mogelijk te maken. Maar maakt dat wat uit? Een droom is immers een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Het is trouwens de vraag of we die willekeur als zodanig ervaren: we zijn geconditioneerd op het scheppen van een samenhangend geheel. Met enige fantasie is die in ieder gedicht aan te brengen.
Ook leuk: zie je relaties met andere bundels van Nanne Nauta? Met andere woorden: leren we de dichter beter kennen door zijn dromen? En als er geen waarom is in dromen, waarom droomt hij dan regelmatig over ‘een dichteres’, sport, school en een camping?

Raymond Queneau (1903 – 1976) is een belangrijke inspiratiebron voor Nauta. Aan hem ontleent hij het motto: ‘Il y a des rêves / qui se déroulent comme / des incidents sans importance …’. Kan zijn, maar ze hebben wel een mooie bundel opgeleverd.

***
Nanne Nauta (2017). Bokalen. crU, 64 blz. € 16,95

 

Anton Korteweg, Het oog van de dichter

Ons Erfdeel bestaat zestig jaar. Ter gelegenheid daarvan schreef Anton Korteweg de essaybundelbundel Het oog van de dichter, waarin hij vijfentwintig schilderijgedichten heeft opgenomen, ieder in een vaste volgorde: het schilderij, het gedicht en, in de woorden van Korteweg, een opstel. Het oudste is van Jan van Nijlen, het meest recente van Joost Zwagerman. Verder heeft hij gedichten opgenomen van Claus, Boutens, Heytze, Nijhoff en anderen. Charlotte Mutsaers schreef een prachtig gedicht bij ‘ Vader op fietstocht ’, het schilderij van Roger Raveel, waar ik naar kan blijven kijken. (Het hangt in het Centraal Museum in Utrecht).
Beeldgedichten over etsen, tekeningen, foto’s, non-figuratieve schilderijen en plastische kunstwerken heeft Korteweg niet opgenomen. In zijn verantwoording geeft hij aan welke criteria hij nog meer heeft gehanteerd: ‘Geen cumulatieve [gedichten, handelend over de totaalindruk van het hele oeuvre van een schilder], biografische, loftuitende, verguizende of fictieve schilderijgedichten [ … ], maar uitsluitend gedichten waarin de dichter zich verhoudt tot één bepaald schilderij.’

Een mooi voorbeeld is het ‘Middeneeuws portret’ van de jonge, nog bleue Jan van Nijlen (1884 – 1965). Een goed sonnet vind ik het niet, maar dat doet er in dit geval niet toe. Hij was zeer onder de indruk van de ‘ Idealbildnis einer Kurtisane als Flora ’ van Bartolomeo Veneto (ongeveer 1480 – 1531), te bewonderen in het Städelches Kunstinstitut Frankfurt. Zij was mogelijk ‘de scandaleuze dochter’ van paus Alexander VI en de minnares van paus Borgia.

Middeneeuws portret

Prinses! geschilderd door een primitieve
en eedle hand wier geen lijn is ontgaan,
waarom blikt gij mij dezen avond aan
in dit onzeker licht met uw naïeve

gevaarlijke ogen, die zo plots vergaan
en weer ontluiken? ‘k Durf niet naar believen
lachen of wenen, wanneer straalt uw lieve
onkuise blik dien niemand heeft verstaan.

Uw jonge borst is, half-omsluierd, naakt,
en met een hand wier lijn de kunstenaars roemen,
biedt gij een tuil van witte en rode bloemen …

Waarom staart gij zo onverschillig? Haakt
gij soms naar iets dat nooit uw hart genaakt,
prinses of vrouw! hoe zal mijn angst u noemen? …

‘Sletvrees van een timide en geïmponeerde adolescent?’ vraagt Korteweg zich af. Hoe anders keek de grote esthetisch-decadente schrijver J.K. Huysmans (1848 – 1907) naar dit schilderij. Hij noemt haar ‘die onverbiddelijke mooie androgyn’, voor wie hij heeft staan huiveren: ‘[ … ] zij is ontuchtig maar zij speelt open kaart; zij prikkelt maar waarschuwt ook [ … ]; zij zet aan tot wellust en tegelijk kondigt zij de boetedoening van de geneugten des vlezes aan [ … ]. Zij is bekoorlijk en ze is gevaarlijk [ … ]; zij heeft iets van een keelsnijdster en gifmengster in zich’. (Het citaat komt uit The Romantic Agony; de vertaling is van Anton Haakmans).

Gedichten over non-figuratieve schilderijen nam Korteweg niet op: er zouden er simpelweg te weinig zijn door het autonome, niet verwijzende karakter van deze werken. Via een achterdeurtje geeft hij in zijn verantwoording toch een mooi voorbeeld, hoewel het in mijn ogen een grensgeval is, omdat het schilderij wel degelijk een verwijzend karakter heeft. Het is het gedicht ‘Mondriaan’ van Tom van Deel over Bloeiende appelboom , met de mooie beginregels: ‘Dit is geen boom, dit is het metrum / van de boom. Een eenvoud waartoe alles, / ooit, moet herleid om heel en afgerond / begrijpelijk te zijn ( … )’. Korteweg schrijft er nog een mooie alinea over.

***
Anton Korteweg (2017), Het oog van de dichter. 25 schilderijgedichten belicht. Ons Erfdeel vzw, 272 blz. € 35,00

Gedichten

Hester van Beers (1995) studeert Medical Engineering. Ze vangt het leven graag in woorden. Haar debuutbundel Het einde van de roltrap verschijnt binnenkort. Poëzie van Hester werd eerder gepubliceerd in Meander Magazine, Tijdschrift Ei, Avier en in de bundel Toch, nachtegaal, zing voort van de Turing Gedichtenwedstrijd.

De bundel verschijnt op 11 maart en wordt uitgegeven door Lipari. De rode draad in de gedichten is de overgang naar de volwassenheid en daarmee het verlies van de kinderlijke zorgeloosheid. Wat kom je tegen op de reis na het einde van de roltrap, wanneer je zelf moet gaan klimmen?

 

Vaatvernauwing

Onze straat krimpt als een vaatvernauwing, iedere ochtend
wonen we dichter bij elkaar. Vonkjes vallen
op het asfalt, je hand een sigaret uit het raam. In iedere hoek

een vreemdeling; als je te veel spijkers in de muur slaat,
passen de foto’s niet meer. Mijn moeder durft
de telefoon niet op te hangen, bang

dat de stilte wortel schiet. De maan tekent gebouwen
op het fietspad. De bedden verstoppen verbrande dromen
over glimmende glijbanen in nieuwbouwwijken.

Onkruid

We weten dat je alleen op tijd komt
omdat niemand op je wacht. Jij weet
dat je te vaak de verkeerde kant
van de soldeerbout hebt beetgepakt.

Je bloedt op het papier en noemt het poëzie
om de wereld te verzachten. Je brein speelt krampachtig
de muziek van een unoxreclame;
als je je ogen dichtknijpt, zie je bijna
de stamppot op tafel, soms zelfs een schort en een moeder.

’s Avonds zoemt je elektrische tandenborstel
als je van kwadrant mag wisselen, je gehoorzaamt
fietspadknopjes en zebrastrepen. Alleen voor onkruid kniel je
nog, je gebeden zijn verstild tot het vermoeide kraken
van je zolen op het tuinpad.

Uit: Hester van Beers. Het einde van de roltrap
Uitgeverij Lipari. ISBN 9789082058802

Uitgeverij Lipari vraagt voor het omslagontwerp van door haar uitgegeven dichtbundels telkens een jonge (onbekende) kunstenaar. Sommige bundels zijn hierdoor ook in een museum te bekijken. Voor de bundel van Hester vroegen ze Katja Fred.
Katja is in 2005 afgestudeerd als illustrator aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Toch is ze meer dan alleen een illustrator: ze beschikt over meerdere kunstdisciplines. Haar persoonlijke illustratiewerk is gefocust op filosofie en ze zet haar kunsten graag in voor maatschappelijke kwesties.
 

Winnende gedichten

Met deze gedichten wonnen Hester van Beers en Onno-Sven Tromp de vijfde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Hester van Beers (1995)

Chocoladesigaretten

Het leven is een boot en ik hang kotsend over de reling.

Mijn vingers blijven het litteken vinden
op mijn knie, van toen we naar de trein renden
en ik te graag naar huis wilde om niet uit te glijden.

In je schouders woont muziek. Mijn duimen zweven
over je sleutelbeenderen die ik graag claviculae noem
omdat dat zo’n mooi woord is en er misschien nog iets
van ons terechtkomt als we zo mooi mogelijk
proberen te praten.

Ik vertel over hoe ik vroeger met mijn zusje in bad paste
en hoe eenvoudig dat was. Dat ik de handdoek om mijn schouders
sloeg om het kinderlichaam te verstoppen
dat op de badrand op het warme water wachtte.
Over hoe we in kleermakerszit
onder het klimrek zaten, chocoladesigaretten
tussen onze tanden geklemd, en opschepten
over onze vaders die koning waren.

Je zegt dat ik nog altijd te klein ben
om warmte vast te houden,
dat mijn binnenkant te dicht onder de huid zit.
Ik zeg dat ik naar het licht groei
en alleen ‘s nachts mijn ogen open kan houden.

Onno-Sven Tromp (1967)

Verder

ze tilde zichzelf op, dat ze kon zweven, of ik
het wilde zien, liep ze een eindje zonder de grond
te raken, het was een gebrek aan zwaartekracht

dat haar opbrak, hing ze zich als vitrage voor de
ramen, kon ik van binnen door haar heen kijken,
van buiten niet, of ik het misschien wilde zien,

ze lichtte haar hielen, zeilde ze als weesvlinder
door een wintertuin, dat ze behoefte had aan
houvast, ik wist het niet, een verdorde bloemknop

om op te zitten, had ik haar mijn hand gegund,
mijn gewicht tegen haar aan gelegd, had ik haar
uit de lucht gegrepen, riep ze me immers nog,

durfde ik niet te kijken, bang dat ze vleugels
zou breken, als bevroren papier, ze schreef hoog
haar vallende brief, was ze gevlogen, verder

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Bert Huisman (1950)

Drie minuten

zomaar ineens
om drie minuten voor twaalf
een zaterdagavond
terwijl het
buiten regent
en het zich
niet laat verklaren

daarvoor is iets
anders nodig
een andere taal
met zuivere tekens
desnoods een woord
voor meerdere dagen

Anne Cockaerts (1962)

het uur waarop een tuin moe wordt maar de slaap niet komt
we een woord zoeken om de dag op te vouwen

in een kast te gooien zodat de deur eindelijk dicht kan
ik tel elke vleugel van dichtbij

hou toch maar afstand fluister je
want vrienden sluiten deuren houden anderen uit het licht
dat zoet smaakt net voor de herfst

onze kat bladert in de struiken jij doet de gordijnen dicht
bijna vanzelfsprekend

Jolande van Lith (1966)

De perzik en de tirade

Als een roofdier in roze tule krimpt het Mariabeeld lege weemoed.
Dut maar dichterbij.
Vlij je postnatale mimiek maar tegen deze zieke hond.
Toeristen van ridderlijkheid schreeuwen kansloos griezelig de prooi als raad.
Proef dit motief van beklemming.

Loensend ontelbaar als wolk uit je kindertijd.
Loop altijd door op het trottoir en verraad de maan.
Geen tij laat zich vertrekken.
Dankbaar. Dansvloer. Full swing.

De perzik en de tirade,
zonderling te koop in een ongepubliceerde zucht.
Het raamkozijn vermoordt het gifgroene uitzicht,
terwijl de resolutie wordt opgehangen aan het ongelovig behang.

Hester van Beers (1995)

Zusje, bedek je ogen
met je vingerloze handschoentjes.
Onze geboortegrond is een hellend vlak

geworden, in onze straat
wordt doodslag gepleegd
en de lichten haperen

met krimpende tussenpozen.
Ik heb het muntje in het winkelwagentje
gelaten en ben naar huis

maar niet op tijd gekomen. Mijn dode hoek
is gegroeid tot blindheid waarin beweging
niet bestaat