Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Jeanet van Omme (1960)

ruikt vrijheid naar cacao

ruikt vrijheid naar cacao of naar benzine op de natte keitjes van de dam
nadat je weer eens dwazig nachtelijke grachtenrondjes hebt gefietst
trap de liefde van je af voor de hond die door de dronken wolf is gedood

naar koffievlekken op matrassen bij vriendinnen (die nog geen vriendinnen zijn)
naar vissige mannen die domweg zonder liefde zelfzuchtig willen kussen
verdwaal richting rivier dump je dode mussen hier nee luisteren is dat niet

naar natte slopen van zomaar huilend wakker worden om de schaamte
die blijft plakken dat juist jou dit overkwam hé meisje houd er de moed maar
harnas jezelf in hoed en palestijnse sjaal weersta de ogen die lachen

om jou en je gestolen fiets en die je geen van allen kent
naar iets naar het bloed van jouw hond die gedood is door de dronken wolf
blijf lopen lopen lopen en niemand weet dat je hier bent

Angelo Di Berardino (1953)

Genesis revisited

in den beginne
toen hij jong was en geen kleren droeg,
en de wereld nog naar wolken rook,
heeft hij zich een vrouw gedicht,
bang om alleen te blijven.

daarna, van vrouw en
slang bezeten, zich prompt een appel
door de keel gejaagd.

dan onvoltooid, de oermelk van
de dichter nog in zich, de rug gerecht, de nek
gekneed, de schouders in een mal gegoten,
de kop uit klei gebakken.

zo werd hij adam 2,
verwekker van zichzelf. en wie hij liefhad
was verdwenen. of hier en ongeboren.

ach eva, wanhoop niet.
straks raapt hij zich weer samen, maakt
zich los uit klei en water. als hij terugkijkt
op wat was. en zegt:

een man, een vrouw. een bed
van blaren. zo moet het geweest zijn. wat hijgen
en zweten, wat armen en benen, wat
op en neer. niet meer
dan dat.

niet minder dan dat.

Peter de Volder (1958)

Interactieve tv.

Welkom bij Interactieve tv – alle menuschermen
worden nu opgehaald en geladen.

Als ze zijn geladen verschijnen in drie categorieën alle foto’s
die wij voor U in onze Cloud hebben geplaatst:
Toen, Nu, Later. U bevestigt uw keuze met OK.

Mogelijk vervalt de keuze Later: sorry, weinig toekomst over.
In dat geval is uw verleden voor deze voorstelling veel te uitgestrekt
en vervalt derhalve ook de keuze Toen.

Zoals over alles kan ook over de definitie Ouderdom
via de rode knop binnen en buiten kantooruren
onderhandeld worden (1 Euro / min.).

Als na tien minuten de menuschermen nog op het scherm staan

zet u de digitale ontvanger uit en weer aan.

Anne Meerbergen (1954)

wij stonden klaar
met dampende schotels en vaatwater

wasten kinderen en kleren
tot ze niet meer pasten

wij vertelden verhalen
toen alles donker werd

wij hadden armen zacht
geurend en grijpgraag
knipten nagels en vleugels
lieten kinderen mondjesmaat gaan

wij strooiden tijd en doodden
het brood voor de vogels

Gedichten

People are strange

Door smalle deuren zijn wij gegaan, op
trappen van cellofaan, wij leefden dit leven
met vingers van vrede. Kwamen wij u tegen,
dan kende u ons niet, wij droegen bloemen,
de rug gekromd, het hoofd rechtop. Niets

zijn wij geweest en alles, en in het diepste
van uw aarde heb ik dit gezien. Een schoft
van een mens, zijn heimelijk kruipen. Ik hoorde
moeders kreunen, zag de monnik branden,
de angst in de ogen van mannen.

Te vroeg hebben wij de bloemen afgelegd,
de woede in lagen van ons afgepeld. Zo
hebben wij ons doorgegeven, de leugen
hersteld, huizen gebouwd, kinderen gebaard.

Wie we geweest zijn, wat we voor u waren,
nooit minder dan dit, een handvol dwazen,
wat wierook en duiven. Geen koning of dichter,
geen ridder of zoon. Zelfs geen dwerg of god.

Band on the run

Getekend maar niet geschonden, de ogen nog
parels, de handen doorleefd. Zo zwerft ze rond,
haar schaduw wat zachter, in alles veranderd,
in alles dezelfde, in sporen van vroeger.

Vroeger. Het buigen van tralies, het slopen
van muren, de vlucht uit al haar straten. En dan,
de vrouw die traag haar borsten toont.

Ik heb vrede met haar gesloten. Zij was het
niet die mij vergat, die bleek en gebogen
uit mijn huizen brak. Ik zal vragen wie het was.

Toen wij nog vreemden waren voor elkaar
heb ik mijn dagen gespaard, mijn woorden geteld
voor nu en later. Zo zijn wij gebleven, zo zullen wij
nog, bij leven en welzijn,

ontiegelijk lang, onnoemelijk samen.
En niettegenstaande.

Medische Beeldvorming

Het is gezegd, het is geweten
dat je doodgaat in dit leven. Dat de zeeën
zich weer sluiten. En altijd veel te vroeg.

Slaap, het is al laat, de aarde is voorbij.
Wat rest, is niet veel meer. Dan dit.
Een handvol dagen, drie witte mannen
met donkere woorden. Ze nemen je mee. Ze stelen
je bloed. Ze zeggen dat het einde komt, de leegte
van het vers gedolven graf. En buigen een hoofd,
zo diep dat ik er stil van word.

Kom, leg je adem in mijn handen.
Neem je blauwste penseel. Strooi verhalen
in mijn aders, leef in mij. Want niets kan nog bestaan
en niets is minder waar, dan de leugen
van dit sterven.

Recensie van De Vadergedichten - Angelo Di Berardino

De dood van een verwante vader

Angelo Di Berardino
De Vadergedichten
Uitgever: Gedichten.nl
2012
ISBN ----
€ 12,50
60 blz.

Het persbericht bij deze bundel meldt:

Elke dag gaan er duizenden vaders dood. Telkens iemand anders. Telkens anders. Deze 21 gedichten zijn het relaas van het doodgaan van één van die vaders. Maar tegelijk ook van het voortleven in de herinnering van wie achterbleef. Angelo Di Berardino (geboren in België, Italiaanse nationaliteit, woont in Frankrijk) publiceerde in de jaren ’70 in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Hij publiceerde twee dichtbundels en schreef daarna nog twee andere bundels. Hij won ook enkele literaire prijzen. In 1978 stopte hij met schrijven. Na 34 jaar literaire stilte verschijnt nu De Vadergedichten.

De Vadergedichten gaat over sterven en afscheid. Over leven met het onontkoombare, over verlangen naar nabijheid, en over de angst daarvoor: ‘Zijn polsen warm in mij, de ogen/ levend, mijn handen lam van hem niet te hebben/ aangeraakt. Het is genoeg geweest.’ (Uit: Mijn Geheime Kamer.)

Hoe te handelen? ‘[V]uisten maken naar wat nog/ komen moet. En wat al is.’ staat er in Wat Nog Komen Moet (En Wat Al Is). De titel herhaalt niet voor niets met vette kapitalen deze woorden uit laatste zin van de tweede strofe; het accentueert het belang van het leven in een tussentijd, een tijd dat de tijd stil staat, wanneer je je slechts over kunt geven aan het leven, dat een intentie krijgt die alle dagelijkse futiliteiten terzijde schuift of tot dissonanten maakt. Toch ligt naar mijn idee de kern bij het ‘vuisten maken’.

Hoe dichtbij de dichter de dood ook laat komen, met woorden houdt hij hem ook op een afstand. De hele bundel door worden er archaïsche beelden opgeroepen, beelden uit een ver verleden om de dood te lijf te gaan: ridderbeelden, zwaarden, poorten, gezadelde en steigerende paarden, allemaal bedoeld lijkt het wel om de tijd buiten de deur te houden, de huidige tijd, de tijd waarin het sterven plaatsvindt/ plaatsvond.
De kanker wordt laf en slim genoemd, als het paard van Troje; de ‘Grote Dood’ een Woeste Krijger. Er zijn Moren, Tartaren, kozakken, kanonnen die de stervende belagen; antieke oorlogsbeelden.

Angelo Di Berardino dicht het ziekteproces van zijn vader. Ik kan niet schrijven: dicht over, want ik kreeg sterk de indruk dat een aantal gedichten ‘ten tijde van’ geschreven is, met een directheid die de gevoelens van onmacht en verwarring bijna tastbaar maken. Tegelijkertijd geven de gedichten het gevoel dat ze voor de zoon een middel zijn geweest om zijn emoties beheersbaar te houden, om zich niet te laten overweldigen door het verdriet dat het einde, al voor het zover was, opriep.
Maar ook is er de pijn om de afstand die hij zelf creëerde, roept hij de dode met woorden weer tot leven:

Ik dacht, ik heb hem van mij afgeschreven,
de handen losgemaakt, met mijn scherpste
woorden de navel doorgesneden. Maar altijd
is hij teruggekomen, jonger dan hij is geweest.

Uit: Gedicht Voor Layla En Jack

Bij het lezen van de opdracht die de bundel meekreeg dacht ik wel even ‘ay, ay’:

Uit respect voor wie hij is geweest,
als troost voor wie hem heeft gekend.

Het blijft immers altijd de vraag wat een poëzielezer aanmoet met de dood van een vader die hij of zij niet kent. Mooi dat iemand een monumentje maakt voor zijn vader, maar ik denk dat er maar weinig mensen zijn die de begrafenis willen bijwonen van iemand die zij niet kennen, tenzij in een vreemd land, als een exotisch gebeuren, of wanneer het een beroemdheid betreft. Het verdriet dat iemand ervaart die een dierbare heeft verloren kunnen we ons voorstellen, maar wat gaat het ons aan?
Ondanks de vele persoonlijke zaken en plaatsen (Italiaanse) die in de gedichten worden benoemd, heeft dát mij geen moment gestoord. De vele en vette kapitalen begonnen mij te storen. En een aantal keren stuitte ik op een zin waarvan ik dacht: dat kan beter, of: dit zijn wel erg baardige clichés. Toch heb ik mij geen moment ‘verveeld’ (het woord is in deze context een dissonant). Dit is het probleem met deze bundel, en het wonderlijke ervan, dat de vraag of dit goede poëzie is, niet relevant lijkt. Om eerlijk te zijn, het interesseert mij ook niet.

Kort geleden zag ik een tentoonstelling met ‘outsider kunst’; art brut, kunst gemaakt door boeren, zonderlingen, psychiatrische patiënten. Onder de tentoongestelde schilderijen waren enkele qua zeggingskracht onvergetelijke meesterwerken. Deze gedichten deden mij daaraan denken. In technisch opzicht zijn ze misschien niet allemaal volmaakt, maar ze bezitten wel een eigenschap die mijns inziens veel belangrijker is, namelijk echtheid. Ze zijn geschreven vanuit een innerlijke noodzaak, en dat is waarmee ze de daarvoor gevoelige lezer raken, al verschilt de intentie per gedicht.

Het lezen van De Vadergedichten heeft mij verdrietig gemaakt, mij het verdriet bewust gemaakt van alle mensen. Vroeg of laat verliezen we wie of wat ons dierbaar is, en dierbaren verliezen ons. Daarnaast maakt De Vadergedichten mij er opnieuw bewust van hoe dicht wij hierin naast elkaar leven, aan elkaar verwant zijn.

Er zijn duizenden perfect geschreven gedichten die het hart niet raken, maar onder de woorden van deze gedichten, die soms onnauwkeurig en misgeschoten zijn, soms onmachtig of prematuur losgelaten, word je boven alles de liefde gewaar voor een dierbare, die – als voor de dichter zijn vader – Onze Grote Dierbare zou kunnen zijn:

Een Koortsdroom

De muren zijn gevallen, de vogels geland, en
niets kan nog ontroeren. Mij is verteld
dat de dag komt na de nacht, ik wou dat ik je kon
geloven, nu op de rand van dit verlijden geen
deur meer open staat. Er is geen weg terug,

geen exit, dan een laatste droom. Een afgrond
in de Andes. Wolken van weemoed, velden
van sneeuw, je witte adem bijna dood
gevroren. En onder je, in je, valleien van vrede.
Vlinders en bloemen. O de kleuren, de kleuren!
Je beslist dat je springt.

En je valt niet, je vliegt. Het verlangen nog
schaduw te zijn, je weigerend haperen, razend,
bedwelmend. Zo sterk en ontkoombaar
heb ik je nooit gezien.

Maar droom niet, hoop niet, hunker niet. Slaap
en ontwaak en ga, nu ook vandaag de koorts weer
het laatste woord krijgt, laten we elkaar nooit meer
vergeten. Geen ogenblik, en zeker geen dag.