Recensie van Gedurig nader - Huub Beurskens

Veel poëtisch plezier met Jan Luyken en Huub Beurskens

Huub Beurskens
Gedurig nader
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313461
€ 16,50
53 blz.

Het singen, ’t springen,         
’t fluyten, ’t tuyten,
En ’t swieren….

Beeldend kunstenaar Huub Beurskens ontwierp zelf de lay-out van zijn nieuwste bundel. Een tekening van Goya van een schommelende wat karikaturale figuur, onder de in wit uitgevoerde titel ‘Gedurig nader’ op grijs perkamentachtig papier afgedrukt, geeft de bundel een bijzondere uitstraling. De titel is afkomstig van dichter/mysticus/emblematicus/graficus Jan Luyken uit 1711. Degene die afgaande op deze stichtelijke titel zou denken dat het om religieuze gedichten gaat, geschreven vanuit een diep mystiek gevoel, komt bedrogen uit. Integendeel: de bundel staat in het volle leven. De bundel lezend en bestuderend moest ik voortdurend denken aan het woord ‘speelplezier’, dat muzikanten gebruiken wanneer ze, met elkaar samenspelend, een hoogte bereiken en alles lukt in een perfect samenspel: ik heb de laatste tijd zelden een bundel gelezen, waarin binnenrijmen, assonanties, klankverwantschappen, vrije en gebonden vormen, beschouwingen over beeldende kunst van toen en nu en jeugdherinneringen in een grote beheersing van de techniek samenkomen. Het lijkt alsof de dichter een mateloos plezier had in het schrijven van deze gedichten. Niet alleen een veelheid van vormen maar ook van onderwerpen. Beeldende kunstenaars spelen een rol – wat voor een beeldend kunstenaar als Beurskens niet vreemd is, maar ook componist Louis Andriessen figureert in de bundel. De dichter ziet hem in de Utrechtsestraat lopen, vermoedelijk muziek ‘makend’, wat de gedachte aan het speelplezier alleen maar versterkt. Dat hij van Louis Andriessen het prachtige minimalistische werk ‘Hoketus’ noemt, pleit voor zijn muzikale smaak. Ik heb voor mijn recensie dan ook, als een soort eerbetoon aan de keuze voor een titel van Jan Luyken, zelf een motto gekozen uit een joyeus gedicht van dezelfde dichter, hier meer als observator en minnezanger dan diep piëtistisch mysticus: ‘Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynbergs’, laat ik maar zeggen: ‘Op het mooi dichten van Huub Beurskens’. Misschien werd beeldend kunstenaar Beurskens wel geïnspireerd in het Amsterdamse Museumkwartier, schilderijen bekijkend en becommentariërend, want dwars door dat stukje Amsterdam loopt de Jan Luykenstraat. Maar dit is in zeventiende-eeuwse termen een ‘terzijde’.

Ik ben mijn foto niet

‘Ik ben geen camera,’ schreef W.H. Auden. En ik ben
mijn foto niet, hoe je er ook op ziet of ik reeds oud en
grijs word en veel weg heb van mijn vader Wim of juist
van mijn moeder Miep, misschien zelfs of er iets huist

in me van grim of griep, of ik blij ben of melancholiek.
Ik ben mijn foto niet, noch die waarop ik haast geniek
de lens in kijk, noch de kiek waarop ik mijn lijk al lijk,
geschoten in de studio van de röntgenkliniek. Want ik

zie ik zie wat jij niet ziet. Dit maakt mij veel meer uit
dan mijn snuit: dat waar ik in zelfvergetelheid naar kijk,
de zee, een berg, die eik, een mier, wat ik hoor, een lied,

die lach, verdriet, of in gedachten voor me zie, een tiet,
een ramp, een kamp, de blondine die haar lippen tuit.
Meer vertel ik niet. Zie maar of je het op mijn foto ziet.

Ik vind dit geciteerde gedicht niet het mooiste uit de bundel, maar het geeft wel aan wat ik bedoel met de bijna virtuoos gehanteerde vormaspecten. Het betreft hier een sonnet, waarin de dichter zichzelf wel en niet tentoonstelt: hij is zijn foto niet en ziet wat wij niet zien, niet de fysieke dingen van het leven als ouder worden, maar wat binnen in hem leeft, de immateriële zaken, de dromen, de voorstellingen, de innerlijke muziek, die hij vanuit een ontkenning of verrijking van het nu beleeft. Misschien heeft hij een gedicht van Jan Luyken in gedachten gehad, waarin de regels voorkomen ‘Maar in het diepst van mijn gemoed / Daar werd het liefelijk en zoet.’ Zijn ‘snuit’ is daarbij niet zo belangrijk. Hij geeft gelimiteerde informatie, want hij vertelt niet meer dan dat. Het is aan ons lezers, kijkend naar het gedicht dat een foto wordt, om te zien of het waar is.
Het gedicht begint met een beschrijving en een constatering, waarna in het eerste terzet een wending optreedt: ‘Dit maakt mij veel meer uit’. Een laatste regel, waarin hij uitnodigt naar zijn foto te kijken, lijkt het gedicht logisch af te sluiten, al blijft de lezer in het onzekere: de dichter is immers niet zijn foto. Wat betreft de vormaspecten: zo rijmt Auden als binnenrijm op ‘oud en’. In r.2 rijmt in een binnenrijm ‘niet’ op ‘ziet’. De twee enjambementen in het eerste kwatrijn verplaatsen het accent. In kwatrijn 2 rijmt ‘griep’ op ‘Miep’, waarbij ‘melancholiek’ dan een klinkerrijm is. De ie-klank kleurt de tweede strofe, terwijl er ook nog een duidelijk stafrijm te vinden is: ‘grim of griep’. Het woordgrapje van het lijken op het lijk op een röntgenfoto vindt zijn aanvulling door juist dit binnenste van de mens in die zelfde ie-klank te ontkennen, er is plaats voor dromen: ’zelfvergetelheid’. Van de vele binnenrijmen en klankovereenkomsten noem ik nog ‘tiet’ en ‘blondine’, en ‘ramp’ en kamp’. Het is een leuk tijdverdrijf voor liefhebbers van goed gebouwde poëzie om dit gedicht eens te analyseren.
Niet alle gedichten zijn zo beschouwend, hoewel in bijna allemaal een afstandelijkheid te herkennen is en een gevoel voor ironie. Dat beeldend kunstenaar Beurskens zich laat inspireren door schilderijen die hem tot constateringen en opvattingen brengen, is ook niet vreemd. Het begint al in zijn eerste gedicht, het titelgedicht ‘Gedurig nader’, waarin hij, kijkend naar een schilderij van Aelbert Cuyp, tot de volgende opmerking komt: ‘Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden / van de zeventiende eeuw het Bergachtig Landschap / met ruiter en veedrijvers geschilderd (nu te zien in / Londen) was ook ik me gaan wijden aan bidden // de rest van mijn leven’. Waarom, kun je je dan afvragen? Iets verderop geeft de dichter antwoord: ‘Kunstgeleerden suggereren // dat zodra de streng gereformeerde Cornelia Bosmans / met Cuyp was getrouwd, zij hem verbood ooit nog / iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch / Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van / na zijn veertigste geen enkel werk bekend is’. Andere schilders die passeren zijn Jan Weissenbruch, Jan Verspronck en Alfred Sisley. Ook de klassieke oudheid maakt onderwerp uit van de poëzie, evenals zijn katholieke verleden, o.a. met een vermakelijk anekdotisch gedicht over een tekening van de pater rector, die de puber tekent, waardoor er een pater erector ontstaat, waarna een weemoedig demasqué optreedt (De Vernissage, p38). Er zijn herinneringen aan geliefden.
Er staan meerdere sonnetten in de bundel, maar daarnaast ook wat vrijere verzen, soms lijken ze op prozagedichten, soms zijn het verslagen van het bekijken van kunst, soms zijn ze gewoon lyrisch en ontroerend. Altijd is de taal verzorgd, altijd is er een poëtisch moment. Er is een gedicht in deze veelzijdige, fraaie, plezierig leesbare bundel dat een algemeen gevoel van nostalgie weergeeft. Met dat mooie gedicht (ja, poëzie mag hier mooi zijn, mag lyrisch en indringend zijn) wil ik deze recensie besluiten. Het was weldadig weer eens zo bezig te kunnen zijn met poëtische momenten van mooie en goede poëzie, misschien niet groots, misschien niet bijdragend tot de verdere ontwikkeling van ons literaire besef en de poëtica der Nederlanden, maar wel een cadeautje.

Pianoklanken

Of prelude, sonate of nocturne, of Chopin,
Ravel of Liszt, uit een raam op tweehoog of uit
geopende verandadeuren – wie die onverwacht

ooit wat pianoklanken hoorde, enkele maten
slechts, in een regenachtige ochtendstad, in
populierenlaangeuren of dorpspleinschemer,

dacht niet even dat hij zou willen janken,
al wist hij niet om wat of wie? Misschien
zelfs niet vanwege die flard melodie, maar –

Wie zijn wij toch, om wat ons zo ontglippen
kan dat we het wel moeten haten, zo mooi
te willen laten klinken dat het ons zal raken?

***
Hubertus Petrus Willem Beurskens werd in 1950 geboren in Tegelen. Middelbare school bij Augustijnen in Venlo. Daarna bekwaamde hij zich als beeldend kunstenaar op de kunstacademie in Tilburg. Hij debuteerde in 1975 met Blindkap. Hij was redacteur van Het Moment en van De Gids. Hij vertaalde zelf veel uit Amerikaanse literatuur en uit het Duits, o.a. Georg Trakl. Zijn poëzie is in het Engels en Duits vertaald. Hij won veel prijzen, waaronder de Herman Gorterprijs, de VSB-poëzieprijs, de Halewijnprijs van de stad Roermond en de Jan Campertprijs. Huub Beurskens woont in Amsterdam. 

Gedichten

HOTEL EDEN

Was het voor God geen al te menselijke blamage
om in zijn hof een boom te planten en een wezen,
zich bewust van goed noch kwaad, de wacht
aan te zeggen, wetende dat het ervan eten zou,

door de eerste schuld te geven aan diens vrouw?
Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,
dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,
pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage

waaruit we terug willen op die Plantage, als slaven
harken of als varkens wroeten desnoods, om stil
ons verworven inzicht te laven aan dat bitterzoete

en in de avondkoelte God opnieuw te ontmoeten.
Of worden we dan weer ledenpoppen zonder wil?
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.

DE GEHEIMZINNIGE STER

Op een nacht – het weer is goed, de zee is kalm
– verschijnt volkomen onverwacht een ster die
zo snel nadert dat ze algauw een meteoor blijkt
die, zoals koortsachtig is berekend, de aardbol
weldra finaal verwoesten zal. Het asfalt smelt,
de ratten verlaten de riolen al. ’s Ochtends volgt
de knal: wat pannen van daken, wat scheuren
in muren, gesprongen leidingen en glas, gevaar
geweken, het gevaarte vervolgt zijn baan. Slechts
een brok ervan viel noordelijk in de oceaan. Voor
Kuifje reden om met Bobbie op avontuur te gaan.

Voordat het geheel onder water zal verdwijnen
zet hij voet op het stukje buitenaardse grond.
Terstond groeit een paddenstoel er tot enorm geval.
Uit de pitten van de appel waarvan hij niet verder
at omdat er een rups in zat, groeien ’s morgens al
planten en ’s middags staan er reuzenbomen waar
een vlinder tussen vliegt met een vleugelspanwijdte
die er niet om liegt. Bobbie gaat op de loop voor
een kanjer van een spin. Gelukkig wordt die geplet
door een appel van een kilo of tien. Maar ook Kuifje
krijgt er een op zijn kners! Zoals het helden vergaat

worden ze op het nippertje gered. Zelfs de kapitein
is blij: ‘Eindelijk weer land in zicht, duizend bommen
en granaten!’ ‘Is de olie op?’ ‘Erger nog! De whisky!’
En zo zitten wij in een Brussels café, hij een Scotch,
voor Bobbie een bot, de reporter met thee, en ik met
een Stella en vragen: wat als wij honderd keer groter
en sneller leefden of veertig maal kleiner en trager?
Leven de planten onze tijd? En de leeuwen? Bestaan
er planeten met nanoseconden tussen eten en schijt?
Hond noch heren kan het interesseren. Hun wacht
alweer een nieuw geheim: dat der vervlogen eeuwen.

ALS GEEN LICHT MEER DOOR LINNEN DRINGT

‘Weet je hoe je kunt zien wanneer iets goed geschilderd is?’
vroeg mijn oom in zijn hobbykamer, waar hij zijn Meer bij
zonsondergang met de voorkant tegen de middagzon hield.
‘Als er geen licht meer door het linnen dringt.’ Ik draaide

de ansicht om die als voorbeeld had gediend: Camping
Seeperle, Bodensee, en wist opeens dat ik liefst elk gedicht
met sinterklaasrijm wilde schrijven, inhoudelijk haast zonder
gewicht, in de hoop – ‘We kwamen er vaak, je tante en ik’

– dat er vanzelf iets in sloop en daar bleef waar geen vinger
achter te krijgen is, zoals ofschoon je engel je niet mis
te verstaan zijn Eden uit gewezen heeft, de herinnering

aan zijn meisjesgelaat, dat een en al buiten was zo zonder
noodzaak van een binnen, dat je aldoor hoopt het weer
te zien wanneer ooit geen zicht meer door linnen dringt.

Uit: Huub Beurskens, Hotel Eden, Nieuw Amsterdam, 2013

Recensie van Hotel Eden - Huub Beurskens

Het vriendelijke uitzicht op een kerkhof

Huub Beurskens
Hotel Eden
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2013
ISBN 9789046815274
€ 17,50
48 blz.

Hotel Eden heet de nieuwste bundel van Huub Beurskens. Eden herinnert aan het paradijs, hotel aan het feit dat we hier maar een tijdelijk onderkomen hebben.
Het titelgedicht begint als een nogal suggestieve vraag:

Was het voor God geen al te menselijke blamage
om in zijn hof een boom te planten en een wezen,
zich bewust van goed noch kwaad, de wacht
aan te zeggen, wetende dat het ervan eten zou

Het verhaal veronderstel ik als bekend: wij zouden er niet zijn geweest wanneer Adam en Eva niet van de boom van goed en kwaad hadden gegeten, die God in het paradijs had geplant. Wij zijn de vrucht van de vrijheid die zij gekregen hadden om te zondigen. De tweede strofe:

door de eerste schuld te geven aan diens vrouw?
Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,
dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,
pezen, moorden in heel de aangerichte ravage

Eva werd verleid door de duivel in de gedaante van een slang, en zij haalde Adam over om ook van de vrucht te eten. ‘Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,’ – Hier wordt de Bijbelse mythe in verband gebracht met het geweld dat teveel mensen aan den lijve ervaren. De mens schept goed en kwaad. Ik ervaar deze tweede strofe van het sonnet als vul en lapwerk. Niets dan lege, keurig op maat geschreven clichés; maar we lezen verder:

waaruit wij terug willen op die Plantage, als slaven
harken of als varkens wroeten desnoods, om stil
ons verworven inzicht te laven aan dat bitterzoete

en in de avondkoelte God opnieuw te ontmoeten.
Of worden we dan weer ledenpoppen zonder wil?
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.

Ik heb al aangegeven dat de vrijheid een voorwaarde was om te kunnen zondigen. Het is met name de kerk die altijd heeft gehamerd op de gehoorzaamheid aan God. Want anders de hel. Dus: ledenpoppen; dat is de prijs die je zou moeten betalen om teruggekeerd te mogen werken op de Plantage die het paradijs uiteindelijk, in Beurskens visie, blijkt te zijn. Alles beter dan het leven in vrijheid hier; dat blijkt het bitterzoete inzicht.
Adam en Eva werden het paradijs uitgejaagd met de woorden: in het zweet uws aanschijns zult gij de aarde bewerken. Het gaat dus over onze situatie.
In het paradijs hoefden ze niets anders te doen dan namen geven aan alles wat bestond. De eerste dichters waren zij, die eerste naturisten.

Over het belang van herkenbaarheid kunnen de meningen sterk uiteen lopen. Het lijkt nog steeds een scheidslijn te vormen tussen traditionelen en modernen. Herkenbaar is de poëzie van Beurskens zeker, en klassiek. Het werken in traditionele, rijmende, versvormen brengt wel het risico met zich mee van stoplappen. Bij het merendeel van zijn gedichten vallen ze niet zo erg op, omdat de dichter ruimte gaf aan zijn woorddronken verbeelding:

Alleenspraak in de herfst

In de warme oktoberzon in een stadspark gezeten
met schrik beseffen hoeveel najaren voordien je al
wist dat, in tegenstelling tot jij nu, geen wesp die
zwermt het zwermen der wespen van de herfst

tevoren mist, geen kruisspin zich kruisspinnen
herinnert, daar zij er niet waren in hun eertijds
dat je kent. Van den beginne maak ik deel uit
van het einde der dagen, wat intussen niet went

hoewel ik er de afgrond zelve toe ben. Stiller
spelen kinderen in hun vragen waarvan de klanken
verder dragen. Dat ik mensen in het gras zie liggen
als na hun laatste val, ligt aan mij en niet aan hen.

Wij weten dat we sterven. Dieren niet. En het komt niet door de kindervragen dat Beurskens mensen als doden in het gras ziet liggen. Het ligt aan hem.
Niet alles is even duidelijk in dit gedicht; de schrik van zijn besef ‘hoeveel najaren voordien hij al wist’ begrijp ik niet, en wat: ‘stiller spelen kinderen in hun vragen’ feitelijk inhoudt, is mij ook een raadsel; je kunt er heerlijk mijmerend je gedachten over laten gaan. Het klinkt wel. En ze spelen waarschijnlijk in dat park. Zo stil dat men ze al van verre hoort.

Beurskens zit vaker in een park:
Ik zat vandaag machtig tevreden op een parkbank
in het al wat warme licht van de zon waarvan ik
wist dat ze niet eeuwig schijnen zou, zag de rokers
met draagbaar infuus voor hun ziekenhuisingang,

(uit: ‘Al lenteachtig’)

Hij is dikwijls in de natuur, en veel van zijn gedichten zijn daarvan evocaties:

In een zonnespiksels doorglansde zomermorgenboom
kwetterde een spreeuw mij parmantig van alles en nog wat
toe,

(uit: ‘Als spreeuwen’)

En hij komt (zijn ziel) misschien op een keer (mocht hij bestaan) zowaar ook in het paradijs! Zo stelt hij zich dat voor:

In het paradijs

Mijn ziel – stel, ik had je, en stel, je
moest niet naar de hel -, ik stel me
je na mijn dood voor als een rare sijs,
natuurminnaar, verloren in het paradijs,

waar, op een open plek, een wilde engel
sluimert, half pauw, half meisjesbengel.
Bekijk dat opgewonden, raak het onder-
zoekend aan, sta versteld van het wonder,

o, om dat te beschrijven, als allereerste
en dan…- Maar het spijt me ten zeerste
er zijn geen vakbladen begrijpelijkerwijs,
want helemaal geen lezers in het Paradijs!

Daar sta je dan, je kunt het amper geloven
met je woordeloze catastrofe.
Wie moet je het vertellen, wie hier,
van dat slaperige dier?

Waar is de wereld met de namen der rozen,
de musea met genummerde balgen in dozen?
En je staart en je staart door je tranenvloed heen
naar waar een vleugelpaar in het onbenoembare

verdween.

Ik had een sterke neiging om met dubbel o en sch te gaan schrijven; voelde mij woordgewijs in de 19e eeuw gedropt.
Alleen zou het gedicht destijds niet verschenen zijn vanwege het bepotelen van een sluimerende engel; tevens ‘slaperig’ dier en meisjesbengel!
Hij zou er graag over schrijven.
Wellicht hoopte hij, naast de mogelijkheid van publicatie, via vakbladen de zekerheid te krijgen dat hij echt een engel had betast. Die halve pauw roept twijfel op.
Ineens was ‘het’ verdwenen.
De tranen schieten ook mij in de ogen.
Als natuurminnaar liep hij daar natuurlijk verloren. Een aangeharkte plantage, door varkens doorwroet….

Wat ik ten ene male mis in Hotel Eden is urgentie. De dichter is zich op zijn manier bewust van de vergankelijkheid, geniet van het leven en wil al de zaken waarvan hij houdt voor ons vastleggen, en voor het nageslacht. Conserveren van essentiële zaken lijkt mij een belangrijk iets. De meeste gedichten lezen licht en plezierig. Het is hoofdzakelijk ‘feel good’-poëzie; als je daarvan houdt, met of zonder glaasje prik uitstekend te genieten.
Maar voor mij blijft zij toch vooral kitsch.
Ik hoop dat Beurskens zich zal revancheren met een bundel levende poëzie.

***
Huub Beurskens (1950) schrijft poëzie, proza en essays. Voor zijn poëzie ontving hij de Herman Gorterprijs, de Jan Campertprijs en de VSB Poëzieprijs.

Recensie van Het Artisbestuarium - Huub Beurskens (sam.)

Zie toch het nijlpaard

Huub Beurskens (sam.)
Het Artisbestuarium
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2013
ISBN 9789046814666
€ 17,50
160 blz.

Op 27 maart van dit jaar vierde Artis, de dierentuin die vooral ook mensentuin wil zijn, zijn 175-jarig bestaan. Ter gelegenheid daarvan verscheen begin juni Het Artisbestiarium, een keuze door Huub Beurskens van dierengedichten uit de wereldliteratuur. Prof. Erik A. de Jong (Artis leerstoel Cultuur, Landschap en Natuur aan de UvA) schreef een voorwoord.
Ik kan niet anders zeggen dan dat het een erg mooie uitgave geworden is: degelijk uitgevoerd en rijkelijk in kleur geïllustreerd met prenten uit de Artis-bibliotheek en de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam – oude affiches en nostalgische ‘dierenplaatjes’ waarvan ik sommige meen te herkennen uit de oude Portielje-albums.
En Huub Beurskens gedichtenkeuze is prijzenswaardig.

Niet zo heel lang geleden verschenen er twee lijvige bloemlezingen die samen wel zo ongeveer alles leken te bevatten wat er aan fatsoenlijke dierenpoëzie geschreven was. Wim Zaal stelde in 2006 voor Meulenhoff Een leeuw is eigenlijk iemand samen, 350 gedichten van 220 dichters, en een jaar later kwam bij Nieuw Amsterdam Guus Luijters’ Het Grote Dieren Gedichten Boek uit met bijna 500 gedichten van 280 dichters. Een andere bloemlezer zou misschien voor de makkelijke weg gekozen hebben en voornamelijk deze twee bronnen hebben geplunderd, maar Beurskens heeft zich duidelijk ingespannen en toch weer veel nieuw werk weten te vinden.
Vier gedichten vinden we ook bij Zaal, veertien bij Luijters; slechts één gedicht staat in alle drie de bundels: Jan Hanlo’s unieke ‘De mus’.

Het Artisbestiarium telt 75 gedichten van 19 Nederlandstalige en 41 buitenlandse auteurs, waaronder ene Job (Palestina, jaartal onbekend), van wie ‘Het nijlpaard’ werd opgenomen: ‘Zie toch het nijlpaard, dat Ik heb gemaakt, evenals u./’ Geen twijfel over wie die ‘Ik’ is die verantwoordelijk heet te zijn voor het bestaan van de 112 andere dieren die in de bundel voorkomen.

Op de geen moment vervelende ontdekkingstocht door deze tegelijk zo vertrouwde en onbekende wereld viel me vanwege de actualiteit onderstaand gedicht op van de Servische dichter Vasko Popa (1922-1991):

Tederheid van wolven

Wij liggen in het gras
Op het Wolvenveld boven Vršac

Men zegt
Dat hier alle wolven
Zijn doodgeslagen
Tot op de laatste

Levend bleef
Alleen hun naam

Een soort dierlijke tederheid dringt
Vanonder opgeschrikt gras
En beroert onze ledematen
Lippen en bloed

Wij beminnen elkaar zonder woorden
Mijn jonge wolvin en ik

Vaak zijn thematische bloemlezingen nogal slaapverwekkend, omdat ze te veel van hetzelfde bieden. Daarvan is hier geen sprake. Van harte aanbevolen dus. Lees en laat lezen – want het is een ideaal geschenkboekje – hoe poëzie de leermeester van de natuur kan zijn.

Recensie van Eigenlijk heb je alles al - Huub Beurskens

Spelen in een slangenkuil

Huub Beurskens
Eigenlijk heb je alles al
Uitgever: Meulenhoff
2008
ISBN 9789029082556
€ 17,90
93 blz.

‘Nooit lukt het ons eraan te ontkomen (…) ons van buitenaf te zien.’ Het klinkt als een verzuchting, één die veel dichters bekend zal voorkomen. Tegen wil en dank draaien de camera’s, om in HD-kwaliteit meedogenloos het handelen, denken en voelen te registreren. En altijd is er natuurlijk de ontembare drang om die registraties in woorden te vatten, in taal te vangen. Het is het soort (zelf)bewustzijn dat zowel plaag als vrucht is van veel poëzie. Huub Beurskens kan erover meepraten. Hij is het die de verzuchting aan het papier toevertrouwt in zijn nieuwste bundel Eigenlijk heb je alles al.

In de confrontatie met het leven en zichzelf lijkt de dichter poëzie te ervaren als een spelend tegenwicht, als een wankel evenwicht ook. Maar het spel geeft hem voldoende zelfrelativering om zich staande te houden. In het openingsgedicht dat de raadselachtige titel ‘Omentomme’ draagt, dicht Beurskens:

(…)
Het is de kunst de terechte eigenangst
te camoufleren als een zelfgegraven kuil
om erin te zitten spelen als een kind
met gifslangen als van louter sitspapier.
(…)

De dichter wuift zijn angst niet weg, noemt die terecht, maar reikt zichzelf tegelijk een manier aan ermee om te gaan: zie het spel in de slangenkuil van je gedachten en ontvouw uit de woorden een werkelijkheid waarmee te leven valt. Misschien wat denkerige poëzie, maar voor mij heeft het voldoende eigenheid om de letterlijke gedachte te ontstijgen. De treffende beeldtaal en de doorschijnende stijl dragen daaraan bij.

Wat in de hele bundel opvalt is dat Beurskens niet de meest lichtvoetige thema’s kiest. Angst en dood komen in soorten en maten voorbij. Met daarnaast een flinke dosis verloren, of erger nog, onbeantwoorde liefde. En waarom ook niet. De literatuur ontleent er sinds mensenheugenis haar bestaansrecht en urgentie aan. Zo ook het aandeel dat Beurskens levert en de afgelopen jaren al leverde. Zijn bundeling verzamelde gedichten, die in 1998 eveneens bij Meulenhoff verscheen, kreeg al de titel Bange natuur mee, kennelijk een typering die past bij wat hij in pakweg twintig jaar publiceerde. Met Eigenlijk heb je alles al trekt hij die lijn door.
Een nuchtere, soms laconieke toon, gecombineerd met de scherpte van denken die Beurskens aan de dag legt, behoedt zijn gedichten voor een topzwaar wegzinken in zwaarmoedigheid en en dat levert boeiende en soms regelrecht mooie poëzie op. Zoals deze zinnen uit ‘Naar boven, meneer?’: ‘Dit wil ik niet langer: elk verlangen maakt banger, / alsof het telkens dit bang zijn zelf is dat verlangen wil.’ Wel legt dit gedicht meteen ook de valkuil bloot die onder het eerder genoemde ‘denkerige karakter’ schuilgaat. Want even verderop gaat de zeggingskracht van de vorm onder de al te uitgesproken gedachte lijden: ‘Nee, het wonder slaat geen wonde maar het laat voor / zijn weer verdwijnen een voor altijd schrijnen na.’ De binnenrijm ligt er hier dik bovenop en de woordkeuze lijkt meer ingegeven door de inhoud dan door de talige intenties. En dat wordt nog erger wanneer Beurskens afsluit met een vraag en antwoord die elkaar in tenenkrommendheid naar de kroon steken: ‘Waarom het ons niet vernielt en op slag verteert? / Omdat ons begeren het wonder zelf bezielt en eert.’

Op andere plaatsen vindt Beurskens gelukkig wel de vorm die zijn gedachten recht doet en die toch voldoende ruimte laat voor de autonome wil van zijn poezië. Juist dit vermogen te balanceren op de evenwichtsbalk tussen vorm en betekenis typeert veel van wat deze bundel aanreikt. Beurskens is niet voor niets een dichter die al jaren meegaat in het circuit. Hij sleepte diverse literaire prijzen in de wacht en bewijst ook in zijn jongste werk zijn meesterschap. Luister naar wat deze patiënt vanuit zijn ziekenhuisbed mijmert in ‘Na de chirurgie’:

Op de gang als van ver weg een zacht gehouden
meisjesgesprek over verliefd zijn en verloofd. Ik
lag en zag en dacht volstrekt pijnvrij dat het goed
was zo. Het besef dat mijn dood zou zijn zoals ik
zelf die middag moest zijn geweest zonder mijzelf
erbij maakte me zo volkomen onsentimenteel blij
(…)

De emotionele afstand die de dichter hier tegenover zichzelf en zijn eigen dood in acht neemt, geeft je als lezer ademruimte. Te meer omdat Beurskens overwegend zonder veel poespas dicht. Zijn verzen lezen zich als uitwaaierende zinnen waarin concrete beelden en associaties in elkaar overlopen en uit elkaar voortvloeien. Interessant is verder hoe de dichter bij herhaling toont dat de schilderkunst hem inspireert en aanzet tot schrijven. Andersom is ook het geval, want Beurskens is tevens actief als beeldend kunstenaar. En dat levert mooie ‘cross-overs’ op. In deze categorie is het gedicht ‘Kleine jongens’ wat mij betreft een hoogtepunt.

(…)
Ik zie de tekening nu ook en uit de diepte van zijn dal klinkt

een populierenruisend kiezelbeekgemurmeld vogellied. Er
zijn twee bergen, noteert Paul Klee – 24 jaar -, op die is het
licht en klaar, die van de dieren en die van de goden, met
ertussen het schemerdal der mensen, en – 41 – volkomen
onvatbaar ben ik, want net zozeer woon ik bij de doden
als bij de ongeborenen, en hij tekent – 60 – met stijfselverf
-als is hij 6– ‘stelzich ein bleib tallein’, een blauwe struik
met een kind alleen dat iedereen van ons zou kunnen zijn.

Dit leest bijna als een dagboek, ogenschijnlijk voor de vuist weg geformuleerd, en toch zo akelig trefzeker. Van een totaal andere orde, want verrassend genoeg bijna humoristisch, is een gedicht naar aanleiding van Gericaults beroemde schilderij ‘Het vlot van de Medusa’ dat een dramatische momentopname laat zien van de overlevenden van een scheepsramp. Alleen, overleven is nog niet: gered. Want, zegt Beurskens: ‘Met honderdvijftig waren ze / toen het begon. Geschrokken/ keek ik om me heen en om in / de zaal der grote formaten. Wie / in deze roezemoezende drom / zou ons het eerst verlaten? Wie / zou weigeren biscuit te delen? / Wie zou als eerste verwilderd / “Wij zijn met veel te velen”/ schreeuwen? (…)’ De keuze om dit menselijke drama ronduit luchtig uit te beelden geeft toegang tot de waanzin en tragiek die erin besloten ligt. Bijzonder jammer is wel dat Beurskens ook hier zijn thematiek overvraagt en zo ver uit wil diepen dat het gedicht uiteindelijk als de spreekwoordelijk nachtkaars uitgaat.

Met zo’n negentig pagina’s is Eigenlijk heb je alles al een stevige bundel geworden. Toch is dat niet direct goed nieuws. Zeer sterke, aansprekende poëzie is gelardeerd met gedichten van beduidend mindere kwaliteit. Soms omdat de dichter zich verslikt in grote-woordenpoezie, of omdat hij simpelweg eerder een punt had moeten zetten, vaker omdat zijn gedachten met zijn gedichten op de loop gaan. Een strengere selectie, en soms ook redactie, had Beurskens hiervoor kunnen behoeden. De uitgever liet in dat opzicht echt steken vallen, ondanks het verder prachtig verzorgde uiterlijk. Van een gerenommeerde uitgever als Meulenhoff mag je toch verwachten dat de rol van kritisch meelezer serieus wordt ingevuld. Al was het maar uit respect voor deze dichter en, niet te vergeten, zijn publiek.