Gedichten

Tempête     
                                                                                                         
Toen de lucht op zwart ging
en we keken hoe de flitsen
steeds sneller steeds vaker
de bosrand verlichtten
hoe de lucht zich vulde met motregen
en zo de insecten van het erf
richting de nog droge heuvels verjoeg
riep je ons binnen
 
de vlakte tussen bos en huis werd een eindeloze spiegel
waarin we de flitsen konden tellen
nog vijf totdat de donder komt
en vier van ons lachten om de bal
die wegdreef richting sloot
jij werd boos
riep dat we stil moesten zijn
want Franse kinderen schreeuwen niet ze zingen niet
en grapjes worden ook niet echt gedeeld

wij droegen geen Bretonse truien met houten knoopjes
en onze haren bleven klitten en kleven
tot het woensdag-harenkamdag werd
een dag waarop jij een middag lang
onze martelaar mocht spelen
wij huilend op een keukenstoel werden kaalgeplukt
met dezelfde kam die jij gebruikte om je eigen hoofdhuid af te schrapen
 
het grindpad langs de straat werd een waterval en alles glom
zoals de tegelvloer in de supermarkt vanochtend
waarop we renden en raceten met piepende zolen
en een winkelmandje vol met blikken avondeten
maman vindt ravioli fabuleux
wij vinden ravioli beerput in een potje
maar Franse kinderen klagen niet en zeuren niet
dus kauwden we ons in stilte een weg door dampende bergen
trillend rubber in rode saus
en slurpten we karnemelk want die moest op
net als de aspergesoep en ook
de rol met koekjes
maar daar hoorden we jou niet over
 
wat we wel konden verstaan was jouw vertaling van het nieuws
met Franse tongval riepen we
noodweer noodweer dit nooit weer
was ons schoon met watergolven
splijt de oprit open
totdat je riep dat we stil moesten zijn
want Franse kinderen lachen niet en rennen niet 
en bovendien was je klaar met ons allemaal
 
toen je de tassen van oranje plastic slordig op de tegels plantte
en wij vieren stilletjes naar buiten staarden
naar de flitsen en de golven
en de bal die langsdreef voor het raam
zeiden we rien
want Franse kinderen stellen geen vragen
als maman na twee dagen alweer naar huis toe wil
en wij
wij wilden braaf zijn en stil zijn maar eigenlijk wisten wij ook wel
dat het ons toch niet zou lukken om zo Frans te worden
als jij hoopte dat we zouden zijn

Meerman 
                                                             
Het valt me op dat je geen sokken in je schoenen draagt:
de lage schacht en hoge pijp verraden dit gebrek direct
door je enkels bloot te geven. (Wie niet van onbedekte lijven houdt is of te jong,
of te oud, of gewoon niet bezig met het voortplantingsproces.)

Schoksgewijs bewegen je naakte, lichtbehaarde enkels over het parket;
op de stem van een Franse zangeres in een soul-achtige band dansen we
van vloer naar bank naar netjes opgemaakt Ikea-bed.
(Weet je wel dat jij de eerste bent die in deze houding,
zo met je knieën naast mijn romp
aan mijn shirt probeert te trekken?

Uit of niet,

de naald blijft hangen in de plaat
precies op het moment dat zang in solo overgaat.
Je hoort de uithaal dan de drumstok op het bovenvel gevolgd door het tikken
van de vastgelopen naald.)

Op het adem-, drum- en naaldconcert leg je ons neer
zoals je bloemen naast een zieke legt:
overdreven langzaam met gebogen rug, twee handen om de bos gevouwen
druk je de bloemen op de borst van het plots zo hulpeloze lichaam.
(Denk je dat ik ziek ben? Denk je
dat ik bijna doodga, dat je daarom niks meer durft te vragen?)

Je draait ons drieëndertig toeren rond, schik ons twee op kleur, formaat:
van klein naar groot, of groot naar klein
van jong naar oud
of zoekt ons willekeurig bij elkaar.
(Ik wil niet keurig ik wil graven in het vel van je inmiddels kaalgepelde lijf
tot ik de kleilaag tegenkom waarop de zee haar zandkorrels heeft uitgespoeld.
Je bent geboren op de bodem van de oceaan, ik weet het zeker,
ik kan het horen aan je stem die trilt en klotst
als golven op een rotswand in Calais.
Ik zie het aan de vlekken in je nek
alsof een octopus je zachtjes heeft gewurgd toen je af dreigde te drijven.
Zijn zuignappen uit voorzorg aan je hals vastzoog
zoals je nu mijn benen rond die van jou probeert te houden.)

 “Voor de bodem van de borstkas moet men eerst langs hart en longen”
(Of was het andersom?) (Of is het nog te vroeg om aan je binnenkant te denken?)

Je zegt dat je twee standen hebt, noemt ze ‘slaperig’ en ‘geil’.
Ik zeg dat zoiets logisch is; dat men bijvoorbeeld dingen als ‘de zee’,
dat men in Nederland de zee altijd ‘de zee’ noemt,
ongeacht de positie van de maan. Maar dat dit eigenlijk onjuist is,
dat de benaming te abstract is voor iets dat soms teruggetrokken
soms overweldigend dichtbij altijd in beweging blijft
tussen de twee stadia van ‘eb’ en ‘vloed’.
Dat dit ongeveer gelijk staat aan de negen letters van jouw naam
en de twee standen van je lichaam.

Zon en man en ik

hij zegt -ik ben al vijftig dagen onderweg
ik zeg -hoe weet je welke dag het is
hij zegt -ik tel mijn voetafdrukken in het zand
ik zeg -zit er een systeem in
hij zegt -elke stap duurt twee seconden
ik zeg -dat zijn vier miljoen driehonderdtwintigduizend afdrukken
hij zegt -min vier want ik ben twee keer in een steen gestapt
ik zeg -en dat op blote voeten
hij zegt -ja
ik zeg -gaat het
hij zegt -wat
ik zeg -met je voeten
hij zegt -je raakt eraan gewend

ik zeg -kom je hier vaker
hij zegt -al vijftig dagen
ik zeg -wat zoek je dan
hij zegt -als ik het wist zou ik het al gevonden hebben
ik zeg -zoek je iets speciaals
hij zegt -misschien zoek ik wel niks
ik zeg -dat is oké
hij zegt -wat
ik zeg -niks
hij zegt -niks is oké

ik zeg -de zon is warm vandaag
hij zegt -de zon is vijfduizend achthonderd kelvin
ik zeg -wat weet je nog meer over deze plek
hij zegt -dat je niet moet huilen in een woestijn
ik zeg -maar het zand prikt in mijn ogen
hij zegt -er is meer zand dan traanvocht dus verspil het niet
ik zeg -er zit trouwens zand in je haar
hij zegt -ik heb tenminste haar
ik zeg -dat is ook zo
hij zegt -wat
ik zeg -dat van je haar
hij zegt -wat is er met haar
ik zeg -dat je haar hebt
hij zegt -nee ik heb haar nooit gehad

ik zeg- moet je nog ver
hij zegt -na al die rondjes weet ik niet meer welke kant ik op ga
ik zeg -ik weet het ook niet meer
hij zegt -wat
ik zeg -ik weet het ook niet
hij zegt -je raakt er nog wel aan gewend

Met het gedicht ‘Zon en man en ik’ won Fleur de Wintergedichtenwedstrijd ‘Reizen’ van YoungPoets.