Gedichten

Nu nog niet

Ach, blijf nog zitten en verlaat de ruimte niet
Er kan nog altijd een gelaat worden geschreven
Een stil gezicht, van zwaartekracht geen spoor
Het ongesproken woord vastberaden hier gebleven

De glazen zijn haast achteloos geleegd
Bewegen de geruisloze verstoring
De grijze wouw verduistert nooit zijn ogen
Zoekt op de steppe steeds gebedsverhoring

Maak geen notities van de dingen die gaan komen
Het speelt nog niet, het zijn slechts bijfiguren
Als er een schip opdoemt aan het einde van de wereld
Ontsteek ik op de heuvel onze pinkstervuren

Een kwast van kaarslicht geeft de gelaten glans
Tovert met penseelstreken de leidsels van de hartstocht
Streept weg wat in het donker niet wordt aangezien
Geeft trilling aan de glinsterende iris in het oogvocht

Want morgen wordt een zweem van kleur weer zichtbaar
Brengt de tijdingen die ik nog steeds verstoor
Straks, want nu heerst alom ons geflonker
Nu graven wij de nacht. Graven de nacht door.

Brodsky

Kom, we bespreken Brodsky, bij jou thuis of bij mij
We drinken wijn wijl wij zijn verzen zacht citeren
De gemorste druppels, die sierlijk de salontafel fêteren
Laten we liggen gelijk klaprozen in een bloemenwei

Kom, we bespreken Brodsky, bij jou thuis of bij mij
Ik zal je op olijven of een kaasplankje trakteren
Als je niets in huis hebt, consumeren we de maatschappij
Kom, we bespreken Brodsky, bij jou thuis of bij mij

Houd je niet van Brodsky soms, is Prigov meer je man?
De grote Russen niet? De Fransen? De oude Grieken?
Wil je Koesjner horen, Achmatova of Mandelstam?
Kom, we gaan, want bij het dauwdaaglijks krieken

Val ik bij jou of jij bij mij slaapdronken op de bank.

Park Hartenstein – De Hemelse Berg

Valse vroomheid, afgewisseld met sensuele lyriek
Als een prediker slingert de berg bladeren te water
Er wordt beroep uitgebracht op een oude, wijze eend
Maar hij kwaakt nee en vleugelt naar de pater

De biecht ontvouwt verrassende maar levende geheimen
Van de uitzichttoren en uren duiken op het gluurpad
Kijkend naar vreemde vogels met een adelaarsblik
De wijsgeer houdt zijn mond, want philosophus non curat

De beuk is gespalkt, nadat stormenderhand
Reewild een plek zocht om samen te schuren
Hij rechtte zich ongeknakt staat nog parmant
schrijft met zijn armen lichtminiaturen

Zijn vrienden buigen zich naar elkaar toe
Beschermen de gasten op het paadje verspreid
Sommigen willen tot het vaste behoren
Anderen zien hun vergankelijkheid

Kruizemunt en kamperfoelie tesamen
Verorberen zon als stemgevende drank
Bespreken hun dagen gewoontegetrouw, ja
Vertellen met bladeren, knoppen en klank

De gorgonen zijn al eeuwenlang vertrokken
Maar miniminotaurusjes rennen rond sindsdien
Er is nog nooit een feniks uit haar as herboren
Maar ooit zijn er in avondlicht twee bosnimfen gezien

(Winnende gedicht CITER Poëzieprijs 2010)