Recensie van alles is een onderbreking van de lege ruimte - Estelle Boelsma

Poreuze ijsbergen

Estelle Boelsma
alles is een onderbreking van de lege ruimte
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2016
ISBN 9789490401290
€ 15,00
56 blz.

‘… poreus komt van het griekse woord poros* dat opening betekent of het latijnse woord porus dat doorgang betekent, ook in aporia dat vlinder betekent en ook een filosofisch stijlfiguur voor vertwijfeling en toen stond ik weer buiten en er was niets veranderd, mijn poriën verbinden mijn lichaam met de ruimte om mij heen *..ROSITEIT, v. [geen meervoud] een der eigenschappen van alle vaste lichamen – ik lag op de grond in het trappenhuis het was eigenlijk onder aan de trap in de gang van mijn huis maar een trappenhuis geeft meer diepte in de verbeelding – bovendien suggereert het dat die trap door grote hoeveelheden mensen gebruikt wordt waardoor ik vindbaar zou zijn als ik onder de trap zou liggen ik lig onder de trap op de tegelvloer van mijn huis – ’

Nee, geen citaat uit een woordenboek. Een fragment uit het gedicht ‘tussenruimte’, uit de bundel alles is een onderbreking van de lege ruimte, van Estelle Boelsma. Een dichteres die blijkens dit fragment ‘gevonden wil worden’, en daarom in haar taal de poriën zoekt van de verbeelding door van ‘de trap in de gang van haar huis’ een ‘trappenhuis’ te maken.
En inderdaad: poëzie moet iets poreus hebben, iets van een merkbare diepte, anders wordt ze te hermetisch en dreigt onleesbaarheid. Poriën in de huid van de taal zorgen ervoor dat de inhoud van een tekst verbonden blijft met de ruimte om die tekst heen: met een lezer dus, of zelfs met een eventuele recensent (ja, welke dichter zou niet gevonden willen worden en niet willen weten wat iemand van hem vindt)!
Maar is dat het enige wat Boelsma wil? Ergens anders schrijft ze:

inzicht naar wendbaarheid

I

wereldvreemdheid kwam me niet
aanwaaien – ik heb dagen geoefend
op de o en de i en de u
om de klinkers in de kamer los te laten
en dan kijken hoe ze terugkaatsen
vloeibaarder worden
we zijn grootverbruikers
van deze kamer, kom dichter bij me
verder dan hier hoef ik niet te gaan
meer dan dit hoef ik niet te doen

geen voors geen tegens voor verveling
voor hazelaar ligt kornoelje stil –
voor ons als we elkaar willen zien
liggen we stil, maar –
geen regels ik heb berekend dat dit
wel eens de laatste keer kon zijn
dat we liever buiten dan binnen zijn

amechtig ik en ik en anderen ook je haalt ze door elkaar voor
je geestesoog het is hier prachtig alles zo mooi het strijklicht
maakt aandoenlijker de dingen om ons heen de bomen, de struiken
alle oppervlaktes, een fabriekspijp ook

Ik haal dit maar even aan als een voorbeeld van haar stijl en kunnen. Behalve dat de laatste regel (door die banale fabriekspijp) enigszins geestig is, valt hij bijvoorbeeld ook op doordat hij op twee manieren gelezen kan worden. Is het nu het strijklicht dat de fabriekspijp aandoenlijk maakt, of maakt juist een fabriekspijp, net als strijklicht, de dingen (de bomen, de struiken, alle oppervlaktes – wellicht door zijn vervuilende werking) aandoenlijk?
Merkwaardig in het (strijk)licht van het eerder geciteerde gedicht ‘tussenruimte’ is intussen wel de eerste regel van dit gedicht. Wereldvreemdheid kwam niet aanwaaien en wordt hier blijkbaar nagestreefd (verkeerde gewoontes aanleren kost tijd, net zoveel als het aanleren van goede gewoontes, zullen we maar zeggen). Dit lijkt haaks te staan op het ‘gevonden willen worden’ in het eerder aangehaalde gedicht. Maar misschien is de dichteres (de ik-persoon) er juist op uit om de vervreemding die ze ‘nastreeft’ ook aan de lezer kenbaar te maken, waardoor die vervreemding – paradoxaal genoeg – ook weer enigszins wordt opgeheven. We zouden dus kunnen spreken van een streven naar evenwicht tussen vervreemding en toenadering in deze bundel. Het volgende gedicht laat zien hoe de twee krachten op elkaar inwerken:

we hebben ons ontpopt tot zielloze wezens

in de treinen iedereens blik ontwijken de mierenkoloniën van hans
lodeizen morfologische velden van rupert sheldrake morfologisch
tot hetzelfde idee komen
maar dan zielloos
zielloos wakker worden
zielloos aankleden
zielloos koffie drinken
een hond onder de stoep stoppen en met hakken
de tegels aanstampen

ik wil me ontpoppen tot alles en overal en iedereen en tegelijk
en nutteloos zijn
geen dingen noemen die we kennen
onvoorwaardelijk ach
ga ik dingen opnoemen, een aanslag verijdelen op gare du nord
ik moet steeds overal kijken, alles in de gaten houden, ach arm oog
zielloos maken we constructies, heerlijk zielloos zalig zijn

Morfologisch tot hetzelfde idee komen vergt geen zichtbare (meetbare) interactie, maar het lijkt alsof twee geesten met elkaar hebben gecommuniceerd op de allerbeste manier die maar mogelijk is. Want hoe kunnen ze anders op precies hetzelfde idee komen? Als het een opdracht was om zonder te communiceren informatie over te dragen zou het een probleem zijn. De wereld van vandaag stelt heel veel eisen aan een mens. Sommige daarvan zijn zo tegenstrijdig, dat ze verdacht veel beginnen te lijken op deze spagaat.
En dan dat ‘heerlijk zielloos zalig zijn’. Om zalig te zijn hebben we juist een ziel nodig! Want wat wordt er anders gered van het eeuwige verderf? Een leuke kanttekening bij de wetenschap, die onze ziel wegredeneert en tegelijkertijd de mens het zalige leven lijkt te beloven door alle mogelijke gemakken binnen handbereik te brengen.

Boelsma’s poëzie heeft ook iets ‘wetenschappelijks’ en klinisch. Dat komt de vervreemding die erin wordt ‘nagestreefd’ ten goede, maar maakt haar taal soms ook wat kaal en stroef. Ik denk niet dat ze veel kans maakt om een populaire dichter te worden. Maar zal ze daar mee zitten? Bijna alles kan tenslotte worden gezien als ocean noise, geproduceerd door ijsbergen. Ik chargeer misschien als ik het zeg, maar vervreemding wordt in deze bundel werkelijk een beetje ‘talig’ gemaakt: ze spreekt eruit.
Vervreemding is trouwens ook iets wat zich – eufemistisch uitgedrukt – al enige tijd voordoet in het ons bekende ‘uitdijende’ heelal. De leegte, de ruimte, ontvouwt zich en wordt daarmee zowel letterlijk als figuurlijk kouder, afstandelijker (tot het wellicht ophoudt met de ‘big rip’). Of zoals Boelsma het uitdrukt in het volgende fragment van ‘how icebergs produce ocean noise’ :

II

er is geen kosmische balans
of sterker nog –
alles wordt uit elkaar gereten
van de dingen tot de dingen
de dieren tot de dieren
steden slingeren uiteen

daarachter klinkt je stem eenmaal zachter
vanuit het ruisende, kabbelende
kom ik je tegen

daar eenmaal aangekomen
is de stad uitgevouwen

Een fragment. Zoals alles beschouwd kan worden als een fragment van iets anders, bedenk ik me. En niet in de laatste plaats dit gedicht, dat mij als een ijsberg maar een fractie laat zien van de ijzige wereld van de dichter, waarvan het is afgebroken als van een vreemd Antarctica: de tegenpool van mijn eigen Arctisch, Siberisch, zielloos(?) brein.

Er is geen balans. Ons rest enkel nog een fade out, en zoals de dichteres het zegt:

siberië was het eerste woord dat ik vanmorgen uitsprak
ik liet het slingeren over tong, langs wang en gehemelte
en weer terug

The rest is silence.

***

Estelle Boelsma (1971) is beeldend kunstenaar en dichter. Ze publiceerde onder andere in De Revisor en Samplekanon. In 2012 verscheen haar bundel Juniper.

 

 

Gedichten

how icebergs produce ocean noise

I

jij, we zitten aan tafel, je doet
een hoop dingen die ik raadselachtig vind

en hoe je zegt dat de ruimte zich tegen je aan vlijt
en ik tegen de rafelranden van de bank –
het was alsof het wasabigroen van de kamers
in ons vermenigvuldigde –
hoe het firmament met ons solt
en jij me aanstaart
het bakstenen gewelf
met daarachter de rivier als we omhoog kijken
loert de sperwer al vanaf het dak
en stort zich even later naar beneden

daar ligt het klein te zijn
heel klein te zijn

II

er is geen kosmische balans
of sterker nog –
alles wordt uit elkaar gereten
van de dingen tot de dingen
de dieren tot de dieren
steden slingeren uiteen

daarachter klinkt je stem eenmaal zachter
vanuit het ruisende, kabbelende
kom ik je tegen

daar eenmaal aangekomen
is de stad uitgevouwen

III

en de prunus, de prunus golft spontaan roze
schematisch en zonder argwaan groeit het vanuit de takken
de lucht in – ik ben bang om te vallen als ik omhoog
kijk – de gebouwen die steeds vanuit mijn ooghoeken
opdoemen

de kamikaze bloesem
de kamikaze regen van vorig jaar
het kamikaze leger

IV

toen ik dichterbij kwam zag ik dat het
huis opgetrokken was uit vulkaansteen
dat zo langzaam groeit

            oh de Atlantische oceaan
            het oceanisch gevoel
            in situ
           de nutteloosheid

Gedichten

FURIEN

ik ga je dag zeggen, je verlaten, ik neem
afscheid, ik draai me om
ik geef alles terug
dan kleed ik me uit
en laat me op de grond vallen
mijn lichaam markeren door iets
zots, iets ongewoons zodat
een ieder verbijsterd langs me heen loopt

jaren blijf ik liggen
mensen fluisteren soms als ze
halt houden of glimlachen een beetje
ongemakkelijk
er is een hondje naast me begraven

(ik sluit de deur voordat ik binnenga, er zijn twee van ons
identiek gelaafd aan dit misverstand)

we zitten op afgeragde stoelen
die eens ideaal op de grond hebben gelegen
mijn verstand zit ook op een afgeragde stoel
samen laten zij de wekker gaan
draaien zichzelf nogmaals om
in een afgeragd bed van clichés
van moeten-zullen-zijn
en aftands verlangen

AANTEKENINGEN

het regent maar weer de hele dag
ragfijn, gemeenlijk priemende
soldatenhonger naar beneden

vaak telt hij, staat even op van zijn stoel
laat zich weer vallen, naar achteren
geleund is minstens drie keer getreurd

als we binnenstappen staat
moeder aan het aanrecht hakt
pillen in stukken – de
werkelijkheid doorklieft
een ware glansrol van het vleesmes
en ons lichaam op de plank –
in de coulissen zeg je me gedag

treur niet –
je weet dat er een mooie etalage
klaarstaat
waarin je mint, bemint, waar de receptuur
steeds onbekend is
vanaf dit moment zullen we niets meer zeggen
en accorderen we elk verzoek

TRIVIALE AFWENDINGEN

haal je baby uit het ziekenhuis, sommigen
noemen het baarmoeder maar dat doet het
idee-fixe geen eer aan

vanuit de andere kamer weerklinkt elke
stem
loopt het verder – duister, je
puberjaren geven robotkusjes aan willekeurige
vreemden

haal die gekwelde hippiegrimas
van je gezicht als je de afwas doet
wel het fruit en stop het in een jampot
laat het jaren rotten, niemand die het ziet
en onze grijns kunnen we jarenlang oppotten
totdat er geen eind meer aan komt

boven ons
speelt het carillon en deelt het zondags-
prenten uit, we staan op een been, we staan al
zo lang op een been
nooit komen we er meer onder uit
we staan op een been want we zijn scan-
dinavische halfgoden

Gedichten

de brievenbus hapert niet; het minacht, hij loopt de kamer uit
de hoek om onhandig vloekend, dralend totdat er een nieuwe
omhelzing – tja, …de lucht is vandaag ook niet zo afwezig

wacht

hij gaat geen brief schrijven, pakt geen cheques uit zijn
bureaula, houdt geen dagboek bij, voorzichtig strooit hij vliegtuigjes
uit het raam, het balkon is een granieten vesting (zijn ouders
zijn er trots op) een schuilplaats voor als er een vliegtuig neerstort

zijn vriendin is vandaag ook niet zo afwezig
 

I
ik ben nijinski’s kleindochter een ballet van faunen
giet ik uit over rozemarijn

II
hoor je me repeteren? nacht in, nacht uit – telkens een
keer langer, telkens een keer luider

de menigte wel, mijn stem hakkelend op het podium, in bed,
in de rij van de supermarkt

III

(de wachtkamer van de dokter is er niets bij vergeleken,

is als de walvis’ buik)

IV
er zit een insect
onder mijn bed, het bouwt daar aan een paleis
en het vraagt om niets
zo warm als het in mijn bed was is het nu eronder, misschien
moet ik wel verkassen

V
ik wil het weekend overdoen, niet met jou maar alleen

dan zou het stil zijn
dan vertoef je in een nieuwe habitat
dan was dat je laatste vraag

VI
jij, als je me, me, ik
als je me, dan

VII
fluister nu, lief, mijn lief, fluister
nu eenmaal zachter, als alles weer een keer
te laat gekomen is, vanzelfsprekend en alles-
openbarend laat ik je opnieuw horen in het nagalmen:

VIII
Am Weiler vorbei
Sammelt die sanfte Waise noch spärliche Ähren ein.
Ihre Augen weiden rund und goldig in der Dämmerung
Und ihr Schoß harrt des himmlischen Bräutigams.

IX

(fluister nu lief, als je me, dan, fluister nu –

eenmaal zachter)
 

en nu brengt mij de slaap kanariegele handschoenen, een vrouw
die aan de waslijn wappert en een ijscoupe vol vogeltjes die telkens
een keer te laat aankomen

tel je schatten na, majoor, tel ze en vaar dan weg
en als ik dan onbeweeglijk in vensters sta, uitzondering
op uitzondering, niets is voldoende, niets dat zo klein
de nacht in gaat als jouw stem

ik tel me, tel jou, wij tellen ons een witkwadraat, we fabriceren
een knalfuif van potjandorie en een optelsom van aftandse tijd