Recensie van De rotonde - Mark Boog

Tussen Theophilus en Awater

Mark Boog
De rotonde
Uitgever: Cossee
2015
ISBN 9789059366275
€ 19,95
75 blz.

Onze moderne dichters zijn geen sprooksprekers meer, dichters die, begeleid door muziek, lange verhalen vertelden, op de cadans van de versvoeten en gesteund door het rijm. Er zijn wel performers: wie herinnert zich niet de betreurde Johnny de Selfkicker (Johnny van Doorn)? Maar een lang verhaal zorgvuldig vertellen: Beatrijs, Van den vos Reinaerde, Johannes de Boetgezant of in later tijden de prachtige, zorgvuldig geschreven novelles van Staring, de Mei van Gorter en natuurlijk Martinus Nijhoff die met ‘Awater’ en Het uur U prachtige verhalen neerzette vol duiding en symboliek, die in feite het pure vertellen overstegen, wie doet dat nog? Dichter Mark Boog (24 september 1970) probeert deze traditie voort te zetten: De rotonde is een roman in verzen.

De Rotonde vertelt, heel simpel , over een man, Van Dam, die niet tevreden is over zijn met drank en hedonistische ervaringen gevuld bestaan. Hij wil roem, eer, aandacht en besluit in ruil daarvoor zijn ziel aan de duivel te verkopen, nadat hij zijn ziel in een advertentie te koop heeft aangeboden. Hij zal de duivel buiten de stad op een kruispunt ontmoeten. Het is een modernisering van het Faustverhaal (Christopher Marlowe en Goethe) en ook een continuering van ons middeleeuwse mysterieverhaal van bisschop Theophilus, die zijn ziel aan de duivel verkocht , maar door Maria geholpen werd. In deze moderne versie is er echter geen bisschop noch een uitweg: de wanhoop en neerslachtigheid overheersen. Er is ook geen happy end dat de religieuze lezers of hoorders verrukt en nog vromer maakt: Van Dam is een moderne losgeraakte man, die lijdt aan een existentiële onvrede. De roman in verzen speelt zich af tijdens de tocht die Van Dam maakt van de stad naar het kruispunt over een steeds platter wordend platteland, waar de catastrofe zich aankondigt in een dreigend onweer dat allengs feller wordt en uiteindelijk het laatste moment van de roman begeleidt.

Mark Boog heeft de roman uiterst zorgvuldig opgebouwd. Het werkstuk bestaat uit drie delen, elk met een eigen motto . Elk deel bestaat uit 33 afdelingen, bestaande uit drie vierregelige strofen waarna een kort terzien volgt, dat de positie van hoofdpersoon Van Dam plaatst in de gebeurtenissen. Deze terzinen worden dreigender naarmate de climax van het gedicht nadert. De allerlaatste afdeling waarin de catastrofe tot stand komt heeft er geen. Er zijn 98 terzinen.

Er lijkt een klassieke opbouw waarneembaar. In het eerste deel , met als motto een regel van J.A. der Mouw (‘En ontzaglijk de eeuwige vuurhaard brandt’), maken wij hoofdpersoon Van Dam mee als hij op weg gaat naar het kruispunt , reflecterend op wat hem tot deze stap bracht: een bijna klassieke ‘expositie’. Ondertussen rommelt het onweer in de verte. In het tweede deel, met als motto: ‘Er was geen weidsheid in ons’ uit een gedicht van H.H. ter Balkt, gaat van Dam op een bankje zitten en bereidt hij zich voor op wat gaat komen: de climax komt er aan. Het weer wordt geleidelijk slechter, het land vlakker. Het onweer rommelt in het vlakke land in de verte. De eigenlijke catastrofe komt in het derde deel, met als motto een citaat van Kees Ouwens: ‘Ik zag de ziel der depressie’. In dit deel wordt het tempo verhoogd, het onweer barst los, de horizon komt in vlammen te staan: in de terzinen wordt het commentaar feller. Van Dam accepteert dat, voelt zich zelfs opgelucht en gaat nu definitief op weg naar het kruispunt om zijn ziel in te ruilen voor, ja voor wat? Voor glorie en begrip. Er hangt over dit deel een soort geladenheid, die mij deed denken aan de wanhoopssfeer van de Duitse expressionistische dichters van voor en na de Eerste Wereldoorlog. Niet voor niets heet de belangrijkste bloemlezing van deze poëzie Menschheitsdämmerung.

Ik ben onder de indruk van het taalgebruik. De verzen zijn zeer ritmisch, soms lijkt het of Mark Boog terugvalt op klassieke versvoeten. Ondanks het gebruik van ‘gewone’ woorden is de sfeer dreigend: het lijkt een verwijzing naar Martinus Nijhoff. Een zin als : ‘Gevaren wachten hem. Hij wordt beproefd. / Zijn thuiskomst, als die volgt, zal stof / voor mythen zijn…’ zou uit ‘Awater’ kunnen komen. Of deze : ‘De dorpen op de horizon vormen /een muur. Een verre maar een muur. Ertegen / dringt de stilte. Klopgeest kou houdt vol…’ die direct lijkt te verwijzen naar die expressionistische dreiging. Dat er verwijzingen naar Dante Alighieri in het stuk zitten is niet zo vreemd als we bedenken dat in 2015 herdacht werd dat hij 750 jaar geleden geboren werd: ‘Wie binnentreedt: Laat varen uw illusies’ (III,28)..of ‘Want eenmaal aangekomen bij het midden / van de weg is er geen juiste richting/meer.. ‘

Er is nog zoveel meer te zeggen: voor mij als ‘ouderwetse taalkundige’ valt de toepassing van de bepaling van gesteldheid op, zoals die vroeger gebruikt werd en een zin zo mooi compact kon maken; soms zijn er beeldspraken die verrassend zijn. Het is een leesavontuur waar de lezer rijker van wordt: elke keer vind je iets nieuws, iets anders, een nieuw woord, een nieuw verbad.

Dan het slot: er is een oud Engels gebruik om zelfmoordenaars op kruispunten te begraven. De zondige ziel van de zelfmoordenaar raakt dan de kluts kwijt en blijft dwalen zodat de overlevenden niet gekweld kunnen worden. Als Van Dam door de elementen vuur en water het kruispunt bijna bereikt heeft, blijkt dat moderne stroomlijning van het kruispunt een rotonde heeft gemaakt.

‘Hij heft de handen, en de tranen / stromen langs zijn wangen. Dan na één / moment van vreselijke stilte, barst / het onweer los als nooit te voren….’

Is de duivel er om de koop te sluiten, zal de lezer zich nu afvragen.

‘Hij schuifelt de rotonde op, / rechtsom zoals het hoort. En voor zich ziet hij /../ een gestalte, vaag en grijs, die schijnbaar /doelloos de rotonde rondloopt. Die….’

De rest is aan de lezer om te lezen en te duiden.

***

Mark Boog studeerde aanvankelijk ‘kunstmatige intelligentie’. Hij maakte zijn debuut in het tijdschrift ‘De Appel’. Zijn eerste dichtbundel ‘Alsof er iets gebeurt’ verscheen in 2000. Hij won daarmee de C.Buddinghprijs. In 2006 won hij de VSB-poezieprijs. Hij schreef meerdere dichtbundels en romans. ‘De rotonde’ brengt beide genres tezamen.

Recensie van Maar zingend - Mark Boog

Aan het bestaan valt niet te ontkomen

Mark Boog
Maar zingend
Uitgever: Cossee
2013
ISBN 9789059363731
€ 18,90
96 blz.

Als je de nieuwe bundel van Mark Boog Maar zingend (2013) in handen krijgt, springt de poëzie je op de omslag tegemoet. Krekels lopen massaal in de richting van de lezer. Plato verhaalt daarover in zijn Phaedrus. Toen de mensen de muzen muziek hoorden maken, raakten ze zo opgewonden dat ze vergaten te eten en te drinken. Uit deze verdroogde en uitgehongerde mensen zijn de krekels ontstaan. Symbolisch gezien ligt in de krekels de oorsprong van onze muziek en poëzie. Zij voeden zich met dauwdruppels en ontlokken met hun rituele mantra’s van geluid poëzie aan het onbewuste van de dichterlijke geest:

Hoe onooglijk ook: zing!
Zing! Laat weten dat bestaat.
Hoort iemand ooit? Onwaarschijnlijk.
Maar zing, zing! Verhef je
boven het harde gras, de kale steen.
Vanwege de korte duur.

Een oproep om tegen beter weten in te zingen! Hoe onooglijk het ook klinkt. Het woordje ‘dat’ in de bovenstaande strofe is typisch zo’n ontregelend woord in een gedicht van Mark Boog. Niet een oproep dat er ‘iets bestaat’, maar dat er tegen beter weten in ‘bestaan’ is. Onontkoombaar. Daarin ligt het dilemma van Boogs poëzie in de notendop vervat. Deze bundel rust op talrijke tegenstellingen, zoals hoop en wanhoop, bestaan en niet bestaan, herinneren en vergeten, gezamenlijkheid en solipsisme. Tussen deze polen in beweegt zich zijn poëzie.

Boog neemt je mee in een wankele wereld vol existentiële onzekerheid en twijfel, en dat doet hij trefzeker. In welgekozen woorden, soms staccato, dan weer in gangbare woorden met een ongrammaticale en/of betekenisvolle wending: ‘Woestijn: cynisch labyrint. O,/ te leven.//’. In de geest van de krekels brengt hij ons terug naar de natuur van het dichterschap. Deze bundel verdient alle aandacht om hem op zijn waarde te kunnen schatten.

De wereld volgens Boog is er één waarin ‘het volmaakte geluk,/ waaraan slechts duur ontbrak,/ dat onvolmaakt was,/’ op je ligt te wachten. De ik raakt verstrikt in de vele tegenstellingen en paradoxen, zonder er ernstig door gefrustreerd te raken. Dat komt, omdat de dichter op een subtiele manier met kleine woordjes te kennen geeft dat hij afstand tot zijn oneindige project van het volmaakte, het/de ander(e) weet te bewaren:

Het was lente, en het was vroeg, en jij
was dan de mooiste.
Vogels zogen zich vol met muziek
die ergens vandaan kwam.

Zo wordt het dus nooit wat met die volmaaktheid, maar ook weer wel, omdat de ik zich zodoende niet laat meesleuren in de ervaring dat het volmaakte geluk ‘in zijn duur’ onvolmaakt blijkt te zijn. Gelukkig is er nog de muziek die opklinkt.
Op diverse plaatsen in deze nieuwe bundel dringt het gevoel zich aan je op, dat, wat er is geweest, in de onzichtbaarheid van het vergeten opgaat: ‘Dagdagelijks verlies./ Steeds onnoemelijk [verschijnsel]//’, maar wel verlies lijdt. Hoewel de ene dag de andere niet is, vergeten we als bezetenen. Zoals de vlammen dansen, gaat alles in onzichtbaarheid op. Niets lijkt er geweest te zijn.

De bundel kent zeven afdelingen waarin de dichter op zoek gaat naar het volmaakte en de zin van het bestaan. In onze maatschappij zijn we van jongs af aan gericht op het najagen van wind. Streven naar het absolute. Als je de verzen uit de eerste afdeling ‘En tuchtig ons’ leest, dan krijg je de indruk dat de ik naar een houvast zoekt in zichzelf en de ander, maar niets kan hem definitief dat houvast bieden.

Boog lijkt op allerlei mogelijke en onmogelijke manieren te vragen wat er nu eigenlijk in en met het leven aan de hand is: ‘Is het niets? Welnee/ Nog niet.// Later wordt het niets,/ maar het maakt tegen die tijd niet meer uit.// Tot dan: geen zorgen.//’. Hij is naarstig op zoek naar een inzicht en bedient zich daarbij van allerlei taalregisters, van nieuwvormingen (‘dagdagelijks’) tot spreektaal (‘welnee’). De ik dialogiseert met zichzelf. Telkens word ik weer verrast door zijn taalvondsten, weglatingen, verschuivingen, beeldspraken: ‘Je bent het licht dat over het maaiveld strijkt./’ Zijn enjambementen verlenen aan zijn vrije verzen een leeswaardige spanning: ‘We drinken alles,/ ook elkaar./’.

Onthechting blijkt in het gedicht ‘Verder niets’ ook al niet het antwoord te zijn op alle onzekerheid die leven heet:

Verder is niets te zeggen.

Of toch? Er is altijd wat te zeggen
voor gewoon maar doorgaan,
de schrale plekken vrolijk negerend –

Niet berustend, niet cynisch, wel licht ironisch is zijn toon. Domweg doorgaan met leven is zijn devies. Er zit niets anders op. De afstand van de ik tot de dingen van alledag blijft, ook tot de taal: ‘Wat een wanhopig, wanhopig gedicht./ Het is maar goed dat het nooit geschreven is.// […] Het is heel goed zoals het is.//’ Soms marcheert de twijfel ook zijn gedicht binnen.

Op allerlei momenten probeert de ik de lezer en zichzelf gerust te stellen in dit universum. Hoe het ook zij, hij kent zichzelf daarin een opdracht toe: ‘Het is de bedoeling dat we zaaien, zaaien. //Oogsten./’. Als er niets van het heden te verwachten is, dan wellicht van de toekomst: ‘De toekomst! Vlucht! Maar hij komt, en komt/ met vuur en vlagvertoon. Een hemel vol/ drakenruiters, woedende goden, storm,/ een leger./’. Een apocalyptisch perspectief te midden van oudtestamentische noties, maar vluchten kan niet meer.
Dan klinken in het gedicht ‘Zie ontroerd op ons neer’ opeens de woorden: ‘en tuchtig ons. / Het graan waarvan het brood …/ […] Sla ons neer.//’. Is er dan toch nog een Ander dan de lezer die toeziet op de ik? Materie en geest zijn samengebald in dit gelaagde gedicht vol stemmen en stemmingen: (on)afhankelijkheid, vrees tegenover vreugde, transcendentie die op de aarde gericht is. In het gedicht ‘Natuurlijk’ is er een wending naar het wonderbaarlijk transcendente van het dichterschap. De poëzie lijkt voorlopig de enige zekerheid in het leven te bieden, hoewel: ‘Bestaat dan – ik hoor het me denken -/ het gedicht? Nee./ Dit gedicht? Misschien.//’.

In de tweede afdeling ‘Nergens vis’ probeert de ik achter het bestaan van dingen te komen waarvan hij een vermoeden heeft:

Het zijn zulke vragen die ons gaande houden,
die ons ijl als een reiger

peinzend aan gindse waterkant doen staan,
veinzend, jagend,
het heldere water een verschrikkelijke spiegel –
vind zo verdomme maar eens vis,

we zien alleen onszelf, vermoeden onszelf
in het betoverd rimpelen.

Boog presenteert hierin het wereldbeeld van Narcissus: de mens opgesloten in zijn eigen vermoeden, niet wetend waar hij antwoorden op zijn levensvragen kan vinden. In het gedicht ‘Er is altijd hoop’ gaat het om de weersvoorspelling of om vissen die naar zuurstof happen. De dreiging die er van het niet weten uit kan gaan, kan de dichter de verzuchting doen slaken: ‘Er lonkt de aangename aanname van alles/ zonder denken.//’. In dat terloopse, maar o zo rake filosoferen, soms tussen de regels door, vaak vastzittend op kleine woordjes en verschuivingen in doodgewone taal gesteld, zit Boogs kracht, zoals in een regel als ‘Het feit dat beslissingen al genomen zijn/ voordat we ze nemen, zou gerust moeten stellen/ maar doet dat niet, zo is beschikt,//’.

In de derde afdeling ‘Woestijn’ vraagt de ik zich af wat het eigenlijk wil zeggen iemand die ik ken – zo ik al iemand zou kunnen kennen – een goede dag toe te wensen. Kan een dag zich daaraan houden? Het is een open vraag. Boog zet zodoende alles op losse schroeven: ‘Als toeval bestaat –[…]-/ bestaat alles.// Alles! En meer: ook wat niet bestaat,/ Dat bestaat ook//’. Een lege wereld zonder herinnering rijst er voor ons op. Opnieuw reikt hij hier over de grens van tijd en ruimte, voorbij ons begrip van de dingen. Naast vergeten van wat zich onder de oppervlakte van het zichtbare afspeelt, blijft bij de ik de verwondering bestaan over alles wat mooi is: ‘mooier nog met sneeuw//’.

In de vierde afdeling ‘Maar zingend’ bespringen de ik allerlei gedachten die telkens weer pogingen zijn het leven te ordenen: ‘We tellen en we noemen./ Omwille van ons/ groot en onontkoombaar falen.// Boem!//’. In het lange gedicht waarnaar de bundel is genoemd ‘Onooglijk maar zingend’, zingt een oudgeboren krekel. Daarin verwoordt Boog de metamorfose van de krekel tot dichter. ‘Onooglijk /maar zingend, een krekel zingt. Vanwege / de korte duur. Omwille van het vuur.//’ Of iets door iemand nu mooi gezegd is of niet, de ander is nodig er betekenis aan te verlenen. Een dichter heeft lezers nodig. Laten de krekels, de dichters maar blijven zingen, hoe onooglijk ook, hoe kort ook van duur.

In de vijfde afdeling ‘Naast iedere weg’ volgen we de ontwikkeling van het kind: ‘naast iedere wieg een fee./ […] / De fee zegt: “Nou ja, we zien wel./’. Onbegrepen wezentjes lichten ons bij. We voelen ons hier op aarde op ons gemak, ‘dat wil zeggen: [dat we] nergens heen […] kunnen.//’. Vervreemd van onze oorsprong, gemaakt van sterrenstof – [Antoine de Saint-Exépury: Le petit prince (1943)!] – schetst Boog ons een angstaanjagend perspectief voor het jonge leven: ‘Alles kan en zal,// tegen je gebruikt worden/’. In het kind dat zichzelf bewust wordt, ontwaakt gaandeweg de strijdlust: ‘Het lege slagveld dat het kind is/ zindert van verwachting.//’. […] ‘Zijn denken is van tasten en van wijken een vertroebeld mengsel./’ Dan komt het godsbeeld weer even naar voren: ‘Zo waar als ik God ben, zo zal ik branden.//’. Ligt er dan toch een veroordeling voor de mens (van zichzelf) in het verschiet? In het gevecht van het kind om geluk dreigt het geluk telkens het onderspit te delven, maar: ‘Het zal winnen, daaraan twijfelt het niet./’. Er blijft hoop.

In de zesde afdeling ‘Als je nu uitkleedt’ ontvouwt de ik zijn aarzelende liefdesbewegingen in het afstand nemen en de nabijheid zoeken van de ander: ‘Als je je nu uitkleedt komt alles goed./’ De weg naar de ander moet telkens hervonden worden. Al dat streven naar nabijheid ‘recht de tere nacht in’ roept de vraag op, wat het nu eigenlijk betekent als je de hand van de ander streelt. ‘Ontegenzeggelijk’ wandelt hij aan de kans voorbij de ander te naderen. De vraag rijst of er een hemel is te bereiken. Wat hij eigenlijk wil zeggen over de liefde, leidt bij hem uiteindelijk tot zwijgen. Wat dan overblijft is: ‘Ik wil je ooghoeken bewonen maar uit het zicht/ verdwijn ik niet, dat weiger ik. Niets/ zal ik voor je doen, ik wil alleen maar kijken.//’. Samen al kijkend opgaan in het moment is wat resteert.

De zevende afdeling ‘Avondvullende glassoorten’ begint met een kort gedicht ‘Portret’:

Ik houd mij staande.
Soms lukt het niet
en val ik om.
Maar dan sta ik weer op.

In kort bestek keert daarin het reeds bekende dilemma terug. Waar het bij mensen aan ontbreekt, is verzet. Te gauw wordt iets voor waarheid aangenomen. Zo’n spiegelgezicht als in het gedicht ‘Geen gezicht’ heeft surrealistische trekken [Margritte!]: boven zijn boord draagt een ieder ‘een spiegel, geen gezicht, kijk erin/ en huiver//’. Zo’n gezicht verdient het om in scherven geslagen te worden. Een oproep tot ‘totale bewegingloosheid./’. Momenten van zelfontkenning klinken in deze bundel als een basso continuo op. ‘Omdat ik niemand opbel/ besta ik niet.//’. […] Dat ik aan je denk betekent/ niet dat ik je denk.//’. ‘Denken aan’ betekent hier niet dat ik je met mijn denken laat bestaan. Wat dat dan wel is, blijft ongezegd. De vraag naar de ‘aanwezigheid’ blijft een onderliggende beklemmende notie in het gedicht ‘Betreffende aanwezigheid’:

Ik geloof niet
dat het niet bestaat
ik geloof
dat het onduidelijk is.

Als ballonnen aan de heldere hemelen der lente: niets,
onzichtbaar. Zwevend doorheen het gewone.

Het gebeurt maar zelden dat iets neerstort.

Het is, dat bewijst de aanwezigheid van dit balkon,
een mooie avond.

Wat is bestaan? De uit het zicht verdwijnende ballon? De aanwezigheid van een balkon? Wat moeten we aan met onszelf? De mens ziet met ‘haviksoog belang’. Waar heeft de wereld het aan verdiend dat wij mensen er zijn? Wij die de aarde vertrappen. Dichters in het zwart gekleed willen desondanks de aarde haar schoonheid laten zien:

Ze dragen spiegels, onderdrukken
soms de neiging om erin te kijken.

Tegen deze achtergrond is het dichterschap ‘een aan autisme verwante stoornis/ die goed te behandelen is, bijvoorbeeld/ door de dichter het dichten te verbieden.//’. Er is voor de dichter maar één vluchtroute uit deze wereld: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.//’. Gelukkig heeft Boog dat tot heden nog niet gedaan. Hij heeft met deze nieuwe bundel in gangbare woorden zijn onbegrip over en moeite met het leven wederom aangrijpend verwoord: aan het bestaan valt niet te ontkomen. Blijft: ‘Het schitteren van de waarheid/ in de grote ogen van het kind./’.

***
Mark Boog (Utrecht, 1970) ontving voor zijn dichtbundels de C. Buddingh’-prijs, de VSB Poëzieprijs en een nominatie voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Ook verschenen er vijf romans, meest recent Het lot valt altijd op Jona (Cossee 2011).
Mark Boog maakte naar aanleiding van Maar zingend een voorstelling met de rockband Poetry In Motion: live poëzie en videoprojecties. Op Youtube zijn van dit optreden verschillende filmpjes te vinden, o.a. van ‘Je wervelt weg‘.
Lees in Meander meer over Mark Boog hier en zie verder www.markboog.nl en www..cossee.com

Gedichten

Naast iedere wieg

Naast iedere wieg een fee.
Moeder wringt. Vader knarst.
De fee zegt: ‘Nou ja, we zien wel.
Ik wil mijn voorspelling
later graag preciezer formuleren.’

Aan de lianen die het licht ons toewerpt,
zwaaien wezentjes van wezenlijk
onbegrepen aard: wild, vrolijk, angstaanjagend ook.

En geen zonsondergang om tegemoet te rijden,
geen dagboek om in te lezen.
De uren volgen zich genummerd op.

Sterrenstof! Een kamer vol van sterrenstof!
Wij hebben geleerd ons op ons gemak te voelen,
thuis te zijn, dat wil zeggen: nergens heen te kunnen.

Betreffende begin

Elk begin is een vernietiging.
Elk perspectief op verre bergen, dalen,
doodt ze, legt ze vast in weliswaar bevallige
maar toch onhandige posities.

Nergens, dat is mooi, nergens dringt zich op
het onvermijdelijke alternatief.

Slechts is, maar snel vergeten,
weg de envelop nog ongeopend, het pakpapier intact,
het kind voordat het leert wat voor hem klaarligt,

de blik, de trieste blik, het onuitspreekbare
geluk dat afspat van begin
als vlokken marmer van een beeld,
meesterwerk of niet. 

Het boze

Onderaan de trap, bovenaan de trap ook,
het boze kaatst door het huis,
trappen-, woon-, zeg gerust de hele wereld.

Kaatst en galmt en wint aan kracht.
Jij boos? Ik boos.
Het licht, dat zoals buiten is maar anders,
trekt zich in zich terug, wil gedempt zijn
en is gedempt. Tijd: idem.

Wat is er dan? Er is veel. Er is wat niet gebeurt
en er is wat niet had mogen gebeuren,
er is herstelbaars dat volkomen ten onrechte
niet hersteld wordt. Er is onherstelbaars.

Jij! Jijbak! Over de versleten treden
heen en weer de bolbliksems
van genegenheid en ergernis. De wereld
voegt zich nauwelijks naar mij en ik ben boos.

Stad, bos

De stad is een bos. Hoog in de kruinen
uilen. Zie hun gele, vierkante ogen.

Maar ik bén geen muis. Ik schiet
het struikgewas in, steegje, ril willekeurig.

Uit de gebutste heupfles de laatste slokken,
brandend met een hopeloos vuur. In mij

dooft alles. ‘Op huis aan,’ herhaal ik,
‘op huis.’ Het ruist

in de boomtoppen, ritselt rond mijn voeten,
allerlei onopmerkelijks vindt plaats,

en de avond, de nacht is koud,
koud maar zwart.

De keuze van Frouke Arns

Mark Boog

De golven en het breken

Je ziet er de golven in en het breken.
Dat zie je. Maar het is gewoon
een stad op zondagochtend, grijs,
door de mist niet werkelijk bedekt.

Er gebeurt heel veel als er weinig gebeurt.
Dat denk je. Vooral negeren. Het overschot
opgeslagen in ruime, schone archieven
tot de zondagmiddag. Dan vergeten.

Heb je geen zin om te zwemmen? Niet?

Recensie van Er moet sprake zijn van een misverstand - Mark Boog

Het kind, verbeten, verdedigt zich

Mark Boog
Er moet sprake zijn van een misverstand
Uitgever: Cossee
2010
ISBN 9789059362680
€ 18,90
96 blz.


Er moet sprake zijn van een misverstand
heet de nieuwe bundel van Mark Boog. Het deed mij het eerst denken aan wat mensen in een film roepen als ze gearresteerd worden: ‘het is allemaal een groot misverstand. Jullie moeten iemand anders hebben.’ Maar het is nooit een misverstand. En bij Boog is dat niet anders. Dat wordt al geïllustreerd door het kunstwerk van Lucio Fontana dat het voorplat van de bundel siert. In een gifgroen doek zijn drie sneden gemaakt. Doelbewust en met een scherp voorwerp, zoals Boog in zijn gedichten zijn onderwerpen fileert. Maar met agressie ook, met woede. En daarvan zit best veel in deze bundel. Meer dan in Boogs vorige volledige bundel De encyclopedie van de grote woorden en in de gedichtendagcyclus Alle dagen zijn van liefde.
Frustratie, berusting, afstandelijke ironie en spot, dingen die we kennen van Boog, zitten ook in deze bundel maar de verbetenheid is nieuw:

Het kind verbeten verdedigt

Het kind verbeten verdedigt zijn onschuld,
wapent zich, schulpt.
Treitert vastberaden omringend vee,
blikt schichtig rond, heft hoog de smalle kin.

Het kind verbeten verdedigt zich.
Het kind verbeten leeft.
Mocht iemand ooit – en velen voortdurend,
veel altijd – dan is gerekend buiten het kind.

Het omgaan van zon en maan en sterren,
wind en wolk en lichtval allerhande,
de slinkse aanvallen van tijd en lot, gewoonte:
het kind verbeten pareert. Het kind verbeten speelt.

De zinloosheid van zo’n beetje alles. Het is altijd al een belangrijk thema geweest bij Boog. Maar iemand die overtuigd is van de zinloosheid van alles schrijft geen half dozijn dichtbundels vol. Het dichten alleen al is immers een daad van verzet tegen de Leegte. Die verzetsstrijd wordt in dit gedicht heel helder weergegeven. Er wordt een kind opgevoerd dat, tegen de klippen op, kind wil zijn, wil spelen, wil leven. De paradox – er is bij Boog altijd een paradox, een omkering – is dat de strijd ter verdediging van de onschuld een grimmige is en dat de onschuld dus per definitie aan de verliezende hand is. Interessant is het om in dit gedicht in plaats van ‘kind’ ‘dichter’ te lezen en in plaats van ‘speelt’ ‘schrijft’.

Over de opbouw van Er moet sprake zijn van een misverstand, in twee ongelijke delen, aangeduid met Romeinse cijfers, zegt Boog in een toelichting achterin dat ‘over de volgorde in afdeling I is nagedacht’ en dat de gedichten in afdeling II in ‘strikt chronologische volgorde’ staan en ‘onvermijdelijk zoiets als een reeks’ vormen.
Dat een chronologische ordening niet zo veel zegt over de inhoudelijke samenhang van een groep gedichten blijkt duidelijk uit afdeling II. Want, hoewel het overkoepelend thema de geboorte, gekoppeld aan zijn tegenhanger, de dood, lijkt te zijn, vertelt de reeks voor zover ik kan zien geen samenhangend verhaal.

Dat over de volgorde in afdeling I ‘is nagedacht’ is wel duidelijk. De gedichten zijn op thema gegroepeerd. Na een begin bij God en religie duikt op een gegeven moment een ‘jij’ op in de gedichten en gaat het over de liefde. Dan komt het schrijven aan bod en vervolgens het verlies van een dierbare. Dan is het de beurt aan het ouder worden, het aftakelen van het lichaam en het terugdenken aan vroeger. De afdeling eindigt weer met God, maar nu in een vaderrol. Dat sluit goed aan op het geboortethema van afdeling II.
Dit alles is bijzonder grof samengevat want Boog behandelt vaak in een gedicht meerdere van deze hoofdthema’s en het religieuze motief zit door de hele afdeling heen geweven. Ook zijn er zeer cryptische, moeilijk te duiden gedichten bij.

Al met al is alles aanwezig dat de poëzie van Mark Boog zo geweldig maakt. De ironie die we van hem kennen komt ons al in de eerste regel van de bundel tegemoet: ‘Mij, schaap, overkomt niets dan wat de herder wil, / wat het gras wil, de lucht’. Verder zijn er altijd omkeringen en kegelconstructies waarbij het eind van het gedicht het begin tegenspreekt:

Verklaring

Men, zich bij zinnen zeggend,
verklaart te weten. Niets weerlegt
dit groot vertrouwen, dit ontzag-,

dit zelfs opwekkend, mee met draad
en draaiing, dit voortaan zich schikken.
Men werkt naarstig aan zijn biografie,

de handen ten hemel – de wind,
het blad, het onverstoorbaar jagen.
Zo bezweert men leegte der gedachten,

zeggend: de klad zit in het oogstseizoen,
de gaarden dragen onvoldoende vrucht
en zeker stijgt de druk op de verbanden.

Eerst is er een rotsvast vertrouwen in het weten en het verklaren maar helaas: de gaarden van het rationele dragen onvoldoende vrucht en de verbanden die we dachten te zien komen onder druk te staan.
Lees dit gedicht trouwens vooral ook eens hardop en hoor hoe perfect muzikaal het is. Boog maakt heerlijk melodieuze, lied-achtige gedichten zonder dat hij daar allerlei zware stijltrucs voor nodig heeft. De alliteraties (zinnen zeggend, draad en draaiing) zijn subtiel en het spel met de a-klanken is niet opzichtig maar geeft het gedicht toch samenhang.

Boog weet in deze bundel zijn vaste thematiek toch weer op een andere manier, met een andere toon, te verwoorden en hij voegt er ook weer elementen aan toe. Hij is een dichter met een zeer herkenbare stijl die zich desondanks weet te vernieuwen. Waar De encyclopedie van de grote woorden echter het voordeel had van een strikte structuur is Er moet sprake zijn van een misverstand losser van opzet. De gedichten zijn ook wat ontoegankelijker waardoor de verbanden die er zijn misschien ook niet altijd helemaal uit de verf komen. De gedichten staan hierdoor meer op zichzelf. Dat is voor sterke gedichten goed, maar zwakkere gedichten vallen ook eerder uit de toon. Zo kun je in deze bundel wel een paar gedichten aanwijzen die ofwel wat dramatisch van toon zijn, ofwel qua beeldspraak tegen het clichématige aan zitten, ofwel thematisch echt te vaag zijn.

Maar het leeuwendeel van deze collectie van een kleine tachtig gedichten laat een Mark Boog zien die zich ontwikkeld heeft, die zich blijft ontwikkelen en die dus nog lang een van de meest interessante dichters van ons taalgebied zal blijven.