Gedichten

Buenos Aires

Y la ciudad, ahora, es como un plano
de mis humillaciones y fracasos;
desde esa puerta he visto los ocasos
y ante ese mármol he aguardado en vano.
Aquí el incierto ayer y el hoy distinto
me han deparado los comunes casos
de toda suerte humana; aquí mis pasos
urden su incalculable laberinto.
Aquí la tarde cenicienta espera
el fruto que le debe la mañana;
aquí mi sombra en la no menos vana
sombra final se perderá, ligera.
No nos une el amor sino el espanto;
será por eso que la quiero tanto.

*

Buenos Aires

En nu is deze stad een plattegrond
waarop mijn feilen en vernedering staan,
bij die deur zag ik de zon vaak ondergaan,
daar het beeld waar ik vergeefs te wachten stond.
Hier vind je wat ons allemaal verbindt
en dat ook mij door het ongewis verleden
en het wisselend heden is verschaft; hier smeden
mijn passen hun onpeilbaar labyrint.
Hier wacht de askleurige avondschemering
de door de ochtend toegezegde vrucht;
hier glijdt mijn schaduw met een licht gerucht
de al even ijdele laatste schaduw in.
Niet liefde, angst verbindt ons met elkaar;
misschien houd ik daarom zoveel van haar.

UIt: El otro, el mismo (1964)

**

Mis libros

Mis libros (que no saben que yo existo)
son tan parte de mí como este rostro
de sienes grises y de grises ojos
que vanamente busco en los cristales
y que recorro con la mano cóncava.
No sin alguna lógica amargura
bienso que las palabras esenciales
que me expresan están en esas hojas
que no saben quién soy, no en las que he escrito.
Mejor así. Las voces de los muertos
me dirán para siempre.

*

Mijn boeken

Mijn boeken (die niet weten dat ik besta)
zijn mij even vertrouwd als dit gezicht
met grijze slapen en met grijze ogen
dat ik vergeefs zoek in het spiegelglas
en dat ik aftast met mijn holle hand.
Niet zonder een zekere logische wrevel
bedenk ik dat mijn wezenlijke woorden
staan op de pagina’s die niet weten wie ik ben,
niet op de pagina’s die ik heb geschreven.
Het is beter zo. De stemmen van de doden
vertolken mij voorgoed.

Uit: La rosa profunda (1975)

**

Piedras y Chile

Por aquí habré pasado tantas veces.
No puedo recordarlas. Más lejana
que el Ganges me parece la mañana
o la tarde en que fueron. Los reveses
de la suerte no cuentan. Ya son parte
de esa dócil arcilla, mi pasado,
que borra el tiempo o que maneja el arte
y que ningún augur ha descifrado.
Tal vez en la tiniebla hubo una espada,
acaso hubo una rosa. Entretejidas
sombras las guardan hoy en sus guaridas.
Sólo me queda la ceniza. Nada.
Absuelto de las máscaras que he sido,
Seré en la muerte mi total olvido.

*

Calle Piedras en calle Chile

Door deze straten liep ik vele dagen.
Ik herinner me ze niet. Niet dichterbij
dan de uitheemse Ganges lijken mij
die ochtenden en avonden. Ze schragen
me niet langer. Ze zijn gedweeë klei
van mijn verleden, door de tijd verteerd
of door de kunsten gemanipuleerd
en niet ontcijferd door wichelarij.
Misschien dat er een zwaard in het duister was,
wellicht groeide daar ook een roos. Vervlochten
schimmen verzamelen hen in hun krochten.
Niets. Het enige dat mij nog rest is as.
Wanneer ik van mijn maskers ben bevrijd
ben ik in de dood alleen vergetelheid.

Uit: Los conjurados (1985)

**

Aan Francisco López Merino

Als jij jezelf moedwillig hebt bedekt met dood,
als het jouw wil was alle ochtenden van onze wereld af te wijzen,
is het zinloos dat versmade woorden naar je vragen;
ze zijn veroordeeld tot onmogelijkheid en nederlaag.

Dan rest ons enkel nog
de krenking te verwoorden van de rozen die je niet konden weerhouden,
de schande van de dag die jou het schot en het einde toestond.

Wat zal die stem van ons in kunnen brengen
tegen wat is bezegeld met ontbinding, tranen, marmer?
Maar er is tederheid waaraan geen enkele dood iets af kan doen:
de raadselachtige, intieme tijdingen die de muziek ons brengt,
het vaderland dat zich tot vijgenboom en regenput verwaardigt,
de zwaartekracht van de liefde, die ons rechtvaardigt.

Daar denk ik aan en ik denk ook, verborgen vriend,
dat we misschien de dood creëren naar het beeld van onze voorkeur,
dat jij de jouwe vol van klokken wist, bevallig, jong,
equivalent van jouw verzorgde, schoolse handschrift,
en dat je er als in een droom afleiding in had willen zoeken.

Als dit zo is en als de tijd het ons vergunt,
rest ons een sediment van eeuwigheid, een smaak naar wereld,
dan is hij licht, jouw dood,
zoals de verzen waarin jij voor altijd op ons wacht,
dan zal je duisternis niet worden ontwijd
door vriendschappen die jou roepen.

Uit: Cuaderno San Martín (1929)

**

De Golem

Als de naam het archetype is van het ding
(zoals de Griek in Cratylus verkoos),
bevatten de vier letters roos de roos
en is de Nijl van het woord een spiegeling.

Er moet, gehuld in klinker en consonant,
een gevreesde Naam zijn, die het kernachtige
van God bevat en die de Almachtige
bewaart in letters in volmaakt verband.

Hij was de sterren en Adam bekend
in het paradijs. De roest vrat aan de zonde
heeft hem (zeggen kabbalisten) ontbonden;
na generaties zijn we hem ontwend.

Het vernuft en de argeloosheid van de mens
kennen geen eind. Gods volk, zeggen de boeken,
werd op een dag bevangen door de wens
wakend in getto’s naar de Naam te zoeken.

Andere herinneringen zijn vandaag
schimmen in een schimmige geschiedenis,
maar levend is de nagedachtenis
aan Juda Löw, eertijds rabbijn te Praag.

Begerig naar de kennis van Gods woord
beproefde Juda Löw modificaties
van letters en complexe variaties
en sprak de Naam ten slotte uit, de Poort,

de Sleutel, de Echo, Gastheer, het Paleis,
boven een pop die hij zou transformeren
om hem de raadselen te kunnen leren
van de Letters, van de Ruimte, van de Tijd.

Langzaam deed de kopie zijn ogen open
en hij ontwaarde in rumoer vervatte
vormen en kleuren die hij niet bevatte
en trachtte angstig voor het eerst te lopen.

Allengs besefte hij (evenals wij)
dat hij gevangen zat in het klankvol net
van Gisteren, Later, Nu, Terwijl, Daarnet,
van Rechts, Links, Jij, Ik, Anderen en Zij.

(De kabbalist achtte zich goddelijk sterk
en doopte het veelomvattend schepsel Golem;
dit is de waarheid zoals vermeld door Scholem
in een erudiete passage in zijn werk.)

De rabbijn nam hem op ontdekkingstocht:
Dit is mijn voet; dit die van jou; dit het koord;
na jaren zag hij het resultaat: het gedrocht
sleepte een bezem door de tempel voort.

Hij werd misschien niet goed gespeld, de Naam,
of wellicht niet correct gearticuleerd;
de toverkunsten waren zeer bekwaam,
maar het schepsel had het spreken niet geleerd.

Zijn ogen deden denken aan een hond
of eigenlijk nog sterker aan een ding;
in het schemerduister van de gijzeling
volgden ze de rabbijn, waar hij ook stond.

Een beetje vreemd en lomp, zo was de Golem,
want kwam hij in de buurt dan ging de kat
er snel vandoor. (Die kat staat niet bij Scholem
maar door de tijden heen vermoed ik dat.)

Hij hief zijn kinderhanden naar zijn God
en deed de godsvrucht van zijn Maker na;
en volgens oriëntaalse logica
boog hij zich neer, glimlachend als een zot.

De rabbijn keek naar hem vol tederheid
en afschuw. Waarom heb ik (was zijn gedachte)
deze zoon verwekt en was ik niet bij machte
om te volharden in wijze ledigheid?

Waarom voegde ik aan de eindeloze keten
nog een symbool toe? Waarom haalde ik,
in de eeuwige kluwen van het ogenblik,
een nieuwe martelgang op mijn geweten?

Wanneer het licht beklemmend werd en vaag,
bleven zijn ogen bij de Golem hangen.
Door welk gevoel werd God wel niet bevangen
wanneer Hij keek naar Zijn rabbijn in Praag?

Uit: El otro, el mismo (1964)