Gedichten

PIETER BOSKMA (1956) debuteerde in 1987 met de dichtbundel Quest. Sindsdien verschenen twaalf dichtbundels, waarvan Het violette uur, het spraakmakende, diverse malen herdrukte  Doodsbloei, en Mensenhand (bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs) de meest recente zijn. Verder publiceerde hij de novelle Een foto van God, het roman-gedicht De aardse komedie en de verhalenbundel Westerlingen. In september 2014 verscheen zijn nieuwe dichtbundel Zelf bij uitgeverij De Bezige Bij.
Er werden van hem enkele gedichten in het Turks vertaald. Hieronder de oorspronkelijke gedichten en de vertaling in het Turks. Zie ook het interview met vertaler İbrahim Eroğlu .

 

Je as danste een moment op de zuidenwind
en loste op boven het duin, als een traan in zee.
Ik had het niet verwacht, maar het viel me mee:
als ik hier voortaan kom, adem ik je immers in!

Zal ik dan ook de geuren weer opsnuiven
van je haren, je parfum en je warme schoot?
Je mond zo lang nadat ik naar je toe boog  
voor een laatste kus, en wat was hij zuiver.

Nu kus ik lucht en zon en wind en wolk,
een sprietje gras, een veertje aan een tak,
maar ook de langste en de scherpste doorns,

en prikkeldraad en een gebroken glas,
opdat ik bloeden zal, mijn lieveling,
tot de hele mensheid van je zingt.

 

(Uit: Doodsbloei , 2010)

 

ZELFPORTRET ALS BLOEIENDE SCHAKEL

Er zit een knik in de dagen,
ze vouwen zich niet meer goed uit
alsof ze iets verborgen houden.

Er is ook wat met het zonlicht,
het lijkt wel door tralies te vallen
al is het onzeker wie vastzit.

Wat is het toch dat zich niet prijsgeeft?
Of is de tijd aan het krimpen geslagen
en vallen er gaten in wat je beleeft?

Je kust een vrouw voor het eerst op de mond,
opent je ogen en bent weer gescheiden.
Je knielt als een christen en staat op als heiden.

Het lied van een merel dat je ooit bekoorde
klinkt nu als een mars waarop soldaten
brandschatten, verkrachten en moorden.

Staar je jong en verrukt naar een veld rode tulpen
dan heeft het ineens wel een meter gesneeuwd
en gaat je hand gelaten door je laatste haren.

En bij elke tel dat je je afvraagt
waarom je neus alle kanten opgaat
zonder één vaste richting te kiezen,

strijk je de kreukels stuk voor stuk glad,
rekken de uren zich glanzende uit
en waar je raadsels of een leemte dacht

zie je de bloeiende schakel.

 

 (Uit: Zelf , 2014)

 

Küllerin bir süre dans etti güney rüzgârında
Ve savruldu (sahildeki)kum tepesinin üstünde, denizde bir gözyaşı gibi
Beklemezdim doğrusu bu kadar kolay olacağını
Eğer bundan sonra buraya gelirsem,  zaten solurum seni

Saçlarıyın kokusunu, parfümlerini ve sıcak kucağını
yine koklayacak mıyım?
Ağzın  o kadar güzel kokuyordu ki
Seni son kez öpmek için eğildiğimde

Şimdi öpüyorum gökyüzünü, güneşi, rüzgârı ve bulutu
Bir çimeni, bir dala takılmış küçük bir teleği
ama dikenin en uzununu en sivrisini de

Ve dikenli tel ve kırık bir cam
Kanamam için sevgilim
Bütün insanlık seni şarkı olarak söyleyene dek

 

(Doodsbloei, 2010 adlı  şiir kitabından)

 

PORTREM PEKİŞEN BAĞ GİBİ

Bir kırıklık var günlerde
Artık iyi doğmuyorlar
Bir şeyleri saklar gibiler

Günışığında da bir tuhaflık  var
demir parmaklardan öyle vuruyorlar ki
Sanki içeridekini bilmezmiş gibi

Nedir kendini saklayan
Yoksa zaman daralıyor mu?
Yaşadıklarında kör delikler mi açılıyor?

Bir kadının ağzından öpersin ilk kez
Açtığında gözlerini, yeniden boşanırsın
Bir Hristiyan gibi diz çöküp, kalkarsın bir kâfir gibi

Seni cezbeden bir sığırcığın şarkısı
Şimdi  askerlerin marş söyleyerek
yağmalamaları, tecavüzleri ve öldürmelerine benziyor

Gözlerini kırmızı bir lale tarlasına dikerken
Bakmışsın bir metre kar yağmış
Ve elinle usulca son kalan saçlarını okşarsın

Ve her saç telini sayışında
Neden bir yön belirlemeden
Burnun her tarafa yöneliyor?

Buruşuklukları birer birer açarken
Parlayanları saatleri uzatırsın
Ne zaman bulmacalar ya da lekeleri düşündüğünde

Görürsün pekişen bağları.

 

(Zelf/ Kendi, 2014 adli  şiir kitabından)

 

Hollandaca’ dan çeviren İbrahim Eroğlu / In het Turks vertaald door İbrahim Eroğlu

Recensie van Zelf - Pieter Boskma

Een proces van vereenzelviging

Pieter Boskma
Zelf
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023488644
€ 17,90
110 blz.

Het verlies van een geliefde is een levenssituatie waarin we ons opnieuw bewust moeten worden wie we zelf zijn. Pieter Boskma wijdt zijn nieuwste bundel Zelf daaraan. Hij heeft zich uiteengezet in zeven afdelingen overeenkomstig de stadia van het rouwproces dat een ieder doormaakt die een dierbare in de dood moet achterlaten. Opstandigheid, ontkenning, berusting, verzet, overgave en verwerking zijn innerlijk bewegingen die tot het einde toe blijven rondcirkelen in zijn hoofd: van een ontwakend zelfportret naar het verbeelde zelf.
 

Is men het zelf die liefheeft?
Is men het zelf die sterft?
Die triomfeert of derft?
 
Zonder mij geen jij,
zonder jou geen wij,
[…]
 
Zou ik uit beelden zijn geboren
in plaats van chromosomen?
Kan men zijn bestaan soms dromen?
 
Want wie zich uit een beeld laat wekken
is waarschijnlijk ook in staat/ zijn eigen levenspad te scheppen.

 
De meest beklemmende ervaring na het overlijden van de geliefde is wel dat een langdurige twee-eenheid uiteenvalt, en degene die achterblijft voor kortere of langere tijd niet meer weet wie hij nu eigenlijk zelf is. Op al deze vragen tracht Boskma antwoorden te vinden.
Het dorp Bergen gelegen in het Noord-Hollandse duinlandschap vormt het verbeeldingsrijke decor voor zijn geestelijke ‘winter aan zee’, waartegen dit innerlijk proces van vereenzelviging zich afspeelt. De structuur in deze bundel is hecht en doordacht. In disticha, terzinen en kwatrijnen rijgt Boskma zijn betitelde gedichten aaneen tot een keten van zelfbespiegelingen. In deze veelkantige zelfverkenning weet hij door zijn beeldspraken en ambivalente taalgebruik de anekdotische aanvang van veel gedichten onder spanning te houden en een mythisch karakter mee te geven, waardoor zijn ervaringen voorbij het strikt persoonlijke van zijn eigen leven komen.

Terwijl de ik in de eerste afdeling in de tram stapt en rustig voort spoort, leeft hij op
 

omdat [de] ik dacht
dat ik het verplicht was aan mijn omgekomen liefde.
 
om door te gaan met zijn leven. Vóór het verscheiden
 
zit [men] vast aan iets waarin men ging geloven
al betwijfelt men dat minstens even sterk.

 
Hij waant zich te leven in ‘extra tijd’. Daarna volgt in veertig facetten een verkenning van het zelf. De veelzijdigheid daarvan laat de ongrijpbaarheid en beweeglijkheid van het zelf zien. De duizelingwekkende tuimeling die het ik in zichzelf doormaakt, maakt dat er ‘een knik in de dagen’ zit: ‘ze vouwen zich niet meer goed uit/ alsof ze iets verborgen houden.//’. Momenten van licht dienen zich zo nu en dan aan, hoewel er zich nog geen juiste richting aandient. Waar de ik ook is, ‘niets is meer hetzelfde’. Dat geeft een onthecht gevoel. Ondertussen maakt de tijd plaats voor dromen en visioenen. Een ‘zinvol en vruchteloos bespiegelen’ voltrekt zich aan de ik. Herinneringen malen door zijn hoofd. Voor even kan ‘het volmaakte evenwicht’ zich weer doen gevoelen:
 

het is als een kus die zomaar aanwaait uit het niets,
 
het is wat ons blijft na onze as-verstrooiing.

 
Boskma’s rijkdom aan metaforen blijft verwonderen in de benauwenis van zijn gevoelens.
Hoe aan deze treurnis te ontstijgen, is de vraag uit de tweede afdeling. Boskma schetst daarin een ‘gevleugeld zelfportret’, waarin de ik zijn rouw verslaat. Zodoende verslaat hij ‘zijn eigen dood,/ in beide betekenissen/ van het woord’. We ontmoeten nu een ik die zijn eigen troost organiseert. Hij probeert weg te ‘vliegen’ van zijn verdriet. Wat hem te doen staat, is zijn eigen metamorfose te bevorderen. In de ‘roomblanke haarloze lies van een meisje!’ kan de terugkeer naar het leven gelegen zijn, wetend dat het missen op den duur zal verdwijnen ‘en jong/ en oppervlakkig worden,/’. Uiteindelijk leidt het bezoek van de overledene in de droom naar niets anders dan
 

zijn eigen leven […]
om de wereld om hen heen afdoende te doorgronden[..].

 
Daarnaast blijven er de donkere momenten opkomen, waarin de ik ‘een leeg hoofd’ heeft,
 

alsof iemand in de nacht
mijn gedachten had geroofd  

Kan ik al weer ‘van mijn eigen kop’ leven?

Het onderzoek wie het ‘zelf’ nu precies is, volgt in de derde afdeling. Afbakening en positionering van het ik komen in beeld. Wat we waarnemen, wordt bepaald door de waarnemer zelf. Is het dan zo dat ‘wie niets meer waarneemt/ het meeste zijn eigen zelf is/’? De ik ervaart het spanningsveld zich van zijn omgeving te willen onderscheiden én erin te willen opgaan. De geluiden en stilte van de natuur zetten zijn verbeelding aan het werk. De taal stelt hem niet meer in staat de vroegere ervaring terug te halen: ‘ik moet het doen met het gedicht.//’. Hij voelt zich als ‘een kunstenaar die tevergeefs in uitgedroogde tubes/ verf [zit] te knijpen […] en al overweegt met zijn bloed te schilderen.//’. Hoewel de woorden hem in de steek laten, weet het ‘schaamtevolle’ landschap van een voorbijgangster de ik terug te brengen tot de werkelijkheid. Boskma schrikt er niet voor terug in deze doorleefde poëzie als tegenwicht fysieke wellust te laten botvieren.

In de vierde afdeling maant de ik zich tot kalmte:
 

wat heeft men aan woest verdriet
om de elementen? Een mislukte liefde? Een dierbare die stierf?

 
De boosheid lijkt geweken. Hij ziet uit
 

over de legen velden naar de lege duinen en de lege
zee daarachter, en ook mijn hoofd sloot leeg om het verzwegene

 
in ‘splendid isolation’. Dit archetypisch duinlandschap staat symbool voor zijn innerlijke leegte en overgave aan wat onomkeerbaar is. Heimwee naar de geliefde mengt zich met ‘koele geilheid’. Hij weet zich opgenomen in dit tijdloos landschap dat eeuwigheid uitstraalt: ‘Mijn honger was gestild, mijn zucht naar avontuur bevredigd,

ik was zelf een brug geworden tussen nu en heden, ik had
geen geschiedenis sinds zij was overleden, ik keek
in een donker oog van water dat gebroken leek
 
en zag daarin het hare weer volstromen met licht.

 
De moeite met het verlies blijft:
 

De verte, eenmaal bereikt, was jou niet ver genoeg,
het diepste binnenland nog te weinig afgelegen.

 
Boskma weet zich hierin verbonden met de geest van een viertal dichters die hem dierbaar zijn: Slauerhoff, Lorca, Lucebert en Gorter.  Zij raken aan ‘de geheime pijn waardoor wij dichter zijn,/’. In deze hommages manifesteert Boskma zijn omgang met de traditie én zijn poëtische eigenheid.

In de vijfde afdeling blijft het nog altijd moeilijk voor de ik zich neer te leggen bij de dood van zijn geliefde. Hij rijst op in een droom en ziet het leven van alledag in vogelvlucht onder ogen. In zijn strijd tegen het verlies geeft hij zich onbekommerd over aan de gulzigheid. Het benadrukt zijn eigen eenzaamheid. Het naakte verlangen blijft groeien: ‘waarvan wie echt geleefd heeft weet: het is niet te stillen,/’. Toch valt de ik de gedachte van Spinoza in dat het mogelijk is ‘dat geen van ons zal sterven, en daarmee is het al een feit./’ Hij beseft ineens dat ‘men vormt uit zichzelf het ontbrekende gegeven.//’.
De hoop op hereniging blijft. Hij zag in dat ‘de oorzaak/ van het lijden ligt in het verlangen,/’. Als in een film trekken beelden in een stroom aan hem voorbij waaraan hij afleest , dat hij met zijn vrouw mee is gestorven,
 

zich mee laat voeren door de stroom
 
of de stroom zichzelf door hem.

 
Hij blijft zich afvragen of hij ‘Misschien […] te diep […][zijn] gestorven liefde [heeft] nagestaard,/’. Hij kent zichzelf van jongs af aan als een ‘separate soort’:
 

mijn leven als een monnik,
 
mijn werken als een paard. Pas nu vermag ik in te zien
dat ik daarom dichter werd: niets anders kan mijn godenkop
met mijn beestenlijf verbinden, niets anders kan uit leegte
het volledige opwekken,

 
In de laatste afdeling glanst het verbeelde zelf. Een bundel op zich. Boskma’s Awater. Elementen uit de voorgaande gedichten keren in elf sessies terug. De man in de duinen van Bergen schilderde zichzelf en werd een lichtend voorbeeld voor de ik zichzelf te portretteren in deze uitgebreide cyclus. Aan het einde van het proces is er bij de ik de behoefte het geheel te overzien en afstand te nemen tot zichzelf, ‘het vers rept van gedachten/ en is plotseling bij machte/ jou te wekken uit zijn klank.//’. Het feest kan beginnen. Het bestaan van licht breekt door, ‘het geil geluk,/ een man en vrouw in enen één!//’. Het canvas valt naar alle kanten open. De ik stapt erop. Hij stelt zich de vraag ‘welk ordenend principe is er dat ons overstijgt?//’ Herinneringen keren terug. ‘Beeld uit beeld, woord uit woord,/’. Nog altijd wordt die man gegijzeld door zijn emoties, maar in schilderij zit
 

zowat alles
wat je kan bedenken
en in woorden weet te vatten.

 
Lopend op het duinpad blijft de vraag zich opdringen na het zien van de toevallige voorbijgangster:
 

Was zij wel echt? Ik vroeg het haar.
’Ik weet het niet,’ zei ze, ‘zeg jij het maar,
ik heb hier al zo vaak alleen gestaan…’

 
Zij ziet ‘de lange golfslag/ van het lijden’ aan hem af. Ze ziet de aanklacht van de liefde tegen God, maar ook ‘een dichter, door een vers gered,/’. Ze verontschuldigt zich over haar verregaande uiteenzetting van zijn zielenpijn. Ze laat hem achter met zijn ‘leeg bestaan’. Murw van de pijn en het verlangen rest nog de vergetelheid van de dromen. En opnieuw geeft het schilderij aan de ik weer munitie de strijd met de eigen leegte aan te gaan:
 

O vers, denk mij dan haar liefde,
denk mij het sussen van haar mond
op de mijne waaruit zij ontstond. 

 
Hij schept zich een beeld van haar, maar welk doel dient men als men zich wijdt aan de doden. Is het een droom of werkelijkheid? Het sterke verlangen naar dagen met kalme discipline steken in hem op. De wereld trekt aan zijn geestesoog voorbij.
 

Zulke dromen,
zo een stem en zo een lied,
voor iedereen zo’n onderkomen.

 
Het feest barst los langs het Padenpad in de duinen: ‘een bonte stoet die zin in feesten had.//’. De seks en de dronkenschap kan een aanvang nemen als pleister op de wonde van het niet te stelpen verlangen en de pijn van de leegte: ‘men wint pas echt zonder gevecht.//’. En dan in het slotakkoord herkent de ik in de vrouw zichzelf: ‘Wat je verbeeldt, dat ben je zelf,/’. ‘Toen zij al bijna bij de duinen was/ draaide zij zich om en wees naar mij./ Ik denk dat ik op dat moment genas.//’.

Naar dit moment van vereenzelviging heeft Boskma in een magistraal verwerkingsproces toegewerkt. De verwerking van de pijn ligt voor de ik besloten in de overgave aan zichzelf. Boskma overtreft zichzelf in deze grootse bundel in helderheid en zeggingskracht.

***
Pieter Boskma (1956) publiceerde twaalf dichtbundels alsmede de novelle Een foto van God 1993), het roman-gedicht De aardse komedie (2002) en de verhalenbundel Westerlingen (2006). Succes boekte hij met de dichtbundels Doodsbloei (2010), een ‘rouwdagboek in verzen’, en met Mensenhand (2012), dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2014.

Recensie van Mensenhand - Pieter Boskma

Tegen de dood

Pieter Boskma
Mensenhand
Uitgever: Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus
2012
ISBN 9789044620573
€ 19,95
136 blz.

 
Ilja Pfeijffer schreef ooit over een door hem bewonderde bundel: ‘Ik kreeg zin
zelf een potje te gaan dichten.’  Of om op een andere zwaargewicht, Roland
Barthes, te variëren: ‘Een matige tekst consumeer je, een goede tekst doet
je produceren.’  Lijken mij schrandere opmerkingen.
 
En verdomd, bij lezing van Mensenhand, de jongste bundel van Pieter Boskma,
kreeg ik de neiging ipso facto mee te willen krassen. Mogelijk, maar onmogelijk
in de stijl van Boskma zelf. Die is, zoals iedere dichter wenst, zo eigen, zo authentiek.
Dat valt al direct op aan zijn idioom. Een mixture van verschillende talen. Soms
straattaal, dan weer archaïsch of semi- ambtelijk en soms zelfs wetenschappelijk.
Maar steeds des Boskma’s. En alles in een ritme dat met regelmaat verspringt.
Van ijlend tot contemplatief. Om in recensentenjargon te spreken: Boskma
wendt alle registers van de taal aan.
 
Waaraan staan die registers ten dienste? Wat is het leidend thema van de dichter?
Het leven! De aarde! Boskma schrijft tegen de dood. Niets minder. Geen gemillimeter op een vierkante bladspiegel hier. Het zijn de thema’s die tellen.
Ja, we hebben van doen met een existentieel dichter. Het begint al bij het Bijbelse motto:

Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde;
de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen.
(Openbaringen 21:1)

Het doet denken aan Apollinaire:

   A la fin tu es las de ce monde ancien.

Boskma legt zich niet neer bij de wereld zoals ze zich toont. Ondanks zijn sceptische grondhouding heeft hij het vermogen vitaal te blijven. Die vitaliteit voel je als lezer, omdat er achter de woorden polletjes emotie groeien. Emoties die nog niet in de handboeken geboekstaafd zijn. Volgens mij schuilt daarin de kracht van deze poëzie.
Anders: Boskma is de Marsman van dit tijdsgewricht.
 
Tussen alle zinnen zwemt het visje van David Foster Wallace dat zich afvraagt: ‘Wat is in godsnaam water?’ Verwondering, dat lijkt mij een drijfveer van Boskma. Waarschijnlijk daarom treffen we veel vraagtekens aan in deze bundel. Want natuurlijk,antwoorden zijn de dood in de pot. Deze dichter heeft de bravoure om indirect de vragen te stellen die iedere ouder van kleuters kent: wat is leven, wat is de dood, wie is God?
 
Het is dat ik niet tuk ben op lange besprekingen, anders zou ik hier ongebreideld citeren. Maar met slechts enkele citaten doe ik de bundel naar mijn idee te kort. De lezer moet juist meegenomen worden in de roes van de gehele tekst. Ik wens niets te verklappen.
Lees zelf: ‘Sla de fusten maar weer open en ontkurk de wijnen.’
 
In dit stukje heb ik wat grote namen laten vallen.
In die reeks past Pieter Boskma prima.

Recensie van Doodsbloei - Pieter Boskma

Zo staat het hier geschreven

Pieter Boskma
Doodsbloei
Uitgever: Prometheus
2010
ISBN 9789044616514
€ 24,95
296 blz.

Kon Pieter Boskma in zijn bundel Het violette uur (2008) nog schrijven: ‘drong het tot mij door dat ik nu nu nu gelukkig was,/ voor het eerst gelukkig was, beschermd en zorgeloos’, twee jaar later stonden de zaken er anders voor. In een interview voor VPRO’s De Avonden ging Boskma uitvoerig in op het rouwdagboek in verzen, dat hij ruim zeven maanden bijhield na het verlies van zijn vrouw in augustus 2008 en dat een bundel opleverde die in het algemeen zeer lovend (o.a. Arie van den Berg) tot extatisch (Fleur Speet) werd ontvangen. Alleen Erik Menkveld uitte ook zijn reserves.
Boskma vertelt in het interview dat ‘het’ al begon zes tot zeven weken na haar dood: het eerste gedicht diende zich aan op 4 oktober 2008. Toen direct de volgende dag weer gedichten in hem opkwamen, wist hij dat het een stroom zou worden van wat hij noemt ‘bevrijde’ sonnetten: direct, ‘recht voor zijn raap’, rijmend, maar ‘zonder poëtische opsmuk’. Hij zette alles opzij en zeven maanden ging het door met gemiddeld elf gedichten per week, meer dan 300 in totaal. Op 7 augustus 2010, precies twee jaar na haar sterfdag, was het werk gedaan. Het was een explosie, zegt hij er zelf van. Niet geserreerd en ingetogen, maar snoeihard, de emotie vol binnengelaten, het rouwgenre ontstegen, het particuliere in een soort van magisch denken vergroot tot mythische proporties: Doodsbloei.

Wie het eerdere dichtwerk van Boskma overziet, kan niet anders concluderen dan dat al het voorgaande beschouwd kan worden als één grote voorbereiding op deze voorlopige (?) apotheose van zijn dichterschap. Naar aanleiding van het lange roman-gedicht De aardse komedie wees Hafid Bouazza er al op, dat een belangrijk thema bij Boskma de zoektocht is naar de relatie tussen leven en poëzie. Veelvuldig komt dan ook in de vroegere poëzie de omgang met verlies en dood en de overwinning daarop ter sprake. ‘Ook de dichter is per definitie een verliezer’ schreef hij in ‘De zinvolle haast van de dichter’ (Puur, 2004), maar ‘Het dondert/ hem niet wat hij kwijtraakt, hij schept het/ dezelfde dag alweer terug’. En ‘Want de dood is niets/ dan een spelletje met de tijd -‘ staat er in ‘Uit oersoep en ruïne’ (Simpel heelal ,1995). In die laatste bundel wordt de tweede helft geheel gevuld met het gedicht ‘Altijd weer dit leven’, met een motto van Dylan Thomas: ‘Oh as I was young’. Het is een herdenkingsgedicht voor en over een bevriende dichter dat zich afspeelt in een jaar tijd en waarin hij de vriend regelmatig aan het woord laat, als een bewonderde, een god en zo allerlei ervaringen deelt: ‘Ik was de ode zelve,/ de vleesgeworden gloed/ waaraan ook al Dante/ en Vergilius zich brandden’. Het is een context die in Doodsbloei terugkeert, evenals het feit dat hij gemakkelijk als het ware met meerdere monden spreekt: ‘Welke tong/ Spreekt in wie?’, schreef hij al in de bundel Tiara (1991).
Zwagerman noemde Boskma in zijn nawoord bij Altijd weer dit leven (2006) een uitgesproken romanticus, een obsessieve en op momenten zelfs bezeten beoefenaar van een heidense lyriek, iemand die het gebruik van Grote Woorden niet schuwt, schakelt tussen Hoog en Laag, tussen verheven en banaal, maar de daarmee opgeroepen zelfvergroting met zelfspot ironiseert. En Rob Schouten zag in hem een kosmische dichter, iemand die zich in zijn poëzie intens laat meeslepen door de mystiek, de magie, het overdonderende van de werkelijkheid.

Doodsbloei telt 252 gedichten en bestaat uit drie delen: ‘Einde’, met 98 gedichten verdeeld over 15 afdelingen, ‘Terug’ met 71 gedichten in 10 afdelingen en ‘Opnieuw’ met 83 gedichten in 12 afdelingen, waarvan de laatste drie epilogen zijn. De sonnetvorm is de basis; 135 gedichten zijn keurig opgebouwd uit twee kwatrijnen en twee terzinen, maar meer dan honderd gedichten krijgen een regel extra, en vijftien gedichten tellen zelfs twee of drie regels meer. Het is bekend uit zijn vorige bundels. Ook om een vast rijmschema bekommert Boskma zich niet. Hij rijmt zoals het hem uitkomt, hij maakt graag gebruik van de vondsten die het rijm hem oplevert, maar stapt ook net zo makkelijk over op assonerende of niet rijmende verzen. De enige eis die hij stelt, lijkt die van de soepelheid. Daarin gaat hij zover, dat de gedichten een zekere ‘eentonigheid’ krijgen; ze hebben al gauw een zelfde ritme (bij voorkeur jambisch of dactylisch), halen hetzelfde adem. De taal is even vaak simpel en helder, bijna gewone spreektaal, als lyrisch en op het geëxalteerde af sensitief. Wat dat laatste betreft: op de invloed van Gorter op Boskma’s versifiëring is al zo vaak gewezen, dat het bijna overbodig is het te noemen.
Dit is het eerste gedicht:

Ben jij het, liefste, ben je alles nu?
Stem die de diepste tonen zingen kan?
Gras dat koorddanst op een duinrug,
zon die opvlamt uit een vennetje?

Is het de zee waarmee je aanruist nu,
het nauw hoorbaar vallen van een blad?
Knipoog je vliegtuigstrepen aan de lucht
en plaag je me gewoon maar wat?

Naar het waarom zal ik niet langer vragen.
Geen enkel antwoord was bevredigend,
het leidde slechts tot feller onbehagen.

Vlieg dus maar rond en wees het lied
dat wij elkaar nog altijd kunnen geven,
allebei de tekst en allebei de melodie.

‘Allebei de tekst en allebei de melodie.’ Boskma stelt het van het begin af aan voor als een gezamenlijk project, waarin ze beiden een gelijkwaardig, zelfstandig aandeel hebben. Hij zal het de hele bundel door volhouden de ander te zien als in de dood voortbestaand en van daaruit communicerend, volop op hun gezamenlijke vroegere – en huidige! – leven betrokken. Het roept direct de thematiek van Achterberg op, zeker als er in het derde gedicht al direct het verband tussen de dode geliefde en ‘het vers’ wordt gelegd: ‘toen en nu, geluk en ongeluk,// vloeien naadloos door elkaar/ tot jij het vers tegelijk/ binnenkomt en weer verlaat,// binnenkomt en weer verlaat.’ Voor de opdracht die hij in het bundeltje Ene arm vrij (2003) van Achterberg meende te horen, toont hij zich in ieder geval niet ongevoelig: ‘Zet het voort, zet de woorden in/ de juiste spanning!’

Omdat de dode leeft in het vers, maar daarover vrijelijk beschikt, verkeert de dichter in een afhankelijke positie. Het vijfde gedicht zegt het zo: ‘Ach, alles en niets zijn mij nu gelijk,/ alleen in woorden adem ik echt/ omdat ik jou daarmee nog altijd bereik.’ Vervolgens formuleert hij zijn opdracht: ‘bloeden’ ‘tot de hele mensheid van je zingt.’ Er is sprake van volstrekte dienstbaarheid, maar ook van een groot eigenbelang, omdat zij hem de onsterfelijkheid als dichter kan geven, hem de top kan laten bereiken. Het is dus een uitgelezen kans op voortbestaan. Maar niet zonder haar, en daarom is het steeds terugkerende uitgangspunt, de spil waarom letterlijk alles draait, de ‘doorgangh van een gesteên ten leven’ om met Huygens te spreken, het duin waar haar as verstrooid werd. Daar werd zij ‘lucht en zon en wind en wolk,/ een sprietje gras, een veertje aan een tak,/ maar ook de langste en scherpste doorns,// en prikkeldraad en een gebroken glas’. Telkens keert hij daar terug, daar voert hij zijn innerlijke dialogen, herbeleeft hij de periode van haar sterven, ondergaat hij bijzondere natuurervaringen (o.a. met havik, kraaien, vos en hert), vandaar vertrekt hij voor zijn intens beleefde, maar geforceerd aandoende door een doodsengel begeleide Danteske tochten naar de wereld waar zij nu vertoeft.

Het middendeel van de bundel is het minst overtuigend, en dat komt omdat Boskma hier het meest verhalend probeert te zijn. Het is een beschrijving van een gedroomde dodenstad met een gouden en marmeren paleis, bereikt met een zelfsturend bootje vanuit een verzonken woud, met nogal wat quasi-mythologische hocus pocus. In ieder geval: zij is er, of liever: ‘Dat jij het was kan ik niet zeggen,/ maar dat je het niet was evenmin.’ In de Hal van de Tranen, een soort spiegelzaal, beleeft hij opnieuw haar sterfbed, in de Zaal van alle Daden wordt zijn levenswandel beoordeeld, in de Angst voor de Angst moet een driekoppig serpent getrotseerd worden om in de Suite der Liefde te komen. Hier ontmoet hij alle vrouwen uit zijn leven, die op slag verdwijnen als hij aan zijn liefste denkt. Via de Salon van de Tijd en de Grot van God (‘toegang gratis met een zuiver hart’) komt hij bij de Dakloze Kamer, die twéé deuren heeft en hem voor een existentiële keuze plaatst: ‘Achter de ene deur verlies je haar,/ achter de andere je eigen leven./ Zo staat het hier geschreven,/ zo zit Zijn Wet in elkaar.’ Het gedicht vervolgt dan aldus:

Toen ging het snel. Ik kreeg een zet,
viel door een deur… en wist niet wat ik zag:
ik stond op jouw duin, midden op een zomerdag.

Snel keek ik om waar de deur zich sloot
en ik zag jouw glimlach en hoorde nog net:
‘Ach liefste, mijn liefste, je mag nog niet dood,

dank je voor alles, maar nu moet je gaan.’

Even verderop zal zij hem voorhouden: ‘het leven gaat door, ook als het ophoudt,/ iedereen komt door het donkerste woud/ als hij niet bang is, niet klaagt en niet weent.’ Voorlopig staart hij echter nog ‘in jouw blinde afwezigheid’, een formulering die weer regelrecht aan Achterberg ontleend lijkt te zijn, die in ‘Contact’ uit Eiland der ziel schreef: ‘ik smeed het woord dat naar u heet en ik besta bij de gena van deze blinde bezigheid.’ Het geldt evenzo voor Boskma.

Door de hele bundel heen geeft hij voortdurend aan hoe ver hij in de tijd van haar verwijderd raakt: ‘drie maanden na je dood/ en nog elke zenuw bloot’, ‘Je bent alweer vijf maanden dood, en ik…’, ‘Op de eerste dag van de zevende maand van je dood’, ‘Vandaag ben je zeven maanden dood’, ‘De laatste dag van de achtste maand van je dood’ enz. En daarnaast telt hij zijn gedichten. Aan het begin van deel drie stelt hij vast: ‘Honderdzeventig verzen voor jou…’, en warempel, het klopt, want het is inderdaad gedicht nummer 171 waarin hij dit zegt. Maar Boskma manipuleert natuurlijk, want is de bundel niet een keuze? Hij moet dan al veel meer gedichten geschreven hebben! In ieder geval constateert hij: ‘Ik ben mijn eigen poëzie geworden.’

In deel drie zwalkt de dichter. Hij geeft zich over aan drank en dope en andere vrouwen, maar als hij de liefste hoort zeggen ‘Zoek toch een engel onder de levenden!/ […]// Laat die jou kussen in een nieuw gedicht,// laat nu een einde komen aan de rouw’, dan volgen er zes gedichten waarin hij regel voor regel herinneringen ophaalt aan de meer dan zestig locaties waar hij wereldwijd met haar geweest is. Maar de tekenen dat er een kentering komt, nemen toe. ‘Ik stond op je duin en was ineens niet meer verdrietig’. Uiteindelijk heeft hij weer ontmoetingen met de dood, die zegt te willen staken omdat ook hij recht op sterven wil hebben. Als de dood dan niemand meer wil halen, wil hij misschien wel iemand brengen; de dichter ziet het als een nieuwe kans met de geliefde verenigd te worden. In de Grot van God ontmoet hij zijn Monique (bij name genoemd!), meteen daarop bevinden zij zich beiden ‘midden in de zonbeschenen duinen’, maar de dood stelt onverbiddelijk: ‘Je wou toch een keuze? Nou, een van jullie/ mag terug, de ander moet hier blijven.’ Uiteraard verdwijnt zij, en hij hervindt zich achter zijn bureau, als om te benadrukken dat het in feite allemaal maar een literair spel is. Vandaar misschien dat Boskma er vervolgens sterk de nadruk op legt daarna maandenlang niet meer te hebben kunnen schrijven:

Ik probeerde het nog wel, ging de duinen in,
geheel gericht op jou, net als in het begin,
maar het was voorbij, o en voorgoed voorbij,
ik zag en hoorde niets wat op elkaar rijmt.

Door de dichter van de aanvaarding te citeren, wordt hier de verzoening met het leven bevestigd.
Hierna volgen dan nog de eerste, tweede en derde epiloog, als de slotakkoorden van een symfonie die niet van ophouden weet. In de eerste ligt sterk de nadruk op een intense erotiek, de meest pure levenskracht. Van daaruit is er dan een kalme laatste ontmoeting met de dood, die niet alleen verlangt dat hij verder schrijft, maar die hem bovendien, als volvoerder van haar wil, naar een eerder ontmoete potentiële nieuwe geliefde stuurt. Uiteindelijk kan geschreven worden

Het werd zomer, herfst, weer winter,
de jaren gleden gelaten voorbij,
en heel langzaam werd het minder:
de waanhoop en de weemoedspijn.

en houdt zij hem voor: ‘Er komt een dag dat ik moet zwijgen,/ en jij een andere bron moet vinden/ om je gedichten uit te krijgen’.

Tot slot. Doodsbloei, luidt de titel. De dood wordt zichtbaar en meeleefbaar gemaakt, maar een lofzang op de dood is deze bundel beslist niet. De natuur bloeit, de gestorven geliefde bloeit, de dichter bloeit. Bovenal laat de bundel zien wat poëzie vermag als talent en gedrevenheid haar dragen en zij tegelijk middel en doel is. Geen ‘doodsbloei’ die niet met het leven verzoent.

****
Pieter Boskma (1956) studeerde onder meer Nederlands, Engels, Indonesisch en antropologie, en was enige jaren werkzaam als conservator van het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Na zijn debuut Quest (1987) koos hij voor het full time schrijverschap. Eind jaren tachtig maakte hij deel uit van de dichtersgroep De Maximalen. Sinds zijn debuut publiceerde Boskma een groot aantal dichtbundels, waaronder Tiara (1991),Simpel heelal (1995), In de naam (1996), Het zingende doek & De geheime gedichten (1999), Puur (2004) en Het violette uur (2008). Daarnaast schreef hij de novelle Een foto van God (1993), het omvangrijke roman-gedicht De aardse komedie (2002) en de verhalenbundel Westerlingen (2006). In 2006 presenteerde Joost Zwagerman met Altijd weer dit leven een ruime keuze uit Boskma’s poëzie.