Interview met Lies van Gasse

In taal trek ik schuiven vol beelden open

 

Lies van Gasse (1983) is dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Ze schreef de bundels Hetzelfde gedicht steeds weer, Brak de waterdrager en Wenteling . Met Brak de waterdrager won ze de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen voor poëzie, met Wenteling werd ze genomineerd voor de Pernathprijs. Onlangs verscheen haar jongste bundel Wassende Stad.

Je bent dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Je biografie gaat terug tot je debuut bij de Wereldbibliotheek in 2008. Ik vraag me af wat je voor die tijd deed, hoe ontwikkelde jij je als schrijver en kunstenaar tot dat punt van uitgegeven worden?
Als kind maakte ik al boekjes uit oude agenda’s die ik van mijn grootvader kreeg. Ik schreef daar dan verhaaltjes en gedichten in en illustreerde die. Schrijven was eigenlijk niet iets waar ik me heel bewust van was, maar ik heb het altijd gedaan. Vaak kon ik situaties redden door bijvoorbeeld met een mooi geschreven antwoord te verdoezelen dat ik maar een stuk van mijn toets had geleerd. Ik herinner me dat ik op het einde van het middelbaar gedichten schreef onder elk examen. Ook het tekenen was er altijd al; dat is iets wat ik van mijn vader heb meegekregen. Ik ging naar de academie, waar ik een paar inspirerende leraren heb gehad. Maar eigenlijk was voor mijn achttiende het enige waar ik écht voor gekozen heb, de muziek – en die heb ik dan, oh ironie, toch een beetje laten vallen.
Een van mijn jeugdvrienden omschreef mij enkele jaren geleden als een stille, of was het zachte, anarchist. Dat is ook wel zo. Ik was heel actief bezig om net buiten de lijntjes te kleuren, maar omdat ik wel slim genoeg was om op studiegebied mee te kunnen, viel dat nooit zo heel erg op. Mijn ouders schrokken dus nogal toen ik een kunstopleiding wilde gaan doen. Ik ben Illustratie gaan studeren in Sint Lucas. Toen ik afstudeerde, wist ik niet meer goed welk soort beeldend werk ik wilde doen. Ik had een job nodig en deed veel moeilijke, slecht betaalde baantjes. Tussendoor stuurde ik mijn gedichten naar uitgevers. Gelukkig pikte Wereldbibliotheek me op. Die eerste bundel heeft me toen echt wel op de rails gezet.

Er wordt wel gezegd dat een vis uit een kleine vijver groter groeit als hij in een grotere vijver terecht komt. Uiteraard zijn je successen het resultaat van de kwaliteit van je werk; tegelijk vraag ik me af: heeft het groter worden van de vijver een betere dichter van je gemaakt?
Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik heb niet het gevoel dat de vijver zoveel groter is geworden, al is dat objectief gesproken natuurlijk wel zo. Het is waar: in plaats van één bundel werden het er meer, café-optredens zijn veranderd in internationale festivals, prijzen voor een gedicht werden prijzen voor een bundel… Maar als ik vanuit het schrijven kijk, betekent dat eigenlijk niet zoveel. Wat blijft, is die kwetsbaarheid bij alles wat je maakt. Ik ben dit jaar tien jaar uitgegeven als dichter en nog steeds vraag ik me bij alles wat ik naar mijn uitgever stuur af wat hij ervan zal vinden.
Natuurlijk krijg je meer ontwikkelingskansen. Ik heb heel wat inspiratie gehaald uit bijvoorbeeld residenties die ik gedaan heb. Dat is ook een gevolg van een volwassener auteurschap. En ik krijg de kans om met prachtige mensen samen te werken. Zo heb ik veel geleerd van Hans Groenewegen, die mij bij mijn debuut begeleidde, en later van Matthijs De Ridder en Dirk De Geest. Annemarie Estor en Peter Theunynck bijvoorbeeld zijn zeker van belang geweest in mijn ontwikkeling, maar ook kleinere samenwerkingen, zoals die met Tsead Bruinja voor Duplex, of die met Helen White en Luc Fierens (voor een project dat nog in de steigers staat) hebben zeker hun stempel op mijn ontwikkeling gedrukt.

Hoe verhouden je schrijven en je beeldend werk zich tot elkaar?
Ze vullen elkaar aan, op alle gebied. In het schrijven kan ik misschien meer de ratio kwijt en in het tekenen het gevoel, hoewel dat ook niet helemaal klopt. Zoals er wel eens gezegd wordt dat mijn tekeningen vrolijk en uitbundig zijn en mijn gedichten zwaarmoedig. Ik ben het daar niet mee eens. Voor mij zijn beide kunstvormen onvolkomen, en daarom worden ze elkaars open plek. Wat ik niet kan tekenen, zal ik schrijven en waar de woorden tekortschieten, is een kalligrafische lijn soms heel mooi op zijn plaats.

Je bent jurylid van de Turing-gedichtenwedstrijd. Hoe ervaar je het om gedichten van anderen te beoordelen? Wat kenmerkt volgens jou een goed gedicht? Waar ben je naar op zoek?
Ik vind het heel erg moeilijk om in zo’n jury te zitten. Het is een beetje dubbel. Er wordt gezocht naar een goede dichter, naar vakmanschap. Je ziet daarom veel doorslagjes van of zelfs regelrechte imitaties. Wat ik zelf graag zou vinden, is de vonk. Ik ben op zoek naar iets nieuws, iets dat fris is, authentiek. En dan mogen daar voor mij fouten in zitten. Aan fouten kan gewerkt worden, maar aan dat eigene niet. Je hebt het of je hebt het niet.

Mij valt de scherpte van je gedichten op, de vindingrijkheid. Ik krijg de impressie dat je heel goed kunt observeren, zowel binnen- als buitenwereld. Doe je iets om die scherpte te trainen, kan dit ‘oog’ worden aangeleerd of is het een aangeboren kwaliteit?
Ik ben niet alleen dichter. Ik ben, vaak tot mijn eigen frustratie, ook nog honderd andere dingen: wandelaar, kok van dienst, tekenaar, ontwerpster van geboortekaartjes, leraar, collega, bloemenplanter, geliefde, burger, tooghanger… In elk van die rollen overkomen mij zoveel verschillende zaken, die materiaal bevatten voor gedichten. Mijn leraarschap bijvoorbeeld: ik merk nu pas, na jaren, hoe mijn leraarschap mij zoveel heeft getoond, mij een bepaald inzicht heeft verschaft in types mensen, mij in gebouwen, in andere steden en dorpen heeft laten terechtkomen. De wil om te kijken heb ik altijd al gehad, maar ik voel de laatste tijd wel dat die door mijn ervaringen is aangescherpt.
Natuurlijk heeft ook dat in zekere zin met mijn beeldende opleiding te maken. Als je tekent of schildert, vertrek je eigenlijk altijd vanuit een waarneming. Ik teken bijvoorbeeld vaak uit mijn hoofd, maar in feite gaat daar een enorme geschiedenis van schetsen en waarnemingstekenen aan vooraf, waarbij ik al die verwerkte indrukken heb opgeslagen in een soort visuele databank. Ik denk soms dat hetzelfde is gebeurd in taal: dat ik naast die visuele databank ook een paar schuiven vol beelden-in-taal kan opentrekken die ik ooit heb geregistreerd, maar die met de jaren zijn vormgegeven tot kleine clusters van beelden.

In de Poëziekrant verscheen een artikel over je samenwerking met Charlotte van den Broeck , waarin geschreven staat: ‘Van Gasse verwerkt de geboorte van haar baby’. Op facebook noemde je dit vervolgens een eendimensionale interpretatie. Je schrijft: ‘ is poneren dat het enkel over moederschap gaat niet gewoon een ouderwetse manoeuvre om niet over je werkelijke dichterschap te moeten schrijven?’ Hoe omschrijf jij jouw ‘werkelijke dichterschap’ in deze context?
Ik was heel erg lastig toen ik dat artikel zag. Ik begreep het ook niet. Hoe kon mijn bijdrage zo in één zin samengevat worden, terwijl de desbetreffende gedichten toch ook zoveel meer zijn dan dat? Zo zit er bijvoorbeeld een gedicht bij dat mij heel dierbaar is en waarin ik het heb over de dood van mijn grootmoeder en mijn zus die terwijl zij ziek was in haar huis is gaan wonen en er een baby heeft gekregen. Dat lijkt mij toch iets heel anders. En er staan ook gedichten in die meer filosofisch van aard zijn, die het over dat soort stad hebben dat Beernem is: de stad waar je beter niet blijft om je verder te ontwikkelen.
Toen ik die zin las, voelde ik mij heel erg aangevallen. Je moet weten, ik kom uit een groot gezin met zes kinderen en ik heb thuis gezien welk gewicht een gezin kan hebben op de eigen ontplooiing. Ik moest mij daar echt van losscheuren. Toen ik zelf zwanger was, had ik daar veel zorgen over. Zou ik nog wel kunnen schrijven? Zou ik tijd hebben? Zou het mij niet te veel veranderen? Zo’n zin komt op dat moment als een slag in je gezicht. Terwijl het eigenlijk gewoon een vorm van seksisme is. Als vrouwelijke dichter word je met zo’n zin gewoon afgeserveerd als schrijver en naar de keuken gestuurd.
Nu is die oorspronkelijke woede al wat gaan liggen en intussen heb ik hier ook wel andere ideeën over. Een kind schudt je wereld danig door elkaar. Natuurlijk verandert je dat. De vraag is alleen of dat negatief hoeft te zijn. Ik merk op veel vlakken dat het ook voor verdieping heeft gezorgd. Ik begrijp nu veel beter die laag van ouderschap die veel mensen dragen en zie mijzelf ook meer als dochter-van; ditmaal niet op een afhankelijke manier, maar als een voortdurend in verbinding staan. Daar wil ik nog wel eens wat mee doen. En hoewel het natuurlijk energie vreet, geeft het prille ouderschap je ook een creatieve boost. Ik wou dat iemand mij op voorhand had verteld hoeveel je meeleeft met zo’n kleintje, en welke gevolgen dat voor je eigen ontwikkeling heeft. Het is lang geleden dat ik zo veel en zo argeloos heb geknutseld, heb zitten voelen aan materialen, bewegingen heb gezien en nagedaan, gezongen, blaadjes heb verzameld in het park… Het maakt je weer ontvankelijk voor die kleine dingen, die in ons dagelijkse doen soms naar de achtergrond verschuiven, maar die volgens mij belangrijk zijn voor ons menszijn én ons kunstenaarschap.

Heb je al een voorstelling van wat je zou willen doen op artistiek gebied om aan jouw visie op het thema van ‘die laag van ouderschap’ uiting te geven?
Nee, dat heb ik niet echt. Ik ben wel een periode wat aan het tekenen geweest rond dat thema, en heb een paar dagboekachtige gedachten uitgeschreven over de confrontaties tussen moeder en dichter in dezelfde persoon. Boeiend materiaal denk ik, maar er moet eerst nog wat tijd overheen. Misschien een soort graphic poem ooit, wie weet!

Wassende stad leest als een stadswandeling door het intieme bewustzijn van het lyrische ik. De stad komt tot leven in de gedichten en vormt met de personages een organisch geheel. De stad, de gedichten komen mij hierdoor ook dynamisch voor. Bewegen en leven de gedichten door? Veranderen ze in jou of blijven ze kloppen op het papier?
Het is grappig dat je dat schrijft, want naar aanleiding van die vraag ben ik momenteel een onderzoekje aan het doen rond een aantal thema’s, waarrond ik dan notities maak in functie van een bundel. Het is bijna mijn doel om die notities zo lang mogelijk levend te houden, vooraleer ik ze vastleg. Echte gedichten hoeven het voor mij ook niet te worden. Ik vind dat wel boeiend, die onafheid, dat voortdurend in vorming zijn van tekst en taal.

In welke projecten ben je nu verwikkeld en wat plan of droom je nog voor de toekomst?
Heel concreet ben ik momenteel veel bezig met onze podcast Boeken Toe en met een jeugdboek dat ik illustreerde op basis van een tekst van Peter Theunynck. Het gaat Oma is kwijt heten en wordt een geïllustreerde, poëtische tekst over dementie voor 8- tot 12-jarigen. Er zijn ook minder afgewerkte plannen, gelukkig. Zo ben ik proza aan het schrijven en dat gaat de goede kant uit. Ook droom ik ervan nog eens een graphic poem te maken en te publiceren, een heel beroemde dichter te strikken voor Zwemmen met schrijvers , op de Bahama’s te gaan optreden met De Harde Marge (Jan Klug, Tsead Bruinja, Tonnie Dieleman, Frank Keizer, Els Moors en ik), een kledinglijn uit te brengen met mijn kalligrafische tekeningen, een nieuwe graphic novel te maken met Peter Theunynck en uiteraard zelf ook wereldberoemd en dolgelukkig te worden. Werken, werken, werken!

Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Kozijnen van krijt - Hanneke van Eijken

Zoet en rauw hand in hand

Hanneke van Eijken
Kozijnen van krijt
Uitgever: Prometheus
2018
ISBN 9789044628272
€ 19,99
56 blz.

Kozijnen van krijt is een bundel die zacht en verlokkend opent, met de afdeling  ‘We gaan gelukkig slapen’. Terwijl het eerste gedicht, ‘Baai’, wel het onheilspellende element bevat van vroege bijensterfte, wiegen de schone, beeldende woorden. Er zit zoveel liefde voor het zintuigelijk ervaren van het leven in deze gedichten. Met woorden als ‘nerven’, ‘barnsteen’ en ‘ademteugen’ wordt de lezer meegenomen de natuur in en die natuur schetst haar verhaal. Van Eijken laat zo zien dat haar tedere observaties geen uitleg behoeven. Ik zie ze, voel ze en wil daarbij net zo gretig verder lezen als leven.

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis 
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver 
als we kunnen kijken

(….)

er is net genoeg licht voor twee mensen 
het is koud, buiten 
plooit een wintervacht. 

De liefde van een vrouw voor haar gezin is ijzersterk in al haar kwetsbaarheid. Dat raakt me. Ik krijg te zien, te voelen en weet het ook allang dat alles vergankelijk is en tóch kan deze liefde niet kapot. 
Er is zelfs tederheid in de wreedheid. Krabben die werden stukgeslagen door de meeuwen op de rotsen worden met een kind veranderd in ‘slingers in de eindeloze tuin, tinkelend als belletjes’.

Het lijkt de leegte te zijn, de stilte, de uitgestrektheid van een landschap waarin alles al besloten ligt. De liefde, de herinneringen.

Ik las ooit dat gieren in een halfuuur tien kilo vlees kunnen eten
het stelt me in zekere zin gerust
dat er weinig overblijft
om naar terug te keren.

De tweede afdeling heet ‘Tafel, Zee, Tijd’. Een tussentitel die ik ervaar als een gedicht an sich. Ik blijf kijken naar die tafel, de zee, de tijd die verstrijkt. Het gebeurt in het wit van de pagina en ik droom er bij weg.  Zo vier ik de vergankelijkheid, op een mooie, melancholische manier.
Er schuiven familieleden aan in de vorm van vier gedichten: ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Broer’ en ‘Zus’ en dan volgt het gedicht ‘alles op de juiste schaal’. Weer is de toon liefdevol, inzoomend, uitzoomend. Koesterend en tegelijk relativerend. Vereeuwigd maar in de vorm van krijt, dat wegsmelt als je het in de zee gooit.

In de volgende drie afdelingen van de bundel, ‘De vacht is een huis zonder muren’, ‘De angst voor het vallen is erger dan het vallen zelf’ en ‘Spatieruis’ worden de eerder genoemde thema’s voortgezet, maar er komen nieuwe, onverwachte motieven en perspectieven bij die ik deels wat uit de toon vind vallen. Het is me niet overal meer zo duidelijk wat de ‘ik’ voor persoon is, zodat ik het nog maar moeilijk aan een gezin in een vergankelijk huis aan zee kan koppelen en dat was het beeld, de sfeer waar ik toch inmiddels zo verliefd op was geworden. Tegelijk is deze afwisseling ook een sterke kant van de bundel, er blijft zo veel ruimte voor de lezer voor eigen interpretaties.

Fragment ‘geen gebrek aan motivatie’ .

Ik laat me graag fotograferen, liggend
op een sofa of piano
of liever nog met twee messen, een geweer
in elke hand, een koalabeertje
op mijn arm

Ik vraag me bij dit gedicht zoveel af. Wie zegt dit? Waarom twee messen en een geweer? Waarom een koalabeertje? Ik beleef een confrontatie met mezelf als dichter en vraag me af sinds wanneer het zo belangrijk voor me is geworden gedichten te kunnen begrijpen.

om geen meisje meer te zijn
wil ze haar schone kern vinden

Bij bovenstaand citaat uit het gedicht ‘Landschap’ blijf ik steken omdat ik meisje en schoon (ongerept) juist met elkaar associeer. Bedoelt de dichter deze zin hier dan ironisch, wil het meisje datgene vinden wat ze al is? Dat thema vind ik poëtisch en dramatisch zeer interessant, maar daar zou ik dan meer van willen weten om er echt zeker van te zijn dat dit is wat hier bedoeld wordt. In hetzelfde gedicht ‘wonen apen met ingewikkelde namen’. Liever had ik die namen daadwerkelijk gelezen, dan had ik ze kunnen beleven en was ik meegegaan.

De gedichten die bij mij blijven hangen zijn ‘Parijs’ en ‘De adem zingt als een mechanisch vogeltje’, waarin het duidelijk is dat een moeder over haar kind schrijft of haar direct aanspreekt. Die kwetsbare, ijzersterke liefde wekt de dichterlijke kwaliteiten van Van Eijken werkelijk bijzonder prachtig op.

Het openingsgedicht van ‘Een vacht is een huis zonder muren’ met haar glasheldere thematiek, de verbinding die de mens kan voelen met wilde dieren, reken ik ook tot mijn lievelingen. Een mooi beeld wordt consistent uitgebouwd en er staat geen woord teveel in.

er jaagt vaak nog een kudde
door mijn hoofd, met teerzwarte staarten
ze stampen in het ritme
van een woeste zee

schuimkoppen glimmen
op hun lippen

ik hoef alleen maar
een haakje los
een deur van slot te laten

In de laatste afdeling, ‘De dagen zijn open handen die ons dragen’, ben ik weer om en ga ik weer helemaal mee. De liefde en de vergankelijkheid spelen hun eenvoudige doch diepgaande en tijdloze rollen uit tegen de achtergrond van een sfeervol landschap. Zoet en rauw gaan hier realistisch hand in hand.

jaren later kent mijn lichaam structuren
die je nooit gezien hebt, geulen
trekken over huid, van kant naar kant
als op een meer, waar vele boten varen

 In Kozijnen van Krijt  staan talloze gevoelvolle gedichten. Bijzonder vind ik dat de authenticiteit van dit werk niets af doet aan de herkenbaarheid, wat Van Eijkens werk geschikt maakt voor een groot publiek.  

***
Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met de bundel Papieren veulens, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2015 ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs.

Recensie van Staarsonnetten - Jürgen Smit

Bevrijd door vaste vormen

Jürgen Smit
Staarsonnetten
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993208
€ 20
57 blz.

Uit een namenlijstje met onlangs gepubliceerde dichtbundels hapte ik toe bij Staarsonnetten van Jürgen Smit. In het verleden heb ik hem horen voordragen bij slams en zijn scherpe observeringsvermogen en zwarte humor zijn me bijgebleven. Ik herinner me korte gedichten die in heldere taal een beeld schetsen. In 2012 kwam er van dit soort gedichten met Traliewoud een bundeling uit bij de Contrabas. Van Facebook ken ik ook Smit zijn pentekeningen, die eveneens een hele herkenbare stijl hebben, deels figuratief, deels abstract, sober maar voor mij altijd ‘raak’, voelbaar. Die tekeningen blijken in ‘Staarsonnetten’ eerst bijna mijn enige houvast. 
Deze bundel is namelijk geschreven in asemisch schrift, dat is een vorm van schrift met open semantische inhoud. De term asemisch betekent zonder specifieke semantische inhoud. Het object kan dus door verschillende lezers op een totaal verschillende manier worden gelezen. Het voorwoord van Smits Cru-collega Sven Staelens helpt om te begrijpen ‘wat de bedoeling is’, om dat vervolgens in hetzelfde voorwoord weer te ontkrachten trouwens. De meeste lezers zullen na het doorbladeren van het boekje hoogstwaarschijnlijk net als ik vanuit een tot nog toe onbekend soort woordheimwee precies dit willen weten: hoe luidt de gebruiksaanwijzing? Staelens antwoordt door opdrachten te geven bij de gedichten. Opdracht: Kies een klassiek sonnet, scheur het uit de bundel waarin je het vond of druk het af. Kleef het in het midden van je flatscreentelevisie, plof comfortabel in de sofa en kijk naar het gedicht. Tracht het niet te lezen. Kijk. Blijf Kijken. Staar.
De volgende opdracht nodigt uit hetzelfde te doen met een asemisch gedicht uit de bundel en vervolgens krijgen we de uitdaging zo’n gedicht te vertalen voorgeschoteld. Zo wordt de lezer tot dichter. Zelfs als herkenbare woorden worden gebruikt kan de schrijver nooit weten wat de lezer er zelf van maakt. Zo gezien is de lezer altijd tegelijkertijd ook dichter. Ik staar naar de blokken tekst, maar wordt al snel zenuwachtig als op de middelbare school bij wiskunde. Ik overweeg op de witte pagina’s naast de gedichten iets te doen met kleurpotlood omdat de woorden niet willen komen. Ik zie overal procent-achtige tekens, associeer x en y en wat viel er ook alweer te berekenen aan welke soort hoeken? Na twee weken begint het me langzaam te dagen dat Staarsonnetten iets met me doet. Het is een interessante filosofische vraag die onderhuids iets beweegt: wat doet pure vorm waarvan je de inhoud niet kan begrijpen met jou? Wat me eerst een nerveus gevoel gaf, neem ik nu waar als rustgevend, bevrijdend. 

Een ander moment, als ik zelf een gedicht poog te schrijven, ben ik de bundel even vergeten. En dan gebeurt het, ik gebruik het toetsenbord zonder na te denken over betekenis. Ik schrijf, duidelijk geïnspireerd door Staarsonnetten op mijn manier in vorm zonder inhoud. Het lucht enorm op en daarna kan ik sinds tijden weer eens een ‘echt gedicht’ schrijven. 

In deze afbeelding lijken de twee gezichten te passen bij mijn ervaring dat de bundel het mogelijk maakt los te breken vanuit een vaste vorm.

Staarsonnetten is een mooie, verzorgde bundel om te zien, gedrukt op dik crèmekleurig papier. De gedichten staan geschreven in zwart en rood. Het asemisch schrift doet denken aan een jongensboek in geheimtaal, aan een vrije vorm van kalligrafie en ik denk ook ‘monnikenwerk’,  maar dan wel van een monnik die heel relaxt en los te werk gaat, die niet overmatig denkt maar ziet en voelt wanneer het goed is. Staarsonnetten is een beeldend kunstwerk dat oproept een toegang te vinden tot poëzie door te kijken. Wie daar voor open staat kan door meer afstand te nemen tot de vaste vorm van een sonnet, de eigen creativiteit bevrijden. 

***
Jürgen Smit (1972) stond op diverse poetry-slampodia en trad op bij grote festivals zoals Onbederf’lijk Vers. In 2012 debuteerde hij met de bundel Traliewoud. Naast optreden schijnt Smit zijn eigen licht op jonggestorven dichters op zijn blog ‘Kort Dag’.

Gedichten

Apocalypsfee met landkaart

Het ligt hier ergens noordelijk van
maar ik moet even nadenken  
waar de werkelijke zon opkomt
om uit te vinden waar dat is
en daarna vraag ik nog even ecosia
wat in het algemeen in de mogelijkheden  
van opkomende en/of ontploffende/
dovende/ ondergaande zon ligt (flits!)

Toch beeld ik me bij het zien van een oude jurk
nieuwe foto’s in,  draagt het woord ‘tinte’
in zich al het gedicht, met kindergezicht
kleur ik de bekende achtergronden
door de seizoenen heen

Altijd eindigend als de afgevallen apocalypsfee
die in het opnieuw passende ijsvogelblauw
op het dak haar jongen staat te voeren  
alles wetend over de voorbijgaande zon

Ja, zo heel instinctief onnozel
tegen beter weten in te doen
op de bakfiets met een vuurtje
en edelkastanjewangen naar die bunker.

Volle wolfsmelk

1.
Wat streek eerder neer in dit ongerept gebied
de wolf of ons gezin
allereerst klonk het Noorweegse witte wief
dat ons sinds maanden in de auto toezingt
over rennen met de wolven

De zesjarige dochter kent de woorden
ze wijst daar zwemmen we
in meren van spiegelneuronen
draaien buiken wit en vol
als maanvis naar boven

’s nachts vallen de wolven over ons heen
als een sterrenregen
jagend door de golven
van ons veranderlijk gemoed

(Ze janken tussendoor de moeder staan die sporen
van zwanger en eierstokcyste-operatie goed
alleen met littekens van levensbeten  
klopt haar plaatje.)

2.
Zolang ik lippen draag als het enige sieraad
dat ik niet steeds kwijt raak
kan ik een naam tot leven wekken

Wolfsmelk, voedt mij met de vraag
wat kwam eerst,
de gedachte die boomvormig
in de hersenen ontstaat
het woord dat valt als een web van boven
of de ondermaanse plant

Soms voel ik me een dier van vacht
en open mijn uitnodigende warmte.

Mijn kind zit los (het krijsalarm kapot)

Geëmancipeerde godin in de vorm van mijn kind
glipt in hadesmantel door mijn vingers
het glazen huis van de buren binnen
vraagt met grote ogen om een bord
schuift uit de rijstpan de garnalen opzij

Embryo’s uit de zee eet ze niet
ik betreed het glazen nieuwbouwhuis
en zie daar dat ze in die afkeer
toch nog op mij lijkt

Ik heb in ons huis ook een hele wereld toebereid
wil haar met de ingredienten verleiden
maar ze is overal welkom
en een dorp is nodig
voor het opvoeden van een kind , ze klimt
mijn hoofd uit, die vette eik aan moedergedachten

en ik druip af, terug naar de tak waar
mijn tere muis, toen zij drie manen jong
alleen in slaap viel aan mijn borst

of in een doek over haar heen
als ooit mijn huid.

Toen mocht ik, zo beval haar gekrijs,
de kamer waar ze los lag niet uit.

Nooit meer appen

Veerle en ik deden alsof we niet van woorden waren
ineens hadden we zoveel te vertellen
waarom gaan gedachten zoveel sneller
en preciezer dan onze lichamen kunnen gebaren

o ja, spraken we later, ook gebaren is een taal
maar die leefden we niet

toch had het wat, dat niet kunnen vertalen
langzaam werden mijn gedachten trager
het zoemen van de vlieg dacht ik niet langer irritant

ik wilde hem worden met mijn veel te grote hand
werd geboren uit mijn navel en vloog over melodie

ik draaide warmte rond mijn ruggengraat
om te groeien als een gezonde suikerspin

zo stil alles belevend moesten we wel
wakker worden, gapen, in plaats van
appen, apengeluiden maken.