Recensie van De dood en drie andere gedichten - Joris Miedema

Een kraai vol kleur

Joris Miedema
De dood en drie andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401368
€ 19,99
84 blz.

Joris Miedema draagt deze bundel op aan zijn vader, Gerrit Keimpe Miedema, die op 12 juni 2017 is overleden aan de gevolgen van de ziekte van Huntington.
Als ik nadenk over de titel: ‘De dood en drie andere gedichten’, is het die dood die het makkelijkste  te duiden is. Het overlijden van de vader is hier uiteraard het belangrijkste aanknopingspunt en de gedichten die hierover gaan zijn niet moeilijk om te ontleden. Het zijn rauwe, werkelijke gedichten die, hoewel ze van alle sentiment zijn ontdaan, tóch liefdevol overkomen en eveneens vanuit bijzondere invalshoeken met verrassende kwinkslagen komen. Van het gedeelte van de titel ‘en drie andere gedichten’, blijft de betekenis me onduidelijk. Ik heb lang mijn hoofd gebroken over welke drie andere thema’s (?) hier gesproken wordt (liefde, leven,….? lente, zomer, herfst en dat de dood dan de winter is?). Zelfs de gedachte dat de ‘drie’ zou kunnen staan voor drie overgebleven gezinsleden kwam in me op. De indeling van de bundel verschaft geen duidelijkheid, er zijn zes hoofdstukjes met tussentitels die tot de verbeelding spreken, maar die doen vooral een bonte mix qua thematiek vermoeden. Mijn conclusie wat betreft de titel is dat deze boven alles verwoordt hoe overheersend de aanwezigheid van de dood kan zijn als deze zo dichtbij komt. Alles is dan doordrongen met de afwezigheid van de geliefde persoon. De dood neemt zijn of haar plaats over, dat lege gezicht is van die aanwezige gast die niet was uitgenodigd. In het geval van een ernstige ziekte, zoals deze van Huntington, maakt de dood zich langzaamaan breed in iemand nog voor het overlijden.

Miedema weet de uiteenlopende gevoelens van een gezin in zo’n situatie op een hele aangrijpende manier te verwoorden. De dichter beheerst de kunst van het in- en uitzoomen en wisselt ook regelmatig van perspectief zodat een breed spectrum aan gevoelens, gedachten en associaties aan bod komt. Zo lees ik hier hoe de moeder haar man vast wil houden:

Moeder houdt je arm steviger vast 
dan ze ooit deed 
om hem te behoeden 
voor verdwijnen

In een ander gedicht lees ik hoe de moeder juist poogt door te gaan met haar leven, terwijl haar ernstig zieke man ergens anders (maar toch nog) leeft. De vader wil dinsdags de grijze bak buitenzetten, de moeder heeft immers vast weer last van haar rug. De zoon zegt dat alles al gedaan is en dat de achterdeur op slot zit, waarop de man terug zakt in zijn stoel. Zo schetsen de gedichten in deze bundel regelmatig een beeldend scenario met dramatische en vervreemdende elementen. 

Sommige van de gedichten gaan minder direct over de dood van de vader. Die lijken plaats te vinden op het niveau van de droom en de verbeelding. Zoals in een van mijn lievelingsgedichten uit deze bundel. 

Onderkomen

in het weiland ligt in een opengereten veulen
er komt gegrinnik uit
een meisje legt paardenbloemen neer
om het te temperen

ze lacht
heeft kuiltjes in haar wangen
gaat zitten op het bot
dat het meest op een bankje lijkt
beseft dat het al een echt huisje
begint te worden

Het contrast tussen het gruwelijke van een opengereten veulen en het gegrinnik dat ik verbind met vrolijkheid grijpt me direct bij de lurven. Dit effect is zo sterk dat ik niet inzit over de vraagtekens die worden opgeroepen, zoals: waarom komt er gegrinnik uit het karkas? Dat het meisje paardenbloemen neer legt om ‘het te temperen’ getuigt van een ontroerende kinderlijke logica. Ze lacht omdat ze de kunst van het leven beheerst. Ze leeft rond en met de dood zonder al te zware associaties of verbindingen; vanuit een onontkoombare levenslust die aanspoort elk moment opnieuw te beginnen, kiest ze het bot dat het meest geschikt is als bankje, vindt ze een huisje, een thuis. 

Een fascinerend detail is dat Miedema in meerdere gedichten in de derde persoon over mensen spreekt en hun (fictieve?) naam daar deel van laat zijn. Hier Bertha en Sara als twee voorbeelden: 

welkom in de nog-niet-gevonden-straat 
waar Sara woont 
haar hart schenkt ze
aan wie hem hebben wil

in zaal twee ligt Bertha  
ze is ervan overtuigd dat ze een vijver is 

Het introduceren van deze personages is meteen ook hun afscheid, want ze worden niet meer genoemd. Het effect is echter dat het perspectief van de schrijver breder aandoet dan wanneer hij enkel vanuit een lyrisch ik zou schrijven. Op deze manier is niet alleen de jeugd vertegenwoordigd, zoals bijvoorbeeld in het gedicht met het meisje dat in het karkas een huisje vindt, maar met Bertha (vermoedelijk) de herfst van het (dementerende?) leven en met Sara de kinderloze volwassen vrouw die op de liefde wacht. Mijn interesse meer werk van deze schrijver te lezen groeit. Ik denk dat zijn inlevingsvermogen hem ook bij het schrijven van proza en theaterteksten te pas kan komen. 

De dichter zet met ogenschijnlijk plezier en kundigheid verschillende stijlfiguren in. Tegen het einde van de bundel zijn twee gedichten met als titels neologismen te vinden. ‘Narradief’ en ‘Hippoxazepam’. Van laatstgenoemde moest ik de tweede helft opzoeken. Hippo verwijst naar het nijlpaard dat in het gedicht naast het lyrisch ik eveneens een hoofdrol vervult. Oxazepam blijkt uit kort onderzoek op het internet een medicijn tegen onder andere slapeloosheid te zijn. Hier krijgt een zwaar thema door een absurdistische kwinkslag een extra humoristische laag. De fantasierijke doch droge manier waarop hier een medicijn in een nijlpaard verandert, is een typisch voorbeeld van de vervreemdende stijl van de wat abstractere gedichten in deze bundel.  In een tussentitel krijgt een grafsteen menselijke eigenschappen toegedicht: ‘Als er een grafsteen op de koffie komt’. Een andere titel, van een gedicht  ‘Vroeger was alles een kind’, draait dit stijlfiguur om. De kinderen die dieren toedekken, ziek maken, beter maken en in hun handen laten overlijden, vereenzelvigen zich met hun slachtoffers. Uiteindelijk overwint de behoefte de werkelijkheid van de dood richting te kunnen geven het van het medeleven.

In de volwassen werkelijkheid ervaart men vroeger of later dat de dood vooral met loslaten te maken heeft. De kale observaties van deze werkelijkheid resulteren hier in pure poëzie die in de taal toch nog wat van het moment dat voorbij gaat weet vast te houden.  Alles bij elkaar is De dood en drie andere gedichten een meer dan waardig eerbetoon en tegelijk een lofzang op het gelaagde leven. Op de voorkant staat in het paars een kleine zwarte kraai. Dit symbool voor de dood is in deze bundel een kraai vol kleur.

je bent nog mooier dan de bloemstukken
vol gerbera
je wenkbrauwen lijken voller
en trekken niet meer
je handen zijn blauwer dan de lucht
op deze zonovergoten dag

***
Joris Miedema (1978) publiceerde in 2011 zijn debuut Oogtheater.

Barbecue na safari

 

Een contrastvolle klankreis

Laurens Ham (1985) is literatuurwetenschapper en essayist. Hij werkt aan de Universiteit Utrecht als docent Moderne Nederlandse Letterkunde. Onlangs verscheen zijn debuutbundel Mijn Grote Schuld bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

Hoe wij met onze toeristische reizen ingrijpen in de wereld om ons heen is een thematische rode draad in Mijn grote schuld . In een omschrijving van je bundel lees ik:
‘Er wordt een wereld opgeroepen waarin alle grenzen zijn weggevallen.
Een toerist op safari dresseert zijn aap en is tegelijk aan hem onderworpen. In een fascistische droomstad vloeien klassiek-Romeins verleden en hedendaagse politiek samen. Mensen trekken rond in een oneindige woestijn nadat het toerisme vernietigend heeft toegeslagen.’
Beoog jij met de gedichten in deze bundel je lezers tot inzichten te brengen omtrent het reizen?
Ik geloof niet dat het lezen van een dichtbundel mensen tot heel nieuwe inzichten of zelfs een nieuwe levensstijl kan aanzetten. Goed, misschien is er af en toe een bundel die je écht helemaal door elkaar schudt en je leven een beetje verandert – zelf heb ik dat gehad bij Paul van Ostaijens Bezette stad en Hogevalk van Vicente Huidobro – maar dat komt zelden voor. Wel hoop ik dat mijn bundel iets prikkelt in de verbeelding van de lezer. Het is een beeldrijk boek, vind ik zelf. Idealiter zet het boek via die verbeelding aan het denken over de manier waarop onze reizen met het kolonialisme zijn verbonden, of met het verlangen naar een glorieus verleden.
Als het gaat om de invloed van literatuur op de levensstijl van mensen, denk ik dat proza op dat punt meer teweegbrengt dan poëzie, omdat een roman of verhaal eerder uitnodigt om je in een personage in te leven. Er zijn ecokritische wetenschappers die denken dat literatuur kan helpen om meer inzicht te krijgen in ecologische processen. Het idee is dan: als je van een afstandje het milieuonvriendelijke gedrag van een personage bekijkt, ga je zelf ook anders over je eigen leven en ecologische voetafdruk nadenken. Misschien is daar wel iets van waar. Maar zoals ik eerder al zei: ik denk dat we ook niet té optimistisch moeten zijn over de mate waarin literaire werken mensen aanzetten tot een andere levenswijze.
Wat ik zelf misschien een grotere eye-opener vond, was het bijwonen van een bijeenkomst waarin twee onderzoekers die veel met dieren werkten over hun onderzoek vertelden. Ze hadden zo’n vanzelfsprekende kennis van en respect voor de dieren. Mensen die zo’n ‘geleefde’ kennis van de natuur hebben, daarvan kunnen we veel leren. Ik denk dat Anneke Brassinga in het Nederlandse taalgebied bijvoorbeeld een schrijver is voor wie dat geldt, en ook Miek Zwamborn.

In hoeverre zijn leven en schrijven voor jou met elkaar verbonden? Leef jij wat je schrijft?
Mijn bundel is grotendeels gebaseerd op reizen die ik zelf gemaakt heb de afgelopen jaren. De afgelopen jaren merkte ik dat ik op reis steeds minder voor de toeristische highlights ging, maar steeds meer geïnteresseerd raakte in sociale processen die je ziet in een land. Hoe is het mogelijk dat je in Mexico wordt rondgeleid in nationale parken waarin de overheid geen enkele macht heeft, maar waarin plaatselijke militie-achtige groepen voor de veiligheid zorgen? Waarom accepteren we het dat er golfbanen worden aangelegd middenin de woestijn rond de Rode Zee, terwijl al het water dat nodig is om het gras groen te houden vanuit elders moet worden overgepompt? Is het niet van een enorme ironie om een uitje naar Safaripark Beekse Bergen af te sluiten met een barbecue? Wie toerist is, stuit automatisch op dit soort sociale en ecologische vragen, maar het interessante is dat we totaal niet geneigd zijn om er te lang bij stil te staan. We houden al helemáál niet op met reizen, terwijl dat een hoop problemen zou oplossen. Dat is wat me interesseert: hoe ik als reiziger medeverantwoordelijk ben voor allerlei sociale en ecologische problemen, maar me toch niet in staat voel om me aan het systeem te onttrekken.

De titel Mijn grote schuld roept bij mij associaties op met het Christendom. Schuld bekennen, dat doen de meeste mensen niet al te graag, behalve dan misschien tegenover die ene God, die ons zou kunnen vergeven. Daarom denk ik in eerste instantie bij de titel: Zo, dat is dapper, hij gaat schuld bekennen en ik vraag me af waarvoor.
Bij nader inzien lijkt ‘Mijn grote schuld’ in je gedichten meermaals een persoon aan te duiden.

‘mijn grote schuld triomfeert op de rondvaartboot
mijn grote schuld laat het breed hangen
over de rand van zijn safaribroek’
De schuld lijkt uit de ik voort te zijn gekomen maar los van hem te staan. Waarom heb je ervoor gekozen je op deze manier van de schuld te distantiëren?
Interessante vraag – al vraag ik me af of ik me echt distantieer van de schuld in deze bundel. Het toeristische schuldgevoel waarover ik net vertelde is continu aanwezig wanneer ik reis. Door er een persoon van te maken, neem ik het schuldgevoel zelfs heel serieus. Er zit een afwisseling van ironie, schuldgevoel en woede in het boek, en dat zijn ook mijn emoties. Maar het is waar: deze bundel leest minder als een persoonlijke bekentenis dan als een verkenning van hoe ik over reizen nadenk. Door de emoties op personage-achtige figuren te projecteren in een quasi-fictionele wereld, heb ik veel meer vrijheid om fenomenen met elkaar in verband te brengen dan wanneer ik persoonlijke reisverslagen geleverd had. Ik kon bijvoorbeeld de fascistische wijk EUR in Rome, de stad Ostia uit de klassieke oudheid, beelden van katholiek martelaarschap, de film Salò van Pasolini en de moord op Pasolini in één reeks met elkaar laten vervloeien.

Ja, er zit veel informatie en emotionele lading onder de huid van je gedichten, dit geeft je lezers bij elke lezing weer wat nieuws te ontdekken.
Een andere terugkerende bewoording is ‘aapjelief’, als een gekoesterde innerlijke aap die het onder de tirannie van de grote schuld vaak zwaar te verduren heeft.
hoe vaak het hoofdbureau ook retoucheert
hoe vaak mijn grote schuld excuses bromt
het zal aapjelief niet baten

hoe vaak men ook zijn ketting poetst
zijn hals blijft dun en kaal

zijn tong zoekt naar de juiste klank’
Opvallend vind ik, dat je hier met ‘klank’ eindigt omdat jouw werk, los van lading en lagen, heel klankrijk is. Wat betekent klank voor jou?
Klank is voor mij heel belangrijk in poëzie. Ik ben dol op klankdichters en op dichters als Astrid Lampe die muzikaal heel sterk zijn. Dat zal ook met mijn liefde voor muziek te maken hebben. Wat mij ook altijd gefascineerd heeft, zijn rituele stukjes taal, die door de herhaling bijna betekenisloos worden, zoals de gebeden in de katholieke kerk. Misschien vormt het klankspel in mijn bundel een manier om te zorgen dat de tekst niet bij een politiek pamflet blijft.

Voor je als dichter debuteerde verscheen in 2015 bij Uitgeverij Literatoren het boek Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur. In dit beschouwende boek wordt belicht hoe een autonome zelfpresentatie samen kan gaan met een stevige politiek-maatschappelijke positionering.
Zou je kort kunnen samenvatten voor wie het boek niet heeft gelezen, wat bedoeld wordt met een autonome zelfpresentatie?

In alles wat ik schrijf – dus in mijn poëzie, maar ook in mijn wetenschappelijke en essayistische werk – gaat het over hoe je je met geschreven taal kritisch en politiek tot de wereld kunt verhouden. Door Prometheus geboeid, mijn proefschrift, ging over schrijvers in de negentiende en twintigste eeuw die zich autonoom voordeden, die suggereerden dat ze in de wereld geen enkele duidelijke politieke of maatschappelijke positie hadden. Ze wilden niet de politiek in, ze wilden niet als maatschappelijke autoriteit worden erkend. Maar juist door dat niet te doen, eigenden ze zich veel gezag toe: ze kregen een soort buitenstaandersrol toegekend, die ze gebruikten om steeds tegen maatschappelijke verschijnselen tekeer te gaan.

Je constateert in dit boek ook dat wie zich in de literaire wereld het minst aantrekt van maatschappelijke normen, het meest serieus wordt genomen. Hoe verhoud jij je in Mijn grote schuld tot maatschappelijke normen?
Ik ben geen goed voorbeeld van een literaire rebel zoals Multatuli of Carry van Bruggen dat waren – twee van de schrijvers uit mijn boek. Maar ik denk dat het type rebellie dat zij belichaamden ook steeds zeldzamer aan het worden is. Mijn bundel bevat niet voor niets veel beelden van dieren en mensen die zich inhouden, die gedresseerd zijn. Volgens mij heb ik me, net als heel veel andere mensen in Nederland op dit moment, bepaalde maatschappelijke normen helemaal eigen gemaakt. Het is moeilijk om mensen, zéker hoogopgeleiden, nog warm te maken voor protest. Dat vind ik treurig, maar het fascineert me ook.

Kan poëzie zonder engagement volgens jou ook goed zijn?
Natuurlijk! Poëzie hoeft van mij helemaal niets en er zijn zat dichters die heel goed zijn, maar niet politiek. Maar ik merk wel dat ik poëzie die zich politiek bewust toont meestal interessanter vind. Belangrijk is voor mij vooral dat een dichter niet teveel de dichter staat te spelen: ik houd niet van gedichten die druipen van de melancholie, van het liefdesverdriet of van de goedkope ironie. Maar voor de rest kan, ja moet álles in de wereld onderwerp kunnen zijn van een goed gedicht.

Recensie van Man met hoed - Lieke Marsman

Tragikomisch wildfilosoferen

Lieke Marsman
Man met hoed
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450892
€ 24,99
192 blz.

In Man met hoed zijn de eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht: Wat ik mijzelf graag voorhoud en De eerste letter. Deze worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de grootse entree die Marsman met haar veelom gelauwerde debuut maakte in 2010, door persoonlijke omstandigheden heb gemist. Nu, gelukkig, is daar Man met hoed, een mooie dikke verzamelbundel met harde kaft, om de schade in te halen.

En ja, nu ben ik ook in de ban. Ik bewonder Marsman, die ik sindsdien liever maar meteen tutoyeer en Lieke noem.  In plaats van een recensie wil ik een brief aan haar schrijven beginnend met Lieve Lieke. Het kan geen toeval zijn dat Lieke en like maar één letter van elkaar verschillen. Bijna lig ik er wakker van, of misschien lig ik echt wakker, me afvragend wat het precies is dat mij en vele anderen aan haar lippen doet hangen. Misschien vond ik net een antwoord toen ik zojuist gedachteloos  mijn routinerondjes over het internet surfde. Het besef kwam dat ik niet goed ademhaalde. Daarna ging ik in Man met hoed zitten lezen en ontspande mijn ademhaling zich. Blijkbaar valt er bij het lezen van deze gedichten een hele last van me af.
Ik roep mezelf tot de orde om toch maar een gewone recensie te schrijven, om nader licht te werpen op wat ze nou zo goed doet.

Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool. Neem nou bijvoorbeeld de zinnen uit nummer 4 van het titelgedicht van de eerste afdeling, gewijd aan ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ :

Gister bakte ik twee eieren voor mezelf
en gooide de dooiers weg. Ik wilde een gezond persoon zijn.

Ik kwam iemand tegen die zei dat ze in de krant stond.
ik wilde weten waarom, maar eerst wilde ik warme handen.

Kijk, het geschreven ‘ik’ bakte gisteren twee eieren. Dit is iets heel alledaags, dit doen we (bijna) allemaal weleens en daarom zit ik al snel op dezelfde lijn, bijvoorbeeld die van de keukentafel of het aanrecht. Ik kan toekijken hoe ze die dooiers weggooit en ze legt me uit waarom ze dat doet. ‘Ik wilde een gezond persoon zijn.’ De gedachtenladders zijn inmiddels uitgeklapt en ik ben scherp bij de les, omdat ik hier meteen al check dat ik hier  te maken heb met een gelaagde, nadenkende stem. Dit fragment geeft wonderbaarlijk kernachtig weer hoe moeilijk het in deze tijd is om ergens zwart-wit voor te gaan, vanwege de overvloed aan informatie die ons onder andere via de media van alle kanten overspoelt. Het bevredigen van behoeftes naar de behoeftepiramide van Maslow verloopt niet vanzelfsprekend linear. Zo is het mogelijk in een gedicht van Marsman, dat wie probeert in een basisbehoefte te voorzien onderbroken wordt door het gedeelte van het ‘ik’ dat met zelfontplooiing en ethiek bezig is, zoals in de constatering dat het eiergeel blijkbaar niet gezond is. Het klassieke gedachtengoed van de piramide is dat de behoefte naar zelfontplooing pas ontstaat als de ‘lagere’ behoeftes al vervult zijn.

In de tweede strofe gebeurt iets soortgelijks. Warme handen willen hebben is een basisbehoefte die onvervuld afleidt van het vermogen sociaal te kunnen reageren. Zo’n hoofd dat soms als onderdaan van het lichaam, dan weer omgekeerd, dat van de hak op de tak springt, kennen we. Ik word geraakt omdat het zo echt is, zo navolgbaar herkenbaar en toch zo eigenzinnig. Nog nooit was de piramide van Maslow zo schrijnend in het kleine. Want het is niet te vangen, het gaat maar door dat leven, tot het stopt maar ook daarvóór valt er vaak zo weinig te veranderen. 

Een andere rode draad is dat Lieke Marsman al filosoferend speelt met verschillende bewustzijnsniveaus, soms bijna als een stand-up comedian. Zo lijkt de schrijfster zich in de volgende zinnen bewust van het effect dat ze graag op haar lezers of toehoorders zou willen bereiken: ‘Om nonchalant over te komen wilde ik het die avond hebben / over vrienden en wat dies meer zij’.

Er zelf al bij zeggen nonchalant over te willen komen is natuurlijk alles behalve nonchalant. Die zelfspot werkt op de lachspieren en is eveneens een verwelkomende manier om een gedicht te beginnen. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst.’ Met deze zin geeft de schrijfster een scherpe, humoristische uitleg.
Verrast word ik vervolgens door de zin die maakt dat je hem niet vanuit betekenis interpreteert, maar vanuit klank en associatie, om precies te zijn door de dubbele betekenis van ‘meer’: ‘Wat dies meer zij bevat een meer / waarin je koele vissen over je kuiten kunt voelen’. Een associatie die een sprookjesachtige sfeer creëert, mét mogelijk de dubbele laag om van het (bewust) wat ongemakkelijk begonnen thema af te leiden. De herhaling werkt vervreemdend, zodat klank en ritme de betekenis overheersen.

De tweede bundel van Marsman, De Eerste Letter, wordt geïntroduceerd met een lange quote van Rilke over angst. Deze quote zet de toon voor het begin van deze bundel. De angst lijkt vaak te groeien, dan weer  beteugeld te worden door de taal. De ik-persoon en de schrijfster lijken zich hier bewust van te zijn en het blijft de vraag of taal een vloek is of een zegen. Na het lezen van deze mysterieuze, surreëel aandoende poëtische uiteenzettingen zou ik met het Duitse ‘mal so mal so’ (de ene keer zus de andere keer zo) willen antwoorden. Waar een schrijfster constateert dat de mooiste mens zonder woorden is, barst een bundel bijna uit zijn voegen aan dramatische lading. ‘De mooiste mens is de mens die niet nadenkt; die / zichzelf genoeg vertrouwt om geen woorden nodig te hebben’.

Wat me verder lezend opvalt zijn Lieke’s sokken, die kwam ik eerder in de bundel ook al tegen. Ze lijken in titelgedicht ‘De eerste letter’ symbool te staan voor een laagje comfort en bescherming, een laagje beschaving.

Ik ben een geit met een navelstreng. Een vlezige lijn
die me bij het jouwe houdt. Jij bent niet de schaar
die me afknipt maar ook niet de wieg
waarin ik geboren word. Ergens
in deze berg moeten mijn sokken
toch liggen, iets zachts
voor mijn voeten, dat ze warm houdt.

Ik word geraakt waar de gedichten van eenvoud getuigen en de vertelstem kwetsbaar en eerlijk klinkt:

Soms ben ik zo open
dat ik mezelf van de randen af duw

Soms zo laag
dat het voelt alsof ik er wortel schiet

Maar ik heb goed gegeten
en het was lekker

Die zelfrelativering werkt ook hier weer humoristisch en tegelijk maakt het ‘stoer doen’ de kwetsbaarheid nog schrijnender.

Het ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’ maakt goed dat ik stiekem na een gedicht of twee, drie al vervuld ben en het verder moeten lezen kortsluiting lijkt te veroorzaken in mijn hoofd. De gedichten hebben een zekere dichtheid, een bijzonderheidsfactor.  Stel dat elk gedicht een petit-fourtje is, dan eet je daar toch niet in één keer een hele doos van leeg?  Omdat ik voor het schrijven van deze recensie naar mijn gevoel sneller en meer moet ‘eten’ dan ik wil, ben ik blij met het metaforische fleecedekentje en de druivensap,  zoals ik eerder al was met die sokken. 

Oh, je kunt wel bang worden van een 
te laat betaalde rekening 
maar oh, word maar niet bang van een 
te vroeg uitgesproken verliefdheid 
kom, dan gaan we gezellig 
in een klein karretje door een graslandschap rijden 
en onder aan de heuvel druivensap drinken 

het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te kunnen beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naartoe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh

Dat deze vrede slechts ogenschijnlijk is blijkt in het slotgedicht van ‘De eerste letter’ dat hierop volgt.

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten.

Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

In ‘Oudere Gedichten’ valt te ontdekken dat de man met hoed Lieke Marsman al sinds 2005 begeleidt. Een mannelijk alter ego blijkt, want ‘als hij zijn hoed af zet ben ik het’. Zo kan een dichter samenvallen met de personages die in de gedichten verschijnen, wat ook gebeurt in het gedicht ‘Bell Jar’ uit 2007. De dichter stelt zich voor wat ze zou doen als Sylvia Plath zou zijn, eindigend met: ‘Zou ik me opsluiten / in de keuken en mijn hoofd in de oven / begraven. Zou ik opnieuw / geboren willen worden?’ Deze laatste regel is een bijzonder fijngevoelige en scherpe kwinkslag. Zo ontstaat een meeslepend drama, als een schrijver die één kan worden met wat of wie hij omschrijft, om vervolgens vanuit een heel eigen perspectief een nieuwe vraag te stellen of een nieuw beeld te schetsen. Marsman heeft een sterk gevoel voor drama, dat soms op het papier spat in vormen die meer dan aan poëzie aan theater doen denken. Zo is het eerste gedicht in de afdeling ‘Nieuwe Gedichten’ een dialoog tussen A en B waarin elk een enkele keer drama-roddelend aan het woord komt.  Ik vind de letterlijke bewoording wat schril afsteken tegen de diepgang van veel van de andere gedichten, maar de afwisseling qua stijl en vorm is ook fascinerend.

De vertaalde gedichten zijn van dichters die in vergelijking tot elkaar, net zoals de gedichten van Marsman zelf,  heel uiteenlopend zijn qua stijl, hoewel ze allemaal wel iets ‘Liekeachtigs’ hebben. Aan de gekozen dichters valt af te zien hoe belezen en gedreven Marsman is als poëzieliefhebber. Ik noem er een paar: Frank ‘O Hara, Matthew Dickman, Brenda Shaughnessy.  Als zuster-poëzieliefhebber ben ik blij met een paar voor mij nieuwe namen om meer van te gaan lezen, zoals Wendy Wilder Larsen. Ik ben verliefd op het door Marsman vertaalde ‘Blauwe lijster in beukenhaag’. Wel vind ik het persoonlijk altijd jammer, wanneer de originele versie niet naast de vertaling gedrukt staat, omdat vertalen een hele kunst is. Zonder origineel kan ik geen inzicht verkrijgen in hoe de vertaling is gedaan.

De bundel sluit krachtig geëngageerd af met het gedicht dat op zichzelf staat, los van de andere afdelingen: ‘Alternatieve vragen en antwoorden’ over onder andere de Amerikaanse politiek, terrorisme en de oorlog daartegen, vluchtelingen en de hypocrisie die voortvloeit uit zowel de wapen- als de oliehandel. Frustratie, angst en ironie klinken door, maar vooral ook de kracht en dapperheid van de schrijfster blijven bij. Zij spreekt zich uit, zij gebruikt deze bladzijden en de positie die ze bereikt heeft om haar stem te laten klinken. Dat is poëzie, niet eens altijd zozeer in vorm of toon, maar altijd qua attitude. Throw poetry, not bombs, zoiets. Wat mij betreft heeft Marsman met deze verzamelbundel haar eigen poëtisch terrorisme (een term van Hakim Bey) verstrooid, ook zonder het gedicht ‘Alternatieve vragen’. Ja, hier barst kunst buiten de kaders en doet wildfilosoferend haar eigen ding.

***
Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, Wat ik mijzelf graag voorhoud, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, De eerste letter. In juni 2017 debuteerde zij als romanschrijver met Het tegenovergestelde van een mens.

Recensie van Hoe ik een bos begon in mijn badkamer - Maartje Smits

Hoe een mens leven uitknipt

Maartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
Uitgever: De Harmonie
2017
ISBN 9789463360173
€ 17,50
69 blz.

Maartje Smits studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer heeft voor mij de hebbeding-factor zodra ik de cover op de sociale media voorbij zie komen. Het groen omsluit, als een bos van boven gezien, twee stopcontacten. Met het hebbeding in mijn handen zie ik dat het groen meer op koraal lijkt dan op bomen. Koraal past mooi bij het waterthema van de badkamer en stammen wij, doet het beeld mij retorisch afvragen, inclusief het groen niet allemaal uit het water? De stopcontacten suggereren dat de moderne wereld en natuur in de gedichten een fascinerende dialoog met elkaar aan zullen gaan.
Voor we naar binnen gaan in de wonderlijke wereld van Smits, nog één opmerking over de voorkant. Door de associatie van mijn partner werd ik me bewust dat de voorkant een perfect beeldrijm maakt met de hoes van de animatiefilm The secret of kells. Op de cover van de betreffende film kijken twee witte ogen door een twee ogen groot gat in het bladergroen. Hierdoor ben ik benieuwd of in de bundel Keltische symbolen of sferen aangehaald zullen worden, in de vorm van moderne natuurgedichten, wat me spannend lijkt.

Maar al snel blijkt tijdens het lezen dat ik mijn verlangen naar sprookjes en romantisering moet laten varen. (Wakker worden Laura, we leven in 2017!) Smits draagt de bundel op aan alle ecoducten die ze (stiekem) overstak en benoemt deze persoonlijk. Zo zegt ze in moderne, niet romantische taal dat ze eigenlijk een hert is, denk ik. De stijl van de gedichten grenst hier en daar aan postmodern. Ze observeren, benoemen, breken af, ontleden, spelen met betekenissystemen. Smits legt originele verbanden, niet alleen tussen de woorden maar ook tussen woord én beeld.  De zinnen (of woorden, lettergrepen) ontregelen door originele verbanden te leggen, talen (Nederlands mit bits of Duits en Engels) te mixen en herhaling als stijlfiguur in te zetten, alsof het een associatief soort muziek betreft. Ervaar als voorbeeld een fragment van het zintuigelijke ‘Hindernissen’.

(Lärm stinkt en lonkt en slalomt het speelplein over

hufterproof beton
boom
hufterproof beton
boom
hufterbroof beton
boom)

Ziedaar, ‘boom’, gaat het hier nu om een groene boom? Of is het een onomatopee voor een knal die poogt het hufterproof beton om te leggen? Het is maar net wat onze associatie ermee doet en Smits lijkt daar niet wakker van te liggen. In deze zin wordt het gedrukte gedicht overgelaten aan de verbeelding van de lezer. De speelse muzikaliteit van de taal herinnert me aan werk van Paul van Ostaijen..
Persoonlijk blijf ik achter met een leeg gevoel , wat me willekeurig doet denken aan het boeddhistische hart-sutra: leegte is vorm en vorm is leegte. Vanuit mijn streven naar zingeving (wat volgens het sutra eveneens leegte is), beweer ik dat Smits in haar creatief proces haar ego (het ik-concept) afbreekt om iets nieuws te kunnen maken. Als ik inzoom zie ik dat ze niet alleen afbreekt, maar ook weer opbouwt, zoals in het gedicht ‘Instructies om jezelf te troosten’ (fragment).

(ruik
het beeld van een net geschoren
berm
de  close-up van het houten kruid
geknipt tot waar knippert hoe hard
ze je inhalen (auto’s wezens etc.)

ga liggen tussen weiland en straat
wrijf grijze kevers schoon lak watervogels
mat en bedenk waar wagens
tegenwoordig naar vernoemd worden wacht
tot iemand je ziet zonder te kijken hoe jij jezelf on-dekt
snuif en bepaal de richting en geschiedenis van
dit ongehoorzame geluid

Vluchtheuvel op een razend weiland
prevel: van alles hier leef ik nu het meest)

Bovenstaand gedicht dat ik op zichzelf in knappe taal filmisch vind, wordt overigens onderbroken door twee foto’s.  Zo staan in de bundel meermaals foto’s midden op de pagina tussen twee ‘strofes’ van een gedicht. De zin hiervan ontgaat me soms. Ik ervaar de afbeeldingen op deze manier als onderbreking, een afleiding van de tekst die me ook al regelmatig laat stoppen met lezen om na te denken over het geschrevene. Ook wordt op sommige foto’s, zoals wij op de kunstacademie in theatertaal omschreven, de rode deur rood geverfd. Dat wil zeggen dat op de foto hetzelfde staat als in de tekst. In een gedicht wordt duin genoemd, op de foto staat een duin. Zou op de foto bijvoorbeeld een berg afval te zien zijn, dan zou het woord ‘duin’ een andere lading krijgen. Desalniettemin zou ik geen enkele foto uit de bundel geschrapt willen zien, ze weten nuchter en met een knipoog tegelijk adembenemend mooi te zijn.  Toch kan ik me een vorm voorstellen, zeg fotoboek of expositie, waarin de foto’s beter tot hun recht zouden komen. Op de bladzijdes dat de foto’s het rijk voor zich alleen hebben, met een enkele zin, komen ze naar mijn mening direct veel beter tot hun recht. De foto’s van Maartje Smits zijn gedichten op zich.  

Over het algemeen gezien hebben de kortere gedichten van Smits, die op de bladzijden meer witregels krijgen, de meeste zeggingskracht. Waar in de conceptuele vormgeving ‘wild’ wordt gedaan met groene strepen die naar de naastliggende bladzijde doorlopen raak ik weer wat de weg kwijt, maar dat terzijde. Het volgende gedicht, ‘Oververhitting bij tandelozen’, is eveneens een goed voorbeeld van het ‘stopcontact temidden van het groen’, de verwrongen en gelaagde dialoog tussen natuur en civilisatie.

(traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor vewerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

het snijwerk nam twee dagen in beslag.)

De taal van civilisatie is zakelijk en hard en vormt een confronterend contrast met Johanna’s ‘boterzacht.’ Het snijwerk komt daarna extra hard aan. Zo hakt een gedicht er wel in met een engagement dat observerend aanstipt zonder te oordelen.

Het mooiste vind ik wanneer Smits emotie in haar teksten toelaat, zoals in mijn favoriete zinnen uit het titelgedicht.

(mijn plantenmix huilde onder de douche
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef
in de uitgeknipte aarde )

Hier spreekt Maartje Smits zich uit en ik weet, nee ik voel, wat haar boodschap is.
Ze vertelt van personificatie en eenheid met de natuur en schetst tegelijk een mensbeeld. De mens die het leven uitknipt dat hij wil hebben, als plaatjes uit een catalogus op een verlanglijstje en de natuur die hieronder lijdt.

Ik vermoed dat ook de gedichten die onpersoonlijker lijken meer tot leven komen als de dichteres ze voordraagt. Gelukkig kon ik op haar website direct mijn verlangen stillen en mijn vermoeden bevestigd weten. In de voordracht worden gedichten die op papier moeilijk zijn te volgen vanzelf toegankelijk. Naast haar talent voor beeld en taal is Smits namelijk ook een perform-talent en ze zal zeker, op steeds weer verrassende wijze, nog veel van zich laten horen. 

De kip is het ei

 

Merel van Slobbe (1992) won de Meander Dichtersprijs 2017.

Ha Merel, van harte gefeliciteerd met de mooie, integere gedichten die je de Meander Dichtersprijs opleverden. Ik ben één van de dertien juryleden die jou als nummer één benoemden. Net als een journalist na een heet gestreden voetbalwedstrijd wil ik uiteraard weten: wat ging er door je heen toen je hoorde dat je hebt gewonnen?
Ik was net wakker toen ik het hoorde, ik was havermoutpap aan het maken. Het nieuws kwam hierdoor extra onverwacht. Ik was natuurlijk erg blij. Het is heel leuk om de prijs te winnen, maar ook een fijn idee dat de mensen uit de jury de gedichten mooi vonden.

Hoe groot schatte je zelf je kansen in? Had je een lieveling onder de andere deelnemers?
Ik vind de andere twee dichters van de top drie, Marjon Zomer en Hester van Beers, allebei erg goed. Ik was al heel blij om met hen samen in de top drie te staan. Natuurlijk hoopte ik wel dat ik zou winnen, maar ik had er niet op gerekend.

Je studeerde zowel aan de Schrijversvakschool als ook filosofie. Wat kwam eerst, de liefde voor taal of de filosofie? Graag ook een antwoord in kip en ei metaforen.
Ik denk dat je die twee niet los van elkaar kunt zien. Taal en betekenis spelen een grote rol binnen filosofie en andersom zitten er vaak filosofische elementen in poëzie. Vanuit mijn studie ben ik veel bezig met taal, zo schrijf ik mijn scriptie over de manier waarop dichtkunst en filosofie zich tot de waarheid verhouden. Voor mij komt de liefde voor taal en de liefde voor filosofie dus een beetje op hetzelfde neer. De kip is het ei.

Ik denk dat ‘waarheid’ uitgedrukt in taal altijd de waarheid ‘volgens’ iemand is en nooit de waarheid op zich. Wat is volgens jou dan, los van taal en filosofie, de waarheid?
Ik weet niet of er zoiets bestaat als waarheid los van taal en filosofie. Volgens veel filosofen komt waarheid pas na de taal. In één van mijn gedichten (En dat je dan opnieuw) heb ik de regel: ‘Niets is waar genoeg om uit te maken.’ Ik weet eigenlijk zelf niet of ik daar achter sta, maar Ik denk in ieder geval dat de waarheid veel verschillende gedaantes kent. Daarom vind ik het ook zo’n interessant concept om mee bezig te zijn.

De filosofische toon van je gedichten valt op, al kan ik er niet de vinger op leggen van welk filosofisch gedachtengoed je woorden doordrongen zijn. Met welke filosoof dans je als je schrijft?
In mijn gedichten refereer ik niet aan specifieke filosofen of concrete theorieën. Ik merk eerder dat ik door mijn studie meer over bepaalde thema’s, zoals tijd of waarheid, nadenk. Dit uit zich vervolgens weer bij het schrijven van gedichten, maar in een geheel andere vorm. Vanuit de filosofie ga ik rationeel en analytisch met dit soort thema’s om en vanuit de poëzie juist vrij en associatief. Ik vind het heel leuk dat ik zo op twee heel verschillende manieren naar dezelfde concepten kan kijken.

Is er een auteur wiens werk jouw bijzonder heeft geraakt en beinvloedt?
Ik ben door veel verschillende mensen (en dingen) beïnvloed, ik vind het daarom lastig om één specifieke auteur aan te wijzen. Wel zijn er op dit moment een aantal jonge dichters wiens stijl me erg aanspreekt, zoals Marieke Rijneveld, Maarten van der Graaff, Charlotte van den Broeck en Lieke Marsman. Maar ik kan ook door hele andere dingen geïnspireerd worden, bijvoorbeeld door conversaties, muziek of foto’s.

In je gedichten lijkt de kindertijd wel een wereld op zichzelf die parallel aan de tegenwoordige tijd bestaat. Zo schrijf je: ‘Ik heb je kinderfoto’s op sterk water bewaard’ en ‘op sommige dagen raak ik nog steeds in elk winkelcentrum mijn moeder kwijt’. Put je bij het schrijven uit je eigen persoonlijke herinneringen?
Ik denk dat ik bijna altijd wel uit persoonlijke herinneringen put (misschien kun je ook niet anders), maar mijn gedichten gaan meestal niet over één specifieke dag of gebeurtenis. Ik gebruik dit soort situaties meer om woorden te kunnen geven aan een bepaald algemeen gevoel.

Had je als kind ook al zulke poëtische gedachten en schreef je ze soms ook op?
Misschien heeft ieder kind wel poëtische gedachten. Ik heb altijd veel geschreven, maar vroeger scheef ik wel op een heel andere manier dan dat ik nu doe. Toen ik jonger was schreef ik bijvoorbeeld veel vaker in rijm. Ik vond laatst toevallig een gedicht van vroeger terug. Het gaat over een meisje dat Suzanne heet en dat verliefd is op een konijn dat in haar keukenkastje woont.

Wat hoop je dat je gedichten met mensen doen?
Als ik schrijf ben ik daar niet echt mee bezig. Het schrijven is voor mij een heel persoonlijk proces en als ik er me er continu bewust van ben dat mensen het gaan lezen dan lukt het niet goed. Als het gedicht eenmaal af is vind ik het wel leuk als het iets met mensen doet. Op welke manier maakt dan eigenlijk niet eens heel veel uit. Soms halen mensen heel andere dingen uit mijn gedichten dan ik, maar dat vind ik niet erg. Het leuke aan poëzie (en eigenlijk alle kunst) vind ik juist dat het een hoeveelheid aan betekenissen op kan roepen.

Wat is en doet een Nijmeegse campusdichter en hoe ben je het geworden?
Als campusdichter schrijf je gedichten voor het universiteitsblad Vox en treed je op bij evenementen van de universiteit. Er wordt ieder jaar een campusdichterverkiezing aan de Radboud Universiteit georganiseerd, via die verkiezing ben ik campusdichter geworden.

Wat zijn je poëtische ambities en heeft het winnen van de prijs deze veranderd?
Ik wil graag een dichtbundel uitgeven. Verder wil ik blijven schrijven en mezelf zoveel mogelijk ontwikkelen. Het winnen van deze prijs heeft mijn poëtische ambities niet veranderd, maar het is wel motiverend.

Hoe belangrijk is literatuur volgens jou uiteindelijk voor respectievelijk mens en planeet?
Voor mij verschilt dat van moment tot moment. Soms denk ik dat literatuur het fundament van de wereld vormt, op andere dagen ben ik meer bezig met het belang van lekkere havermoutpap.