Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Kozijnen van krijt - Hanneke van Eijken

Zoet en rauw hand in hand

Hanneke van Eijken
Kozijnen van krijt
Uitgever: Prometheus
2018
ISBN 9789044628272
€ 19,99
56 blz.

Kozijnen van krijt is een bundel die zacht en verlokkend opent, met de afdeling  ‘We gaan gelukkig slapen’. Terwijl het eerste gedicht, ‘Baai’, wel het onheilspellende element bevat van vroege bijensterfte, wiegen de schone, beeldende woorden. Er zit zoveel liefde voor het zintuigelijk ervaren van het leven in deze gedichten. Met woorden als ‘nerven’, ‘barnsteen’ en ‘ademteugen’ wordt de lezer meegenomen de natuur in en die natuur schetst haar verhaal. Van Eijken laat zo zien dat haar tedere observaties geen uitleg behoeven. Ik zie ze, voel ze en wil daarbij net zo gretig verder lezen als leven.

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis 
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver 
als we kunnen kijken

(….)

er is net genoeg licht voor twee mensen 
het is koud, buiten 
plooit een wintervacht. 

De liefde van een vrouw voor haar gezin is ijzersterk in al haar kwetsbaarheid. Dat raakt me. Ik krijg te zien, te voelen en weet het ook allang dat alles vergankelijk is en tóch kan deze liefde niet kapot. 
Er is zelfs tederheid in de wreedheid. Krabben die werden stukgeslagen door de meeuwen op de rotsen worden met een kind veranderd in ‘slingers in de eindeloze tuin, tinkelend als belletjes’.

Het lijkt de leegte te zijn, de stilte, de uitgestrektheid van een landschap waarin alles al besloten ligt. De liefde, de herinneringen.

Ik las ooit dat gieren in een halfuuur tien kilo vlees kunnen eten
het stelt me in zekere zin gerust
dat er weinig overblijft
om naar terug te keren.

De tweede afdeling heet ‘Tafel, Zee, Tijd’. Een tussentitel die ik ervaar als een gedicht an sich. Ik blijf kijken naar die tafel, de zee, de tijd die verstrijkt. Het gebeurt in het wit van de pagina en ik droom er bij weg.  Zo vier ik de vergankelijkheid, op een mooie, melancholische manier.
Er schuiven familieleden aan in de vorm van vier gedichten: ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Broer’ en ‘Zus’ en dan volgt het gedicht ‘alles op de juiste schaal’. Weer is de toon liefdevol, inzoomend, uitzoomend. Koesterend en tegelijk relativerend. Vereeuwigd maar in de vorm van krijt, dat wegsmelt als je het in de zee gooit.

In de volgende drie afdelingen van de bundel, ‘De vacht is een huis zonder muren’, ‘De angst voor het vallen is erger dan het vallen zelf’ en ‘Spatieruis’ worden de eerder genoemde thema’s voortgezet, maar er komen nieuwe, onverwachte motieven en perspectieven bij die ik deels wat uit de toon vind vallen. Het is me niet overal meer zo duidelijk wat de ‘ik’ voor persoon is, zodat ik het nog maar moeilijk aan een gezin in een vergankelijk huis aan zee kan koppelen en dat was het beeld, de sfeer waar ik toch inmiddels zo verliefd op was geworden. Tegelijk is deze afwisseling ook een sterke kant van de bundel, er blijft zo veel ruimte voor de lezer voor eigen interpretaties.

Fragment ‘geen gebrek aan motivatie’ .

Ik laat me graag fotograferen, liggend
op een sofa of piano
of liever nog met twee messen, een geweer
in elke hand, een koalabeertje
op mijn arm

Ik vraag me bij dit gedicht zoveel af. Wie zegt dit? Waarom twee messen en een geweer? Waarom een koalabeertje? Ik beleef een confrontatie met mezelf als dichter en vraag me af sinds wanneer het zo belangrijk voor me is geworden gedichten te kunnen begrijpen.

om geen meisje meer te zijn
wil ze haar schone kern vinden

Bij bovenstaand citaat uit het gedicht ‘Landschap’ blijf ik steken omdat ik meisje en schoon (ongerept) juist met elkaar associeer. Bedoelt de dichter deze zin hier dan ironisch, wil het meisje datgene vinden wat ze al is? Dat thema vind ik poëtisch en dramatisch zeer interessant, maar daar zou ik dan meer van willen weten om er echt zeker van te zijn dat dit is wat hier bedoeld wordt. In hetzelfde gedicht ‘wonen apen met ingewikkelde namen’. Liever had ik die namen daadwerkelijk gelezen, dan had ik ze kunnen beleven en was ik meegegaan.

De gedichten die bij mij blijven hangen zijn ‘Parijs’ en ‘De adem zingt als een mechanisch vogeltje’, waarin het duidelijk is dat een moeder over haar kind schrijft of haar direct aanspreekt. Die kwetsbare, ijzersterke liefde wekt de dichterlijke kwaliteiten van Van Eijken werkelijk bijzonder prachtig op.

Het openingsgedicht van ‘Een vacht is een huis zonder muren’ met haar glasheldere thematiek, de verbinding die de mens kan voelen met wilde dieren, reken ik ook tot mijn lievelingen. Een mooi beeld wordt consistent uitgebouwd en er staat geen woord teveel in.

er jaagt vaak nog een kudde
door mijn hoofd, met teerzwarte staarten
ze stampen in het ritme
van een woeste zee

schuimkoppen glimmen
op hun lippen

ik hoef alleen maar
een haakje los
een deur van slot te laten

In de laatste afdeling, ‘De dagen zijn open handen die ons dragen’, ben ik weer om en ga ik weer helemaal mee. De liefde en de vergankelijkheid spelen hun eenvoudige doch diepgaande en tijdloze rollen uit tegen de achtergrond van een sfeervol landschap. Zoet en rauw gaan hier realistisch hand in hand.

jaren later kent mijn lichaam structuren
die je nooit gezien hebt, geulen
trekken over huid, van kant naar kant
als op een meer, waar vele boten varen

 In Kozijnen van Krijt  staan talloze gevoelvolle gedichten. Bijzonder vind ik dat de authenticiteit van dit werk niets af doet aan de herkenbaarheid, wat Van Eijkens werk geschikt maakt voor een groot publiek.  

***
Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met de bundel Papieren veulens, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2015 ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs.

Recensie van Staarsonnetten - Jürgen Smit

Bevrijd door vaste vormen

Jürgen Smit
Staarsonnetten
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993208
€ 20
57 blz.

Uit een namenlijstje met onlangs gepubliceerde dichtbundels hapte ik toe bij Staarsonnetten van Jürgen Smit. In het verleden heb ik hem horen voordragen bij slams en zijn scherpe observeringsvermogen en zwarte humor zijn me bijgebleven. Ik herinner me korte gedichten die in heldere taal een beeld schetsen. In 2012 kwam er van dit soort gedichten met Traliewoud een bundeling uit bij de Contrabas. Van Facebook ken ik ook Smit zijn pentekeningen, die eveneens een hele herkenbare stijl hebben, deels figuratief, deels abstract, sober maar voor mij altijd ‘raak’, voelbaar. Die tekeningen blijken in ‘Staarsonnetten’ eerst bijna mijn enige houvast. 
Deze bundel is namelijk geschreven in asemisch schrift, dat is een vorm van schrift met open semantische inhoud. De term asemisch betekent zonder specifieke semantische inhoud. Het object kan dus door verschillende lezers op een totaal verschillende manier worden gelezen. Het voorwoord van Smits Cru-collega Sven Staelens helpt om te begrijpen ‘wat de bedoeling is’, om dat vervolgens in hetzelfde voorwoord weer te ontkrachten trouwens. De meeste lezers zullen na het doorbladeren van het boekje hoogstwaarschijnlijk net als ik vanuit een tot nog toe onbekend soort woordheimwee precies dit willen weten: hoe luidt de gebruiksaanwijzing? Staelens antwoordt door opdrachten te geven bij de gedichten. Opdracht: Kies een klassiek sonnet, scheur het uit de bundel waarin je het vond of druk het af. Kleef het in het midden van je flatscreentelevisie, plof comfortabel in de sofa en kijk naar het gedicht. Tracht het niet te lezen. Kijk. Blijf Kijken. Staar.
De volgende opdracht nodigt uit hetzelfde te doen met een asemisch gedicht uit de bundel en vervolgens krijgen we de uitdaging zo’n gedicht te vertalen voorgeschoteld. Zo wordt de lezer tot dichter. Zelfs als herkenbare woorden worden gebruikt kan de schrijver nooit weten wat de lezer er zelf van maakt. Zo gezien is de lezer altijd tegelijkertijd ook dichter. Ik staar naar de blokken tekst, maar wordt al snel zenuwachtig als op de middelbare school bij wiskunde. Ik overweeg op de witte pagina’s naast de gedichten iets te doen met kleurpotlood omdat de woorden niet willen komen. Ik zie overal procent-achtige tekens, associeer x en y en wat viel er ook alweer te berekenen aan welke soort hoeken? Na twee weken begint het me langzaam te dagen dat Staarsonnetten iets met me doet. Het is een interessante filosofische vraag die onderhuids iets beweegt: wat doet pure vorm waarvan je de inhoud niet kan begrijpen met jou? Wat me eerst een nerveus gevoel gaf, neem ik nu waar als rustgevend, bevrijdend. 

Een ander moment, als ik zelf een gedicht poog te schrijven, ben ik de bundel even vergeten. En dan gebeurt het, ik gebruik het toetsenbord zonder na te denken over betekenis. Ik schrijf, duidelijk geïnspireerd door Staarsonnetten op mijn manier in vorm zonder inhoud. Het lucht enorm op en daarna kan ik sinds tijden weer eens een ‘echt gedicht’ schrijven. 

In deze afbeelding lijken de twee gezichten te passen bij mijn ervaring dat de bundel het mogelijk maakt los te breken vanuit een vaste vorm.

Staarsonnetten is een mooie, verzorgde bundel om te zien, gedrukt op dik crèmekleurig papier. De gedichten staan geschreven in zwart en rood. Het asemisch schrift doet denken aan een jongensboek in geheimtaal, aan een vrije vorm van kalligrafie en ik denk ook ‘monnikenwerk’,  maar dan wel van een monnik die heel relaxt en los te werk gaat, die niet overmatig denkt maar ziet en voelt wanneer het goed is. Staarsonnetten is een beeldend kunstwerk dat oproept een toegang te vinden tot poëzie door te kijken. Wie daar voor open staat kan door meer afstand te nemen tot de vaste vorm van een sonnet, de eigen creativiteit bevrijden. 

***
Jürgen Smit (1972) stond op diverse poetry-slampodia en trad op bij grote festivals zoals Onbederf’lijk Vers. In 2012 debuteerde hij met de bundel Traliewoud. Naast optreden schijnt Smit zijn eigen licht op jonggestorven dichters op zijn blog ‘Kort Dag’.

Gedichten

Apocalypsfee met landkaart

Het ligt hier ergens noordelijk van
maar ik moet even nadenken  
waar de werkelijke zon opkomt
om uit te vinden waar dat is
en daarna vraag ik nog even ecosia
wat in het algemeen in de mogelijkheden  
van opkomende en/of ontploffende/
dovende/ ondergaande zon ligt (flits!)

Toch beeld ik me bij het zien van een oude jurk
nieuwe foto’s in,  draagt het woord ‘tinte’
in zich al het gedicht, met kindergezicht
kleur ik de bekende achtergronden
door de seizoenen heen

Altijd eindigend als de afgevallen apocalypsfee
die in het opnieuw passende ijsvogelblauw
op het dak haar jongen staat te voeren  
alles wetend over de voorbijgaande zon

Ja, zo heel instinctief onnozel
tegen beter weten in te doen
op de bakfiets met een vuurtje
en edelkastanjewangen naar die bunker.

Volle wolfsmelk

1.
Wat streek eerder neer in dit ongerept gebied
de wolf of ons gezin
allereerst klonk het Noorweegse witte wief
dat ons sinds maanden in de auto toezingt
over rennen met de wolven

De zesjarige dochter kent de woorden
ze wijst daar zwemmen we
in meren van spiegelneuronen
draaien buiken wit en vol
als maanvis naar boven

’s nachts vallen de wolven over ons heen
als een sterrenregen
jagend door de golven
van ons veranderlijk gemoed

(Ze janken tussendoor de moeder staan die sporen
van zwanger en eierstokcyste-operatie goed
alleen met littekens van levensbeten  
klopt haar plaatje.)

2.
Zolang ik lippen draag als het enige sieraad
dat ik niet steeds kwijt raak
kan ik een naam tot leven wekken

Wolfsmelk, voedt mij met de vraag
wat kwam eerst,
de gedachte die boomvormig
in de hersenen ontstaat
het woord dat valt als een web van boven
of de ondermaanse plant

Soms voel ik me een dier van vacht
en open mijn uitnodigende warmte.

Mijn kind zit los (het krijsalarm kapot)

Geëmancipeerde godin in de vorm van mijn kind
glipt in hadesmantel door mijn vingers
het glazen huis van de buren binnen
vraagt met grote ogen om een bord
schuift uit de rijstpan de garnalen opzij

Embryo’s uit de zee eet ze niet
ik betreed het glazen nieuwbouwhuis
en zie daar dat ze in die afkeer
toch nog op mij lijkt

Ik heb in ons huis ook een hele wereld toebereid
wil haar met de ingredienten verleiden
maar ze is overal welkom
en een dorp is nodig
voor het opvoeden van een kind , ze klimt
mijn hoofd uit, die vette eik aan moedergedachten

en ik druip af, terug naar de tak waar
mijn tere muis, toen zij drie manen jong
alleen in slaap viel aan mijn borst

of in een doek over haar heen
als ooit mijn huid.

Toen mocht ik, zo beval haar gekrijs,
de kamer waar ze los lag niet uit.

Nooit meer appen

Veerle en ik deden alsof we niet van woorden waren
ineens hadden we zoveel te vertellen
waarom gaan gedachten zoveel sneller
en preciezer dan onze lichamen kunnen gebaren

o ja, spraken we later, ook gebaren is een taal
maar die leefden we niet

toch had het wat, dat niet kunnen vertalen
langzaam werden mijn gedachten trager
het zoemen van de vlieg dacht ik niet langer irritant

ik wilde hem worden met mijn veel te grote hand
werd geboren uit mijn navel en vloog over melodie

ik draaide warmte rond mijn ruggengraat
om te groeien als een gezonde suikerspin

zo stil alles belevend moesten we wel
wakker worden, gapen, in plaats van
appen, apengeluiden maken.

Interview met Dorien de Vylder

‘Kijk tien minuten naar een sinaasappel’

 

Dorien De Vylder (1988) behaalde selecties in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Write Now!, Naft voor Woord, won diverse poëzieprijzen en publiceert nu en dan in literaire tijdschriften. Ze is (eind)redacteur bij Kluger Hans, woont in Gent en werkt daar als huisapotheker.
Vertraagd stilleven is haar debuut.

Gefeliciteerd met je mooie, verstilde bundel! De titel ‘Vertraagd stilleven’ roept bij mij de vraag op wat er gebeurt als je iets wat stil staat vertraagt. De eerste gedachte is dat dit nog meer verstilling zal zijn, mijn tweede gedachte is dat daarachter een andere dimensie kan bestaan die zomaar zou kunnen bruisen van leven. Wat gebeurt er volgens jou bij het vertragen van verstilling?
Dank je, en dé max dat de titel bij jou als lezer deze vraag oproept, je zo de focus brengt die ik de lezer wou meegeven bij het lezen van de titel, alvorens het boek open te slaan.
Het gaat er voor mij persoonlijk vooral om hoe je daartoe komt, tot het vertragen van iets dat niet beweegt, over de focus die je daarvoor nodig hebt. Ongeacht of er een of andere bruisende dimensie bestaat.
Vertraagd stilleven gaat over zitten en kijken. Blijven zitten en blijven kijken. De tijd nemen om te kijken. Wat een focus moet je bezitten om naar een stilleven in slow motion te blijven kijken! En kun je het uiteindelijk wel gezien hebben? Verlies je je niet in je gedachten (zoals Alberto Caeiro schrijft: “Hoe moeilijk is het (…) slechts het zichtbare te zien”)? Of misschien ga je je vervelen? Hoe geraak je vervolgens voorbij die verveling?

Ik blijf toch nieuwsgierig naar jouw eigen antwoord op de vraag wat er te zien valt als je ‘echt kijkt’, ook omdat in een juryrapport geschreven stond dat je gedichten een hoog zen-gehalte hebben. Heb je iets in het bijzonder met het boeddhisme of is dit enkel een associatie van buitenaf?
Ik stel voor dat je een sinaasappel in je handen neemt en daar tien minuten naar kijkt. Dat zal meer zeggen dan duizend woorden.
De associatie met het boeddhisme is er een van buitenaf. Maar ik begrijp dat je de vraag stelt. ‘Kijken’ kan veel associaties oproepen. ‘Kijken’ is universeel. En als we er de tijd voor nemen, komt het meditatieve aspect sowieso naar boven. Ongeacht godsdienst, opleiding, achtergrond.
Als iedereen wat meer de tijd zou nemen om te kijken, zouden we in een liefdevollere wereld leven, daar ben ik van overtuigd. Ik moet nu denken aan een filmpje van Amnesty International waarin vluchtelingen en Europeanen elkaar vier minuten in de ogen kijken. Kijk zelf maar: https://www.youtube.com/watch?v=6mO3BOpsLRs

De beelden en woorden die je kiest zijn over het algemeen tijdloos te noemen. Olijfboom, schaduw, geiten, lichaam, rivier. Ik krijg de indruk te maken te hebben met een vrouw die op het platteland een meditatief bestaan leidt, maar in werkelijkheid woon en werk je in Gent. Hoe kom je toch telkens weer terecht op deze stille plek in jezelf van waar jij je gedichten schrijft?
Ik ben opgegroeid op het platteland. Mijn ouders runnen een boerderij in Zaffelare, een dorp zonder verkeerslichten, een twaalftal kilometer van Gent vandaan. Ik hoorde als kind praten over Gent als “t stad’, een plaats die mijn ouders niet goed kenden, een plaats zonder groen, met veel auto’s en mensen, waar je beter niet kwam als het niet echt nodig was. Als tiener leerde ik ‘’t stad’ al wat beter kennen, vooral door er te gaan shoppen, als student werd ‘’t stad’ Gent, leerde ik andere steden kennen, ging ik op Erasmus naar Madrid.
Waar ik intussen ook allemaal geweest ben of gewoond heb, in mijn kern voel ik nog altijd de eenvoud van de plek waar ik mijn kinderogen uitkeek, mijn eerste woorden leerde, mijn eerste gedichten schreef.
In mijn hoofd springen er niet continu woorden op. Ik zie vooral beelden. Ik heb vaak het gevoel dat ik met woorden een stuk uit een afgelegen rots stilte sla, op de stilte inkap.
Tijdens mijn opleiding tot apotheker bleek ik goed te zijn in de analytische vakken. Als ik aan het schaven ben aan een gedicht, voel ik dat ik ditzelfde inzicht toepas, maar dan op woorden en beelden in plaats van op chemische formules. Ik geloof dat ook dit iets met die stille plek in mezelf te maken heeft. Al begrijp ik het mechanisme zelf nog niet helemaal.
Verder schreef ik deze bundel in combinatie met mijn apothekerswerk: enkele uren per dag zat ik aan mijn schrijftafel, daarnaast werkte ik in de witte omgeving van de apotheek. Ik ben ervan overtuigd dat deze manier van schrijven, elke dag gedurende uren compleet afstand nemen van mijn artistieke werk, mede voor de rust heeft gezorgd in Vertraagd stilleven.

Ik kan me voorstellen dat deze afstand op je scheppingsproces een gunstige invloed heeft. Vind je dat het werk van schrijvers die alleen maar schrijven regelmatig deze rust mist of gaat het meer om het hoofd van de schrijver zelf? Wil je als je leest ook rust vinden in een boek?
Ik denk niet dat je daar een lijn in kunt trekken. Iedere schrijver heeft wel zijn manier om afstand te nemen van zijn werk. Dat kan ook door bijvoorbeeld aan twee werken tegelijk te schrijven. Ik denk wel dat het invloed heeft gehad op Vertraagd stilleven dat ik op het moment van afstand nemen totaal niet met de schoonheid van taal bezig was. In een apotheek wordt taal immers voornamelijk functioneel gebruikt, als communicatiemiddel. Al speelt de kunst van het formuleren ook hier een belangrijke rol, maar dan op een praktische manier.
Ik weet van mezelf dat ik me nogal hardnekkig in iets kan vastbijten. Zo ook in een gedicht. Terwijl het alleen maar zichzelf kan worden als je het op een gegeven moment loslaat. Omdat ik mij in de apotheek volledig moet focussen om geen mg te veel of te weinig af te wegen, geen salicylzuur in plaats van acetylsalicylzuur, kan het gedicht waar ik die ochtend aan geschreven heb, op dat moment onmogelijk rondzwerven in mijn hoofd.
Je zou kunnen stellen dat tijdens die uren in de apotheek de overbodige adjectieven, bijzinnen en strofes, afsterven zodat enkel de essentie overblijft als ik ’s avonds naar huis fietsend opnieuw het gedicht in me oproep.
Als ik lees, wil ik niet per se rust vinden. Ik wil vooral schoonheid vinden, op een rauwe of net op een afgewerkte manier, op uitgebalanceerde of op turbulente, rustgevende of verontrustende wijze. Ik wil geraakt worden, zoals elke lezer, maar daar is geen formule voor. Gelukkig maar.

In het gedicht Protest krijg ik een schok van het woord ‘Godverdomme’, omdat het zo fel afsteekt tegen de verder ingetogen toon. In het gedicht wordt een kuifeend aangereden en dat lijkt me wel een goede aanleiding voor een vloek. Waar het gedicht precies een protest tegen is blijft echter vrij abstract. Waar maak jij je kwaad over of vind je dat men dit meer zou moeten doen, zowel in dit gedicht als in het algemeen?
Waarover het personage zich in dit gedicht kwaad maakt, is voor mij van minder belang dan de manier waarop hij dat doet. Het gaat voor mij om het contrast tussen de titel Protest en het woord ‘Godverdomme’. Misschien had ik, nu je me deze vraag stelt, zelfs de rest van het gedicht kunnen schrappen.
Het personage wil protesteren, het enige dat in hem opkomt is ‘Godverdomme’. Wat zegt dat over het personage?
Het volgende gedicht heet ‘Actie’ en eindigt met ‘Je wilt opstaan. // Of wacht’
Het gedicht daarna gaat verder: ‘je staat op / of niet, maar in de ontkenning ligt de gedachte, / de beweging. Valt dat even mee.’
Wat is de waarde van protesteren in jezelf? Wat is de waarde van iets bedenken, maar niet tot actie over gaan?

Ik vind het wel grappig dat jij vragen terug stelt. Is vragen (met eventueel confronterende antwoorden) oproepen dat wat je met het schrijven beoogt? Protesteer je zelf door middel van dichten?
Met mijn werk vragen oproepen, bevalt me wel. In mijn vroeger werk, de gedichten die ik schreef vóór Vertraagd stilleven, wou ik vaak antwoorden leggen in mijn gedichten. Nu zegt het me meer om die antwoorden open te laten, het aan de lezer over te laten. Maar daar is durf voor nodig, en voeling, ik heb meer moeten leren spelen met het krachtige wapen suggestie.
Ik protesteer zelf niet in Vertraagd stilleven. Ik wil de lezer laten protesteren. Ik haal enkel aan.

Daar je al langer redacteur bent van het literair tijdschrift Kluger Hans, krijg ik de indruk dat je voor dit debuut je tijd hebt genomen. Kun je omschrijven hoe jij je als dichter en redacteur tot dit moment hebt ontwikkeld?
Sinds mijn achtste jaar schrijf ik gedichten en verhalen, later ben ik me vooral op poëzie gaan toeleggen. In 2008 behaalde ik een eerste eervolle vermelding in een kleinere poëziewedstrijd. In de zomer van 2009 leerde ik het podium kennen en vond het zó leuk om gedichten te brengen, dat ik er sindsdien niet meer mee gestopt ben.
Toen begon het voor mij allemaal echt. Ik ging Poëzieatelier bij Wisper volgen om aan mijn teksten te schaven, schreef me in aan de Academie (DKO) in Gent om Voordracht te volgen. Beide heb ik vier à vijf jaren consequent aangehouden, om mij als dichter verder te ontwikkelen. Ik schuimde toen ook veel podia af, zond in naar tijdschriften, voor wedstrijden en bleek daar gehoor te vinden. En vooral, het allerbelangrijkste: ik heb die jaren veel meer poëzie gelezen.
September 2015 maakte ik een reis door Andalusië, wat me de eerste gedichten voor Vertraagd stilleven opleverde. Met deze gedichten won ik de Poëziewedstrijd van de stad Harelbeke 2016, wat me een enorme boost gaf.
Ik heb in totaal twee jaren gewerkt aan Vertraagd stilleven: het eerste jaar zijn alle gedichten ontstaan. Vervolgens heb ik nog een jaar geschaafd.
Mijn (eind)redacteurschap bij Kluger Hans startte in 2015. Natuurlijk heeft het lezen van alle inzendingen die we telkens binnenkrijgen, het zoeken naar kwaliteit in de inzendingen, hierover overleggen met de andere redactieleden, als (eind)redacteur nadien vaak nog een gesprek aangaan met de auteur over het gedicht dat gepubliceerd wordt, me ook geholpen meer, of eerder sneller, inzicht te krijgen in mijn eigen schrijfwerk.