Recensie van Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K - Drs. P en Marjolein Kool

Een onafzienbaar feestterrein

Drs. P en Marjolein Kool
Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2018
ISBN 9789038805153
€ 15,00
218 blz.

Van Drs. P en Dr. Marjolein Kool verscheen in 2000 Wis- en natuurlyriek, een bundel waarvan weinig lezers nooit zullen hebben gehoord. Een bijzonder werk waarin onderwerpen en begrippen uit de exacte vakken zijn verpakt in vrolijke, vormvaste verzen. Uniek, zo meldt de achterflap, omdat het alfa’s en bèta’s nader tot elkaar brengt en eindelijk de kloof, die eeuwenlang tussen beiden bestond, zal dichten.

Drs. P (1919- 2015), pseudoniem van Heinz Herman Polzer, verscheen talloze keren op tv en behoeft geen introductie. Tekenend voor hem is de uitspraak: ‘Ik beschouwde het Nederlands als een luisterrijk en onafzienbaar feestterrein.’
Ons land telt aardig wat light verse-dichters maar dichteressen in dat genre zijn dun gezaaid. Marjolein Kool (1958)  is een van hen. Zij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en promoveerde op de rekenwoordenschat in oude, Nederlandstalige rekenboeken. Ze is hogeschoolhoofddocent in Utrecht. Van haar hand verschenen diverse dichtbundels maar reken- en wiskundeonderwijs was en is haar grootste passie.

Het schrijvend duo liet zich inspireren door natuurwetenschappelijke coryfeeën als Pythagoras, Bohr, Buys Ballot, Fibonacci, Ohm en Gauss. Het resultaat: een bundel voor lezers die een luchtige cocktail van kunst en wetenschap, afkomstig uit de brouwerij van een econoom en een docent wiskunde en Nederlands, weten te savoureren. De coproductie is duidelijk door speels dichtplezier gedreven. Een verscheidenheid aan verzen uit het genre van light verse passeert de revue: sonnet, ollekebolleke, elftal, rondeel, clerihew, Weense ballade.

Van deze bundel verscheen zojuist een uitgebreide editie, de zevende druk, die ook als e-book verkrijgbaar is. Aan deze herdruk werden, in een apart hoofdstuk, drieëntwintig verse verzen van Marjolein Kool toegevoegd, natuurlijk helemaal in de vorm en stijl van de eerdere uitgaven. Het recente exemplaar  bevat ruim 140 light verses. Het aantal verzen van Marjolein Kool nadert nu dat van Drs. P; voorheen nam laatstgenoemde zo’n tweederde van de bundel in.

Nieuw is bijvoorbeeld ‘Loonsverhoging’.

Laatst stond hier vijf man personeel
te krijsen dat het klaar is.
Ze eisten vijf procent – da’s veel –
verhoging van salaris.

Maar ach, ik zat er niet zo mee.
Welnee, ik ben geen krentje.
‘Vijf procent?’ zei ik. ‘Oké,
da’s ieder één procentje.’

Ook nieuw is ‘Perspectief’.

Dat wat aanvankelijk begon
als stipje aan de horizon
bleek eenmaal naderbij gekomen
als mammoettanker op te stomen.

De Bossche bol die voor haar stond
en zij gevaarlijk lekker vond,
weerstond zij op zo’n honderd meter
als muggenpoepje heel wat beter.

De weg waarlangs je iets bekijkt
heeft invloed op hoe groot het lijkt.
Daardoor – dat is het idiote –
bezien we niets op ware grootte.

Haar oudere verzen uit 2000 mogen er eveneens zijn, zoals het korte, krachtige ‘Uitgerekend’.

‘Tijd is geld,’ zo sprak de ober
en dat was voor ons een strop,
want hij telde toen de datum
vlotjes bij de nota op.

Van Drs. P is het ollekebolleke Hefboom.

‘Zie eens de Aarde hier
Wat zij ook wegen mag –
Geef mij een steunpunt:
Ik til haar omhoog!’

Sprak Archimedes eens
Hyperbetweterig
Niemand ontzenuwde
Ooit zijn betoog

De bundel heeft zowel een zaak- als een personenregister. Jammer genoeg is er geen alfabetische inhoudsopgave op de titels van gedichten bij gekomen. Vaak herinnert een lezer zich vooral de titel. Nu is het bij vlagen zoeken naar de pagina van een specifiek gedicht. In de coproductie waren en zijn individuele verzen niet ondertekend, hetgeen ook zoeken impliceert als je wilt weten van wiens hand iets is. Teleurstellend vind ik dat er, ondanks de verse verzen, geen enkele wetenschapster in het boek voorkomt. Geen Marie Curie, geen  Laura Bassi, geen Hypatia… Niettemin is het verheugend dat dit unieke werk een nieuwe druk beleeft.

Drs. P  verbleef de laatste anderhalf jaar van zijn leven in een Amsterdams zorgcentrum waar Marjolein Kool hem opzocht. Na zijn overlijden schreef ze een vers van elf kwatrijnen over hem. Dat staat als laatste in de nieuwste druk. Twee regels daaruit:
‘Dag pak, dag peuk, ja, potverdrie,/ de grote P moest gaan.’

Poëzie moet helemaal niets

 

Jaap van den Born (Nijmegen, 1951) is een Nederlandse dichter en illustrator. Als dichter debuteerde hij in 2005 met de bundel 2000 jaren Nijmegenaren, gevolgd door Drs. P revisé, dat hij samen met Drs. P schreef. Van zijn hand zijn inmiddels achttien (papieren) bundels verschenen en ruim tien e-books.
In 2012 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Kees Stip-prijs. Jaap van den Born is hoofdredacteur van Het vrije vers dat in 2008 werd opgericht door dichter Quirien van Haelen. Filosofie, wetenschap en geschiedenis zijn belangrijke thema’s in zijn werk. Lees verder Poëzie moet helemaal niets

Recensie van De tsaar had last van staar - Tom Wouters

Russische luchtigheid

Tom Wouters
De tsaar had last van staar
Uitgever: Voetnoot
2018
ISBN 9789491738371
€ 16,00
56 blz.

De ludieke titel van Tom Wouters’ debuut verklapt al dat het een luchtige bundel is. De tsaar had last van staar heeft als motto ook nog eens twee regels meegekregen uit Drs. P’s populaire lied ‘Dodenrit’: ‘Trojka hier, trojka daar / Foei, hoe suffend staat gij daar’ – wat weer een ironische verwijzing vormt naar het bekende, oude lied ‘Ferme jongens, stoere knapen’ .  

In de  toelichting vooraf constateert Wouters dat Europeanen weinig van de Russische historie en cultuur afweten. Met zijn bundel beoogt hij die leemte op te vullen. In twintig rijmgedichten gidst hij zijn lezers door het land van wodka, matroesjka’s, Raspoetin en gospakken (een Russische dans) heen. Elk gedicht wordt voorafgegaan door een beknopte historische context waarna hij niet alleen Moedertje Rusland taalspelenderwijs op de hak neemt, maar tegelijkertijd haar autocratische regime – en zo de lezer wil: alle dictaturen.  
Zoals in het gedicht ‘Er stinkt iets in de sovjetstaat’.

Het Russische staatsapparaat
Vindt dat de opwarming van het klimaat
Zijn burgers ernstig schaadt
En besliste dus kordaat
Dat het probleem niet bestaat

Toch voelt de Moskoviet in de straat
Dat de kou niet langer door merg en been gaat
En dat de wodka die ’s avonds laat
Op de keukentafel staat
Minder vlot naar binnen gaat

Al is er aan wodka nog steeds een overdaad
Die leidt tot geleuter en gekkenpraat
Waarvan men bij nacht aan het gospakken gaat
En ’s ochtends met een houten kop opstaat
Zwijgzaam aan het koffieapparaat

Maar geen enkele Rus heeft ’t nog over het klimaat
Daarover zeuren is hoogverraad
Dus kleedt men zich nog steeds vol ornaat
En wanneer men de straat op gaat
Is er niemand die zijn berenmuts of bontmantel thuislaat

En zo blijkt de beslissing van het staatsapparaat
Uiteindelijk toch weinig adequaat
Want al stijgt de temperatuur met geen graad
Er is nu iets anders dat de burger schaadt:
De niet te harden zweetgeur van de kameraad.

Eerder dociele braveriken dan ferme, stoere jongens dus.
Alle vijf kwatrijnen in dit gedicht hebben een en dezelfde rijmuitgang. Maar verder hanteert Wouters een losse, vrije vorm, niet alleen in bovenstaand gedicht maar ook in de overige negentien: de regels bevatten geen vast metrum noch een constant aantal versvoeten. Ook schrikkelrijm (woorden met een andere accentstructuur) schuwt hij niet, zoals bij klimaat en thuislaat, gekkenpraat en opstaat.

Schrikkelrijm komt regelmatig voor bij liedteksten, in rap bijvoorbeeld. In de middeleeuwen kwam de combinatie eindrijm/ametrie frequent voor, zoals in toppenverzen, echter in contemporaine light verse is dat ongebruikelijk. Het maakt gauw een onhandige, hakkelende indruk. Het achterplat van de bundel meldt dat Wouters met letters, woorden en rijmschema’s speelt zoals ook Drs. P en Daan Zonderland dat konden. Maar ja, die beheersten wel de versmaat. Persoonlijk vind ik het jammer dat Wouters voor niet metrische, wel rijmende verzen koos. 

Op het fraai vormgegeven witte voorplat springen de zwarte letters van tsaar en staar er door hun fontformaat nadrukkelijk uit. Tsaar en staar vormen anagrammen, woorden met precies dezelfde letters, maar in een andere volgorde. De titel, De tsaar had last van staar,  is meer dan een taalkundig leuke trouvaille. Machthebbers, of het nou Iwan de Verschrikkelijke is of iemand anders, kunnen gaan lijden aan iets wat je ‘politieke staar’ zou kunnen noemen. In blinde ijver om een staat of land naar eigen zin en goeddunken te veranderen, verschijnt er langzaam een floers over de aanvankelijk zo mooie idealen. Zoals bij de tsaren indertijd, en vermoedelijk ook bij een aantal  hedendaagse leiders, nemen blinde ijver en tomeloze heerszucht het over. De machthebber zelf schijnt dat vaak niet in de gaten te hebben.

Tom Wouters fantaseert graag, wat soms resulteert in amusante nonsenspoëzie met niet-bestaande woorden. Zoals in ‘Epifanie’,  waarvan ik de eerste twee kwatrijnen citeer.

Het leven is een omnispaak
Niet altijd, maar toch wel vaak
Dat had Oleg Rotokopov bedacht
Toen hij wakker werd die nacht

Een droom is dan een horiaat
Het heelal eerder een vorm van plavaat
Allemaal antwoorden op ongestelde vragen
Bij Oleg begon het stilletjes te dagen

(…)

Het kortste gedicht in de bundel heeft als titel ‘Russisch gezegde’.

Oekaze is Oekaze
Is een geliefd gezegde bij bazen
Vooral gericht aan dwazen

Wouters schetst een bijzonder beeld van Rusland. Je zou kunnen opmerken dat hij de geschiedenis van dit land door een roze bril bekijkt. Luchtige poëzie leent zich uitstekend om af en toe eens een flinke sneer uit te delen. Bijvoorbeeld over de goelags, de strafkampen voor dwangarbeiders, waar 18 miljoen mensen onder de meest erbarmelijke omstandigheden hebben vastgezeten. In Wouters’ eerste gedicht zouden de dissidente intellectuelen  de dagelijkse bonensoep als zwaardere straf ervaren dan de dwangarbeid…
Zijn schets van de geschiedenis, zo meldt Wouters in de toelichting bij de bundel,  gaat voort op het adagium van de Franse schrijver Boris Vian: ‘Cette histoire est vraie, puisque je l’ai inventée’. Voor een verhaal geldt dat wel, maar l’histoire betekent ook geschiedenis en dat is een ander verhaal. Maar ik moet toegeven dat Drs. P ook luchtig over zware onderwerpen kon dichten. Neem zijn ollekebolleke over de geschiedenis: ‘Even terugblikken: / Manschappen, ruitervolk / Oorlogsverklaring / Daarna pas de strijd // Toen zag men nog eens een / Cavalerieaanval / Oorlog was bijna sportief / indertijd’.
Zeker is dat uit Wouters bundel De tsaar had last van staar een flinke dosis schrijfplezier spreekt.

***
Tom Wouters (1984, Turnhout) verzint naast luchtige poëzie korte en langere verhalen waarin de verbeelding de realiteit overklast. Tevens schrijft hij artikelen over literatuur en strips voor Gonzo (Circus) en Stripgids.

Gedichten

door Alex Gentjens (1969), Tonnie Meewis (1984), Inge Boulonois (1945)
Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Alex Gentjens (1969)

Water

Waar water en zacht strand
elkaar reikhalzend raken,
elkaars vingers vouwen in het zand
en elkaars benen in de schelpen haken,

keert alles naar het oude terug.

En als de oorsprong van de dingen,
het gluren naar de tijd,
het ontluiken van seringen
de laatste kou in tweeën bijt,

komt alles in het nieuwe terug.

Tonnie Meewis (1984)

DE KAASCLUB

“Without cheese there wouldn’t be an inland empire.”
– David Lynch

We stichtten een kaasclub een mom een excuus
om de stank van ons innerlijk uit te serveren

maar wind hield mijn deur dicht ik wist het
al voor ik mijn jas van de vloer nam
mijn schoenen ontstrikte mijn sleutels weer terugvond
op de vaste plek op de vensterbank

zonder kaas zei David geen innerlijk
zonder haast zeg ik geen vervolg

maar voor en aan wie en hoelang nog
forceren de leden zich langs me
verbergen de blokjes mijn schaamte
blokkeren mijn woorden mijn tong

gestremd zal ik uitwendig zijn
gestremd zal ik verteren

in wie zonder afspraak mijn mond binnendringt
in wie mijn gerijpte gedachten waardeert
in wie zich ontvouwt en mijn keizerrijk spiegelt
in wie ik ontkom aan wat ik domineer.

Inge Boulonois (1945)

Erna

als schemer scherpe randen van schaduw
vloeibaar maakt, hoort ze het ritueel van geluiden:
het portier klapt dicht, zijn naam knerst
op het grindpad, open knarst het lipsslot

als opmaat tot de chemie van hun bestaan
ploft de tas in de hal waarna hij honderduit

steeds nét daarvoor slaat de cadens om
in doodse stilte, zijn afwezigheid snijdt
in de schrijn van haar ribbenkast

slaap is weer dun als het gebloemde beddengoed
lege armen reiken vergeefs naar zijn helft
ze gaat na hoeveel dagen geleden het al

als de ochtend harde banen op wanden trekt
stommelt ze uit bed, staart naar
de opgloeiende lichtpunt van haar sigaret

al twaalf dagen staat in de hal de tas
onuitgepakt

Gedichten Inge Boulonois

door Inge Boulonois (1945)

De dingen

De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen
Alberto Caeiro

Op aanzien wachten ze, een oogopslag
die hen wekt uit de staat van hun eenzelvigheid
opdat ze evenals de klok hun tijd en plaats

hervinden in de ruimte van je kamer
waar alles achteloos lijkt uitgestald,
dat kleine hebben en houden
dat je omringt met de aanraakbare eenvoud

van vorm en kleur. De parate stoel aan het bureau,
de halflege mok van gisterenavond,
de hanglamp pennenbak boeken.

Aan dingen zijn de jaren af te lezen.
Kleine barsten scheuren butsen schilfers
verraden het gebruik terwijl een blik
vol aandacht ze glans geeft vanbinnen –

Zichtkaart

Nu deze weken weer voorbij
ritselen in hun morsbruine jassen
en bomen oude briefjes sturen
naar de zakken zaad van distels,
mosterdplanten en de rest
en steeds op hoop
van minstens dertigvoudig vrucht,

nu mijn haren witter dan de mist
en alles anders sinds ik me
het eerste licht herinnerde,
schrijf ik een mondvol
ogenblikken op een blad

papier. Tijd is een hand
die strooit. Er is een palm
die wacht. En al die jaren
zocht ik maar in wat rondom verschijnt.
Vergeefs: wie nooit weg is,
wordt niet gezien –

Bij de stillevens van Giorgio Morandi

Hoe dingen hier op rijm bestaan.
Leeg steengoed in bedaarde aardetinten,
verbindend strijklicht.

Een geschikt herschikt evenwicht.
Het doek een liggende rechthoek.
Seizoenloos deze pleisterplaats
voor onze ogen. Kijken

wordt zien hoe tijd door verf
tot stilte is gebracht. Ik hoor
het zwellen van mijn oorgesuis.

Wilde de schilder lof zwijgen
van het dieplood van het hier en nu,
van dingen die tot zichzelf ontwaken,
ving hij hun eigen klank op?

Of zag hij dat ze zó stil
staan te staan als enkel schilderijen
kunnen laten horen?

De stillevens van Giorgio Morandi bij Google afbeeldingen

Gedichten uit: Inge Boulonois, Idioom van geluk, Uitgeverij Kontrast (2016)