Gedichten

DENKBEELDEN

Het staat zwart op wit: dit is wat ik denk
hoe ik leef, waarom ik gekomen ben
en weggegaan, wie ik beminde, hoe diep
het verdriet was, hoe zuiver de taal.

Maar het is niet waar, het verliep anders.
Liefde liet zich niet vatten in een gebaar
de woorden dachten niet na, ik kwam aan
en verdween zonder dwingende reden
de zielenpijn was niet te verdrijven met wijsheid
maar onder druk van het lichaam.

Taal van verraad: geheimen geopenbaard,
een oordeel geveld over voorheen
en voortaan, wat duister bleef
met de pen naar het daglicht gehaald,
in inkt te kijk gezet, verklaard.

Maar het is grijs, niet meer dan een veeg
van een penseel, het beweegt
met me mee

heen en weer in de wind
heen en weer in de tijd –

KRINGLOOP (fragment)

(…)

Op de kruising sta je stil. De weerstand heeft je in de greep. Je
wilt blijven wie je bent, zonder verleden, in een zerkenvrij veld.
Maar iets trekt aan je, of roept iemand vanuit de ondergrond van
je bestaan dat je vlakbij de plek bent die je loopt te zoeken met
herfstviooltjes in je hand? Het heden zet een stap opzij en laat je
door: ‘Toe, loop maar, ze verwachten je, je bent hun kind, één
keer per jaar is niet teveel gevraagd, het grint moet nodig schoon,
de koperen namen blinken niet meer, het waxinelichtje moet
opnieuw even branden. Dan kan je weer gaan.’

 

Achter je knarst het hek. Herinneringen lopen het kerkhof op als
de dragers van een baar, onaangedaan, gelijke tred. Een zwerm
vogels strijkt neer in de beuken. De ochtend is jong. Voor de
middag is storm voorspeld. Takken zullen losgerukt worden van
hun stam en de laatste kudde vee zal op drift raken, bliksem in
de kop. De paarden slaan, ieder voor zich, op hol, daar denk je
aan terwijl je een pad achterwaarts naar vroeger baant; ze zullen
rollen met hun ogen, schuim rond de mond, steigeren als aanloop
naar de hordeloop: omheiningen, struikgewas, moddersloot – tot
de waanzin uitputting wordt.

 

Schedel, kaakbeen, neustussenschot. Gebit, wellicht.
Dat is wat overblijft van een gezicht.

(…)

VERGEELDE FOTO

De oorlog is over. Meisje met strik
op een zitje aan het stalen fietsstuur
van vader; vanbinnen raakte hij gewond, toch
zingt hij zichzelf heelhuids, haast hoorbaar
zijn vrijheid in. Zwarte vogel als gids.
Meisje met schrik.

Het pad is rul, een wiel draait vast.
Vanuit de lucht gezien is het parcours vager
dan op de grond, geen rechte lijn van a naar b
maar omweg na omweg. Een zwerfhond zet zijn tanden
in de achterband. De beek is nog steeds hinderlaag
pas op –

Vrijheid lijkt ver, veel onbereikbaarder
dan toen het oorlog was, je fietst
er niet zomaar op af met een strik in je haar
of een wond in je hart, je vecht je er verwoed naartoe
vlucht vooruit met kind en kraai
zo ver je komt, het bos voorbij

voorbij het lot –

Recensie van Hartenbeest - Fleur Bourgonje

Noodzakelijke woorden tegen vernietiging

Fleur Bourgonje
Hartenbeest
Uitgever: De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571289
€ 10,- (Als set met de roman Verdwijnpunt 25 euro)
65 blz.

Op de bibliografie van Fleur Bourgonje prijkt een aanzienlijke reeks romans, verhalenbundels en novelles. Sla ik de gegevens op haar eigen site erop na, dan kom ik tot een totaal van 24 uitgaven in een krappe 25 jaar. Dat maakt van 2010 overigens meteen haar jubileum als schrijfster, want haar eerste roman Spoorloos zag in 1985 de drukpers. Kennelijk hebben we hier te maken met iemand wiens werklust en literaire inspiratie niet snel zijn uitgeput. 

Opvallend is wel dat ik zelf pas medio 2004 met Bourgonje kennismaakte. Het was door een radio-interview naar aanleiding van haar toen net verschenen roman Nevelpaarden. Achteraf verbazend dat ik deze schrijfster tot dan toe had misgelopen. Wat me minder verbaast, is dat ze naast proza een duidelijke voorkeur voor poëzie aan de dag blijkt te leggen. Het past naadloos in wat ik me van die eerste ‘ontmoeting’ herinner. De vorm van haar taal, de klanksoort van haar stem, ze hadden een onmiskenbaar poëtische uitdrukkingskracht. En die stem blijkt ook nu niet uitverteld.

Dit jaar verschenen bij de Arbeiderspers vrijwel gelijktijdig de roman Verdwijnpunt en de dichtbundel Hartenbeest, genoemd naar een Zuid-Afrikaanse antilope die van Bourgonje een rol krijgt toebedeeld als boodschapper tussen de wereld van de doden en de levenden. In het titelgedicht staat dit zo:

Stel je bent binnen bereik in dit landschap
je lijkt een van de wijs gebracht dier. Kom
kan ik zeggen, de dood is elders
daar hoor je niet, ik had je hier
(…)

De dichter pakt hier een draad op en houdt die in haar bundel overtuigend vast, zonder een kunstmatig opgelegde thematiek. Opgesteld in het grensgebied van wat is en wat was, schept Bourgonje de ruimte om tijdsverschillen te overbruggen, of daar op zijn minst een poging toe te doen. Ze doet dat met de kracht van herhaling als in een refrein, maar steeds in andere bewoordingen. Bladzij na bladzij gaat ze de strijd met de tijd aan zonder dat het ergens sleets wordt. Haar poëtische experiment krijgt daarmee een sterk bezwerende toon. In het openingsgedicht ‘Sjamaan’ schrijft ze:

(…)
buiten mijzelf mengt mijn hand dood met leven
hecht, brengt samenhang aan
brengt in almaar dwingender ritme op gang

de verstarde karavaan
van mijn nachten
 

Dat dwingende ritme is in Hartenbeest meer dan een luchtledige bewering. Als lezer word je deze kadans gewaar als een bijna fysieke beweging, aangevuurd door het hoefgetrappel van de antilope. En er komt nog een element bij, want wie tijd zegt, zegt verdwijnen en juist wat verdween, bewijst de tijd op zijn scherpst. Bourgonje pakt die paradox stevig bij de horens en voegt er bovendien een politiek-historische dimensie aan toe. In het kielzog van Julio P., die recent wereldnieuws werd omdat hij een van de nachtpiloten geweest zou zijn die ‘staatsgevaarlijke’ Argentijnen boven de oceaan afwierpen, dicht ze:

(…) hier kan van alles
gebeuren zonder dat iemand het wil, drijft aan
wat overboord is gegooid. Een onooglijke krab
wrong zich met zijn scharen
de hitte in

De stijl van Hartenbeest is die van een bedachtzaam onderzoek. Met als belangwekkende kern de vraag of en hoe je in taal kunt herroepen wat de geschiedenis vernietigd heeft. De vernietiger is hier het fascistische regime waar Bourgonje de nodige ervaring mee opdeed. Eerst met het Chili van na Allende, later in Argentinië waar ze sociale psychologie studeerde, en na de staatsgreep daar in Venezuela waar ze onderzoek deed naar het verband tussen armoede en prostitutie.
Zo beschouwd wil de dichter een verbond sluiten met noodzakelijke woorden. Niet om de pijn weg te masseren, maar juist om die tot aanschijn te roepen en te verweven met het bestaan. Dit krijgt zijn meest pregnante uitdrukking in de cyclus ‘Vrouw in het wit’ waar een bedrieglijke ideologie schaamteloos het leven van mensen binnendringt om hun geliefden te stelen.

Verdwijnen is bewijs van tijd. Een uur
verstrijkt, dag, eeuwigheid, uitmondend
in wat vergeten lijkt. Bedrog. Je raakt
iets of iemand kwijt, zoekt verwoed
in stapels onwaarschijnlijkheid, haalt
overhoop, kamt uit, weigert te slapen

Een hele generatie dwaze moeders die je hier nachtenlang hoort weeklagen. Maar ook voor hen brengt het Hartenbeest van Bourgonje een boodschap mee, zo blijkt uit het vervolg van dit gedicht.

Want in de slaap verschijnt steeds wat verloren werd
zonder het aan te kunnen raken, de deur
die door verstand is dichtgegaan
gaat langzaam open

De poëzie wordt hier tot instrument om voorbij de werkelijkheid het werkelijke weer in te lijven, maar dan zonder dat het instrumentele poëzie oplevert of verwordt tot vals pathos. Bourgonje bedient zich van de taal als medium, als middelaar, zoals het hartenbeest dat de doden en de levenden in zijn ijle vlucht briefjes bezorgt “dat alles goed gaat” en “hopelijk ook met jou”.

Of het wat uithaalt, of je in reine kunt komen met wat de tijd je nalaat? Voor de dichter blijft het na zestig bladzijden onderzoek ambivalent. In haar eigen woorden: ‘Beitel maar raak, herinnering haalt niet terug’, maar ze kan het niet laten, want: ‘Je schrijft nog tegen het vergeten in’.

Gedichten

Hartenbeest

Stel je bent binnen bereik in dit landschap,
je lijkt een van de wijs gebracht dier. Kom
kan ik zeggen, de dood is elders
daar hoor je niet, ik had je hier.

Stel ik ben steviger kleren gaan dragen, soort harnas
van stof, snijd er een loper van
begin die langzaam uit te rollen
voor flard samenzijn, ampere aanraking

blik, kort bonzen van je hart
in zijn jakkerend ritme: duizel, duizeling, ruisen
dat ademen wordt. Stel ik rol de loper
over de ijzeren spijlen van het wildrooster

klap in mijn handen, steen op steen, klik
met de tong op de troostende toon
van de vroegere vrouwen

vorm een kring, alleen, en omvat je
fluister kom
fluister haal hem

haal hem naar hier
hartenbeest hartendier-

Visarend

Iemand zei je moet je vaart versnellen
om van verleden los te komen, je moet
als een voertuig in z’n vrij de heuvel af

niets houdt je bij, niemand
heeft nog een naam, precieze tekeningen
rekken tot strepen die aan het eind
van de zindering abrupt de grond in gaan

wat je weet raakt achterop, adem
wordt afgesneden als een koord en
als kreten klinken de woorden.

Iemand zei je moet zoveel vaart krijgen
dat je de lucht in glijdt, roerloos
blijft hangen, onaangedaan
naar beneden kijkt.


Glijvlucht

Ik leg je neer, niet eens gewicht

bezwering als een handvol zand
en dan niet meer, lig maar stil

in de taal waarin ik je nalaat
veeg tijd over je gezicht

nevel komt aandrijven als een lint

krimp tot je stof bent, zucht
in wind, niet eens

huiver, niet eens

gedicht-

Uit: Hartenbeest, 2009, Uitgeverij De Arbeiderspers

Portret Mario Benedetti

Nieuwe gedichten tussen hoofdgerecht en caramelpudding

 

In de Uruguayaanse winter van 1971 heb ik Mario Benedetti ontmoet zonder te weten wie hij was. Ook hij had geen flauw idee wie de jonge vrouw was die hij onaangekondigd voor zich zag. We bevonden ons ter burele van het tijdschrift Marcha in het centrum van Montevideo. Tussen de stapels papier liep een gangetje naar verschillende vertrekken waarin ogenschijnlijk leeftijdsloze mannen in slonzige grijze colbertjes druk bezig waren iets te doen wat met het schrijven van artikelen te maken had: typen, telefoneren, vergaderen, roken. Ik kwam – per toeval – bij Benedetti uit.

De verkiezingscampagne, waaraan het Frente Amplio – een coalitie van linkse partijen – deelnam, had me vanuit mijn woonplaats Santiago de Chile naar Montevideo gelokt. Voor het eerst van mijn leven zou ik interviews gaan maken met politici. Gelukkig was Benedetti ook, of vooral, schrijver. Hij moet mijn schroom en de verwarring vanwege de politieke retoriek gezien hebben, want een paar dagen later mocht ik in zijn woning in de wijk Pocitos het vraaggesprek nog eens overdoen, waarbij de nadruk op de literatuur kwam te liggen. Hij dronk mate en maakte een kalme indruk. Toch werd hij toen al in het nauw gedreven, toen al was hij zijn aanloop aan het nemen voor de eindeloze vlucht dwars door het Zuid-Amerikaanse continent.

In 1974 zagen we elkaar terug in Buenos Aires. De repressie in Uruguay was in volle gang. Benedetti maakte in zijn nieuwe woonplaats deel uit van de redactie van het culturele tijdschrift Crisis, waarvan Eduardo Galeano de hoofdredacteur was. Ik vond hem opnieuw tussen de papieren, minder slonzig en grijs nu, want Buenos Aires is Montevideo niet, Buenos Aires is Paríjs. Hij was strijdlustiger, bezorgder, angstiger ook, want de geheime diensten van Argentinië en de omliggende landen werkten steeds nauwer samen in het bedreigen en vervolgen van linkse activisten, politici en intellectuelen.

We raakten bevriend. Een man als Benedetti is een goede vriend: hij luistert, observeert, maakt zich zorgen, is bescheiden, heeft gevoel voor humor, terwijl hij ook wil dat er naar hém geluisterd en om hém gelachen wordt, dat hij beschermd maar niet overschaduwd wordt. We aten vaak Scandinavisch, ingelegde haring met een soort kool, waarom weet ik niet, misschien omdat ik niet van reuzenbiefstukken hield. Tussen het hoofdgerecht en het caramelpuddinkje schoof hij me dan zijn nieuwe gedichten toe; niet één, nee, een hele reeks. Ik verbaasde me steeds over de snelheid waarmee hij schreef, zelfs, of juist, in periodes waarin de situatie in Argentinië steeds onhoudbaarder werd. Ik vroeg me in mijn aangeboren of misschien Europese behoedzaamheid dan hardop af, of hij er niet beter aan zou doen de gedichten een tijdje te laten liggen, de opwinding te laten bezinken om eventueel correcties aan te brengen, maar dan zei hij dat het poemas de urgencia waren, poemas de emergencia zelfs, anekdotische gedichten die zijn gevoel van die dag, van dat moment uitdrukten.
Toegankelijke gedichten waren het, soms al te toegankelijk, maar dat vond hij geen probleem: hij wilde het hart van zoveel mogelijk mensen raken. En dat deed hij. Zijn gedichten, zijn liedteksten, zijn artikelen en verhalen, maar vooral zijn roman La tregua (Het uitstel) en ook de verfilming ervan, raakten in zijn geliefde continent niet de ziel van de literaire elite of literaire fijnproevers, maar die van de gewone man en de gewone vrouw, van de gelukzoekers en gefrustreerden die zich in zijn taal herkenden. Ze vereenzelvigden zich met zijn hoofdpersonen. Met zijn thematiek. Met hém.

We woonden op een steenworp afstand van elkaar. Toen de jacht op kritische journalisten en schrijvers steeds dramatischer vormen begon aan te nemen, heb ik hem op een dag per telefoon kunnen waarschuwen voor een legerpatrouille die in onze buurt een razzia hield. Hij heeft me later verteld dat hij en zijn vrouw Luz, die over was uit Montevideo, onmiddellijk ‘subversieve’ boeken de afvalkoker in zijn gaan gooien, en zo veel documenten hebben verbrand dat hij, met zijn astma, bijna stikte. Toen zijn naam, samen met die van zeventien anderen, op de zwarte lijst van het doodseskader Las tres A kwam te staan, vluchtte hij, in dagen van grote radeloosheid, naar Perú. Weer later naar Cuba. Daar heb ik hem, zelf ook op de vlucht, in de zomer van 1976 opgezocht. Hij was melancholiek. Ontredderd. Ontheemd. Maar hij schreef. Hij wist dat zijn teksten de ronde deden onder de achterblijvers in de Cono Sur en onder de honderdduizenden ballingen die tot in de uithoeken van de aarde hun toevlucht hadden gezocht: Zweden, Canada, Rusland, Australië, Mozambique.

Een andere hemel

la stranezza di un cielo che non e il tuo
Cesare Pavese

Er bestaat geen spons om de hemel mee te wassen
maar al zou je hem kunnen inzepen
en nat gooien met emmers zee
en aan de zon te drogen hangen
dan nog miste je een vogel in de stilte

er bestaat geen manier om de hemel aan te raken
maar al zou je omhoog reiken als een palm
en hem in je verbeelding kunnen beroeren
en eindelijk weten hoe hij aanvoelt
dan nog miste je de wolk van katoen

er bestaat geen brug om de hemel over te steken
maar al zou je de andere oever bereiken
met behulp van herinneringen en voorspellingen
en vaststellen dat het niet zo moeilijk is
dan nog miste je de pijnboom in de schemering

dat komt omdat die hemel niet jouw hemel is
al is hij onstuimig en verscheurd
maar als je bij je eigen hemel komt
zul je hem niet willen wassen of aanraken of oversteken
en zijn ze er de vogel en de wolk en de pijboom.

 

In 1978 heb ik hem opnieuw in Havanna ontmoet, dit keer ter gelegenheid van een schrijverscongres. Hij had toen een mooie werkkamer in het gebouw van de Casa de las Américas. Het Uruguayaanse colbertje en het Argentijnse pak waren vervangen door een hagelwitte guayabero met korte mouwen, waardoor hij er vrolijker en jonger uitzag. We gingen weer samen eten; geen haring, geen tournedos, geen caramelpuddinkje maar een bonenbrij, bananenschijven en rijst. En weer kreeg ik naar me toegeschoven waar hij zo trots op was: verhalenbundels die door hem waren samengesteld, gedichten de urgencia en de emergencia, liedteksten gezongen door Nacha Guevara, Daniel Viglietti en Joan Manuel Serrrat.

Nadat ik twee van zijn boeken – La tregua en Primavera con una esquina rota – voor uitgeverij Meulenhoff in het Nederlands had vertaald en later ook nog enkele gedichten, ben ik hem ten slotte uit het oog verloren. Ik wist dat hij nu eens in Madrid, dan weer in Palma de Mallorca, dan weer in Montevideo verbleef. Dat hij in de Spaanse krant El País een colum had die her en der werd overgenomen. Dat hij het ene boek na het andere publiceerde en op verschillende podia optrad. Ik heb wel eens gedacht: wat een geluk dat hij aan één taal – het Spaans – genoeg heeft, dat hij zich in precieze en hoogsteigen woorden kan uitdrukken op de plaatsen waar hij zich het liefst wil laten horen en de meeste zielsverwanten heeft.

Sinds kort heb ik weer contact met hem. Zevenendertig bewogen jaren zijn voorbijgegaan sinds het toeval me tussen de stapels oud papier zijn kant uit dreef. Hij is weer thuis, en alsof het de gewoonste zaak van de wereld is woont hij in de straat die vernoemd is naar zijn vermoorde beste vriend. ‘Alleen,’ mailde hij me. ‘Nog wel van alles te doen maar alleen. Oud. Niet helemaal gezond meer. En jij, nog steeds jong?’

Interview met Mario Benedetti
‘Het Westen meet met twee maten’
door Sander de Vaan

De Uruguayaan Mario Benedetti (Paso de Toros, 1920) geldt als een van de populairste Zuid-Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw. In 1993 interviewde Sander de Vaan hem voor het Nederlandstalige blad Revista Latina. Omdat er zeer weinig vraaggesprekken met Benedetti in onze taal voorhanden zijn, publiceert Meander in deze aflevering van Wereldpoëzie grote delen van het betreffende artikel, evenals een kort verhaal van deze bijzondere, sociaal zeer geëngageerde auteur.

(c) Vincent Devreux (1963-2006)
 

Uit: Revista Latina, 1993
Sinds kort kan Mario Benedetti (1920) een nieuw wapenfeit op zijn toch al zeer uitgebreide cv vermelden. Vorig jaar maakte hij immers zijn debuut als acteur in El lado oscuro del corazón, een onalledaagse, poëtische film van de Argentijnse regisseur Eliseo Subiela, die in Argentinië hét kassucces van het jaar was en zelfs Basic Instinct achter zich liet. ‘Het was eigenlijk een geintje,’ lacht Benedetti. ‘Ik ben een kapitein van een Duits koopvaardijschip en stap een nachtclub binnen waar ik tot twee keer toe een gedicht in het Duits opzeg voor een prostituée. Maar verder kom ik niet meer in beeld, ik ben veeleer "onzichtbaar" aanwezig. De "normale" dialogen in de film zijn namelijk grotendeels vervangen door gedichten van mij, Juan Gelman en Oliverio Girondo, zonder dat dit overigens storend is. Er zijn bijvoorbeeld drie vrienden, die regelmatig naar een pizzeria gaan en de eigenaar betalen met liefdesgedichten, omdat hij daarmee indruk wil maken op een vrouw. Als hij een gedicht heeft ontvangen, leest hij het steevast in hun bijzijn hardop voor en roept: "Ha, hiermee bezwijkt ze zeker voor me!" Totdat de vrienden op een dag naar de pizzeria gaan en de eigenaar zegt: "Sorry jongens, ik heb geen gedichten meer nodig, ik ga trouwen".’

Nadat Benedetti de Europese première van de film in Madrid heeft bijgewoond, is hij naar Cartagena gekomen, waar hij eregast is op een aan hem gewijd symposium. Ondanks zijn overvolle agenda en de vermoeienissen van de reis blijkt hij onmiddellijk bereid om ons uitgebreid te woord te staan. We praten over film, literatuur en politiek, maar ook over voetbal, want Benedetti is een groot liefhebber van deze sport, waarin heel wat Uruguayanen uitblinken. Hij schiet spontaan in de lach wanneer hij vertelt hoe zijn landgenoot Ruben Fonseca ooit wraak nam op het door Guus Hiddink getrainde Valencia: ‘Fonseca was door deze club te licht bevonden en vervolgens aan Napoli verkocht. Een tijdje later moesten beide clubs het tegen elkaar opnemen: Fonseca nam in Valencia wraak en kegelde zijn oude club met vijf goals uit het UEFA-cuptoernooi. Prachtig vond ik dat…’

U heeft tientallen werken geschreven: romans, verhalen, gedichten, essays, toneelstukken, filmscripts en songteksten. Herleest u wel eens iets wat u heeft gepubliceerd?
Vrijwel nooit, behalve wanneer ik de drukproeven moet corrigeren, dan ontkom ik er niet aan. Ik heb bijvoorbeeld net de honderdste druk van mijn roman Het uitstel gecorrigeerd, maar dat gaat me zo langzamerhand wel een beetje de keel uithangen.

Ziet u zichzelf dan weer van kantoor naar café Sorocabana spoeden om in de lunchpauze aan uw roman te werken?
Nee, dat niet, maar voor mij is het een oude roman, ik zou nu iets anders schrijven. Het uitstel is mij echter wel zeer dierbaar. Met dit boek bereikte ik voor het eerst een groot publiek. Bovendien is het verfilmd en zijn er televisiefeuilletons, hoorspelen en toneelbewerkingen van gemaakt.

Heeft u een voorkeur voor een bepaald genre?
Waarschijnlijk is de poëzie het genre waarmee ik het best kan communiceren met mijn lezers. Ik heb mijn hele leven gedichten geschreven, maar ik schrijf ook graag verhalen en romans. Het schrijven van een roman is echter een tijdrovende aangelegenheid, je kunt niet vandaag tien pagina’s schrijven en over een half jaar weer tien. Als je een bepaalde romanwereld hebt gecreëerd, moet je daar gedurende een zekere tijd in blijven. Ik heb echter altijd zoveel verplichtingen dat ik voortdurend tijd tekortkom. Wat het schrijven van verhalen betreft: ik ben geen voorstander van het bundelen van alle verhalen die ik in een bepaalde periode heb geschreven. Een verhalenbundel moet een ‘ruggengraat’ hebben die alle verhalen verbindt, en dat kan soms jaren duren.

Hoe staat u tegenover het verschijnsel ‘bestseller’?
Als een boek dat met een artistieke intentie geschreven is een bestseller wordt, vind ik dat prima. Maar ik heb bezwaar tegen de ‘bestseller-industrie’: eerst wordt er een onderzoeksteam samengesteld dat door middel van een enquête antwoord tracht te vinden op vragen als: Wat voor type man prefereren de lezeressen? Wat voor type vrouw willen de lezers? Waar moet de roman over gaan? Waar en in welke tijd moet het verhaal zich afspelen? Wat voor einde geniet de voorkeur? Daarna maakt men een gedetailleerd schema en overhandigt dat aan een schrijver, die er uiteindelijk een boek van maakt. Voor mij zou het onmogelijk zijn om zo te schrijven. Men fabriceert boeken alsof het schoenen of overhemden zijn. Gelukkig kan het nog altijd anders. Neem bijvoorbeeld Honderd jaar eenzaamheid: García Márquez schreef dat boek echt niet met de bedoeling om er miljoenen exemplaren van te verkopen. Hij wilde een kunstwerk fabriceren. Dat dit kunstwerk ook nog eens goed verkocht, was meegenomen. En zie, het boek ligt na ruim dertig jaar nog altijd in de boekhandel, terwijl vrijwel alle ‘industriële bestsellers’ van de laatste jaren alweer verramsjt zijn.

Na de val van de militaire dictatuur verblijft u weer regelmatig in Uruguay. Heeft de bevolking de verschrikkingen van de dictatuur enigszins kunnen verwerken?
Het is natuurlijk buitengewoon moeilijk voor een gemartelde om samen te leven met zijn folteraar, maar de ex-gevangenen hebben zich goed weten te integreren in de maatschappij, hoewel velen blijvend fysiek en geestelijk letsel aan hun gevangenschap hebben overgehouden. Zo stierf Raúl Sendic, leider van de Tupamarosbeweging, enkele jaren na zijn vrijlating aan de gevolgen van de martelingen die hij in de gevangenis had ondergaan. De Tupamaros maken nu als politieke partij deel uit van een brede coalitie. De democratie is hersteld, er zijn geen politieke gevangenen meer, er wordt niet gemarteld en de miltairen zitten in hun kazernes, hoewel ze nog altijd op hun hoede zijn en bij de minste of geringste gelegenheid weer de straat op kunnen gaan.

Zijn de militairen zich dan niet bewust van het leed dat ze hebben aangericht?
Er zijn militairen die zich tijdens de dictatuur schuldig hebben gemaakt aan martelingen en die nu van mening zijn dat een democratisch systeem de voorkeur verdient. Maar anderen, de wreedste folteraars, hebben een ‘putschmentaliteit’ en liggen nog altijd op de loer. Zij vormen momenteel echter geen bedreiging, omdat ze een kleine minderheid uitmaken binnen de strijdkrachten. Bovendien worden ze in de watten gelegd, want een aanzienlijk deel van de nationale begroting gaat naar het leger en de politie, en hun leven loopt in een democratie natuurlijk aanzienlijk minder gevaar dan tijdens het gewapende conflict met de guerrilla.

Over Raúl Sendic is in Europa minder bekend dan over Mario Firmenich, leider van de Argentijnse Montoneros. U kende hem persoonlijk, wat was hij voor iemand?
Hij was een bewonderenswaardige man, die heel bewust koos voor gewapend verzet en zich daarvoor grote opofferingen getroostte. Hij was een geboren leider, wars van lange redevoeringen en retoriek, hij vertrouwde meer op het werk aan de basis en gaf de Tupamarosbeweging een betekenis die later verloren ging. De Tupamaros waren vooral in de jaren zestig, toen Sendic de touwtjes in handen had, een belangrijke groepering die op zeer intelligente wijze de draak stak met het leger, bepaalde economische conglomeraten en de multinationals. Op een gegeven moment kregen de militaristen echter de overhand binnen de beweging. Men begon moordaanslagen te plegen en daardoor brokkelde de steun van de bevolking voor de Tupamaros snel af. Het bleek de nekslag voor de beweging, want guerrilleros kunnen onmogelijk floreren zonder een adequate infrastructuur, en zeker niet in een land zonder oerwoud en bergen als Uruguay.

U zei na de val van de Berlijnse Muur dat het kapitalisme een wedstrijd gewonnen had, maar niet het kampioenschap. Wat bedoelde u daarmee?
Ze hadden natuurlijk alle reden om in een winning mood te verkeren. Ik denk echter dat de val van het Oostblok geen enkele oplossing heeft gebracht voor de problemen in die landen. En er is nog iets anders: momenteel wordt met de brokstukken van de Berlijnse Muur een Europese muur gebouwd, om te voorkomen dat ‘ongewenste vreemdelingen’ als de Turken, de Zuid-Amerikanen, de Albanezen en de Marokkanen de welvaart in Europa komen bedreigen. Maar men beseft niet dat binnen die muur een levensgevaaarlijk monster rondwaart dat al eens eerder op het punt stond om Europa te vernietigen. Enkele maanden geleden zei een Duitse vriend dat ik me geen zorgen moest maken over het opkomend nazisme, want er waren maar 65.000 geregistreerde nazi’s in Duitsland. Maar dit betekent dat er minstens een half miljoen moeten zijn! Ik kan mij immers niet voorstellen dat een nazi zich braaf bij de politie meldt om te zeggen dat hij nazi is. En in landen als Oostenrijk en Frankrijk doet zich een soortgelijk probleem voor. Ik denk dat de Europeanen dit gevaar nog altijd niet voldoende onderkennen. Hoe je het ook wendt of keert, in Europa neemt de xenofobie zienderogen toe, en men keert zich vrijwel uitsluitend tegen mensen uit de derde wereld.

Maar kan het socialisme dan uitkomst bieden voor de problemen?
Ik weet niet of ik het nog zal meemaken, maar jullie zullen ongetwijfeld een wedergeboorte zien van bewegingen die ernaar streven om een zeker evenwicht in de wereld te herstellen. Misschien zullen het weer socialistische groeperingen zijn, maar het kunnen ook milieu-activisten, bevrijdingstheologen of andere groeperingen worden. Het lijkt mij in ieder geval een slechte zaak dat een groot deel van de wereld bestuurd wordt door rechtse partijen die het geld tot een godheid hebben verklaard, terwijl zoveel andere waarden in het leven veel stimulerender kunnen zijn.

Is geld dan niet belangrijk?
Jawel, maar je kunt je afvragen wat je er allemaal voor over moet hebben om dat geld te verdienen, en aan wat voor dingen je het vervolgens uitgeeft. Ik denk dat de sociale onrechtvaardigheid in de wereld tot een geweldsuitbarsting gaat leiden, want het klinkt natuurlijk leuk en aardig wanneer je tegen een arme drommel zegt dat hij zijn broekriem moet aanhalen omdat in tijden van crisis iedereen een stapje terug moet doen, maar op een gegeven moment heeft hij geen riem meer en als hij niet oppast raakt hij zijn broek ook nog kwijt.

U heeft zich altijd voorstander betoond van de Cubaanse revolutie; hoe beoordeelt u de huidige situatie op het eiland?
Cuba maakt een bijzonder moeilijke periode door, nu de steun van het voormalige Oostblok is weggevallen en het eiland verstoken blijft van aardolie. Bovendien duurt het handelsembargo van de V.S. voort en is de prijs van suiker, het belangrijkste exportprodukt van Cuba, sterk gedaald op de wereldmarkt. De crisis is grotendeels te wijten aan deze externe factoren, maar desalniettemin wordt het regime door de internationale gemeenschap als de grote boosdoener aangewezen.

Maar zijn er dan geen fouten gemaakt door dat regime?
Jazeker. Ik ben het met veel beslissingen niet eens geweest en bijvoorbeeld tegenstander van de doodstraf. Maar men moet de zaken ook niet overdrijven. Op Cuba zijn in vijftien jaar tijd vijf doodvonnissen voltrokken, terwijl er in de V.S. momenteel 2500 gevangenen op hun executie zitten te wachten en er vrijwel iedere week wel iemand wordt geëxecuteerd. Het Westen meet met twee maten. Neem China, dat land is net zo communistisch als Cuba, maar in China wonen ruim 1 miljard mensen en die vormen een enorme potentiële markt voor produkten uit de V.S. Wat Coca Cola in Cuba zou kunnen verkopen is niets vergeleken bij wat het bedrijf in China aan de man zou kunnen brengen. De grootste zonde die Cuba begaat is dat het maar tien miljoen inwoners heeft en de grootste deugd van China ligt in het feit dat er meer dan 1 miljard Chinezen zijn. Er moet maar eens een boek geschreven worden over ‘De hypocrisie als een van de Schone Kunsten’. Dat zou duidelijkheid kunnen verschaffen in een groot aantal zaken. Het lijkt wel of men Cuba wil laten verhongeren om er vervolgens een voet op te kunnen planten en te zeggen: ‘We hebben gewonnen, hé?’

En wat vindt u van de kritiek op Cuba vanwege de beperking van de vrijheid van meningsuiting?
Die kritiek is terecht. Ik zou willen dat er veel meer vrijheid van meningsuiting op Cuba was. Maar als je Cuba bekritiseert, moet je ook eens nagaan hoe het eigenlijk met de vrijheid van meningsuiting in het Westen gesteld is. Die blijkt namelijk allerminst absoluut, als je alleen al bedenkt dat 80% van alle nieuwsberichten door twee Noord-Amerikaanse persagentschappen de wereld wordt ingezonden. Daar spreekt echter niemand over.

U wordt door velen gezien als een politiek schrijver, maar u schrijft vooral over ‘gewone’ onderwerpen als de menselijke gevoelswereld, die volgens u ‘ondergronds’ dreigt te gaan. Hoe ontstond het hier vertaalde korte verhaal ‘De nacht van de lelijkerds’?
Het is uiteraard een fictief verhaal, maar op een dag zag ik voor een bioscoop een meisje staan dat een monsterlijk vervormde gezichtshelft had, waarschijnlijk als gevolg van een verbranding. Toen ze zich echter omdraaide, bleek de andere helft oogverblindend mooi. Naar aanleiding van dat voorval heb ik vervolgens dat verhaal verzonnen, waarin ik ook een ‘lelijkerd’ laat opdraven, om het evenwicht enigszins te herstellen.