Gedichten

er ligt een lange nacht in mij te slapen
ik wek haar niet, wacht tot zij uit zichzelf ontwaakt
ik zal haar door de zomer dragen

in mijn armen stapelt zij mislukte dromen
ik kus de warme, natte krullen op haar wang
zo zijn wij voor elkaar geschapen

in september leg ik haar onder de bomen
zij breekt mijn water met haar eerste blik
dan staat zij op, loopt traag de verte in

siësta

toen het middaguur aanbrak
nam ik je mee in mijn ogen, wat
geeft het, beter dan vlees de verbeelding
ik sloot de gordijnen
en jij daalde af tot
zowat halverwege

ik gaf je een stoel aan het eind van de kamer
niet deze natuurlijk, wat
geeft het, beter dan scheurend
behang de verbeelding, want
steeds opnieuw, mijn licht en
mijn sluitertijd eeuwigdurend
op nog eens en nog eens vanaf het begin tot
misschien halverwege

liever dan klanken mijn partituur van
jij aan het andere eind van die andere kamer
zwijgt wat ik in je mond leg, wat
geeft het nu mijn benen gespreid
mijn handen allebei alweer door je gebonden
nog kom je niet dichterbij, ik heb je
liever zo, ik kom zoveel
liever

meisje

als ze uitzoekt wat ze aanmoet zit ze voor haar kast
vijf laden twee deurtjes
in la vier: rozenknophemdjes en drie sigaretten
in la twee: T-shirts één kniekous van toen ze nog klein
en het dagboek. Meisje. Lief dagboek schrijft zij
niets bijzonders

en alles begint net zo’n beetje te bloesemen aan haar
haar blik valt van boven ze zijn weer groter dan gisteren
denkt ze ze wil ze niet ze wil ze wel ze wil ze niet
ze komen toch

en de deurtjes. De deurtjes zijn er om open te doen haar
kop in te steken weg te zijn van een lichaam dat naakt zit
op handen en voeten terwijl. Geknield voor een kast het
hoofd in de rokken en truien die geuren naar was
en naar buiten naar ver weg van hier naar
een leven van sprookjes dat eindigt in lang
en gelukkig de koning is dood de prins
onderweg