Gedichten

Daniel Bras (1962) schrijft gedichten op het snijpunt van theater en poëzie. Hij publiceerde die gedichten in tijdschriften als Passionate, Tzum, Lava, Krakatau, Meander, Op Ruwe Planken, NY, Kluger Hans en de Revisor. Het afgelopen jaar publiceerde hij zijn feuilleton Europia op een gelijknamig blog.
 

uit Europia 84-85

vierentachtig

Wat hem verbaast zijn niet de bleke gezichten, de tandloze monden, maar het feit dat de zee de golven heeft afgevlakt. Alsof iemand een liniaal erover heeft getrokken. Een aartsvader? Een boer, die met zijn plagmachine over zee heeft gereden, voortgetrokken door een paard met zwemvliezen.

Nee, geen fantasieën nu. Ik moet mijn hoofd erbij houden, anders zou ik overmoedig kunnen worden. En overmoedigheid is de lispelende tong van de duivel.

Zolang Hij een etmaal kan denken, denkt hij:
breng me boeken, waaruit zoveel woorden zijn geschrapt,

dat er van een verhaal geen sprake meer is.

Onderling verdeelden we wie ter bewaking
& wie moet zorgen, dat zijn oren niet voortijdig zullen horen.

We stapelen, tot zijn gezicht een berg is:
Ik ken nu alle woorden van de wereld
en welke ervan we verzwijgen,
breng elk boek terug

naar haar rechteigenaar.
Als de maan aan Zijn voet komt,
begraaft Hij zijn ogen, zo merkt Hij niet
van welke letters Hijzelf zijn geboden

maakt, niet
van welke letters niet.

vijfentachtig

Hij zou zijn benen, zijn armen moeten gebruiken, het meisje aan haar sjaal achter hem aan trekken. Maar hij staat slechts, alsof de branding hem vergeten is. Alsof het water om hem heen een stapel brandende autobanden is en hij niet gered wil worden. Nu trekt het meisje hem mee, dwingt ze hem zijn voeten door het onzichtbare, maar rulle zand onder het water te duwen. Kom, zegt ze. En hij gaat mee.

Ze is een strakke, voor zichzelf uitgestoken naakte vinger,
en weet dat niets haar zal overwoekeren,
omdat niemand genegenheid kent,
zoals zij.

Niet de wind, het land, het water,
dat zich rustig en bedaard en kalm houdt.

Veertig verzakte ruggen slepen een boot,
vierkant als de man in een gekoeld glas.
Verderop steekt een man zijn stok in omwoelde,
want versleept, vermalen en door handen gedragen aarde.

In het avonduur zitten ze bijeen.
Hun zwijgen is een barst in de lucht,
die alles omlaag gooit.
Alleen zij

met haar groeiende blik op het oneindige land.

Gedichten

als je meemaakt
wat ik heb meegemaakt

als je een vinger uitsteekt
en je krijgt er een hand
voor terug

als je lichaam gewend is geraakt
en je niet langer opmerkt
wanneer zij

van je af is gegleden
alsof er een knik in de tijd is geduwd
en deze alsmaar een en hetzelfde uur aangeeft

het uur
waarop elke zenuw
door de poriën van je huid

lijkt te zijn gestoken
alsof haar aanwezigheid is verstomd
en jij jezelf hebt vergeven

niet naar haar op zoek te zijn gegaan

alsof een stip tegen de branding vaart
de nek van de golven breekt
en aanspoelt

je wilt jezelf
uit een bed zien tuimelen
duimen breder dan de aarde

je wilt
wat hij nog in je ziet

de balken onder de pier
zijn zwarte tanden
waarop

met gele verf
vierkante vlakjes land zijn geschilderd

ERBOVEN

in nette telnummers
het cijfer voor zee

er kan gemakkelijk nog een catastrofe bij

als je me vergelijkt
vergelijk jij me
met

een geparkeerde auto
waarvan de deuren zijn opengelaten

iedereen kan me stelen
ze stelen
alleen

de radio
de zittingen
het asbakje

mij laten ze
bij je achter