Recensie van Voor de verre prinses - Chrétien Breukers

Nestwarmte

Chrétien Breukers
Voor de verre prinses
Uitgever: Prominent
2017
ISBN 9789492395139
€ 14,95
81 blz.

Het bespreken van literatuur in brieven is niet nieuw: ik heb heel goede herinneringen aan de vakantiebriefwisseling van dr. H.G. Bachrach, Naar het hem leek, waarin hij met een ‘amice’ Shakespeare bespreekt, maar het koppelen van liefdesbrieven aan poëzie, nee, sterker nog, poëzie die overloopt in liefdesbrieven, lijkt me tamelijk uniek. Chrétien Breukers deed het in het mooie boekje Voor de verre prinses, dat behalve een ‘brievenboek’ ook nog een bloemlezing is, een poëtica en een handleiding in lezen. Ik heb het tweemaal achter elkaar gelezen en dat doe ik niet snel.

De ontstaansgeschiedenis is niet uniek. Twee mensen die van poëzie houden worden verliefd en zoeken naar uitdrukkingsmogelijkheden van hun gevoelens in gedichten. Zij zoekt in Dante Alighieri’s Divina Commedia naar op hen slaande passages, hij belooft haar eens te schrijven over zijn ‘lievelingsgedichten in het Nederlands’. Hij wil het ‘groots aanpakken’ en besluit ‘een boek te schrijven’. Het resultaat is een aantal brieven rondom één of meerdere gedichten (bijna allemaal liefdesgedichten), waarin hij vanuit het gevoel van nestwarmte, zoals hij die ervoer in misschien het allereerste gedichtje uit onze literatuur ‘Hebban olla uogala…’, tot zijn keuze komt.

Chrétien Breukers is niet alleen tot aan zijn oren verliefd op de ‘blooskoningin’, de ‘maandagaangekleedste’, ‘de adembenemende ogenvijver’ (een paar van de vele poëtische aansprekingen van zijn geliefde), maar ook op de poëzie. Die liefde tot de poëzie ontstond bij hem toen hij in een bus van school naar huis reed, van ‘Weert naar Leveroy’ en een gedicht van Roland Holst las. Het was liefde op het eerste gezicht. Het wierp bij mij de vraag op wanneer mijn liefde voor poëzie ontstond: dat was in 1948, toen mijn vader tijdens de Boekenweek een gedichtenbundeltje meebracht: ’De muze en het ambacht’. Elk jaar zag ik naar die fraaie bundels uit, ook typografisch prachtig verzorgd, die je voor een kleine vergoeding kon kopen. Ze bestaan helaas niet meer, maar het moment dat ik met mijn vader samen las over ‘de chimpansee die ziek is van zee’ is voor mij het begin geweest.

De eerste Middelnederlandse regels staan aan het begin van het boek. Als hij dan zijn toekomstige geliefde een boekwinkel binnen ziet lopen, waar ‘een gemeenschappelijke vriend moest voorlezen’, denkt hij aan takken, aan het bouwen van een nest, het is een grote, vurige liefde op het eerste gezicht. En aangezien Chrétien elke menselijke ervaring die hij ondergaat koppelt aan een gedicht, levert ook deze ontmoeting poëzie op. Hij besluit tot dit boek.

In de brieven aan zijn ‘Bezitster van het Mooiste Sleutelbeen ter Wereld’ begint hij met de behandeling van een liefdeslied van Anneke Brassinga, waarbij hij verklaart waarom hij niet chronologisch te werk gaat, maar van de hak op de tak springt. Het gedicht ‘Code’ van Gerrit Achterberg leidt hem tot een bespiegeling over de kracht van de poëzie: woorden die ‘onder spanning’ staan. Aan zijn ‘Allerliefste trapoploopster’ licht hij, mede vanuit een aantal persoonlijke ontmoetingen met de dichter H.H. ter Balkt, een gedicht van hem toe over Wilhelmina die een glas water de trap opdraagt. De brief hierover geeft blijk van heel erg goede ‘close reading’: het staat er allemaal, maar je moet het lezen. Paul Snoek passeert de revue (‘Een zwemmer is een ruiter’), waarbij en passant een gedicht van Van Bastelaere wordt meegenomen. Sebastiene Postma komt langs met pijn in haar voeten. De beschouwing over het gedicht van Jan Kostwinder geeft Chrétien aanleiding wat anekdotisch materiaal over deze mij onbekende dichter toe te voegen, wat mij een grote nieuwsgierigheid oplevert naar ander werk van hem. Frans Budé en Herman De Coninck komen langs, terwijl aan de lieve ‘Veelbladige Kropsla’ Luuk Gruwez wordt gepresenteerd. Het meest geboeid was ik door zijn beschouwingen over Paul van Ostaijen, Lucebert en Hans Faverey. Deze laatste – door sommigen als mystiek hermetisch dichter gezien – wordt door Chrétien Breukers verrassend toegankelijk. Dat brengt mij er toe nog eens werk van Hans Faverey te gaan lezen; lezen dan zoals Chrétien, wat er echt staat. Met een mooi hoofdstuk naar aanleiding van het gedicht ‘Willen’ van Jan G. Elburg eindigt dit leesboekje.

Ik zou elke poëzieliefhebber die oprecht geïnteresseerd is in het beter leren lezen, aanraden dit boek te kopen. Het is ook typisch zo’n boekje dat je cadeau kunt geven aan bijvoorbeeld je geliefde. Het kan ook voor leraren die de poëzie aan het hart gaat, fungeren als een blaasbalg waarmee de liefde tot de poëzie weer tot vlammen wordt aangeblazen. Het is ook een ontdekkingstocht. Zeer aanbevolen.

***
Chrétien Breukers (1965) is schrijver en redacteur. Hij debuteerde in 2014 met Een zoon van Limburg, een veelgeprezen debuut. Hij stelde, soms samen (met o.a. Dieuwertje Mertens), soms alleen bloemlezingen samen. Hij was tussen 2005 en 2015 redacteur van de weblog De Contrabas, waarover vooral Gerrit Komrij nogal enthousiast was.

Poëzie Kort 2016 / 9

 

Koenraad Goudeseune, Vet hart

Koenraad Goudeseune doet in zijn thematiek denken aan Reve: ‘liefde (of geen liefde), / en ouder worden, / en dan de Dood.’ Ook aan Bukowski, die zich, in tegenstelling tot Reve, niet veel gelegen liet liggen aan de vorm: de inhoud prevaleerde. In het werk van allerdrie de auteurs speelt drank een belangrijke, maar vergeefse rol als middel om de dagelijkse ellende draaglijk te maken. Alle drie voelen zij zich buitenstaanders.
Dit betekent niet dat Goudeseune een navolger of poseur is: hij heeft een eigen geluid, de overeenkomst zit hem in het levensgevoel. Pathetisch is hij soms wel. Zijn laatste bundel Vet hart opent met veertien zeegedichten. De ik-persoon woont in een appartement aan de Vlaamse kust, maar de zee, een beeld voor eeuwigheid en dood, biedt geen troost. In ‘Dan sneeuwt het op dit late uur’ schrijft hij: ‘Vissers zijn met kerstmis thuis. Kom nu, dood, bevrijd me. / Kom nu en laat mij los. ( … ) Kom nu dood, het is genoeg geweest. Kom nu, // laat mij gaan, laat boten loeien in de mist, ik hoor ze smeken / om een zeemansgraf.’ De gordijnen kunnen maar het best worden dichtgedaan en er moet ‘met strengheid’ worden geluisterd naar Marvin Gaye – de soulzanger die werd vermoord door zijn vader. Het helpt niet: ‘Kom nu, neem mij mee.’ De zin ‘Kom nu, dood, bevrijd me’ heb je dan al in twee eerdere gedichten gelezen, uiteraard steeds in combinatie met drank. De zeegedichten hadden meer indruk gemaakt als Goudeseune wat selectiever was geweest.
De overige gedichten zijn gevarieerder: beelden uit zijn jeugd, verloren liefdes, grappige gedichten over bezoekjes aan de cardioloog, verlangen naar liefde. Humoristich is hij ook. In ‘Oorlog & terpentijn’ schrijft hij zijn eigen Hartmans. Bij een bombardement rent de ik-figuur een schuilkelder in. Een vrouw heeft een koe meegenomen: ‘Het arme dier stond op haar vier poten te trillen en opeens / besefte ik / dat de tragiek van een beest twee poten erger kan zijn dan die / van een mens.’ En een grote eenzaamheid beschrijft de dichter vol zelfspot:

Liefje

Ik heb me met koud water gewassen.
Mijn schouders. Mijn buik.
Mijn rug zover ik kon.
Alles met koud water.
Mijn oksels ook.

Ik keek in de spiegel en zag iemand
die zich aan het wassen was.
Het was eerlijk gezegd geen zicht.

Koud water over mijn billen.
Koud water over mijn gezicht.
Mijn haar nat van het koude water.
Mijn voeten en ook mijn gat.

Had ik maar een liefje!

Het gedicht ‘Wierook wacht niet op een roman’ is mij uit het hart gegrepen. Hierin zet de dichter geërgerd en sarcastisch uiteen dat veel schrijvers hebben geleerd een romantechniek toe te passen, waardoor ‘we zo langzamerhand kunnen spreken van een monocultuur / in het romanlandschap’, maar geen idee hebben waar het echt om gaat en wat zich niet laat vangen: ‘Het wezen van de romantechniek loopt [die schrijvers] alleen maar / in de weg.’ Logisch: ‘Het wezen van de romantechniek geeft de rode draad aan het / labyrint terug / daar waar de romantechniek dat labyrint tot rode draad herleidde.’ Het eerste kunnen alleen echte schrijvers.

***
Koenraad Goudeseune (2016). Vet hart. Uitgeverij Bokeh, 106 blz. € 16,50.

 

Sven Staelens , m.n.m.”l

In m.n.m.”l schrijft Sven Staelens pwoermd, of pwoermds, daar wil ik vanaf zijn. Het gaat in ieder geval om ‘one-word-poems’, aldus zijn grote voorbeeld Geof Huth die het voorwoord schreef en daar twee dagen over deed: ’29-30 August 2016’. Hij deed dat bovendien in New York City; aan dit voorwoord kunnen we daarom niet voorbij gaan. Geof Huth deelt met de lezer een paar rake observaties over de werking van woorden: ‘Words appear to us to be solid in meaning, resolute, a small but essential barrier between civilisation and chaos.’ ( … ). Maar: ‘Every word is fungible. It insists different meanings in different contexts. The same word can be praise or an insult based on the tone of the voice speaking it or the phrasing of the hand writing it.’ Ik was het meest onder de indruk van zijn opmerking over dichters: ‘And, for the poet, they are malleable: they can be twisted into new shapes. They can become new things.’

Het is een mooie, goed verzorgde uitgave, die het visuele van de gedichten recht doet. Helaas is daar alles mee gezegd. De bundel begint en eindigt met een aantal grappige verschrijvingen op de linker pagina en grappige uitwerkingen op de rechter. Oordeel zelf. Kent u het visuele gedicht ‘ Revolutie ’ van Paul de Vree, een volmaakt voorbeeld van de eenheid van vorm en inhoud? Zulke gedichten komen in de andere afdelingen voor – over kwaliteit heb ik het hier niet. Voorbeeld: een molen, gemaakt van hoofdletters ‘i’ met een gemeenschappelijke punt in het midden. Het fundament is uiteraard een ‘m’. Ander voorbeeld: een sterk uitvergrote B op zijn kant (linksom) en daarachter, in minder grote letters ‘rest’. Een woordspeling. De ‘B’ lijkt op een tweepersoonsbed en ook op borsten. Rest, brest, en over die combinatie kun je dan nog even prettig verder fantaseren. Een ander soort pwoermd: ‘SKE?SIS’. Nog een: ‘ V’RDW’N’N ’.

Pwoermd. Het kan nog kleiner, dat liet Harriët van Reek zien in Lettersoep waarvoor zij in september terecht de Gouden Penseel kreeg. Hoe zullen we haar lettertekeningen noemen? Pletterd?

***
Sven Staelens (2016). m.n.m.”l. Uitgeverij CrU, 82 blz. € 18,95

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het liegend konijn 2016 / 2

Het mooie van Het Liegend Konijn is dat het je nieuwsgierig maakt naar nieuwe bundels. Neem Maarten van der Graaff. Na Dood werk met zijn lijsten en klokgedichten heeft hij zijn werk weer vernieuwd en toch is hij direct herkenbaar. Vijf keer maakt hij op een linkerpagina een opmerking over ‘de nederlandse commune’ en op de rechter- volgt dan een bijpassend gedicht. Hij beschrijft de invloed van de gemeenschap op het maken van poëzie. Een vermakelijk voorbeeld:

de nederlandse commune mag zonder bevelschrift je hele lichaam onderzoeken
de officiële versie wijkt vaak af van de werkelijkheid

 —

dagelijks metaforen slikken
om de viagrajunk te worden
die ik al was
toen ik nog als bloedklomp leefde
en me voedde met het netwerk

seksuele vrijheid leverde de commune
goederen op en markten
waarin m’n bloedklomp werd uitgebroed
en met de benodigde capaciteiten toegerust

opgeilen en opgegeild worden
ontvangen en verzenden

Naast dat van Maarten van der Graaff heeft Deleu werk opgenomen van zes andere dichters die na 1980 zijn geboren: Ilona van Braam, Yannick Dangre, Sylvie Marie, Sander Meij, Marieke Rijneveld en Dorien de Vylder. Sylvie Marie is vertegenwoordigd met zeven gedichten met de overkoepelende titel ‘Houdingen’. Ze spiegelen elkaar. De eerste zin van de reeks luidt: ‘vertedering, beminde, heeft veel weg van vertering.’ De laatste: ‘de vertering, beminde, ze werkt / soms vertederend.’ Tussendoor laat zij zien hoe die vertering in zijn werk gaat. Er staat veel op het spel: ‘haha, je houdt niet // voor mogelijk hoeveel mensen sterven / nog voor ze hun laatste woorden zeggen.’, merkt het lyrisch ik op in ‘zoveel vragen en nog lopen we verveeld …’ .

Ook de voorgaande generaties zijn goed vertegenwoordigd. In dit nummer gaat de vaststelling van Pieter Boskma in ‘Dankbaar verval’ niet op: ‘De imperia verkruimelen, gelukkig maar, want bleven zij / ongeschonden in hun staat van hoogste bloei, dan had / geen generatie ruimte voor een eigen grootsheid’. Boskma zelf is met zeven gedichten goed vertegenwoordigd en van een achteruitgang in de kwaliteit van zijn gedichten valt niets te merken. Hij is overigens nog jong, al vindt hij van niet: zestig. Maar alles is betrekkelijk: Roland Jooris is tachtig, publiceerde een paar maanden geleden de bundel Bladgoud en staat nu met vijf gedichten in Het Liegend Konijn. Ook zeventigers en bijna-zeventigers zijn goed vertegenwoordigd.

***
Het Liegend Konijn 2016/2. Samenstelling Jozef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 232 blz. € 20,00

 

Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten

De bloemlezing Dichters uit de bundel (1880 – nu) ziet er veelbelovend uit: hij is mooi uitgegeven en ligt lekker in de hand. De verwachtingen worden getemperd als je op het achterplat leest dat de regel ‘voor wie ik lief heb [dat moet zijn: ‘liefheb’ – HP] wil ik heten’ niet aan Neeltje Maria Min, maar aan Vasalis wordt toegeschreven. Zulke slordigheden komen meer voor: ‘Sonnet van de burgerdeugd’ in plaats van ‘Sonnet van burgerdeugd’ (Du Perron) bijvoorbeeld. Pijnlijk, zeker voor een bloemlezing, ook als het kleinigheden betreft als leestekens. Aan het eind van regel tien van hetzelfde gedicht staat een dubbele punt. In de gebruikte bron, de verzamelbundel Parlando, staat toch echt een puntkomma. Een pietluttige constatering misschien, maar voor de interpretatie van een gedicht kunnen leestekens heel belangrijk zijn.

De samenstellers, de dichter Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens, journalist en poëzierecensent van Het Parool, schreven een inleiding van bijna dertig pagina’s. In de kern komt het erop neer dat poëzie niet populair is bij het grote publiek en de bundel is op sterven na dood. Dat betekent ‘een eeuwig leven in de ramsj en uiteindelijk een tragische begrafenis in de oudpapierbak.’ [Cursivering van mij – HP]. Die verwijdering tussen de insiders en het grote publiek begon al bij de Tachtigers: denk aan de opvatting van Kloos dat poëzie een gave is ‘van weinigen voor weinigen’. Toch is de poëzie niet dood: ‘Poëzie leeft volop buiten de bundel: online op Facebook en weblogs, op straat, in bloemlezingen en bovenal op podia, zoals De Nacht van de Poëzie, Dichters in de Prinsentuin, of Kunst- en Poëziefestival Watou.’ Inderdaad: poëzie wordt met name beluisterd. Lezen is nog net zo impopulair als voorheen, hoewel half Nederland en Vlaanderen poëzie schrijft en niet alleen met Sinterklaas. Bloemlezingen worden misschien iets beter gelezen dan bundels, maar ook in goedgevulde boekenkasten vind je ze vrijwel niet en als je er toch een tegenkomt, gaat het in negen van de tien gevallen om de dikke Komrij. Het is daarom vreemd dat Breukers en Mertens niet voor CD’s hebben gekozen, net als Ramsey Nasr toen hij Dichter des Vaderlands was. Ze hadden dan ook kunnen kiezen voor podiumversies in plaats van voor lezers herschreven gedichten.

De samenstellers proberen dit probleem te omzeilen door voor ‘klassieke gedichten’ te kiezen ‘die de traditionele begrenzing van de (papieren) bundel negeren en op hun eigen wijze tot het nationale cultuurgoed zijn gaan behoren’.
De nadruk ligt op de poëzie van de laatste vijftig jaar; de poëzie van 1880 tot de jaren zestig lijkt er met de haren bijgesleept te zijn. Het moeten gedichten zijn ‘waarvan iedereen [?] een deel of een losse regel kent’. (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, ‘alles van waarde is weerloos’) en gedichten die niet één of twee keer, maar aan de lopende band worden ‘gebloemleesd’ – de vervoeging is van de samenstellers – zoals ‘Herinnering aan Holland’ en ‘Het huwelijk’. Een steekproef leert, dat dit voor lang niet alle gedichten geldt: zo staan de titelloze gedichten ‘Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen, … ’ van Lodewijk van Deyssel en “k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw, … ’ van Hélène Swarth, de kwatrijnen ‘Gedronken wijn’ en ‘Vloek’ van Jacob Israël de Haan en ‘Dieuwertje Diekema’ van Kees Stip niet in de gezaghebbende bloemlezingen van Komrij en Deleu, en ook niet in ‘Hier komt de poëzie!’ van Ramsey Nasr. In een oudere bloemlezing als – ik noem maar wat – O wereld, jij zingt, speelt en lacht. De bekendste gedichten van alle tijden (Kwadraat – Utrecht, 1994) vind je ze ook niet terug.

Dichters uit de bundel is onevenwichtig samengesteld, onvriendelijk gezegd: het is een bijeengeharkte hoop bladeren. Toch heeft de bundel enige waarde vanwege de periode van 2000 tot nu. Voor het kleine groepje poëzielezers welteverstaan. De meeste festivalbezoekers zullen de bloemlezing links laten liggen.

***
Dichters uit de bundel. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens (2016). Uitgeverij Marmer, 656 blz. € 29,95

Recensie van De zomer haalt nog één keer uit - Chrétien Breukers

De drommelse brug

Chrétien Breukers
De zomer haalt nog één keer uit
Uitgever: Marmer
2016
ISBN 9789460682933
€ 15,00
48 blz.

Wil Breukers stiekem graag op Nijhoff lijken? Deze vraag zou men zich kunnen stellen bij het lezen van zijn nieuwste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Hij koketteert in elk geval graag met de poëzie van die andere, om zijn vakmanschap geroemde collega-dichter:

DE WOLKEN

Je ligt, bijvoorbeeld, languit in de warme hei,
om een seconde later naar het westen toe gebogen
een voorwerp van de grond te rapen. Dat voorwerp
wordt een damestas of koffer, je richt je op en blaast

drie krullen van je voorhoofd af. Er komt een kudde
herten, grazend, even naast je staan, terwijl je steun
zoekt bij een stoel waarop je bijna tien seconden zit.

Mijn overburen, wolken, zorgen voor een film die zich
in flarden aan me opdringt, dat wil zeggen: als ik kijk.
Loom drijf je. Nog even en je bent de kade al voorbij.

Nou ja, stiekem. In dit gedicht ligt de invloed van Nijhoff er dikgesmeerd op. Maar dat is niet de enige reden waarom ik dacht wat ik denk. Breukers formuleert zijn zinnen soms, ook op plaatsen waar ik denk dat híj er níet aan denkt, op een manier die wel iets weg heeft van Nijhoff:

BRIEF

De zomer wordt geïmiteerd. Motorboten mompelen.
Nog meer dan twintig dagen en dan bijt ik mij door
wat er overblijft. Ik zwaai naar schippersvrouwen.
Genoeg gezien, tenminste, voor vandaag. Ik schrijf

straks een brief. Die leg ik op de stapel en verstuur
ik niet. Je krullen en je neus. Ik maak een foto van
het beeld dat niemand ziet. Drie kinderen gaan weer
naar school, de eerste bel is net gegaan. Ik kijk

ze na en draai me om. De vuilniswagen komt en stuurt
de geurvlag voor zich uit. Ik kan naar huis. Ik heb te doen.

Behalve dat De moeder de vrouw er een beetje doorheen vaart, doet dit gedicht vooral aan Nijhoff denken in de laatste regel, die qua toon enigszins overeen komt met de laatste regel van De nieuwe sterren. Weet u het nog? ‘Geen haan kraait. Geen hond blaft. De zon blijft uit.’ Dezelfde kortademige zinnetjes, waarin de gang van de taal hortend en stotend tot stilstand komt. Bij Nijhoff zit de kracht in het allerlaatste stukje, waar het onmogelijke mogelijk wordt gemaakt. Breukers gaat niet zó ver, maar ook bij hem zit het venijn in de staart. ‘Ik heb te doen’, kan betekenen dat de ‘ik’ nog veel te doen heeft, of er kan iets gebiedends in zitten, zo van: ‘ik héb het maar te doen’; of, en dat is misschien de meest aparte invalshoek: ‘ik heb (met iemand) te doen’: ik leef met iemand mee.
Interessant in dit gedicht is ook dat sommige regels op tactische plaatsen worden afgebroken en dat de lezer op het verkeerde been wordt gezet (een mooi voorbeeld is de tweede regel: ‘en dan bijt ik mij door’ betekent wat anders dan ‘en dan bijt ik mij door wat er overblijft’). Breukers kent zijn métier. Hij heeft de pech (of het geluk) dat zijn poëzie – net als die van Nijhoff – een grote mate van vormbewustheid uitstraalt. Dit zijn teksten waaruit een zekere hang naar traditie en ik zou haast zeggen burgerlijkheid spreekt.

Oei, oei! hoor ik een lezer denken. Betekent dit nu dat Breukers net zo’n groot dichter is als Nijhoff? Of dat Nijhoff net zo burgerlijk was als Breukers? Niet per se. Want hoewel men met een beetje goede wil Het lied der dwaze bijen kan lezen als een pleidooi voor burgerlijkheid, was Nijhoff met al zijn vormvastheid in zijn tijd niet zo zeer behoudend als wel recalcitrant.

Voor Breukers ligt dat anders. Misschien een pijnlijke constatering, maar het is lastig om je in deze tijd tegen iets af te zetten. De dichtkunst laat inmiddels zoveel stijlen, variaties in zich toe dat haast niemand ergens meer van opkijkt. Zeker de gevestigde orde niet. En het grote publiek heeft wel wat beters te doen dan zich druk te maken over wat alweer een navelstaarder lijkt.

Lijkt, want Breukers is allesbehalve een navelstaarder. Daar toont hij zich veel te aards en te weinig contemplatief voor. Deze bundel, waarin de dichter – volgens de achterflap – terugkijkt op twee liefdes die voorbijgingen verraadt hoogstens een ietwat romantische geest, die zichzelf soms nurks corrigeert en dan zijn toevlucht zoekt tot banaliteiten, of – en dat houdt deze gedichten enigszins in evenwicht – tot beschrijvingen die tegen het nostalgische aanleunen en zonder gelijk ‘dom’ te focussen op de bekende attracties een sfeervol beeld leveren van het leven in Utrecht:

HET VERBODEN RIJK

De buurman tuigt zijn zeilschip op. Ik zeil niet,
lees Het verboden rijk omdat me dat is aangeraden
door een vriend die ook niet zeilen kan. De kade
is vandaag ineens door herfst geslagen. Groen
wordt minder groen en alle jassen zijn van stal.

Twee duiven zitten op de heg, ze kijken van zich af,
daar is de fietsverhuur waar niemand fietsen huurt.

Dienst Stadswerken veegt gras en bladgoed weg.
Kon ik maar even opgeknapt, geschoffeld en met zware
borstels afgeboend. De heren werken zonder zin.
Een roeiboot met drie oude mannen schuift voorbij.

Aardig detail: Nijhoff voltooide zijn meesterwerk Awater in 1934, óók al in Utrecht (maar dat terzijde). Ik vind dit een mooi gedicht. Met meer inhoud dan misschien op het eerste gezicht lijkt. De plaats in de bundel is wat dat betreft informatief: het gedicht staat precies halverwege. Eén van beide liefdes is voorbij. En dat geeft een leeg (herfstig) gevoel. De ik-persoon heeft de wind van de liefde niet langer mee: hij zeilt niet. Een vriend met soortgelijke relatieproblemen (die ‘ook niet zeilen kan’) heeft hem een boek aangeraden. Het verboden rijk. Is dat het rijk van de vrouw? En ja, groen wordt minder groen als je door de wol bent geverfd. Twee duiven zitten op de heg en kijken van zich af: zijn dat twee tortelduifjes die elkaar niet meer aankijken? Het sterkste is misschien ‘de heren werken zonder zin’: het leven van een man is zinloos (zonder vrouw). Zo ongeveer zou ik dit gedicht interpreteren, maar men kan er natuurlijk ook gewoon in lezen wat er staat.
En die laatste opmerking brengt me weer terug bij Nijhoff. Nijhoff, de Mozart van de Nederlandse poëzie – waarom is Breukers dat niet? Een relevante vraag. Want door Nijhoff te knuffelen zet Breukers zichzelf een beetje in diens voetlicht.
Misschien omdat Breukers rancuneus is, zoals uit het gedicht dat volgt op Het verboden rijk blijkt:

HAAT

Ik weet niet waar ik met mijn haat naartoe moet.
De barbecue die op het schoolplein woedt,
een open dag voor ouders van het kind
dat Merel heet, of Jonathan, en de muziek weet
zelfs de buurman die nu klust te overstemmen.

Tegenover wordt een afscheid opgevoerd. Een man,
een vrouw, een zoen, voor vriendschap veel te zwaar.

Verderop wordt bij een beeldhouwwerk aan iets gedacht
door vijf bejaarden en een priester. Dit is een zondag
in een eeuw die zich nog plooien moet. Even later klinkt
uit de vermoeide kelen een gebed. Het mompelt onzegod.
Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht.

Dat God en andere autoriteiten het moeten ontgelden waren we al gewend door eerdere bundels van Breukers. Rancuneuze mensen hebben de neiging de schuld altijd bij een ander te leggen en zichzelf in de slachtofferrol te plaatsen. Natuurlijk komt van zelfreflectie bij een dergelijke toestand weinig terecht. En dat is precies wat ik in deze bundel een beetje mis: Breukers eigen aandeel in het uiteindelijke falen van deze twee liefdes. Toegegeven: dit is in eerste instantie een puur inhoudelijke kwestie, maar staat gebrek aan zelfreflectie het ontwikkelen van een visie op den duur niet in de weg?
Ook architectonisch gezien is er een kritische kanttekening bij deze poëzie te maken: door in zijn bundel twee liefdes te beschrijven schept Breukers als het ware een schilderij waarop de horizon precies in het midden staat. En iedere schilder weet dat je dat niet moet doen. Ik vind er in deze gedichten ook geen overtuigende motivatie voor. Waarom twee als je met één kunt volstaan? Natuurlijk kunnen er in werkelijkheid best twee liefdes geweest zijn, maar dat is volkomen irrelevant voor de bundel als kunstwerk.
Tenslotte: door zichzelf hoogstens als een slachtoffer te zien en met zijn beschrijvingen verder aan de oppervlakte te blijven verbindt Breukers innerlijke en uiterlijke zaken onvoldoende met elkaar. Waar hij een beetje in het autobiografische blijft steken toont zijn grote voorbeeld Nijhoff een visie. Zelfs in zodanige mate dat het autobiografische element er nauwelijks meer toe doet.
Weinigen weten het, maar Nijhoff is nooit naar Bommel geweest om de brug te zien; hij had dat niet nodig: de brug zat in hemzelf.

***

Chrétien Breukers (1965) publiceerde naast andere publicaties de dichtbundels De rand van het domein (1989), Vandaag in deze stad (1991),De stoofsteeg en andere gedichten (1999), Korte geschiedenis van het voorafgaande (2005), Het beeld van Monsieur Jacques (2008),Tongebreek & niemendal (2008), Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt (2009), Het is niet anders (2010) enDe essentiële Chrétien Breukers in 11 gedichten (2013). Hij was mede-samensteller van Gedichten voor mannen en Poëzie voor vrouwen (2015).

Recensie van Archeologie voor beginners - Chrétien Breukers

Wij gaan verder

Chrétien Breukers
Archeologie voor beginners
Uitgever: Liverse
2015
ISBN 9789491034404
€ 14,95
52 blz.

Chrétien Breukers zal als schrijver van de essaybundel Het eerste gedicht, een verzameling kritische analyses van eerste gedichten van moderne poëziebundels, voor zijn eigen nieuwe bundel het eerste gedicht ongetwijfeld zorgvuldig gekozen hebben. Hij begint Archeologie voor beginners met ‘Geen luchtig gedicht; een amuse gueule’. Daarin de regels ‘[…] ik// kan vandaag niet om de zwaarte heen. Ondenkbaar/ dat mijn pen iets anders krast dan zwarte lijnen./ Smaad en hoon, daar ben ik aan gewend. Banneling,/ en van nature. […]’. Het moet wel haast een verwijzing zijn naar de penibele kwesties waarmee hij als uitgever en in persoon onlangs te maken kreeg. Gelukkig hoeft het hier over die perikelen niet te gaan en Breukers zelf doet dat ook niet, al zit er misschien qua letterlijke betekenis in ‘gueule’ (bek, smoel) nog wel een toespeling. Het gedicht eindigt met ‘[…] het is niet fijn om dit,/ om alle verzen die ik schrijf te schrijven. Nee,/ Neem een hap, ze staan ervoor. Ik smeek het u: eet!’
Het blijkt geen straf aan die smeekbede gehoor te geven.

Archeologie voor beginners bevat 38 gedichten, vrijwel allemaal deel uitmakend van een cyclus of een serie. Lang niet alles is een delicatesse, maar Breukers serveert in het algemeen goed verteerbare, smakelijke hapjes. Misschien geen honorering met sterren, maar zeker goed genoeg om graag eens terug te komen.

Nadat hij zich in het eerste gedicht heeft gepositioneerd, volgt een serie van vijf gedichten waarin schepping en evolutie vanaf het oorspronkelijke ‘niets’ nog eens overgedaan worden: de eerste dag, het leven dat uit zee kroop, de komst van de mens met zijn ‘recht op leven’ en ‘plicht tot dood’, het ontstaan van ‘ik’ en nóg een ‘ik’. Het is ambitieus, maar ik heb het idee dat Breukers zich er een beetje aan vertilt, er ligt te veel tegelijk op het bord. Veel beter bevallen me de twee Leveroyse gedichten die volgen en als beschrijving van zijn geboortedorp direct aansluiten bij Breukers’ vorig jaar verschenen roman Een zoon van Limburg. Bij zijn geboortehuis ‘hangt geen bord. Er staat geen borstbeeld voor.’, schrijft hij en hopelijk is dat geheel en al ironisch.

Dan volgen vier gedichten ‘Vanuit mijn wieg’, als ik het goed begrijp mede een Koude Oorlogsbeeld anno 1965, en zes gedichten onder de titel ‘Ename – archeologie voor beginners’. De locatie is een opgravingssite in de Vlaamse gemeente Oudenaarde en een aantal keren wordt de vraag gesteld ‘Wat vond je ondergronds?’ Dat ook zonder spectaculaire vondsten er conclusies zijn te verbinden, verhalen zijn te reconstrueren, past de ik uit deze gedichten toe op het eigen leven. Hij zoekt het onderhuids, raakt daarbij nooit uitgegraven. Het precieze uitsnijden van de grond met een mes staat tegenover wat de ik doet: ‘Mijn handelingen zijn doorzichtig, mijn handen/ ongericht.’ Het zijn gedichten die een verhaal achter de woorden suggereren – een vereenzaamde vakantie, een verloren liefde? -, maar ook niet meer dan dat, het blijft doelbewust vaag. Breukers’ gedichten onttrekken zich wel vaker aan een directe analyse.

Een flink deel van de bundel wordt gevuld met gedichten die voor of naar aanleiding van collega’s geschreven werden: Herman van Veldeke, Pierre Kemp, Hans Berghuis (Breukers was de bezorger van diens verzamelde gedichten), Leo Herberghs, Manuel Kneepkens, Frans Budé, Frans Kuipers, en – helemaal aan het slot van de bundel – Harry ter Balkt, die bedeeld wordt met een fraaie hommage die terecht ook op het achterplat van de bundel staat.

Hierbij horen ook de drie gedichten over de Tsjech Habral, wiens dood een kwestie was van vallen of springen, maar in ieder geval een zweefvlucht naar het einde was. De onzekerheid van het laatste moment wordt precies goed verbeeld. De andere gedichten vallen naar mijn idee onder de categorie vaardig maakwerk, wat ook geldt voor de vier ‘Overpeinzingen van het mannetje’, rustig voortkabbelende gedachten tijdens een zwemuurtje: ”In het zwembad blijft het zaak/ om op te passen voor de diepgang/ die ik in het echte leven ook,/ als het maar even kan, vermijd.’

Het derde van de drie vader-moedergedichten laat zien dat Breukers op zijn best is als hij helder en zonder franje een bepaalde urgentie uitdrukt en daarbij toch iets essentieels onbenoemd laat. De beste gedichten zijn altijd die waarbij de lezer zelf aan het werk moet.

Ouders hebben levenslang

Maar langer nog dan levenslang
hebben hun kinderen. Hoor ze
tieren naar de wolken, zie ze
schrijven met verbeten smoel:
verzen waar het bloed in woelt.
Ouders hebben het gemakkelijk.
Ze gaan dood. Dan is het op.

Wij gaan verder. Zullen onze
wonden likken, wees zijn,
onze afkomst eerst verloochenen
en dan weer machteloos omarmen,
schrijven dat de tijd geen vat
mag hebben; zullen onze kinderen
behoeden voor – voor wat?

Ouders hebben levenslang.

 

Ik maakte al duidelijk dat ik niet alle gedichten in deze bundel even goed vind. Soms is iets te veel een aanzet of te duidelijk een spel, zijn ze als het ware te handig geschreven. De dichter is dan wel aanwezig, maar laat zich toch onvoldoende kennen, ook in zijn schijngestalten, alsof hij een beslissende stap niet wil zetten. Maar met zijn sterkste gedichten toont Chrétien Breukers aan een van onze betere dichters te zijn.

***
Chrétien Breukers (1965) publiceerde eerder de dichtbundels De rand van het domein (1989), Vandaag in deze stad (1991), De stoofsteeg en andere gedichten (1999), Korte geschiedenis van het voorafgaande (2005), Het beeld van Monsieur Jacques (2008), Tongebreek & niemendal (2008), Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt (2009), Het is niet anders (2010) en De essentiële Chrétien Breukers in 11 gedichten (2013). 
Over poëzie schreef hij o.a. in Gedichten schrijven (2008) en Het eerste gedicht (2013). In 2014 verscheen zijn roman Een zoon van Limburg.

Recensie van De essentiële Chrétien Breukers - Chrétien Breukers

Een thuiswedstrijd

Chrétien Breukers
De essentiële Chrétien Breukers
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2013
ISBN 9789490401139
€ 8,95
20 blz.

Ton van ‘t Hof startte met zijn (nog) kleine poëzieuitgeverij Stanza, waarvoor hij eerder bundels uitgaf van o.a. Bart FM Droog, Jan Pollet en hemzelf, de Canonreeks, waarin het de bedoeling is dat een dichter uit zijn oeuvre de gedichten kiest die daar volgens hemzelf het wezen van uitmaken. Als om de dichter te dwingen zich ook echt van de essentie van zijn werk rekenschap te geven, is de opzet van de reeks heel bescheiden: twintig bladzijden, met slechts ruimte voor een elftal gedichten. Maar dan speelt de dichter ook een thuiswedstrijd.

Voor het eerste deeltje mocht Chrétien Breukers, met wie Van ‘t Hof een kleine acht jaar terug De Contrabas oprichtte, een keuze maken. In zijn verantwoording schrijft hij: ‘Mocht iemand ooit een optreden van mij willen bijwonen waarin ik zo dicht mogelijk bij een persoonlijk portret kom, dan moet hij mij deze elf gedichten laten voordragen’. We kunnen er dus zeker van zijn ‘De essentiële Chrétien Breukers’ in handen te hebben.

Daarin valt mij eens te meer op hoezeer Breukers – naast eenzelfde sterke bemoeienis met tal van aspecten van het literaire veld -, ook in zijn poëzie te vergelijken is met Komrij. Ik zie dezelfde gehechtheid aan een vaste vorm, maar met de drang zich daarvan vrij te maken; een bepaalde onrust en de wil om telkens iets nieuws uit te proberen. Verwondering lijkt de drijfveer, vanuit een sterk humanistisch georiënteerde levenshouding. En daarbij is er de vanzelfsprekende combinatie van het lage en gewone – het volkse zelfs – en het bijzondere, schone en verhevene, zodat een gedicht kan gaan over een vleesdraadje van een sukadelapje, maar ook over ‘Inktwaan, zangdrift// en het leven in een leeg heelal.’ En evenals Komrij is Breukers daarbij sterk taalgericht, en schuwt hij een licht absurdisme of de zwarte humor niet.

Een van de sterkste gedichten vind ik ‘Huis’:

Huis

geen deur komt ergens op uit;

dit is een deur met zomaar wat deuren
die je niet mag openen.

Dit huis is groter dan je je herinnert,
je hebt er al gewoond.

In deze kamer tochtte het, de ramen
stonden open. Geur van voorjaar.

Of van najaar. Of een tijd daar tussenin.
Huis met zomaar wat deuren.

Zonder hoofdletter in de eerste regel valt de dichter met de deur in huis. Ook hier moest ik denken aan Komrij, en wel aan zijn bekende uitspraak dat het huis van de poëzie vele kamers kent. Dit huis van Breukers lijkt me er een haast letterlijk te nemen metafoor van. Iedere regel kun je zo van toepassing verklaren. Het is een huis dat even open en gesloten is als ieder goed gedicht, een tijdloos onderdak voor alle tijden.

Als Van ‘t Hof erin slaagt veel bekende dichters in deze nieuwe serie op te nemen, kan de Canonreeks pure promotie voor de poëzie worden. Hopelijk bieden de gevestigde uitgeverijen hun dichters daartoe alle ruimte.