Recensie van Brievelings dievelings lievelings - Jos Stroobants

Klassiek en rijm kunnen best mooi zijn

Jos Stroobants
Brievelings dievelings lievelings
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339522
€ 16,00
47 blz.

De bundel Brievelings dievelings lievelings valt uiteen in drie delen, luiken zoals de dichter ze zelf noemt. Het eerste luik ‘Brievelings’ bevat een soort poëtische brieven naar bekenden en onbekenden, onder andere naar aanleiding van Nieuwjaar of Gedichtendag. In het tweede luik ‘Dievelings’ gaat het over het werk van collega-kunstenaars en tracht Stroobants te ontdekken hoe schilders, beeldhouwers, componisten, zangers of dirigenten omgaan met hun werkelijkheden en wat dat met hemzelf doet. In het laatste luik, ‘Lievelings’, probeert hij dichter te komen bij zijn eigen ‘alledaagse’ mensen, zowel doden als levenden.

Uit het eerste luik nu het volgende gedicht:

Waterliedje

Zoals het water doet en niet weet dat
het water is, maar vloeit, bevloeit, en stoeit
met oeverriet en boorden, grassig en
meanderend, zoals het zonder omzien
verder schuift en leven achterlaat en
leven meevoert, zélf dat leven is –

Zo vloeien wij en groeien wij doorheen de
de dagen en de vragen, weten amper
wie we worden, laten woorden achter
langs de oevers wederzijds, maar zonder
omzien, vruchtbaar soms, soms vruchteloos,
en leven naar een ruimer leven toe.

Twee sextetten zonder eindrijm, maar met volop assonanties en alliteraties. Op zich niets bijzonders, maar wel zoals ze hier staan. Het vers loopt fantastisch en heeft een bijzondere klankrijkdom. Overdaad schaadt luidt het spreekwoord, maar daar is hier beslist geen sprake van. Een mooie afwisseling van de oe-, a- en o-klanken en alliteraties op de w, de v en z zorgen voor een evenwichtige eerste strofe. In de tweede strofe wordt dat mooi doorgezet. Nergens klinkt het, en dat gevaar ligt op de loer, kitcherig. Opvallend is het ritme, waardoor de cadans van het stromende water prachtig wordt weergegeven.
De boodschap is mooi verpakt: zoals water niet weet waar het langskomt en waar het naar toe stroomt zo gaat het leven door. Zoals een rivier breder wordt naarmate hij de zee nadert, zo gaan wij ruimer denken en meer relativeren naarmate we ouder worden.

Uit het derde luik komt het volgende vers:

Leraar

Hij keek naar ons vanuit een onbekende
hoogte, maar keek nimmer op ons neer,
hoe woelig wij ook waren, en hoezeer
in onmin ook met alles, wij zijn jonge bende.

Steeds zei hij iets minder dan hij wist,
maar net iets meer dan wat van hem verwacht werd,
liet toe dat zijn scherpste woord verzacht werd
door een monkellach, zijn liefste list.

Hij was geen man van methodologie,
en geen systeem bleek heilig, maar hij bracht ons
veilig bij wie wij nog moesten worden.

Dit verzacht ook deze eligie:
dat wij vandaag nog dragers zijn van zijn
(de vruchtbaarst mogelijke) ironie.

In dit sonnet weer opvallend mooie alliteraties en assonanties die organisch in de tekst zijn opgenomen. Hier is een vakman, een taalvirtuoos aan de gang, want het rijmt en dat kan het gevaar met zich meebrengen dat er concessies gedaan worden om het rijmend te krijgen, maar daar is hier absoluut geen sprake van. De leraar aan wie dit gedicht, zij het postuum, is opgedragen kan trots zijn. Wat een waardering en liefde spreekt uit dit vers. Een heel mooie gedachte vind ik de passage: ‘hij bracht ons veilig bij wie wij nog moesten worden’.
Als je zo een klassieke vorm kan hanteren, is dat een lust voor de poëzielezer.

Op de bladzijde naast het vorige gedicht staat het volgende:

Later

Dit zijn dan de jaren van later…
maar nooit zijn er mensen genoeg,
nooit wanneer jaren verjaren,
of uitzicht vergaard moet,
of deuren geopend en bomen geplant.

Het dubbelzinnige feest moet bewaard
in de dubbelmonarchie van het wonen:
bevestiging, verzoening, verhoping en paring, …

Opzij staan steeds de getuigen:
niets weten ze beter (verklaring noch inzicht);
ze kijken en luisteren – en blijven nabij.

Zo euforisch als ik was over de vorige gedichten, zo teleurgesteld ben ik in het bovenstaande gedicht. De ingehouden toon en het gebruik van alliteratie en assonantie is weg in dit laatste vers. Vervelende herhalingen en het weglaten van het hulpwerkwoord worden wekken irritatie bij me op. De bedoeling van het gedicht is overduidelijk: allen die ons ontvallen zijn, blijven in onze herinneringen voortleven. Niet echt een revolutionaire vondst.

Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel zegt men, een waarheid waar je niet omheen kunt. Dat geldt jammer genoeg voor deze bundel. Ondanks de prachtige, evenwichtige, klankrijke verzen, laat je het eindoordeel toch beïnvloeden door de zwakke. Het had zo mooi kunnen zijn: laat de zwakke gedichten weg en de bundel is prachtig. Jammer, maar we moeten het doen met deze uitgave en misschien moeten we de bladzijden met zwakke passages maar snel omslaan om meer te genieten van het moois dat er toch in staat.

***
Jos Stroobants (1948) publiceerde twaalf dichtbundels, o.a. Staties (2015), Voor een dag als deze (2011) en Tegen de tijd (1994). Naast dichter is hij actief als toneelmaker, musicus en componist.

Recensie van Opsnuiven - Emma Crebolder

Een snuffelstage

Emma Crebolder
Opsnuiven
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2018
ISBN 9789046823453
€ 19,99
59 blz.

Piet Vroon, ooit hoogleraar in de psychologie, schreef over de invloed van geur op het menselijk handelen. Ons gedrag werd volgens hem op grond van wetenschappelijk onderzoek onbewust bepaald door geuren die we niet eens ruiken. Bij het lezen van de bundel Opsnuiven, moest ik denken aan de hooggeleerde, want alle verzen gaan over geur en roepen bij de lezer geursensaties op in allerlei gradaties. Gedichten met observaties, maar bovenal met geurervaringen in alle mogelijke perioden in het leven en plaatsen.

De uitgave ziet er bijzonder fraai uit met op de omslag twee merkwaardige voorwerpen die hoornen snuifflesjes blijken te zijn. Op alle oneven pagina’s staan de gedichten. De even pagina’s zijn steeds grijs met een kronkelende stippellijn. Naarmate de lezer vordert in de bundel wordt dat steeds meer lijnenspel. Midden in de bundel is de bladzij flink belijnd en naar het einde toen wordt dat steeds minder om te eindigen zoals het de bundel begon. Voor mijn gevoel staat die stippellijn symbool voor geur. In het dagelijks leven neem je een geur vaak eerst vaag waar en wordt die steeds sterker en later zwakt dat af of merk je het niet eens meer. Zoals je de geur van je eigen huis niet meer ruikt, behalve als je terugkomt van vakantie.

Op de rechterbladzijden staan vijfentwintig tienregelige gedichten. Crebolder lijkt een voorkeur voor het getal tien te hebben, want in een andere bundel trof ik hetzelfde aantal regels aan. Eindrijm ontbreekt consequent. Wel wordt veelvuldig gebruik gemaakt van alliteratie en assonantie, zij het niet overmatig:  ‘(…. ) Zijn uitwerpsel rook / naar ingedikt gras, was nog nat. / Een pad. Hij zocht het waterspoor / als eens de salamanders. /’; ‘Eerst door de vallei van rode / aarde waar de ezels maïsstoppels / vermalen. Daar (…)’. Datzelfde zie je in het volgende gedicht:

Van binnen en van buiten werd
de ark met aardpek bestreken.
Nog borrelden gassen toen
wij in biezen dreven. De reuk
was er van voortijd, van vloeiend
en brandbaar ontginnen.

Later stond op het erf
een kuip met pikzwart pek.
Het hout van de schuur moest
geteerd, op drijven voorbereid.

In dit vers twee strofes; de witregel markeert een overgang in tijd. In de eerste strofe verwijzingen naar Genesis, Noach die zijn ark bouwt en om waterdichtheid te garanderen de naden tussen de huidplanken insmeert met pek en Mozes die in de Nijl ronddobbert in een biezenmandje dat op dezelfde wijze het water buiten houdt.
Om hout te conserveren werd vroeger meestal teer, ook wel pek genoemd, gebruikt. De dichteres verbindt de verhalen uit de Bijbel met waarneming van de vertrouwde geur van de schuur uit haar jeugd. Het is wel humoristisch, want de schuur hoeft natuurlijk niet te drijven, maar moet wel bestand zijn tegen de tand des tijds. Jammer dat in de laatste regel ‘worden’ ontbreekt.

Ruiken is vooraf aan geluid
en witte schemer diep in
onze hersenstam gedreven.
Soms ontwaken de geuren
van meconium en biest die
de boreling omvingen. Odeur
ontwaren van darmpek en
moedervocht is woordeloze
taal ontginnen die
uitweg zoekt in poëzie.

Ditmaal geen verdeling, maar tien aaneengesloten regels. Een verwijzing naar de hersenstam waar het geurgeheugen zich bevindt. De geur van meconium, de eerste ontlasting van een baby, ook wel aardpek genoemd en biest, de eerste moedermelk. De herinneringen moet de dichteres onder woorden brengen. Hier zit de moeilijkheid, want geuren laten zich moeilijk in woorden vangen. Voor waarnemingen van andere zintuigen zijn volop woorden, maar bij geuren ontbreken ze. Een schone taak voor een dichter, want hij zal de grenzen van de taal moeten opzoeken en het onmogelijke onder woorden brengen.

Opsnuiven is een evenwichtig opgebouwde bundel met toegankelijke poëzie die oude tijden laat herleven. Eigenlijk komen alle romantische motieven voor: het verleden, verre vreemde oorden, de natuur, nostalgie. Ik betrapte me erop dat ik me meer bewust geworden ben van de geuren om me heen, een sensatie die ik toch een beetje verwaarloosde. Een compliment voor de dichteres als je door woorden iemand aan het ruiken kan krijgen.

***
Emma Crebolder (1942) publiceerde in literaire tijdschriften als De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Van Hollands Maandblad is zij sinds 1994 vaste medewerker. Eerder verschenen onder andere de bundels: Zwerftaal (1995), Toegift (2006), Vergeten (2010), Vallen (2012) en Verzoenen (2014).

Recensie van Atomenplukker - Sven de Swerts

Een betrouwbare dichter

Sven de Swerts
Atomenplukker
Uitgever: Uitgeverij Bunker
2018
ISBN 9789082813319
€ 15,00
40 blz.

Toen ik de bundel Atomenplukker voor de eerste keer opensloeg en de eerste verzen las, werd ik overdonderd door onbegrip. Ik probeerde de gedichten te doorgronden, maar slaagde daar absoluut niet in en kreeg de indruk te maken te hebben met een soort bezweringsformules. Ik kan me voorstellen dat deze indruk nog versterkt wordt, wanneer de dichter de strofes voorleest. De Swerts blijkt dat regelmatig te doen. Hij treedt namelijk op als slamdichter. Uiteraard nam ik geen genoegen met ondoorgrondelijkheid en na intensief lezen, ontdekte ik toch heel wat meer.

Het begint al bij de eerste bladzijde: ‘Vertrouw geen dichters’. Toch wel een opmerkelijke opening, op voorhand moeten we de dichter wantrouwen en als lezer denk je dan: dat maak ik zelf wel uit en je bent geneigd het tegendeel te doen en de hem uiterst serieus te nemen. De waarschuwing gaat echter verder: ‘Ze willen je brein hun mening opspelden / Een verzameling zichzelf aanpast / zodat het persoonlijk wordt /. Het lijkt de bedoeling van de auteur dat we ons eigen beeld vormen en ons niet al te veel moeten laten leiden door dichters. De Swerts doet het onmogelijke als we de titel moeten geloven: atomen plukken.

De bundel is verdeeld in twee afdelingen. De eerste heet ‘Atomenplukker’ en de tweede ‘Export/Uitschot/ Postorderbruid’. Drie gedichten trof ik aan in Meander van 18 september 2016: ‘Vertrouw geen dichters’, ‘Verzamelwoede’ en ‘Letterstof’. Kennelijk heeft de dichter ze alvorens ze in de bundel op te nemen nog eens onder de loep genomen en wat wijzigingen aangebracht. Een variantenonderzoek starten is erg verleidelijk, maar dat voert wat ver in het kader van een recensie. Misschien voer voor een literatuurwetenschapper?
Verder valt op dat twaalf gedichten zijn geschreven in samenwerking met andere dichters.

Hypernova

Er gloeit vuur uit de kosmos
het verbrandt het weefsel van ons af
stoot de ruis uit de ruimte

Wij een pad banen uit verziekt positivisme

Als ze stranden gedijt
verdrinken ijslagen in warmte

hervallen we in porseleinen eicellen met goedgevulde magen
er zinken boten uit gewoonte, het kleurt onze hoofden in de ozon

en onze lichamen worden verhalen gedragen op schapen
als we moe en voldaan als vuurtorens de ruimte klieren

‘Een hypernova is de zwaarst bekende explosie in het heelal, afgezien van de oerknal. Een hypernova wordt veroorzaakt door het ineenstorten van een zeer zware ster tot een zwaar zwart gat. De massa van de kern van de ineenstortende ster is meer dan 25 keer die van de zon.’ Bron Wikipedia. De titel van het bovenstaande gedicht lijkt wat overdreven, want ik denk dat de zon bedoeld wordt die op een warme dag onze huid laat verbranden. De Swerts zegt: ‘het verbrandt het weefsel van ons af’. Deze combinatie met verbranden kennen wij niet. We kennen wel de werkwoorden: branden, afbranden en verbranden. Iets verbrandt van ons af is een grammaticale noviteit. Dan ‘ruis uit de ruimte’. Ruis vat ik op als straling, zonnestraling.
De volgende zin is helemaal cryptisch: ‘Wij een pad banen uit verziekt positivisme’. Normale volgorde zou zijn: wij banen een pad …. Ik denk dat hij bedoelt: wij zoeken een weg (door het leven) op grond van datgene wat we kennen en waarnemen zonder het bovenzinnelijke, waarin we wat doorgeslagen zijn.
‘Als ze [stralen uit de kosmos?] stranden gedijt’, is weer een voorbeeld van creatief gebruik van een werkwoord. We kennen gedijen als een onovergankelijk werkwoord en de dichter gebruikt het hier overgankelijk. De zonnestralen brengen voorspoed op stranden, waardoor ijslagen smelten. Verdrinken in warmte is een mooie metafoor voor smelten. Figuurlijk zouden we dit kunnen opvatten als het ontstaan van de specifieke strandsfeer, niet alleen de meeste kleding valt af, maar ook rangen en standen verdwijnen aan het strand, omdat iedereen zijn sociale kenmerken heeft afgelegd.
Dan trekken de mensen zich terug in zichzelf, goed gevoed en nemen alles zoals het komt, de zon geeft het lichaam kleur. Aan het eind van een stranddag met schapen in de duinen en de vuurtoren die zijn licht rondstrooit, bruingebrand en voldaan.
Ik kan me voorstellen dat er andere interpretaties zijn. Zorg over het milieu met smeltende ijskappen en een stijgende zeespiegel zou ook een verklaring kunnen zijn. Misschien moet je niet interpreteren en gewoon genieten van de klanken die tot je komen.

Wintervacuüm.

Geschreven in samenwerking met Elbert Gonggrijp

Later word ik boom
Trek u uit de grond
Laat ophopingen in u dalen

Er is geen ruis
Dit is hoe reuzen fluisteren
Uw takken arm worden

Wolken ons verteren
Wilde beesten een bestaan
Uitstampen

Er is geen kleur enkel
Zand dat reflecteert
Een lichaam wordt

Alles ontluikt behalve ik

Allereerst de titel, waarachter een punt staat. Op school hebben we geleerd dat achter een titel nooit punt mag staan. Dat een dichter zich daar niet aan houdt, is niet bijzonder. Des te opvallender is het dat bij alle andere titels de punt ontbreekt, daar moet een reden voor zijn.

De dichter waardeert de rust die uitgaat van een boom in de winter. Alles is van de boom afgevallen, geen geritsel meer van bladeren, kale takken waar tussendoor licht kan schijnen en kleur ontbreekt. Aan het eind van de winter ontluikt het nieuwe leven, behalve bij de bomen die veel later beginnen met uitlopen. Hij ziet de winter als een vacuüm, een luchtledig, een rustpunt, zo moeten we, denk ik, die punt zien.

Een bijzondere bundel met opvallende neologismen: pennenverslindend, polsendeclarerend, verpoppenkastiseren. Een mooie synesthesie wil ik u niet onthouden: ‘Leegte is een mooi geluid’. Zoals al eerder opgemerkt valt in veel verzen een creatief gebruik van de grammatica op. Verwacht geen mooie, afgeronde verhaaltjes en gedachten van De Swerts. Hij nodigt ons uit zijn poëzie ongepolijst tot ons te nemen in al zijn rauwheid. Volgens eigen zeggen houdt hij niet van mooie praatjes en geeft daarmee de lezer veel, misschien te veel vrijheid. Al met al een uitdagende bundel.

***
Sven de Swerts (1987) publiceerde eerder de bundel Reiziger (2016), is cameraman en editor voor Svenergy en organisator Theatrale Spoken Word. Hij treedt regelmatig op als slamdichter.

Recensie van De maagden moeten bloeden - Katelijne Brouwer

Ook een koelkast sterft

Katelijne Brouwer
De maagden moeten bloeden
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360272
€ 15,90
64 blz.

Misschien een rare plaats om deze bekentenis te vermelden, maar ik houd niet van dierentuinen. Ze maken me altijd somber door al die slapende, geeuwende en zich vervelende dieren in veel te kleine hokken. Daar komt nog bij dat het er vaak stinkt. Dit terwijl ik me in de natuur prima thuis voel en de dieren helemaal niet ruik. In de bundel De maagden moeten bloeden van Katelijne Brouwer gaat het in de eerste afdeling ‘In Artis ruikt het net als thuis’ over belevenissen in het bekende dierenparadijs. Ik mag hopen dat deze titel een metafoor is voor het thuisgevoel dat Artis oproept!

Zoals de meeste dieren in een dierentuin liggen te slapen of te luieren, zo werken op mij de gedichten over Artis. Er zijn aardige observaties bij, maar het beeld verandert niet echt door verzen die gaan over een olifant die bij aaien aanvoelt als een lolaborstel of over een zootje vlooiende apen. Poëzie moet mij verrassen, raken of uitdagen. Dat mis ik in deze bundel. Het dieptepunt is ‘Artis kattenbak’ waarin het gaat over het gezamenlijk toiletbezoek van dichteres en kat.

De bundel bestaat uit drie afdelingen, de eerste noemde ik al. De verdeling in afdelingen echter ontgaat me een beetje. Je zou verwachten dat er wat thematische verschillen zouden zijn, maar net als in de eerste afdeling bevatten de andere afdelingen ‘Liefde is nooit een probleem’ en ‘De sirenes jankten’ dezelfde thema’s. Weer een flinke portie Artis en verder gedichten over de cyclus van een vrouwenleven. Misschien is voor deze mengvorm gekozen om te voorkomen dat het bij een thematische indeling een wat statisch geheel zou worden. De verzen over de cyclus van het menselijk leven met alles wat daarbij hoort, zijn universeler en soms goed uitgewerkt.

Koelkast

Er groeit blauwe schimmel op de ham
het broodbeleg heeft groene randjes,
vergeten restjes, koelkastluchtjes.

Achter in mij maakt een pan gekookte
aardappelen zijn eigen antibiotica en
in de groentela sterven blaadjes sla.

Wie ben ik als ik niet meer koelen kan
als mijn lichtje nooit dooft? Nog wat
geflakker en een plasje op de gang.

Als mijn deur niet langer sluit en ik
blijf kieren, mijn rubber verdroogt
en verhardt, dan wacht de sloop.

Vergankelijkheid is doorgaans van toepassing op levende wezens. Het aardige in dit gedicht is dat het gaat over een apparaat met natuurlijk een knipoog naar onze eigen houdbaarheid. Het vers loopt soepel door de assonanties. Origineel uitgangspunt, al zal dit ook wat geursensaties oproepen. Het beeld echter gekoppeld aan de menselijke vergankelijkheid geeft het vers iets universeels.

De winterschilder

De winterschilder kwam en hij nam zijn kleurenwaaier mee.
De zee nam hij mee en het bos, de stad en
de wolkenlucht, de dageraad en de schemering.

Die nam hij allemaal voor me mee. Hij kwam als
een gewone man in een broek, een overhemd en een trui.
Maar hij haalde de wereld uit zijn zak toen hij zijn waaier openvouwde.
Van het diepste blauw tot het lichtste wit met een zweempje roze.

Kleuren geven richting, zei hij. Waaraan, vroeg ik.
Aan het leven, zei hij. Dat is niet gering, zei ik, het leven.
Nee, zei hij, gering is het niet.

Het geeft een gesprek weer tussen auteur en schilder die waarschijnlijk een offerte gaat opmaken om het huis een likje verf te geven. Zijn kleurenwaaier brengt een zekere fascinatie teweeg door de enorme hoeveelheid kleuren, die voor de dichteres de wereld vertegenwoordigen. In de laatste strofe lijkt wel sprake van een readymade, versterkt doordat de dialoog cursief gedrukt staat. Dit gedeelte tilt het vers naar een ander niveau en suggereert diepgang: kleuren die je leven bepalen. Dit is denk ik wel na te voelen. Kleuren kunnen een sfeer versterken. Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de invloed van kleuren op de stemming van mensen. We spreken niet voor niets over vrolijke en sombere kleuren.

Rode November

Bij tramhalte Ruysdaelkade kijk ik
altijd omhoog of er licht brandt
in het huis waar ik kind was.

Twee keer oversteken en dan naar links
waar tegen de gevel de wingerd groeit
die rood kleurt in november.

Ik kijk. Jij zwaait als ik naar ballet ga
of patat haal met kroketten
omdat je niet wil koken.

Als ik er niet meer ben, wie kijkt er dan
en weet nog van snackbar en
dansende wingerd?

Uit dit gedicht spreekt heimwee naar vroeger, naar de moeder die ze mist, zoals blijkt uit andere gedichten in de bundel. Het heimwee wordt opgeroepen doordat de schrijfster langs haar ouderlijk huis komt. Ze realiseert zich dat wanneer zij er niet meer is, dat dan eigenlijk ook het ouderlijk huis er niet meer is en dat daarmee haar moeder in de vergetelheid raakt. Een mooie gedachte: wie houdt de herinnering in stand als je er niet meer bent?

De maagden moeten bloeden is het debuut van Katelijne Brouwer. De bundel is niet in alle opzichten geslaagd. Met name de gedichten over Artis en bewoners missen wat mij betreft diepgang en de platvloerse taal stoort mij. Toch staan er gedichten in met universele waarden en gedachten die mij aan het denken zetten. Met name de verzen over de thema’s moeder, moederschap, borsten en borstkanker weten me te raken. De liefde voor de moeder, het eigen moederschap en borsten die aan de ene kant leven geven in de vorm van babyvoeding en aan de andere een tikkende tijdbom kunnen zijn, omdat kanker op de loer ligt.
Kortom, een veelbelovend debuut met zwakke kanten, maar ook zeker sterke. Ik ben benieuwd wat een volgende bundel oplevert.

***
Katelijne Brouwer (1966) publiceerde eerder korte verhalen en gedichten in onder andere De Optimist en Op Ruwe Planken. Haar gedicht ‘De bange man’ staat in de bloemlezing Een toon die in de stilte zoemt, de 100 beste gedichten uit de Turing gedichtenwedstrijd 2015. Online is ze te vinden op De Optimist, De Vallei en Pretpark Poëzie.

Recensie van Zuurstofconfetti - Elma van Haren

Genieten van het heden

Elma van Haren
Zuurstofconfetti
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360098
€ 17,90
94 blz.

Eindelijk na bijna tien jaar weer een bundel van Elma van Haren. Voor de liefhebbers van haar werk goed nieuws. Al heeft de schrijfster niet stilgezeten, want een prozadebuut en een eerste roman zijn verschenen. De lezers van Van Haren zijn het gewend: ze maakt het de lezers niet gemakkelijk met haar sterk associatieve poëzie. De bundel Zuurstofconfetti bevat vrij lange gedichten, de meeste zijn langer dan een bladzijde, vaak drie bladzijden. Het werk valt uiteen in drie afdelingen: ‘Bloemistengrond’, ‘Hoefschrapend hart’ en ‘Zuurstofconfetti’. De afdelingen worden voorafgegaan door het volgende gedicht:

Nu

Het heden is een mispelachtig soort,
        grensgeval tussen fruit en groente.
Iets met een grote pit erin,
wat flauws en vlezigs, dat om zout
en peper vraagt, een beetje mayonaise.
Het lispelt overspeligheid en beter
        daar confituur van maken
        dan vers te consumeren,
want het vult de mond vervolgens
        met zijn zilte vergankelijkheid.
Het heden dat geslepen
een voortdurend
zachtblauw gebutste
        afdruk van het zelf gebiedt,
               zodat je vanzelf gaat staan wuiven
               met de felgekleurde wimpel
                                       van het ‘ik’.

Dit gedicht geeft een mooi beeld van wat komen gaat. Typografische eigenaardigheden komen in de hele bundel voor. Woorden worden op een eigenaardige manier met elkaar in verband gebracht. Het heden, een tijdsaanduiding, wordt vergeleken met overrijp fruit of groente. Dat is wel een mooi beeld, want het heden is voorbij voor je er erg in hebt, zoals fruit het ene moment rijp is en het volgende niet meer te eten is. Ze zet dat beeld voort en zegt dat je zelf iets moet maken van het heden, zoals je eten klaarmaakt en het dan opeet. Genieten van het heden en van tevoren weten dat het afscheid nadert, omdat het van voorbijgaande aard is. Leven in het moment en zelf iets van het leven maken.

De titel Zuurstofconfetti komt een keer in de bundel voor en gek genoeg niet in de afdeling ‘Zuurstofconfetti’, maar in ‘Hoefschrapend hart’. Eigenlijk wel grappig, want de woorden hoefschrapend hart kom ik nergens meer tegen al zou je verwachten …., maar niet dus. Zuurstofconfetti heb ik nog even opgezocht in Van Dale, maar zoals ik al vermoedde: het staat er niet in. Dat geldt voor veel woorden. Van Haren heeft een voorkeur voor neologismen, wat ik wel prettig vind. Je zou de taak van een dichter kunnen opvatten als het tot leven wekken van taal en nieuwe woorden maken daar deel van uit. Een paar voorbeelden: eierkoekgeel, kentekenplaatkleur, (soms) merelt (het daarboven), pijpenstelenstrelende (regen), wegbollende (armada), spektakelbrakende (wereld). Sommige woorden heeft ze duidelijk gekozen omdat ze goed klinken.

Het moet natuurlijk begrijpelijk blijven, al mag een lezer best uitgedaagd worden, maar daar zorgt de dichter wel voor:

Heet is het. Heet en stil.
De ventilator zwiept lucht rond,
zuurstofconfetti. De voorwerpen
                        verroeren zich niet
koel als ze zijn,
                        grillig gevormd of glad als marmer
                        elk ding onaangedaan steen,
geglazuurd ketsen ze glans
                        op je beschaduwde wangen.

Dit is de eerste strofe van het gedicht ‘Schrikwekkend wezen’ en je voelt hoe koele luchtdeeltjes als confetti op je neerkomen, terwijl de omgeving roerloos is. Op deze manier roept ze beelden op en ze gaat er al associërend mee aan de gang. Dat heeft ook wel een gevaar in zich, want als lezer moet je het wel kunnen volgen. Je moet mee kunnen in de stroom associaties. Lukt dat niet dan wordt het orakeltaal en kun je hooguit genieten van het muzikale aspect van het taalbouwsel. Iets dergelijks geldt ook voor de parodie die alleen leuk is als je weet wat er geparodieerd wordt. Als je het niet weet, kan het interessant zijn, maar je mist toch een dimensie. Van Haren weet het wel begrijpelijk te houden al blijft er nog veel te raden over zoals in de eerste strofe van ‘Koude kleren’

De nieuwe wereld is verschenen aan de rafelranden van de oude.
We herkennen flarden van een toekomst.

Het eerste zorgwekkende: doeltreffendheidstekort.
Zwarte gaten tussen handel en wandel.
Orde is een vereiste. ‘Excell’ het prototype van lineair denken.
Alle problemen komen genadeloos bloot aan het licht.
        Neem bijvoorbeeld de panda!
        Te lui om te jagen > van omnivoor bamboe-eter geworden.
        Ligt lollig takken te knabbelen en weigert de weg terug.
        Daar is geen ruimte meer voor heden ten dage.
        Geen bamboe geen panda.
                                            Zo is het nu eenmaal.

Ik vermoed dat Excel bedoeld wordt, maar dat schrijf je met één l, dat programma is lineair van opzet en zorgt voor een prachtige orde. Waarom ze het met twee l’s neerzet, is me een raadsel. Of neemt ze ons in de maling?

Ook humor ontbreekt niet:

Zorgeloos zeilt een stoet hybriden voorbij.
        Lijgers en teeuwen,
        hazellen en gerten,
dzo’s en zezels.
Zelfs een savannah in levenden lijve

Zuurstofconfetti is geen bundel voor luie lezers. Als je wilt begrijpen wat de dichter bedoelt, dan betekent het soms dat je flink moet werken, vaak moet herlezen en soms dring je dan nog niet tot de betekenis door. Daarbij komt dat het over het algemeen nogal lange gedichten zijn, wat ook complicerend werkt. Ik denk wel dat een avontuurlijke lezer de uitdaging kan oppakken en al het moois zal weten te ontdekken.

***
Elma van Haren (1954) is naast dichter beeldend kunstenaar. In 2017 verscheen haar prozadebuut Mevrouw OVO. Verder publiceerde ze o.a.: De reis naar het welkom geheten (1988), De wankel (1989), Het schuinvallend oog (1991), Al in het koren verloren (toneel, 1995), Grondstewardess (1996), De wiedeweerga (poëzie voor kinderen, 1998), Eskimoteren (2000), Verten van papier (2000), Het Krakkemik (poëzie voor kinderen, 2003), Zacht gat in broekzak (2006) en Flitsleemte (2009).