Recensie van De maagden moeten bloeden - Katelijne Brouwer

Ook een koelkast sterft

Katelijne Brouwer
De maagden moeten bloeden
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360272
€ 15,90
64 blz.

Misschien een rare plaats om deze bekentenis te vermelden, maar ik houd niet van dierentuinen. Ze maken me altijd somber door al die slapende, geeuwende en zich vervelende dieren in veel te kleine hokken. Daar komt nog bij dat het er vaak stinkt. Dit terwijl ik me in de natuur prima thuis voel en de dieren helemaal niet ruik. In de bundel De maagden moeten bloeden van Katelijne Brouwer gaat het in de eerste afdeling ‘In Artis ruikt het net als thuis’ over belevenissen in het bekende dierenparadijs. Ik mag hopen dat deze titel een metafoor is voor het thuisgevoel dat Artis oproept!

Zoals de meeste dieren in een dierentuin liggen te slapen of te luieren, zo werken op mij de gedichten over Artis. Er zijn aardige observaties bij, maar het beeld verandert niet echt door verzen die gaan over een olifant die bij aaien aanvoelt als een lolaborstel of over een zootje vlooiende apen. Poëzie moet mij verrassen, raken of uitdagen. Dat mis ik in deze bundel. Het dieptepunt is ‘Artis kattenbak’ waarin het gaat over het gezamenlijk toiletbezoek van dichteres en kat.

De bundel bestaat uit drie afdelingen, de eerste noemde ik al. De verdeling in afdelingen echter ontgaat me een beetje. Je zou verwachten dat er wat thematische verschillen zouden zijn, maar net als in de eerste afdeling bevatten de andere afdelingen ‘Liefde is nooit een probleem’ en ‘De sirenes jankten’ dezelfde thema’s. Weer een flinke portie Artis en verder gedichten over de cyclus van een vrouwenleven. Misschien is voor deze mengvorm gekozen om te voorkomen dat het bij een thematische indeling een wat statisch geheel zou worden. De verzen over de cyclus van het menselijk leven met alles wat daarbij hoort, zijn universeler en soms goed uitgewerkt.

Koelkast

Er groeit blauwe schimmel op de ham
het broodbeleg heeft groene randjes,
vergeten restjes, koelkastluchtjes.

Achter in mij maakt een pan gekookte
aardappelen zijn eigen antibiotica en
in de groentela sterven blaadjes sla.

Wie ben ik als ik niet meer koelen kan
als mijn lichtje nooit dooft? Nog wat
geflakker en een plasje op de gang.

Als mijn deur niet langer sluit en ik
blijf kieren, mijn rubber verdroogt
en verhardt, dan wacht de sloop.

Vergankelijkheid is doorgaans van toepassing op levende wezens. Het aardige in dit gedicht is dat het gaat over een apparaat met natuurlijk een knipoog naar onze eigen houdbaarheid. Het vers loopt soepel door de assonanties. Origineel uitgangspunt, al zal dit ook wat geursensaties oproepen. Het beeld echter gekoppeld aan de menselijke vergankelijkheid geeft het vers iets universeels.

De winterschilder

De winterschilder kwam en hij nam zijn kleurenwaaier mee.
De zee nam hij mee en het bos, de stad en
de wolkenlucht, de dageraad en de schemering.

Die nam hij allemaal voor me mee. Hij kwam als
een gewone man in een broek, een overhemd en een trui.
Maar hij haalde de wereld uit zijn zak toen hij zijn waaier openvouwde.
Van het diepste blauw tot het lichtste wit met een zweempje roze.

Kleuren geven richting, zei hij. Waaraan, vroeg ik.
Aan het leven, zei hij. Dat is niet gering, zei ik, het leven.
Nee, zei hij, gering is het niet.

Het geeft een gesprek weer tussen auteur en schilder die waarschijnlijk een offerte gaat opmaken om het huis een likje verf te geven. Zijn kleurenwaaier brengt een zekere fascinatie teweeg door de enorme hoeveelheid kleuren, die voor de dichteres de wereld vertegenwoordigen. In de laatste strofe lijkt wel sprake van een readymade, versterkt doordat de dialoog cursief gedrukt staat. Dit gedeelte tilt het vers naar een ander niveau en suggereert diepgang: kleuren die je leven bepalen. Dit is denk ik wel na te voelen. Kleuren kunnen een sfeer versterken. Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de invloed van kleuren op de stemming van mensen. We spreken niet voor niets over vrolijke en sombere kleuren.

Rode November

Bij tramhalte Ruysdaelkade kijk ik
altijd omhoog of er licht brandt
in het huis waar ik kind was.

Twee keer oversteken en dan naar links
waar tegen de gevel de wingerd groeit
die rood kleurt in november.

Ik kijk. Jij zwaait als ik naar ballet ga
of patat haal met kroketten
omdat je niet wil koken.

Als ik er niet meer ben, wie kijkt er dan
en weet nog van snackbar en
dansende wingerd?

Uit dit gedicht spreekt heimwee naar vroeger, naar de moeder die ze mist, zoals blijkt uit andere gedichten in de bundel. Het heimwee wordt opgeroepen doordat de schrijfster langs haar ouderlijk huis komt. Ze realiseert zich dat wanneer zij er niet meer is, dat dan eigenlijk ook het ouderlijk huis er niet meer is en dat daarmee haar moeder in de vergetelheid raakt. Een mooie gedachte: wie houdt de herinnering in stand als je er niet meer bent?

De maagden moeten bloeden is het debuut van Katelijne Brouwer. De bundel is niet in alle opzichten geslaagd. Met name de gedichten over Artis en bewoners missen wat mij betreft diepgang en de platvloerse taal stoort mij. Toch staan er gedichten in met universele waarden en gedachten die mij aan het denken zetten. Met name de verzen over de thema’s moeder, moederschap, borsten en borstkanker weten me te raken. De liefde voor de moeder, het eigen moederschap en borsten die aan de ene kant leven geven in de vorm van babyvoeding en aan de andere een tikkende tijdbom kunnen zijn, omdat kanker op de loer ligt.
Kortom, een veelbelovend debuut met zwakke kanten, maar ook zeker sterke. Ik ben benieuwd wat een volgende bundel oplevert.

***
Katelijne Brouwer (1966) publiceerde eerder korte verhalen en gedichten in onder andere De Optimist en Op Ruwe Planken. Haar gedicht ‘De bange man’ staat in de bloemlezing Een toon die in de stilte zoemt, de 100 beste gedichten uit de Turing gedichtenwedstrijd 2015. Online is ze te vinden op De Optimist, De Vallei en Pretpark Poëzie.

Recensie van Zuurstofconfetti - Elma van Haren

Genieten van het heden

Elma van Haren
Zuurstofconfetti
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360098
€ 17,90
94 blz.

Eindelijk na bijna tien jaar weer een bundel van Elma van Haren. Voor de liefhebbers van haar werk goed nieuws. Al heeft de schrijfster niet stilgezeten, want een prozadebuut en een eerste roman zijn verschenen. De lezers van Van Haren zijn het gewend: ze maakt het de lezers niet gemakkelijk met haar sterk associatieve poëzie. De bundel Zuurstofconfetti bevat vrij lange gedichten, de meeste zijn langer dan een bladzijde, vaak drie bladzijden. Het werk valt uiteen in drie afdelingen: ‘Bloemistengrond’, ‘Hoefschrapend hart’ en ‘Zuurstofconfetti’. De afdelingen worden voorafgegaan door het volgende gedicht:

Nu

Het heden is een mispelachtig soort,
        grensgeval tussen fruit en groente.
Iets met een grote pit erin,
wat flauws en vlezigs, dat om zout
en peper vraagt, een beetje mayonaise.
Het lispelt overspeligheid en beter
        daar confituur van maken
        dan vers te consumeren,
want het vult de mond vervolgens
        met zijn zilte vergankelijkheid.
Het heden dat geslepen
een voortdurend
zachtblauw gebutste
        afdruk van het zelf gebiedt,
               zodat je vanzelf gaat staan wuiven
               met de felgekleurde wimpel
                                       van het ‘ik’.

Dit gedicht geeft een mooi beeld van wat komen gaat. Typografische eigenaardigheden komen in de hele bundel voor. Woorden worden op een eigenaardige manier met elkaar in verband gebracht. Het heden, een tijdsaanduiding, wordt vergeleken met overrijp fruit of groente. Dat is wel een mooi beeld, want het heden is voorbij voor je er erg in hebt, zoals fruit het ene moment rijp is en het volgende niet meer te eten is. Ze zet dat beeld voort en zegt dat je zelf iets moet maken van het heden, zoals je eten klaarmaakt en het dan opeet. Genieten van het heden en van tevoren weten dat het afscheid nadert, omdat het van voorbijgaande aard is. Leven in het moment en zelf iets van het leven maken.

De titel Zuurstofconfetti komt een keer in de bundel voor en gek genoeg niet in de afdeling ‘Zuurstofconfetti’, maar in ‘Hoefschrapend hart’. Eigenlijk wel grappig, want de woorden hoefschrapend hart kom ik nergens meer tegen al zou je verwachten …., maar niet dus. Zuurstofconfetti heb ik nog even opgezocht in Van Dale, maar zoals ik al vermoedde: het staat er niet in. Dat geldt voor veel woorden. Van Haren heeft een voorkeur voor neologismen, wat ik wel prettig vind. Je zou de taak van een dichter kunnen opvatten als het tot leven wekken van taal en nieuwe woorden maken daar deel van uit. Een paar voorbeelden: eierkoekgeel, kentekenplaatkleur, (soms) merelt (het daarboven), pijpenstelenstrelende (regen), wegbollende (armada), spektakelbrakende (wereld). Sommige woorden heeft ze duidelijk gekozen omdat ze goed klinken.

Het moet natuurlijk begrijpelijk blijven, al mag een lezer best uitgedaagd worden, maar daar zorgt de dichter wel voor:

Heet is het. Heet en stil.
De ventilator zwiept lucht rond,
zuurstofconfetti. De voorwerpen
                        verroeren zich niet
koel als ze zijn,
                        grillig gevormd of glad als marmer
                        elk ding onaangedaan steen,
geglazuurd ketsen ze glans
                        op je beschaduwde wangen.

Dit is de eerste strofe van het gedicht ‘Schrikwekkend wezen’ en je voelt hoe koele luchtdeeltjes als confetti op je neerkomen, terwijl de omgeving roerloos is. Op deze manier roept ze beelden op en ze gaat er al associërend mee aan de gang. Dat heeft ook wel een gevaar in zich, want als lezer moet je het wel kunnen volgen. Je moet mee kunnen in de stroom associaties. Lukt dat niet dan wordt het orakeltaal en kun je hooguit genieten van het muzikale aspect van het taalbouwsel. Iets dergelijks geldt ook voor de parodie die alleen leuk is als je weet wat er geparodieerd wordt. Als je het niet weet, kan het interessant zijn, maar je mist toch een dimensie. Van Haren weet het wel begrijpelijk te houden al blijft er nog veel te raden over zoals in de eerste strofe van ‘Koude kleren’

De nieuwe wereld is verschenen aan de rafelranden van de oude.
We herkennen flarden van een toekomst.

Het eerste zorgwekkende: doeltreffendheidstekort.
Zwarte gaten tussen handel en wandel.
Orde is een vereiste. ‘Excell’ het prototype van lineair denken.
Alle problemen komen genadeloos bloot aan het licht.
        Neem bijvoorbeeld de panda!
        Te lui om te jagen > van omnivoor bamboe-eter geworden.
        Ligt lollig takken te knabbelen en weigert de weg terug.
        Daar is geen ruimte meer voor heden ten dage.
        Geen bamboe geen panda.
                                            Zo is het nu eenmaal.

Ik vermoed dat Excel bedoeld wordt, maar dat schrijf je met één l, dat programma is lineair van opzet en zorgt voor een prachtige orde. Waarom ze het met twee l’s neerzet, is me een raadsel. Of neemt ze ons in de maling?

Ook humor ontbreekt niet:

Zorgeloos zeilt een stoet hybriden voorbij.
        Lijgers en teeuwen,
        hazellen en gerten,
dzo’s en zezels.
Zelfs een savannah in levenden lijve

Zuurstofconfetti is geen bundel voor luie lezers. Als je wilt begrijpen wat de dichter bedoelt, dan betekent het soms dat je flink moet werken, vaak moet herlezen en soms dring je dan nog niet tot de betekenis door. Daarbij komt dat het over het algemeen nogal lange gedichten zijn, wat ook complicerend werkt. Ik denk wel dat een avontuurlijke lezer de uitdaging kan oppakken en al het moois zal weten te ontdekken.

***
Elma van Haren (1954) is naast dichter beeldend kunstenaar. In 2017 verscheen haar prozadebuut Mevrouw OVO. Verder publiceerde ze o.a.: De reis naar het welkom geheten (1988), De wankel (1989), Het schuinvallend oog (1991), Al in het koren verloren (toneel, 1995), Grondstewardess (1996), De wiedeweerga (poëzie voor kinderen, 1998), Eskimoteren (2000), Verten van papier (2000), Het Krakkemik (poëzie voor kinderen, 2003), Zacht gat in broekzak (2006) en Flitsleemte (2009).

Recensie van Hertenblues - Job Degenaar

Blues op de stroomfiets

Job Degenaar
Hertenblues
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519092
€ 19,50
94 blz.

Taal is geen stilstaand gegeven, maar voortdurend aan verandering onderhevig. We moeten om gezond ouder te worden bewegen en dat is kennelijk niet tegen dovemansoren gezegd, want als je op een willekeurige zomerdag op je fiets stapt dan kom je hordes ouderen in felgekleurde windjacks op e-bikes tegen. Uitstekend, er is geen plaats voor ergernis, want de mensheid is goed bezig, maar …  e-bikes, dat woord schuurt, weer zo’n overbodige Engelse enclave in ons mooie Nederlands. Job Degenaar heeft de remedie gevonden en introduceert het woord stroomfiets. Een vondst waar iedereen op zou kunnen komen. Toch ben ik de dichter dankbaar voor dit neologisme en hoop dat het ingang zal vinden in brede kring. Zelf ga ik het in ieder geval vanaf nu gebruiken. Vermoedelijk is het overigens niet een vondst van de dichter, want ik kwam op het web een verhuurbedrijf in Kampen tegen met de naam Stroomfiets en ze bleken ook nog stroomfietsen te verhuren.
Niet alle nieuwigheden in de bundel Hertenblues kan ik waarderen, want Degenaar laat af en toe het werkwoord weg, zoals je de laatste tijd veel hoort doen: ‘dus giechelen ze om hun selfies en juist / als er gestemd moet over een campagne / tegen het bewind, dribbelen ze op / kousenvoetjes om thee en koekjes weg’. In een andere regel laat hij het werkwoord ‘gaan’ weg: ‘Vannacht zouden we naar Zeeland / met koffers vol jeugdherinneringen’.

Het motto van de bundel is een dichtregel van de Duitse dichter Reiner Kunze. Degenaar heeft gedichten van deze Duitser vertaald. Het motto luidt: ‘Doch schon der kiesel / nimmt die wärme an / der hand’.
Ik denk dat hij dit motto heeft gekozen om tot uitdrukking te brengen dat we de dingen die we waarnemen, meemaken en lezen, opslaan in ons geheugen en integreren in ons brein tussen de eigen indrukken. Zoals een steentje in je hand de temperatuur van de hand overneemt.

Hertenblues is opgebouwd uit: ‘Klein verband’, ‘Ultieme levenstekens’, ‘Mores leren’, ‘Verzen voor bejaarden’ en ‘Radioruis, sneeuwbeeld’. Tussen de gedichten staan zes illustraties, die verband houden met het gedicht op de naastgelegen pagina. Dat is wel prettig; niets is zo vervelend als er geschreven wordt over een kunstwerk waar je geen voorstelling van hebt.

Degenaar is een uitstekend observator, weet de sfeer in combinatie met de omgeving prachtig onder woorden te brengen en geeft goed de stemming van de dichter weer. Een voorbeeld met mooie metaforen: dribbelende meeuwen, droeve fietsen en hobbelende tractoren. Je proeft de sfeer van zo’n natte voorjaarsmorgen.

Een vroege lente op Texel

Wind drukt het eiland neer, de zee gromt
meeuwen dribbelen rumoerig langs de vloedlijn
inktwolken legen zich haastig op het land

achter de dijk schuilen dicht bijeen de schapen
de gekromde bomen bukken nog dieper, in de verte
zijn de ganzenzwermen en boerderijen gewist

De droeve fietsen, het wasrek op de tocht
de uitgebeten tuinstoelen, alles kwijnt
in deze morgen, die maar niet dagen wil

Een trekker hobbelt door het uitzicht en blijft
steken in de modder, moment waarop alles
stilvalt: als een herinnering staan we voor het raam

buiten de onberekenbare wereld, houden
de adem vast, steunend op elkaar
en op de knoppen van gele krokussen

De dichter is een levensgenieter wat blijkt uit de gevarieerde onderwerpen: wijn, reizen in eigen land en verre oorden, humor, actualiteit, nostalgie en, onvermijdelijk, de dood. Vaak gebuikt hij een relativerende toon, zoals blijkt uit het onderstaande gedicht waarin ook de titel van de bundel verwerkt zit. Het begint met de beschrijving van een bijeenkomst waarbij wellicht wat gedronken wordt, vervolgens genieten ze van het uitzicht en ondergaan de magie van het heelal, later keren ze terug naar triviale dingen als Facebook en roken. Dit alles weer met mooie metaforen en een aardige synesthesie: tokkelende sterren op het netvlies

Hoog uitzicht op dit leven

Er lag gestapeld hout dat gloeide
de zon verwaasde achter de bergen
we dronken nostalgisch op het geluk

en bleven zitten, licht beroesd
de avond werd vanzelf nacht
Boven ons installeerde zich

een ontregelend decor van sterren
tokkelend op ons netvlies, soms
doorkruist door stille satellieten

de lichtpijlen van hemelsteen
en het nabij geknipper van
zacht snorrende vliegtuigen

Toen was ’t voor ons, stervelingen
weer mooi genoeg geweest
en omsingelde grondmist ons

een ging op Facebook
een ander rolde een sigaret
en blies vraagtekens de ruimte in

In de verte, vanuit het duister
loeiden herten
hun oude blues

In een aantal gedichten is de dood een motief, een gestorven geliefde en de overleden moeder van de auteur. In het gedicht dat volgt, schetst hij de situatie in een lijkwagen. De natuur buiten de zwarte auto gaat ongestoord zijn gang, net als de tomtom en de chauffeur die honderduit praat over allerlei onbenulligheden. De dichter is heel sociaal aangepast en doet alsof hij luistert, maar zijn gedachten zijn in feite bij de dode moeder die in de kist achter hem ligt en hij voelt hoe haar lichaam reageert op de bewegingen van de auto.

Reisje met moeder langs het IJsselmeer

We zoeven statig over de dijk, omgeven
door water, wolken, meeuwen en klieken
aalscholvers, zwart in boomkarkassen

de auto is gepavoiseerd in grijs, de tomtom
beveelt in decibellen, de chauffeur praat
honderduit; ik klem twee foto’s in m’n hand

die haar kist bij ’t afscheid opfleurden:
als meisje dat uitdagend de lens in lacht
en vrouw op leeftijd met broze blik

Wat zou ze genieten van dit panorama
maar ik zie steeds maar voor me hoe haar hoofd
bij elke bobbel schudt en meezwenkt in de bochten

en hoe die kletsmajoor en ik haar straks
voorbij de overkant, naar de lage aula tillen:
haar kilste nacht bovengronds

Tot slot, Hertenblues is een bundel met aansprekende, toegankelijke poëzie, waarin de dichter ons meeneemt in universele gevoelens, waarin we veel van onszelf herkennen. Moderne gedichten met een kop en een staart, niet hermetisch, maar waarin toch wat te raden overblijft.

***
Job Degenaar (1952) schreef o.a. de bundels Bericht voor gelovigen (1976), Het wak (1980) en ’t Vlak ligt klaar (1989). Nadat uit deze drie bundels in 1991 een Poolse bloemlezing werd samengesteld, verschenen De helderheid van morgens (1992), Van de arena en het lastdier (1995), Dus dit is zomer (1998), Huisbroei (2003), Vluchtgegevens (2011), Handkussen van de tijd, een keuze uit 35 jaar poëzie (2012), Thorleif (beeld en poëzie, 2014), Het fonkelt in ‘t Dok -Lemmer en omgeving in 22 schilderijen en gedichten, i.s.m. schilder Lammert Sloothaak (2016).

Recensie van Over de vloedlijn - Kees Klok

Aan de eblijn

Kees Klok
Over de vloedlijn
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519177
€ 19,50
66 blz.

Als je aan water woont dat in rechtstreekse verbinding met de zee staat, weet je dat het elke dag twee keer eb en twee keer vloed wordt. Zodra het water de vloedlijn bereikt, is het hoogste niveau bereikt. Het stijgt niet meer en het peil gaat langzaam weer omlaag. De bundel heet Over de vloedlijn. De vloedlijn is het punt waarop het water op zijn hoogste punt is en er even niets gebeurt. Eigenlijk gaat het over een impasse, even geen beweging.

De bundel is een verzameling gedichten, die volgens de tekst op achterkant tussen 2012 en maart 2017 is geschreven. De titel is goed gekozen, want het zijn allemaal voorbeelden van momenten waarop niets gebeurt, momenten van rust. Dat geeft evenwicht, distantie, misschien wel een beetje te veel rust, want avontuur gedijt niet bij rust. Dat heb ik wel een beetje gemist, even buiten de lijntjes, een experiment. De dichter had best wat recalcitranter mogen zijn. Volgens mij wilde hij dat ook wel, zoals blijkt uit de laatste strofe van het gedicht ‘Rij’: ‘maar laat mij het jongetje blijven /dat op school, /als de bel ging, /nooit in de rij wilde staan.’

Nostalgie, gelegenheidspoëzie, Dordrecht, Griekenland, eiland, water, gestorven geliefde (soms neigend naar een soort Orpheusmotief, de dichter probeert de gestorven geliefde door zijn poëzie tot leven te wekken), liefde en treinen zijn motieven die ik tegenkwam. Ik vind het heel positief dat de dichter verschillende keren probeert inmiddels weinig gebruikte woorden uit de mottenballen te halen, zoals: ‘toen kolen moesten gerakeld’ (jammer dat hij ‘worden’ weglaat, iets wat de laatste tijd veel te vaak voorkomt in het dagelijkse spraakgebruik), ‘ik wil niet meer horen van dit kolken en verklaren’, ‘starnakelende nacht’ en ‘het zilt van haar stervende vlees’.

Als je ouder wordt, ligt de nostalgie op de loer. Terugblikken op het verleden en dat wellicht een beetje idealiseren, maar dat hoeft niet. Kees Klok geeft duidelijk blijk van een hang naar het verleden, maar hij weet dat mooi te veralgemeniseren. Dat blijkt uit:

Afwezigheid

En maar sporen nalaten:
geurvlaggen, tekens en krassen,
peuken, veel peuken, graffiti –
onvermijdelijke dwangneurose.

En maar zoeken naar het licht,
de schittering van verdwenen jaren –
het oersentiment van een oude zanger.

En maar terugverlangen
naar wat het geheugen
polijstte tot wat het nooit was.

En daarna simpelweg
doodgaan.

Een jonge dichter wil zich op het neurotische af manifesteren en probeert het hoogste te bereiken. Dan wordt het graven in het geheugen en het onvermijdelijke einde volgt logischerwijs. Niets theatraals; ambities, dromen en de dood, niet meer dan dat. Nuchterheid is troef in dit gedicht. Met twee benen op de grond staan, moet wel in een wereld omgeven door water. Daar is het houvast van vaste grond onder de voeten van levensbelang.

Het zal duidelijk zijn, de nostalgie van Klok bevalt me wel, net als zijn beschrijvingen van de plaats waarin hij is opgegroeid. De helden van weleer worden prachtig geschetst in hun omgeving, zonder een vleugje sentimentaliteit, vaak wel met humor bijvoorbeeld in ‘Oral history’ en ‘As tears go by’. Niet alleen Dordrecht neemt een plaats in, maar ook Griekenland, waar hij gewoond heeft, zoals in het eerste gedicht van de bundel ‘Bij Loxias’: een impressie van zijn stamcafé in Thessaloniki. En gemiste kansen …

Luchtfietser

Tja, de luchtfietser met zijn
dromen en illusies,

zijn drang tot het vergeefse,
zijn pogen de tijd stil te zetten.

Fietsen tegen de tijd,
trappen tegen de tijd,

almaar tegen, tegen, tegen dat wat
onbuigzaam voortgaat.

Soms ziet hij een meisje
en kijkt hij even om,

altijd net als zij om
een hoek is verdwenen.

De luchtfietser, de dromer, de dichter leeft in zijn eigen wereld los van de werkelijkheid. Hij probeert de tijd voor te blijven en het onmogelijke te bereiken. Hij laat de realiteit aan zich voorbijgaan, pakt niet zijn kans als die daar is. Het meisje is de hoek al om!

Zowel qua vorm als thematiek is de bundel niet zo vernieuwend. Natuurlijk, het is moderne poëzie zonder rijm en vaste vormen. Aan de andere kant zijn de gedichten erg toegankelijk, goed leesbaar en het zijn geen duistere woordpakketten. Bovendien mooi uitgegeven met een harde kleurige kaft. Geen stormen en hoge vloedgolven, maar statisch evenwicht. Bij vloed verdwijnt veel onder water. Misschien was de eblijn wel interessanter, in ieder geval onthullender, geweest

***
Kees Klok (Dordrecht 1951) is dichter, prozaïst, vertaler en historicus. Hij publiceerde eerder de dichtbundels Aan de Merwede (Kodikas, 1999), In dit laagland (Wagner & Van Santen, 2005) en Het is al laat (Liverse 2009), Hoe de wereld zich zou openen (Liverse, 2012).

Recensie van Dwangarbeider van de poëzie - André van der Veeke

Dwang werkt meestal niet

André van der Veeke
Dwangarbeider van de poëzie
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519221
€ 19,50
140 blz.

Om een of andere reden houden we van ronde getallen. Als er kenmerken zijn, worden er altijd drie genoemd, nooit twee. Favoriete getallen zijn zeven, tien, twaalf. Dertien wordt vaak vermeden, maar honderd vinden we een lekker ‘rond’ getal en het wordt in zekere zin als volmaakt ervaren. De ondertitel van de bundel Dwangarbeider van de poëzie luidt: ‘honderd geselecteerde gedichten’. Op het eerste gezicht denk je, dat is heel wat, maar na bestudering van de bundel moet ik denken aan de uitspraak: niet het vele is goed, maar het goede is veel.

Van de hand van André van der Veeke zijn zeven bundels verschenen, wat alleszins bewonderenswaardig is en ik kan me de verleiding voorstellen een bloemlezing samen te stellen met daarin het allermooiste. Aan de andere kant hebben bundels vaak een heel eigen sfeer en karakter en vormen ze een organisch geheel. Dat is weg als je ze groepeert in een verzamelbundel. Vroeger was ik al niet zo weg van verzamel-lp’s, omdat daarop de samenhang ontbreekt tussen de nummers. Iets dergelijks geldt ook voor dichtbundels waar de schikking binnen de bundel van groot belang is.

Waar ik al bang voor was, gebeurt in dit werk: een sterke wisseling van kwaliteit en gebrek aan samenhang. Tussen stijlbloempjes, die me ontroerden, stonden andere waarvan ik dacht, wat voegt dit toe en ze versterkten het idee van een disharmonisch geheel. Van der Veeke heeft de oude indeling aangehouden, de volgorde van de bundels en elke afdeling heeft de titel van de bundel waaruit de gedichten komen. Ik begrijp de beweegreden wel, maar hij had ervoor kunnen kiezen de indeling meer thematisch te maken en minder star aan de chronologische volgorde vast te houden. In mijn ogen zou dat een interessanter werk hebben opgeleverd.

Dat wil niet zeggen dat er geen mooie gedichten tussen staan. Grote thema’s komen aan de orde, onder andere over ouders, kinderen, religie, kunst, eenzaamheid en romantische thema’s als reizen, heimwee naar de jeugd, liefdeslyriek en de natuur. De dood en ouder worden spelen een belangrijke rol zoals in:

De poëzie grijpt in

Hersenen en hart onbemand
Niets kan de dichter redden

Doodsengelen
starten hun motoren al

Maar hij moet nog
een laatste hoek om

Dan grijpt de poëzie in
Het laatste woord verzet zich

Deze dienstplichtige van de poëzie
deze letterknecht, mag niet dood

Hij moet nog jaren schrijven
en verschrikkelijk afzien

Het lijkt wel of het geschreven is om de dood te bezweren en het komende einde af te wenden. De mogelijkheid om dat te doen is poëzie schrijven, zoals Lot, de neef van Abraham, de kans krijgt de verwoesting van Sodom te overleven door met vrouw en dochters te rennen zonder om te kijken. Zo moet de dichter schrijven, geen vrije keuze, maar lijfsbehoud. De schrijver als redder van zijn eigen leven door hard te werken komt ook terug in de titel, Dwangarbeider van de poëzie.

In de natuurgedichten spelen Zeeland en het rivierengebied een hoofdrol met dijken en weidse verten. Soms is de verbinding natuur en seks opvallend, bijvoorbeeld in ‘Eb’: ‘En de eerste erotische belofte: / het zuigen van de slikken /’. Humor komt voor in ‘Aardenburg’, dat gaat over archeologische vondsten: ‘In de afgrond van een vitrine dit: / vingerafdrukken, achttien eeuwen oud / Een pottenbakker die zich tot aan / het einde der tijden legitimeren kan /’.
Het lijkt wel of Van der Veeke moeite heeft tot een bevredigend einde te komen, want in sommige verzen is het slot wat merkwaardig. Een voorbeeld is ‘Notities aan de Westerschelde’ (in de inhoudsopgave staat ‘Schelde’!)

Geulen, kringen, drooggevallen fuiken,
over alles heen de schittering van fosfaat

Dammen, glibberige geslachtsdelen,
aan de hemel het hoge witte schip

Laagwater in de kraamkamers, luchtbellen,
uitgepoepte klei, nachtkleuren beschenen

Gemompel komt van meeuwen, een man
gevangen in lieslaarzen graaft onder de horizon

Het uitwaaieren van de dijk, drie bochten
verdwijnen in opwaartse sprongen

Onrust van basalt valt op, de kloppende
harten in de glooiing van de dijk

Mooie natuurbeschrijving, maar de laatste twee disticha vind ik merkwaardig. Bochten die opwaarts springen, basalt dat onrustig en kloppende harten is, daar krijg ik geen beeld bij. Basalt is keihard vulkanisch gesteente en het hart staat als vanouds voor gevoel. Voor mijn gevoel zou het gedicht aan kracht winnen als je de laatste twee strofes weglaat.

Een gedicht waarin de verschillende thema’s kunst, natuur en heimwee samenkomen vind ik erg geslaagd.

Domburg

Op een avond half vertrapt
in het mooiste licht Domburg

De boulevard stinkt naar snacks
en eb, stokoude droge zee

Geen spoor van de dode schilders,
hun liefjes, de hoedjes van stro

De lauwe zeewind exposeert
vliegers, vliegende kleuren

Later, veel later, gaat toch iemand
met houtskool over de kustlijn

Het moge duidelijk zijn zoals ik al vreesde, dat de bundel een beetje tegenvalt. De uitgave is prachtig vormgegeven in een harde kaft, daar valt niets op aan te merken, maar inhoudelijk had ik toch een wat strengere selectie willen zien en misschien een andere ordening. Jammer, want er zitten echt juweeltjes tussen die veel meer tot hun recht hadden kunnen komen in een andere opzet. Misschien had de dwangarbeider wat kritischer naar zijn arbeid moeten kijken en niet de hoeveelheid maar de kwaliteit als norm moeten nemen.

***
André van der Veeke (1947) is hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Ballustrada en publiceerde o.a. in Hollands MaandbladDe PoëziekrantDe Brakke Hond. Hij schreef zeven poëziebundels: Het sacrament van de sneeuw (1992), Reizigers voor alle richtingen (2004), Moerasbeest verdriet (2006), Rotterdam vertrekt (2010), Blauw als ijs (2010), De Zoeaaf (2010) en Poldergeest (2014).
In 2012 verscheen de verhalenbundel Een meedogenloze Vrede.