Recensie van Hertenblues - Job Degenaar

Blues op de stroomfiets

Job Degenaar
Hertenblues
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519092
€ 19,50
94 blz.

Taal is geen stilstaand gegeven, maar voortdurend aan verandering onderhevig. We moeten om gezond ouder te worden bewegen en dat is kennelijk niet tegen dovemansoren gezegd, want als je op een willekeurige zomerdag op je fiets stapt dan kom je hordes ouderen in felgekleurde windjacks op e-bikes tegen. Uitstekend, er is geen plaats voor ergernis, want de mensheid is goed bezig, maar …  e-bikes, dat woord schuurt, weer zo’n overbodige Engelse enclave in ons mooie Nederlands. Job Degenaar heeft de remedie gevonden en introduceert het woord stroomfiets. Een vondst waar iedereen op zou kunnen komen. Toch ben ik de dichter dankbaar voor dit neologisme en hoop dat het ingang zal vinden in brede kring. Zelf ga ik het in ieder geval vanaf nu gebruiken. Vermoedelijk is het overigens niet een vondst van de dichter, want ik kwam op het web een verhuurbedrijf in Kampen tegen met de naam Stroomfiets en ze bleken ook nog stroomfietsen te verhuren.
Niet alle nieuwigheden in de bundel Hertenblues kan ik waarderen, want Degenaar laat af en toe het werkwoord weg, zoals je de laatste tijd veel hoort doen: ‘dus giechelen ze om hun selfies en juist / als er gestemd moet over een campagne / tegen het bewind, dribbelen ze op / kousenvoetjes om thee en koekjes weg’. In een andere regel laat hij het werkwoord ‘gaan’ weg: ‘Vannacht zouden we naar Zeeland / met koffers vol jeugdherinneringen’.

Het motto van de bundel is een dichtregel van de Duitse dichter Reiner Kunze. Degenaar heeft gedichten van deze Duitser vertaald. Het motto luidt: ‘Doch schon der kiesel / nimmt die wärme an / der hand’.
Ik denk dat hij dit motto heeft gekozen om tot uitdrukking te brengen dat we de dingen die we waarnemen, meemaken en lezen, opslaan in ons geheugen en integreren in ons brein tussen de eigen indrukken. Zoals een steentje in je hand de temperatuur van de hand overneemt.

Hertenblues is opgebouwd uit: ‘Klein verband’, ‘Ultieme levenstekens’, ‘Mores leren’, ‘Verzen voor bejaarden’ en ‘Radioruis, sneeuwbeeld’. Tussen de gedichten staan zes illustraties, die verband houden met het gedicht op de naastgelegen pagina. Dat is wel prettig; niets is zo vervelend als er geschreven wordt over een kunstwerk waar je geen voorstelling van hebt.

Degenaar is een uitstekend observator, weet de sfeer in combinatie met de omgeving prachtig onder woorden te brengen en geeft goed de stemming van de dichter weer. Een voorbeeld met mooie metaforen: dribbelende meeuwen, droeve fietsen en hobbelende tractoren. Je proeft de sfeer van zo’n natte voorjaarsmorgen.

Een vroege lente op Texel

Wind drukt het eiland neer, de zee gromt
meeuwen dribbelen rumoerig langs de vloedlijn
inktwolken legen zich haastig op het land

achter de dijk schuilen dicht bijeen de schapen
de gekromde bomen bukken nog dieper, in de verte
zijn de ganzenzwermen en boerderijen gewist

De droeve fietsen, het wasrek op de tocht
de uitgebeten tuinstoelen, alles kwijnt
in deze morgen, die maar niet dagen wil

Een trekker hobbelt door het uitzicht en blijft
steken in de modder, moment waarop alles
stilvalt: als een herinnering staan we voor het raam

buiten de onberekenbare wereld, houden
de adem vast, steunend op elkaar
en op de knoppen van gele krokussen

De dichter is een levensgenieter wat blijkt uit de gevarieerde onderwerpen: wijn, reizen in eigen land en verre oorden, humor, actualiteit, nostalgie en, onvermijdelijk, de dood. Vaak gebuikt hij een relativerende toon, zoals blijkt uit het onderstaande gedicht waarin ook de titel van de bundel verwerkt zit. Het begint met de beschrijving van een bijeenkomst waarbij wellicht wat gedronken wordt, vervolgens genieten ze van het uitzicht en ondergaan de magie van het heelal, later keren ze terug naar triviale dingen als Facebook en roken. Dit alles weer met mooie metaforen en een aardige synesthesie: tokkelende sterren op het netvlies

Hoog uitzicht op dit leven

Er lag gestapeld hout dat gloeide
de zon verwaasde achter de bergen
we dronken nostalgisch op het geluk

en bleven zitten, licht beroesd
de avond werd vanzelf nacht
Boven ons installeerde zich

een ontregelend decor van sterren
tokkelend op ons netvlies, soms
doorkruist door stille satellieten

de lichtpijlen van hemelsteen
en het nabij geknipper van
zacht snorrende vliegtuigen

Toen was ’t voor ons, stervelingen
weer mooi genoeg geweest
en omsingelde grondmist ons

een ging op Facebook
een ander rolde een sigaret
en blies vraagtekens de ruimte in

In de verte, vanuit het duister
loeiden herten
hun oude blues

In een aantal gedichten is de dood een motief, een gestorven geliefde en de overleden moeder van de auteur. In het gedicht dat volgt, schetst hij de situatie in een lijkwagen. De natuur buiten de zwarte auto gaat ongestoord zijn gang, net als de tomtom en de chauffeur die honderduit praat over allerlei onbenulligheden. De dichter is heel sociaal aangepast en doet alsof hij luistert, maar zijn gedachten zijn in feite bij de dode moeder die in de kist achter hem ligt en hij voelt hoe haar lichaam reageert op de bewegingen van de auto.

Reisje met moeder langs het IJsselmeer

We zoeven statig over de dijk, omgeven
door water, wolken, meeuwen en klieken
aalscholvers, zwart in boomkarkassen

de auto is gepavoiseerd in grijs, de tomtom
beveelt in decibellen, de chauffeur praat
honderduit; ik klem twee foto’s in m’n hand

die haar kist bij ’t afscheid opfleurden:
als meisje dat uitdagend de lens in lacht
en vrouw op leeftijd met broze blik

Wat zou ze genieten van dit panorama
maar ik zie steeds maar voor me hoe haar hoofd
bij elke bobbel schudt en meezwenkt in de bochten

en hoe die kletsmajoor en ik haar straks
voorbij de overkant, naar de lage aula tillen:
haar kilste nacht bovengronds

Tot slot, Hertenblues is een bundel met aansprekende, toegankelijke poëzie, waarin de dichter ons meeneemt in universele gevoelens, waarin we veel van onszelf herkennen. Moderne gedichten met een kop en een staart, niet hermetisch, maar waarin toch wat te raden overblijft.

***
Job Degenaar (1952) schreef o.a. de bundels Bericht voor gelovigen (1976), Het wak (1980) en ’t Vlak ligt klaar (1989). Nadat uit deze drie bundels in 1991 een Poolse bloemlezing werd samengesteld, verschenen De helderheid van morgens (1992), Van de arena en het lastdier (1995), Dus dit is zomer (1998), Huisbroei (2003), Vluchtgegevens (2011), Handkussen van de tijd, een keuze uit 35 jaar poëzie (2012), Thorleif (beeld en poëzie, 2014), Het fonkelt in ‘t Dok -Lemmer en omgeving in 22 schilderijen en gedichten, i.s.m. schilder Lammert Sloothaak (2016).

Recensie van Over de vloedlijn - Kees Klok

Aan de eblijn

Kees Klok
Over de vloedlijn
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519177
€ 19,50
66 blz.

Als je aan water woont dat in rechtstreekse verbinding met de zee staat, weet je dat het elke dag twee keer eb en twee keer vloed wordt. Zodra het water de vloedlijn bereikt, is het hoogste niveau bereikt. Het stijgt niet meer en het peil gaat langzaam weer omlaag. De bundel heet Over de vloedlijn. De vloedlijn is het punt waarop het water op zijn hoogste punt is en er even niets gebeurt. Eigenlijk gaat het over een impasse, even geen beweging.

De bundel is een verzameling gedichten, die volgens de tekst op achterkant tussen 2012 en maart 2017 is geschreven. De titel is goed gekozen, want het zijn allemaal voorbeelden van momenten waarop niets gebeurt, momenten van rust. Dat geeft evenwicht, distantie, misschien wel een beetje te veel rust, want avontuur gedijt niet bij rust. Dat heb ik wel een beetje gemist, even buiten de lijntjes, een experiment. De dichter had best wat recalcitranter mogen zijn. Volgens mij wilde hij dat ook wel, zoals blijkt uit de laatste strofe van het gedicht ‘Rij’: ‘maar laat mij het jongetje blijven /dat op school, /als de bel ging, /nooit in de rij wilde staan.’

Nostalgie, gelegenheidspoëzie, Dordrecht, Griekenland, eiland, water, gestorven geliefde (soms neigend naar een soort Orpheusmotief, de dichter probeert de gestorven geliefde door zijn poëzie tot leven te wekken), liefde en treinen zijn motieven die ik tegenkwam. Ik vind het heel positief dat de dichter verschillende keren probeert inmiddels weinig gebruikte woorden uit de mottenballen te halen, zoals: ‘toen kolen moesten gerakeld’ (jammer dat hij ‘worden’ weglaat, iets wat de laatste tijd veel te vaak voorkomt in het dagelijkse spraakgebruik), ‘ik wil niet meer horen van dit kolken en verklaren’, ‘starnakelende nacht’ en ‘het zilt van haar stervende vlees’.

Als je ouder wordt, ligt de nostalgie op de loer. Terugblikken op het verleden en dat wellicht een beetje idealiseren, maar dat hoeft niet. Kees Klok geeft duidelijk blijk van een hang naar het verleden, maar hij weet dat mooi te veralgemeniseren. Dat blijkt uit:

Afwezigheid

En maar sporen nalaten:
geurvlaggen, tekens en krassen,
peuken, veel peuken, graffiti –
onvermijdelijke dwangneurose.

En maar zoeken naar het licht,
de schittering van verdwenen jaren –
het oersentiment van een oude zanger.

En maar terugverlangen
naar wat het geheugen
polijstte tot wat het nooit was.

En daarna simpelweg
doodgaan.

Een jonge dichter wil zich op het neurotische af manifesteren en probeert het hoogste te bereiken. Dan wordt het graven in het geheugen en het onvermijdelijke einde volgt logischerwijs. Niets theatraals; ambities, dromen en de dood, niet meer dan dat. Nuchterheid is troef in dit gedicht. Met twee benen op de grond staan, moet wel in een wereld omgeven door water. Daar is het houvast van vaste grond onder de voeten van levensbelang.

Het zal duidelijk zijn, de nostalgie van Klok bevalt me wel, net als zijn beschrijvingen van de plaats waarin hij is opgegroeid. De helden van weleer worden prachtig geschetst in hun omgeving, zonder een vleugje sentimentaliteit, vaak wel met humor bijvoorbeeld in ‘Oral history’ en ‘As tears go by’. Niet alleen Dordrecht neemt een plaats in, maar ook Griekenland, waar hij gewoond heeft, zoals in het eerste gedicht van de bundel ‘Bij Loxias’: een impressie van zijn stamcafé in Thessaloniki. En gemiste kansen …

Luchtfietser

Tja, de luchtfietser met zijn
dromen en illusies,

zijn drang tot het vergeefse,
zijn pogen de tijd stil te zetten.

Fietsen tegen de tijd,
trappen tegen de tijd,

almaar tegen, tegen, tegen dat wat
onbuigzaam voortgaat.

Soms ziet hij een meisje
en kijkt hij even om,

altijd net als zij om
een hoek is verdwenen.

De luchtfietser, de dromer, de dichter leeft in zijn eigen wereld los van de werkelijkheid. Hij probeert de tijd voor te blijven en het onmogelijke te bereiken. Hij laat de realiteit aan zich voorbijgaan, pakt niet zijn kans als die daar is. Het meisje is de hoek al om!

Zowel qua vorm als thematiek is de bundel niet zo vernieuwend. Natuurlijk, het is moderne poëzie zonder rijm en vaste vormen. Aan de andere kant zijn de gedichten erg toegankelijk, goed leesbaar en het zijn geen duistere woordpakketten. Bovendien mooi uitgegeven met een harde kleurige kaft. Geen stormen en hoge vloedgolven, maar statisch evenwicht. Bij vloed verdwijnt veel onder water. Misschien was de eblijn wel interessanter, in ieder geval onthullender, geweest

***
Kees Klok (Dordrecht 1951) is dichter, prozaïst, vertaler en historicus. Hij publiceerde eerder de dichtbundels Aan de Merwede (Kodikas, 1999), In dit laagland (Wagner & Van Santen, 2005) en Het is al laat (Liverse 2009), Hoe de wereld zich zou openen (Liverse, 2012).

Recensie van Dwangarbeider van de poëzie - André van der Veeke

Dwang werkt meestal niet

André van der Veeke
Dwangarbeider van de poëzie
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519221
€ 19,50
140 blz.

Om een of andere reden houden we van ronde getallen. Als er kenmerken zijn, worden er altijd drie genoemd, nooit twee. Favoriete getallen zijn zeven, tien, twaalf. Dertien wordt vaak vermeden, maar honderd vinden we een lekker ‘rond’ getal en het wordt in zekere zin als volmaakt ervaren. De ondertitel van de bundel Dwangarbeider van de poëzie luidt: ‘honderd geselecteerde gedichten’. Op het eerste gezicht denk je, dat is heel wat, maar na bestudering van de bundel moet ik denken aan de uitspraak: niet het vele is goed, maar het goede is veel.

Van de hand van André van der Veeke zijn zeven bundels verschenen, wat alleszins bewonderenswaardig is en ik kan me de verleiding voorstellen een bloemlezing samen te stellen met daarin het allermooiste. Aan de andere kant hebben bundels vaak een heel eigen sfeer en karakter en vormen ze een organisch geheel. Dat is weg als je ze groepeert in een verzamelbundel. Vroeger was ik al niet zo weg van verzamel-lp’s, omdat daarop de samenhang ontbreekt tussen de nummers. Iets dergelijks geldt ook voor dichtbundels waar de schikking binnen de bundel van groot belang is.

Waar ik al bang voor was, gebeurt in dit werk: een sterke wisseling van kwaliteit en gebrek aan samenhang. Tussen stijlbloempjes, die me ontroerden, stonden andere waarvan ik dacht, wat voegt dit toe en ze versterkten het idee van een disharmonisch geheel. Van der Veeke heeft de oude indeling aangehouden, de volgorde van de bundels en elke afdeling heeft de titel van de bundel waaruit de gedichten komen. Ik begrijp de beweegreden wel, maar hij had ervoor kunnen kiezen de indeling meer thematisch te maken en minder star aan de chronologische volgorde vast te houden. In mijn ogen zou dat een interessanter werk hebben opgeleverd.

Dat wil niet zeggen dat er geen mooie gedichten tussen staan. Grote thema’s komen aan de orde, onder andere over ouders, kinderen, religie, kunst, eenzaamheid en romantische thema’s als reizen, heimwee naar de jeugd, liefdeslyriek en de natuur. De dood en ouder worden spelen een belangrijke rol zoals in:

De poëzie grijpt in

Hersenen en hart onbemand
Niets kan de dichter redden

Doodsengelen
starten hun motoren al

Maar hij moet nog
een laatste hoek om

Dan grijpt de poëzie in
Het laatste woord verzet zich

Deze dienstplichtige van de poëzie
deze letterknecht, mag niet dood

Hij moet nog jaren schrijven
en verschrikkelijk afzien

Het lijkt wel of het geschreven is om de dood te bezweren en het komende einde af te wenden. De mogelijkheid om dat te doen is poëzie schrijven, zoals Lot, de neef van Abraham, de kans krijgt de verwoesting van Sodom te overleven door met vrouw en dochters te rennen zonder om te kijken. Zo moet de dichter schrijven, geen vrije keuze, maar lijfsbehoud. De schrijver als redder van zijn eigen leven door hard te werken komt ook terug in de titel, Dwangarbeider van de poëzie.

In de natuurgedichten spelen Zeeland en het rivierengebied een hoofdrol met dijken en weidse verten. Soms is de verbinding natuur en seks opvallend, bijvoorbeeld in ‘Eb’: ‘En de eerste erotische belofte: / het zuigen van de slikken /’. Humor komt voor in ‘Aardenburg’, dat gaat over archeologische vondsten: ‘In de afgrond van een vitrine dit: / vingerafdrukken, achttien eeuwen oud / Een pottenbakker die zich tot aan / het einde der tijden legitimeren kan /’.
Het lijkt wel of Van der Veeke moeite heeft tot een bevredigend einde te komen, want in sommige verzen is het slot wat merkwaardig. Een voorbeeld is ‘Notities aan de Westerschelde’ (in de inhoudsopgave staat ‘Schelde’!)

Geulen, kringen, drooggevallen fuiken,
over alles heen de schittering van fosfaat

Dammen, glibberige geslachtsdelen,
aan de hemel het hoge witte schip

Laagwater in de kraamkamers, luchtbellen,
uitgepoepte klei, nachtkleuren beschenen

Gemompel komt van meeuwen, een man
gevangen in lieslaarzen graaft onder de horizon

Het uitwaaieren van de dijk, drie bochten
verdwijnen in opwaartse sprongen

Onrust van basalt valt op, de kloppende
harten in de glooiing van de dijk

Mooie natuurbeschrijving, maar de laatste twee disticha vind ik merkwaardig. Bochten die opwaarts springen, basalt dat onrustig en kloppende harten is, daar krijg ik geen beeld bij. Basalt is keihard vulkanisch gesteente en het hart staat als vanouds voor gevoel. Voor mijn gevoel zou het gedicht aan kracht winnen als je de laatste twee strofes weglaat.

Een gedicht waarin de verschillende thema’s kunst, natuur en heimwee samenkomen vind ik erg geslaagd.

Domburg

Op een avond half vertrapt
in het mooiste licht Domburg

De boulevard stinkt naar snacks
en eb, stokoude droge zee

Geen spoor van de dode schilders,
hun liefjes, de hoedjes van stro

De lauwe zeewind exposeert
vliegers, vliegende kleuren

Later, veel later, gaat toch iemand
met houtskool over de kustlijn

Het moge duidelijk zijn zoals ik al vreesde, dat de bundel een beetje tegenvalt. De uitgave is prachtig vormgegeven in een harde kaft, daar valt niets op aan te merken, maar inhoudelijk had ik toch een wat strengere selectie willen zien en misschien een andere ordening. Jammer, want er zitten echt juweeltjes tussen die veel meer tot hun recht hadden kunnen komen in een andere opzet. Misschien had de dwangarbeider wat kritischer naar zijn arbeid moeten kijken en niet de hoeveelheid maar de kwaliteit als norm moeten nemen.

***
André van der Veeke (1947) is hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Ballustrada en publiceerde o.a. in Hollands MaandbladDe PoëziekrantDe Brakke Hond. Hij schreef zeven poëziebundels: Het sacrament van de sneeuw (1992), Reizigers voor alle richtingen (2004), Moerasbeest verdriet (2006), Rotterdam vertrekt (2010), Blauw als ijs (2010), De Zoeaaf (2010) en Poldergeest (2014).
In 2012 verscheen de verhalenbundel Een meedogenloze Vrede.

Recensie van Stoppen met roken in 87 gedichten - Dimitri Verhulst

Nooit meer roken

Dimitri Verhulst
Stoppen met roken in 87 gedichten
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451684
€ 21,99
86 blz.

Dimitri Verhulst verrast steeds vaker. Dat hij een gevierd prozaschrijver is, is al sinds jaren bekend. Dat hij een performer is, is bekend sinds het boekenbal van 2015. Enkele dagen geleden bleek dat hij op dit moment in het theater actief is met een uitvoering van Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Een bewerking van een roman van hem uit 2008. Maar de grootste verrassing voor mij was dat in het begin van dit jaar Wende Snijders een lied ten gehore bracht in het tv-programma ‘De wereld draait door’. De muziek van het lied heeft ze geschreven op een tekst van Dimitri Verhulst. Het lied ontroerde me in twee opzichten: qua melodie en qua tekst. Ik verwonderde me over het bijzondere woordgebruik. Het lied heet ‘Vrij me’ en is opgenomen in de bundel die nu ter bespreking voor me ligt.

De titel van de bundel, Stoppen met roken in 87 gedichten is opvallend, omdat het woord roken slechts een keer of drie voorkomt. Het lijkt ironisch bedoeld als een soort verwijzing naar zelfhulpboeken die in plaats van gedichten een bepaalde tijd of fase aanduiden. Ik denk dat als je dit werkje leest, je zo genoten hebt dat de behoefte aan roken totaal verdwenen is.

De bundel is opgebouwd uit acht getitelde afdelingen. De eerste heeft als titel ‘Me and Mrs Jones’. Een allusie op een hitje uit 1972 van de Amerikaan Billy Paul. Het gaat over een man en een vrouw die dagelijks een geheime ontmoeting hebben. Ze weten dat het fout is wat ze doen, maar het is te sterk om het te laten. De gedichten in deze afdeling gaan over kortstondige romantische ontmoetingen, die eenmalig zijn of in ieder geval niet leiden tot een blijvende relatie. Je zou dit motief bindingsangst kunnen noemen. Genieten van het moment en de angst om in een sleur terecht te komen. In zoverre lijkt Verhulst een pessimistische kijk te hebben op duurzame relaties, waarin sleur op de loer ligt.

2
Wat waren wij sterk, dat wij het verkozen
voor alleen die ene keer
boven een verder leven met elkaar en alles

wat daarin dan zoal stuk kon gaan.
Alleen die ene keer je hals, je geur.
Je vingertoppen, je vocht, je mond.
Neen, wij wensten niets te weten,
of en wie wij dan bedrogen.
Want zo moesten we zijn, wij twee,
mensen zonder verleden, zonder leeftijd.
Geen adres. Onze namen alleen. Zij riepen
ons op , wij zouden elk afzonderlijk
ons nooit vergeten.
Wat waren wij sterk
en wat heeft mij dat
een uur na jouw vertrek
reeds vreselijk gespeten.

‘De dochters worden wakker’ heet de tweede afdeling, waarin vijf gedichten staan. Mooie beschrijving van de volwassenwording van meisjes met prachtige assonanties en alliteraties. Eindrijm komt overigens in de bundel anders dan toevallig niet voor: ‘Zij is bezig het kind in haar / behoedzaam af te pellen, / traag en laag per laag.’ (blz. 20)

Soms zijn die alliteraties wat over de top: ‘Vandaag blijft zij met al haar billen binnen’. Wat overigens geen afbreuk doet aan de melodieuze tekst en niets afdoet aan de leesbaarheid.

De derde afdeling, ‘Coördinaten’, 21 observaties van plaatsen waaruit de dichter inspiratie putte: kroeg, stad, bakkerswinkel, restaurants, ouderlijk huis, wielerkoers, schilderijen, huis van grootmoeder.

‘Flessenpost’ is een korte afdeling met slechts vier gedichten. Brieven in zee gepost in een fles hebben geen geadresseerde. Een brief komt niet of slechts bij toeval aan. In deze afdeling gaat het over toevallige ontmoetingen zoals een fles aanspoelt op een onbekend strand en gevonden wordt door een onbekende. Zo ontmoeten twee onbekenden elkaar. ‘Maken wij enkel kennis om ons te vergeten, / verzonnen zijn onze banden zoveel beter’ Fantasie, verbeelding, gaat boven werkelijkheid: ‘Toeval brengt mensen samen / een goede reden haalt ze weer uit elkaar’

De afdeling ‘Wortels’ bevat negen prozagedichten, die naar mijn mening het minst geslaagd zijn. Ik denk dat de titel slaat op de omgeving waaruit de dichter zijn inspiratie putte in de loop van zijn leven: sterk relativerende beschrijvingen van troosteloze wijken en straten. Twee citaten: ‘De dood, dat is voor altijd nooit’; ‘…een jongen op een opgefokte brommer / die door het rood doch zielsgelukkig naar zijn / meisje reed, haastig, vóór ze op haar moeder / leek.’

‘Een mens van vele sleutelbossen’ gaat over de huizen waarin de dichter woonde en over stukgelopen relaties met heimwee verwoord. Het mooie ‘Vrij me’ staat ook in deze afdeling. Het loont de moeite om de gezongen versie te beluisteren. Dat kan via Youtube. Bijzonder vind ik het creatieve taalgebruik van het woord vrijen. In de betekenis minnekozen, en dat is hier het geval, is het werkwoord onovergankelijk volgens Van Dale. Verhulst gebruikt het overgankelijk.

Alle gedichten in de afdeling ‘Yoga-oefeningen’ beginnen met een gebiedende wijs. Nummer 5 lijkt een uitzondering, maar in regel 3 en 4 komen ze toch voor. Zoals een oefening waarbij een trainer adviezen geeft, begint elk gedicht met een gebiedende wijs. Het doel is het hogere te bereiken.

De laatste afdeling, ‘Eerste gedicht voor Isabelle’, is de kortste van de bundel en levert pure liefdeslyriek op, bijzonder mooi van taal. Het eerste gedicht spreekt de wens uit van de dichter langer te leven dan de geliefde, dan kan hij haar missen en naar haar verlangen. Haar blijft dan het verdriet van gemis bespaard. Het tweede gedicht gaat over hetzelfde onderwerp. Jammer dat de laatste strofe nodeloos platvloers is.

geef maar aan mij de eenzaamheid
en ik zal onbedaarlijk wenen
wanneer ik met mezelf ga spelen
aan ons denkend, hoe het was,
‘k zal van je dromen in detail
en daarna komen en kapotgaan bovenal.

Stoppen met roken in 87 gedichten is een indrukwekkende bundel met mooie beelden en prachtige vondsten in bloemrijke melodieuze taal. Minder pessimistisch dan het prozawerk van Verhulst, maar waarin een vitaal mens naar voren komt. Toegankelijk, maar niet simpel, we worden aan het denken gezet over intermenselijke contacten. Warm aanbevolen voor de donkere dagen die nog in 2017 resten.

***
Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972) debuteerde in 1994 met Werf en wrak, in 2001 volgt de tweede dichtbundel Liefde tenzij anders vermeld. Die levert een nominatie op voor de C.Buddingh’-prijs 2002. In 2006 verscheen De helaasheid der dingen, zijn doorbraak bij het grote publiek. Volop literaire erkenning krijgt hij: De gouden uil in 2007, de Inktaap in 2008 en de Librisliteratuurprijs in 2009. Er volgt nog een aantal succesvolle romans en in 2015 schrijft hij het boekenweekgeschenk De zomer hou je ook niet tegen.