Gedichten

Pieter Seinen
Spraakwaterslam Amsterdam

"Brave burgers"

Vroeger was ik altijd van: “Ik werk niet mee.
Ik ben mezelf en als ik wil kijk ik t.v. tot twee.
Ik doe mijn ding Yo!
en doe niet aan jouw regels mee.
Fuck the system! ik wil mijn hele leven feesten. Jee!”

Ik dacht dat ik wist hoe het moest. Maar ik zat fout.
Mispoes.
Helemaal niks had ik goed.
Het is waar wat ze zeggen; wijsheid komt met de jaren.
En check dit dan: ik was laatst jarig.

Nu ben ik een volwassen man en weet ik dat het anders kan.

Regels zijn heel handig voor het stoppen van trammelant.
Hou je aan de regels
je leven wordt veel beter.
Ze zijn gemaakt door mensen die wat goed voor je is weten.

Oh ja! Check dit verhaal over mijn leven:
Ik werd laatst in een steegje door een zwerver in de nek gebeten.
Superraar!
Hou je aan de regels.

Daan Zeijen
Winnaar Rhythm & Poetry Slam Delft

Ararat

we hadden appelflappen
zelfs beignets meegenomen
en van elk soort dier een paar
of meer. de meesten hadden zo hun
twijfels – wat is nu een vloed precies? –
maar het is gelukt. vrouw of man
maakte ons niet uit, maar omdat
de toekomst nog wel een poos kon
duren, leek het goed het vast
te hebben over kleintjes.
wie wilde graag? wie zeker niet? er mochten
zeven pinguïns mee. ik voelde druppels
op mijn arm, en probeerde niet te denken
dat het nu wel druk zou zijn. onze matras stond
ik graag af, en ik rolde een handdoek op
tot kussen. je stond in de deur als een vraagteken
waarvan de punt al was verdronken.
of er van onze soort niet ook
nog eentje paste, soms.

Jolies Heij
Fluxus Zaans Dichtersfestival

Dichter met bestemming

De hoer in mij wil achter dubbel glas
bij perkamentzacht licht. Je verkoopt
jezelf, zegt hij, zet toch eens dat
pokergezicht af en wentel jezelf uit het

voetlicht. Je schrijft lorren van
gedichten waarmee je flessenhalzen
vult en zeult met vioolkisten uit angst
voor holle echo’s. En toch, hij hoeft maar

met zijn vingers te knippen of de
noodverlichting floept aan. Je verlaat
je kamer, hinkstapdansend over wenteltrappen
voetjewrijvend langs valkuilen, sjoelend

over dubbele bodems, dat dunne ijs van
hinkende verwijten. Spiegels laten de priemen
scherper lijken. Een machteloos nagloeien.
Lasso’s bungelen om doelloze lijven.

Sophie van den Bergh
Winnaar Publieksprijs Leidse Poëzieslag

Gezelschap

Ik dekte de tafel wit op zwart
voor drie vakantievrienden
ze waren Frans
(opscheppen mocht ik niet) mijn
moeder praatte wel soms kort met ze
(gewoon in het Nederlands)

In de auto hadden ze niet gepast
Maar daar waren ze, een beetje bleek
Ze waren klein zeiden niet veel
maar het stond al vast ze zouden blijven

Ze zaten niet graag achterop de fiets
ze speelden geen viool maar ze
vertelden verhalen over Franse grotten
in Franse bergen waar Franse reuzen
langzaam krompen
(over honderd jaar, zei één,
kan niemand ons meer zien)

En ik zag de lege krukken, borden,
ogen wel, het schone bestek
en in gedachten stuurde ik ze terug
naar hun Franse grot in een Franse berg
zag hoe ze
vervlogen in de lucht
uiteenspatten in bloed en brein, voorgoed
verdwijnen als vergeten geleden
ingeteerd en uitgehold
door gisteren verstoten uitgesleten en
Ik wendde me nog even af
Ik hield mijn ogen nog even gesloten

Loren Brouwers
Winnaar DichtSlamRap & gedeeld winnaar Pictura Poetryclash Dordrecht

Ik denk dat we in oorlog zijn

Jij bouwt een tentenkamp in mijn kamer, van dik zeil en stof uit verre landen.
Regenbestendig, licht ontvlambaar. Elke week een kleiner exemplaar
luchtbellen voor één lichaam.

Als we negen waren en in het bed van mijn vader een holle ruimte zouden maken
-opengeklapte paraplu, dekens, een zaklampje in het midden-
dan vroeg ik je weer om je onderbroekje uit te doen, dan lagen we recht naast elkaar
in onze kindertent, omdat we iets wilden
maar niet wisten wat.

Als we drieëntwintig waren, laat mij dan de ruimtes bouwen.
Ik geef je een wereld in een luchtballon
lekkend, zwaar ontvlambaar
warm en groot genoeg voor twee.

Ik denk dat we in oorlog zijn.
Nog drie meter lege vloer waar ik kan liggen.
Nog vijftien dagen tot ik me terugtrek.

Regen Kosmos Kamerplant

 

Anne Broeksma (Almelo, 1987) treedt regelmatig op met haar poëzie op festivals als Mooie Woorden en Lowlands. Ze schreef gedichten voor Radio 1 en publiceerde in o.m. de tijdschriften Het Liegend Konijn, Kluger Hans en Tirade. Daarnaast presenteert ze literaire programma’s voor Het Literatuurhuis in Utrecht. In 2011 sprak Meander met haar over Tuincentra, meerstijligheid en poetryslams. In augustus verschijnt haar debuutbundel bij uitgeverij Atlas Contact: Regen kosmos kamerplant. Tijd voor een vervolggesprek. 

Anne BroeksmaDe titel van je nieuwe bundel is regen kosmos kamerplant. Wat trekt je aan in ogenschijnlijk dagelijkse objecten als een kamerplant?
Ik heb de afwijking dat ik aan dingen snel een persoonlijkheid toeken. Een kamerplant is natuurlijk geen ding, het is plant en dat is juist het mooie. Een kamerplant leeft, maar hij leeft maar een beetje. Hij staat op de vensterbank, ‘kijkt’ naar buiten, naar de straat waar hij nooit op mag en de regen die hij nooit zal voelen en naar binnen: naar de mensen die hem als decoratie zien en hem – als hij geluk heeft – af en toe water geven. Een kamerplant is de schakel tussen binnen en buiten, tussen de plantaardige wereld zoals die was toen er nog geen dieren en mensen waren en de wereld van nu, met huizen volgestouwd met spullen in een poging een eigen plek te creëren. Die kamerplant moet daar maar ongevraagd onderdeel van uitmaken. Wist je trouwens dat de groenindustrie de term ‘kamerplant’ langzaam aan het vervangen is door ‘woonplant’? Alles moet beginnen met een werkwoord, dat klinkt actiever. Straks komt er nog een beleefplant of een sterfplant, verschrikkelijk.
 
In het interview met Meander uit 2011 deed je een beroep op ‘meerstijligheid’. Toch roemde Delphine Lecompte je gedichten om een eigen sterke stem en typeerde ze je gedichten als eenvoudig en gedurfd. Kun jij je vinden in deze typering?
Het is in ieder geval wel het type gedichten dat ik zelf graag lees. Ik houd van gedichten waarin de dichter zichzelf een beetje voor lul zet. Dat je het gevoel hebt dat er iets op het spel staat. Gedichten die zich lijken te verbergen achter teveel mooie woorden, teveel verschillende ideeën, daar heb ik minder mee. Het kan ook luiheid zijn; dat ik geen zin heb die codetaal te ontcijferen om erachter te komen wat de dichter eigenlijk wilde zeggen. Maar, alleen de eerste laag van het gedicht hoeft wat mij betreft direct helder te zijn, daarachter mogen best dingen zitten die om meer hoofdruimte vragen. Of ik zelf dit soort gedichten schrijf weet ik niet, maar ik streef het wel na.
 
Heb je het gevoel je eigen stijl de laatste jaren meer gevonden te hebben?
Ja, maar ik ben er vooral met terugwerkende kracht achter gekomen dat het met die meerstijligheid wel meeviel. Ik vond het leuk om verschillende soorten gedichten uit te proberen, zoals bijvoorbeeld een ready made met bestaande stukjes tekst uit een folder van een Drents veenmuseum. Maar uit de zinnen die ik koos bleek toch wel een fascinatie voor licht tragische taferelen, gecombineerd met een onstilbaar enthousiasme er iets van te maken. Ook al kies ik een andere stijl of zelfs de woorden van een ander, dezelfde thema’s blijven terugkeren. Mijn bundel bevat gedichten die geschreven zijn over een periode van ongeveer vijf jaar en toch passen ze goed bij elkaar, dus zo meerstijlig was ik nu ook weer niet.
 
Hoe zit het eigenlijk met die roman over het tuincentrum?
Die zit nog steeds in de beginfase. Ik ben wel van plan om in een andere wereld te infiltreren en daar over te schrijven, maar ik zeg liever niet welke want ik moet natuurlijk wel aangenomen of toegelaten worden. Mijn beeld van tuincentra is de afgelopen jaren trouwens erg veranderd. Ik wist wel dat ze mensen hun pretparkachtige tuinopvattingen weerspiegelen en geen romantische plantenwerelden zijn. Door mijn werk bij Greenpeace ben ik er echter achter gekomen dat er veel tuincentra zijn die planten verkopen met daarop in de EU zwaar verboden bestrijdingsmiddelen, waardoor bijvoorbeeld bijen sterven. Dus als ik nu nog een roman over een tuincentrum zou schrijven, zou het eerder een apocalyptische thriller worden.
 
Samen met dichter en verloofde Alexis de Roode woon je in het dorpje Maarssen. Wat doet het dorpsleven met je poëzie?
Ik houd vooral van de tegenstelling tussen stad en platteland. Ik ben veel in Utrecht en Amsterdam en dan is het heerlijk om ’s avonds uit te stappen tussen water en weilanden. De stad wordt ook interessanter als je er niet altijd bent, merk ik. De afwisseling tussen beide is perfect. Maar laat ik het niet romantiseren; in feite is Maarssen een aan Utrecht vastgegroeid dorp met een snelweg erlangs. Om van mijn claustrofobie af te komen ga ik naar Zweden.
 
De laatste jaren stond je vooral op het podium als presentatrice. Gaan we je de komende jaren weer vaker als dichter op het podium zien?
Dat zou ik wel leuk vinden. Ik draag graag mijn gedichten voor, maar het presenteren heeft de laatste tijd inderdaad de overhand gekregen. Ik vind het geweldig om een hele avond aan elkaar te praten met alle adrenaline en prettige ongeregeldheden die daarbij horen. Door het vaker te doen krijg ik ook de kans er steeds iets beter in te worden. Daardoor sta ik nu ook met mijn gedichten beter op het podium dan een paar jaar terug. 
 

Schrijven met een scalpel

 

In 2012 interviewde Meander Daniël Vis (1988), een jong dichttalent dat opviel door zijn rauwe toon en succes op het podium. Anno nu kan Vis zichzelf Nederlands Kampioen Poetryslam 2014 noemen. Zijn debuut, crowdsurfen op laag water, verschijnt deze maand bij uitgeverij Prometheus. Hij schrijft nog steeds scherp en cynisch, maar zijn werk lijkt daarnaast kaler geworden, meer gebroken. Vis: ‘Alles wat ik maak, breek ik ook weer af.’

Daniël VisDe sfeer in crowdsurfen op laag water doet denken aan Oostbloklanden. Daar waar je in het barhoekje een paar pinten bier of glazen wodka wegwerkt. Af en toe mag er gebulderd en gezongen worden, maar niet zonder zelfspot. Wat heerst is verveling, het ‘Man bijt hond’-sfeertje van een oude boer die elke avond bloemkool eet. ’Ze houden elkaar in evenwicht: de straat en het abstracte leven.’ Vis registreert en ontleedt zijn omgeving. ‘Schrijven met een scalpel’ noemt hij het zelf. Elk woord in deze bundel lijkt dan ook zorgvuldig gecomponeerd. Toch is Vis geen puzzeldichter: ‘Er moeten een eerste laag inzitten die iedereen begrijpt, daaronder wordt het moeilijk. Als ik aan het schrijven ben moet ik niet nadenken over of het werkt of niet. Pas later ga ik nadenken, schaven, schuiven, totdat alles op zijn plek valt. Bovenal moet je iets schrijven wat klinkt als jezelf. Als je geluk hebt werkt het.’ De eigen stem van Vis loopt duidelijk door de bundel heen. Zijn waarnemende blik zorgt voor een externe toon in de gedichten. Deze kijk heeft Vis van jongs af aan: ‘Er is een psychologische, soort freudiaanse oorsprong in die afstand waarmee ik waarneem. In een rapport van groep vier staat: ‘’Hij kan zich slecht concentreren, hij ziet alles in de klas.’’ En ook: ‘’Daniël kan zich prima alleen vermaken.’’ Ik ben altijd een afgeleid mens geweest, een buitenstaander.’

Vrijwel alles wat Vis schrijft gaat over het sociale: ‘Ik schrijf over het beklemmende, niet sociaal ingebed zijn. Mensen voelen zich ongemakkelijk bij afwijkingen, omdat het iets zegt over de rol die ze zelf spelen. Het dwingt hen tot evalueren van ‘’wat hoort’’. Ik houd hiervan, aannames op losse schroeven zetten. Wrijving geeft beweging en creëert vragen. Ik schrijf in beelden over mensen, omdat het menselijke misschien het enige is waar je een vorm van begrip van hebt. Het leven betekent alleen maar iets op menselijk niveau. Soms vraag ik mij af wat er zou gebeuren als ik in de supermarkt opeens een heel schap leeg trek. Er is maar zo weinig nodig om je te onttrekken aan het sociale spel of gewoon van het padje af te gaan.’
Ook in zijn bundel blijft Daniël niet op het pad. Hij laat zijn hoofdpersonen subtiel spartelen in twijfel en schaamte. Dit doet hij door de schijn te laten zien, dat we alles onder controle zouden hebben, het verbergen en eigenlijk jezelf niet kunnen verbergen. ‘Als ik een esthetica zou moeten verdedigen dan is het de esthetica van het vuile. Het falen en constant streven daar zit humor in. Als je er niet om kunt lachen, what the fuck kan je er dan nog mee. Ik denk dat sommige mensen niet beseffen hoe serieus grappen eigenlijk zijn. Mijn poëzie is geen stand-up comedy, er gebeurt wel iets meer wezenlijks dan dat.’
Het nihilisme vanwaaruit Vis werkt is nauw verwant met alleen zijn. ‘De titel Crowdsurfen op laag water is de beste beschrijving van die thematiek. Op Lowlands zag ik een bandje in een van de tenten hard hun best doen, terwijl het veel te kleine publiek absoluut niks leek te willen geven. Ik dacht: Als de zanger nu het publiek in springt om te crowdsurfen dan valt hij meteen half dood op de grond. Je staat er uiteindelijk alleen voor. Dit lees je ook in een verhaal van de Baron van Münchhausen. Daarin trekt hij zichzelf aan zijn haren uit een moeras. En dat is denk ik hoe het in elkaar zit. Je bent de hele tijd jezelf aan je eigen haren uit het moeras aan het trekken. Er wordt de hele tijd shit opgebouwd en ook weer afgebroken. Het niets in het menselijke vind ik eng, dat alle communicatie uiteindelijk neerkomt op vraagtekens. Tegelijkertijd is het vermakelijk. Zelfdestructie. Ik heb een haat-liefde verhouding met alleen zijn.’ 
 

Een kwart van alle paperclips raakt kwijt

 

Na een zoektocht van beeldhouwen, theaters bezoeken en dagboeken schrijven kwam Tim Pardijs (1978) bij poëzie uit. ‘Dit is het’, dacht hij. Vijf jaar later werd hij stadsdichter van Zutphen. Met zijn gedichten blijkt Tim een bruggenbouwer. Hij valt op door de heldere toon in zijn werk en zijn vermogen om raakvlakken te creëren tussen de literatuur en de ‘gewone wereld.’ Hij staat dan ook graag voor publiek, schrijft live gedichten voor congressen en organiseert literaire avonden met dichtersverband Kopwit. Januari 2015 verschijnt zijn debuutbundel met stadsgedichten. Pardijs lijkt altijd bezig. Meander sprak met hem over de meerduidigheid van taal, waar het schrijven begon, paperclips en straatdrempels.

Tim PardijsDe dichter van nu
Dat het clichébeeld van de dichter als bebaarde einzelgänger al lang van de baan is, bewijst Tim Pardijs. Zijn handdruk is stevig, zijn kleding nonchalant, een kruising tussen een boerenjongen en een zakenman. We gaan zitten op het terras. De asbak op de gedichten, Tim steekt alvast een sigaretje op. Hij heeft iets straks en toch iets losjes, net als zijn gedichten. In zijn taalgebruik zit controle. Zo schrijft hij in het gedicht ‘Nieuwbouw’: ‘hoofdparkeerplaats waar ik al mijn knikkers verloor/ en het hart van Diana won, of was het anders-/ om de ruimte in mijn hoofd staan hekken in de wind.’ Tim speelt subtiel met taal. ‘Ik houd van de meerduidigheid van woorden, dit maakt een gedicht open. Toch is taal voor mij geen doel op zich, maar een middel.’
 
Van scholier naar stadsdichter
Tims interesse in poëzie begon al vroeg. ‘Mijn leraar Nederlands vertelde over Music Hall, de bloemlezing van Paul van Ostaijen. Ik snapte niet veel van de gedichten, maar het was anders dan wat ik kende. De mogelijkheden van de taal inspireerden mij.’ In de jaren daarna schreef hij dagboeken, deed pogingen tot korte verhalen en studeerde Journalistiek. Hij waagde zich pas aan poëzie in 2008. ‘Ik was getrouwd en had een aantal jaren een baan, maar ik miste nog iets, een mogelijkheid om me creatief te uiten. Ik begon een zoektocht. Ik heb beeldhouwen geprobeerd, theater, concerten, zelfs een paar maanden skaten, maar dat was het niet. Toen ik op een poëzieavond kwam waar Ramsey Nasr een kleine lezing gaf, wist ik het meteen: dit is het, hoe hij dat vertelde, dat alles kan met taal.’ Pardijs maakte zijn start bij het open podium van Kopwit, radio 1 en bij literair productiehuis Wintertuin. ‘In het begin schreef ik nog te individueel en in een dagboekstijl. Dat hebben ze mij snel afgeleerd.’
 
Ready mades 
 Van dat individuele is dan ook minder te zien in Tims huidige gedichten. In het gedicht ‘Nieuwbouw’ schrijft hij: weer een stap verder in de realisatie van een servicegebied/ zonder zorgen. Beschadigde onderdelen worden weggewerkt / wat lagere lasten voor de nieuwe huurders betekent. Hier spreekt een sterke, haast zakelijke stem. Tim: ‘’Nieuwbouw’ is een ready made, bij deze techniek maak je van bestaande teksten een nieuw gedicht. Bij ‘Nieuwbouw’ heb ik een internetbericht gebruikt over nieuwe zorgappartementen op de plek van mijn oude school, in combinatie met herinneringen aan de lagere schooltijd. Ook Wikipedia is een goede inspiratiebron. Ik heb ooit een gedicht geschreven op een foto van een meisje dat in Zutphen vermoord werd gevonden. Ze had oorbellen van paperclips. Op Wikipedia vond ik: ‘‘Een kwart van alle paperclips raakt kwijt.’’’
 
Een eigen stem
Als stadsdichter schrijft Tim veel in opdracht. Afwisselend van poëzie bij stadsbeelden tot live poëzie bij de gemeenteraadsverkiezingen. ‘Ik voel me soms een kameleon, ik kan mij makkelijk staande houden in veel verschillende omgevingen. Vaak komt er bij een zakelijk gedicht vanzelf iets persoonlijks in, die combinatie maakt het spannend.’ Bij radio 1 leerde hij al in opdracht te schrijven en ook de techniek met ready mades zorgde voor opdrachten. Toch schrijft Tim ook vrij werk. ‘Mijn vrije werk is persoonlijker, maar moeilijker om te schrijven. Ik heb dan alleen mijn eigen stem. Inspiratie haal ik vaak uit beelden. Dan denk ik: hoe kun je dit op een andere manier zien? Zo heb ik een gedicht over een drempel in mijn woonwijk. Ik dacht: wat zou een drempel zeggen? Dus gaf ik hem een stem.’ In opdracht schrijven past bij Tim, maar het is de vraag of dit ten koste gaat van zijn eigen, persoonlijke stem. ‘Nu ik erover nadenk, als ik vrij werk schrijf geef ik mezelf meestal een opdracht, misschien is het mijn manier van werken geworden. Hoe zou ik schrijven als ik geen middelen van buiten had? Dat blijft een interessante vraag. Misschien geeft elke dichter zichzelf wel opdrachten. Echt persoonlijk schrijven is ook een beetje eng.’
 

‘Ik zou het liefst alle plotten van de wereld willen leven’

 

‘Weggaan en houden van, daar ben ik eigenlijk wel veel mee bezig’,  aldus Amarantha Groen (1989). Ze reist graag naar verre landen en maakt daar haar eigen kleine thuis. Ze houdt van alles wat levend is: poëzie, jazz, soul, andere mensen en haar katten. Zeven jaar geleden schreef ze ‘per ongeluk’ het eerste gedicht waar ze nog steeds tevreden over is. Sindsdien publiceerde ze in: De Brakke Hond, Meander, Met Andere Zinnen, Krakatau en Daidallain. Ook op literaire festivals bleef ze niet onbekend. Zo stond ze onder andere op ‘Onbederf’lijk Vers’ en ‘Dichters in de Prinsentuin’. Meander sprak met haar over de taal die doodt, het categoriseren van de filosofie en de verborgen geschiedenis van de dingen.

Amarantha GroenAmarantha schenkt twee glazen wijn vol en roert een paar keer in de pan. ‘Eten en poëzie gaan goed samen’, zegt ze en ze glimlacht. De dichteres is bezig met een manuscript voor haar eerste bundel: ‘Ik wil het inzenden, maar eerst wil ik nog lezen, schaven en schrijven.’
Hoewel zij in haar gedichten aandacht besteedt aan esthetiek, schrijft Amarantha niet alleen voor de schoonheid: ‘Voor mij is esthetiek geen ornamentiek, maar ik wil er ook geen cognitief spelletje van maken. Als ik begin met schrijven weet ik zelf vaak nog niet waar het gedicht over zal gaan.’ Dit is ook terug te zien in haar werkwijze: schrijven, aftasten en verrast worden. Ze houdt er niet van om haar werk tot op het bot te analyseren of te overdenken. Poëzie is meer dan alleen de betekenis. ‘Ik pak iets aan, een beeld, een zin, een woord en dan ontvouwt het zich verder. De beste ideeën ontstaan niet omdat je de hele tijd aan het denken bent, de beste ideeën ontvallen je. We zijn niet altijd de meester van onze gedachten.’ 
De ruimte die Amarantha haar gedichten gunt levert interessante invallen op. Zo beschrijft ze in het gedicht ‘Hazenogen’ wolken als ‘bovenaards dons, met een dichtheid die niet sluit’  en vergelijkt ze in ‘Tapijt’ het bouwen van blokken met seks.
In andere gedichten schrijft ze over ‘tollende katten high van het bijna aangeraakt’ en ligt er iemand ‘in tedere afwachting op het plafond van iemand anders.’ ‘Er zit wel degelijk een thema of bedoeling in dit soort zinnen. Het is niet zo dat ik hier en daar wat pak en bij elkaar gooi. Op de vraag of dat dan absurdistisch is, antwoordt ze: ‘Misschien heb ik dan gewoon een absurdistisch hoofd.’ 
 Haar achtergrond als oud-filosofiestudent verwerkt ze liever niet te veel in haar gedichten. ‘Filosofie probeert vaak te vatten, te grijpen en te categoriseren. Taal die doodt. In mijn poëzie streef ik naar meer openheid. De wereld beweegt, maar formele taal is daar soms te statisch voor. Ik denk dat de dichtkunst het meest in de buurt komt van taal die niet doodt. Ik wil het ongrijpbare niet grijpen, want als ik dat probeer dan heb ik het niet meer. Ik vraag me af hoe ik kan omgaan met iets buiten mezelf zonder het me toe te eigenen.’ 
 
Hoe meer ik met Amarantha praat, hoe meer er een verlangen naar openen en creëren naar voren komt. Ze noemt het zelf ‘Een andere manier van relateren en het zoeken naar een taal die dat toelaat’. Over haar huidige studie Genderwetenschappen zegt ze: ‘Ik wil niet weten wat mannen en vrouwen zijn, ik wil weten wat ze kunnen worden. Ik wil de vraag opnieuw openen.’ Amarantha creëert naast nieuwe vragen, beelden en openingen ook nieuwe werelden voor zichzelf. Ze houdt van het idee opnieuw te kunnen beginnen. Zo woonde ze in Berlijn, Keulen, Rotterdam, Nijmegen en Utrecht. ‘Ik zou het liefst alle plotten van de wereld uit willen werken of willen leven, maar ik ben eigenlijk helemaal niet zo’n avonturier. Als ik in een nieuwe stad of in een nieuw land woon, dan probeer ik mijn eigen miniatuurlandje te maken. Mijn eigen bakker, mijn eigen boekwinkel. De eerste twee weken ga ik misschien niet verder dan vijf straten. Nu ik weer terug in Nederland ben, probeer ik een tijdje op dezelfde plek te blijven. Iemand zei me ooit: ‘Het moeilijkste leven is een normaal leven.’’
Toen Amarantha in Duitsland woonde, stond het schrijven even stil. ‘Dichten is iets wat een lange tijd weg kan zijn en dan ineens weer opduikt. Soms kan dat frustrerend zijn, maar het blijft iets wat me niet zo snel loslaat.’ Voor inspiratie hoeft ze niet ver te gaan. ‘De geschiedenis van voorwerpen fascineert me. Dat alles om ons heen op allerlei plaatsen is geweest en dat we daar zo weinig over weten. Die anonimiteit, niet alleen van dingen maar ook van personen. Dat er allemaal mensen onder ons leven waar ik niets van weet. Ik voel me soms een beetje hopeloos bij de gedachte dat er zoveel mensen zijn.’