Gedichten

Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Hella Brugts (1961)

Borsten

Vandaag hebben mijn borsten voor mij gekozen.
Ze blijven, als mango’s zei de nachtelijke zuster;
ik wist het en vergat het weer. Zeer rust niet, al
is het van mijn moeder, haar zus en zus.

Alsof ik hun borsten terug huil, voorgoed.
Hun zachte huid, voedende gave, de tinteling en
ronde schoonheid … ze blijven. Ik ontbloot mezelf
voor de spiegel, dankbaar voor dit tweede leven.
De zegen van een tunnel die kan zien. Ik werd erin
gelegd, de weg terug om vooruit te komen. Mijn
lijf herinnert de beklemming en wacht op de wee.

Volhouden nu, ze rijpen, nooit meer zullen ze
verharden, niets en niemand mag ze verharden.
De liefde leeft sijpelend uit haar tepels. De zon
spiegelt zich erin als een omgekeerde droom.

Ja allicht, mijn borsten zijn mango’s.

Ezra Hakze (1993)

IJsvogel

Toen zij ‘stom’ van doofheid onderscheidde,
was ze jong maar met een mond vol tanden.

Leerde zij de taal om niet te spreken
en las het woordenboek tot introvert.

Totdat zijzelf zo werd.
‘Stom’ was spraak die wraak nam,
op de mensen zoals zij.

Ze weet wel dat ze langzaamaan ontdooit.

Maar meer nog dan het ijs
doorbreekt bij elk nieuw woord

de stilte.

Truus Roeygens (1964)

Gezelschapsvers

ze speelt met haar handen
haar handen luisteren als honden
ze is geïntrigeerd door de dreiging en tegelijk de redding die van handen uitgaat
ze droomt van olifanten in een sneeuwlandschap
ze voelt medelijden met de personen als uitgespuwde prooien
in het portiek van staatsgebouwen, ze geeft ze een chique goot in versregels
ze houdt van het gezelschap van mannen
ze houdt van het spel met vrouwen
ze houdt van het gruis in haar dorp en van de natte stukken in de stad            
                      
maar ze kan nooit lang blijven
ze wordt zoals de haarborstel of de moersleutel
altijd op de verkeerde plek teruggelegd
haar hart is als
een oude stad
er is de oude kern
en er zijn de nieuwe delen

Gedichten

Kees Keizer (1952)

“Dichters zijn schakers. Een subliem gedicht zet iedereen mat, doch op een verrukkelijke wijze. Zo bezien speel ik elke dag wel een partij en ben aanschouwer van vele andere tweekampen.”

 
 

Langs helder pad

Vannacht vroeg ik mijn vader
naar het geheim achter de terloopsheid
van daagse dingen
ik reikte hem de driftige deining aan
van onze wanordelijke dagen
sprak over de onmacht van voormannen
en overmoedige vlagvoerders
toonde hem de bloedsporen over bleke lijven

wachtend sluimerde ik verder
hij antwoordde niet
misschien omdat hij al jaren in graven slaapt

vandaag wandel ik door de contouren van
dromerige duidingen
ze ontwaken uit het groen van wiegend blad
kabbelen over gepolijste plassen
de eenvoud van chaos openbaart zich
in heldere, verstaanbare natuurwoorden

antwoorden met het accent
van mijn ontslapen verwekker.

 

Hella Brugts (1961)

“Niemand kan schrijven wat ik schrijf en wat ik geschreven heb zal ik ook nooit meer zo schrijven.”

 
 

VINDEN

bang dat ik een keer te veel
heb geschoven met wat dichtbij
zocht naar een uit te geven versie
van een half neergelegd leven in
taal die gutst van schoon en waar
de tijd vermist is geraakt in de
hongerige roep van nooit genoeg
papier om het weten veilig te
stellen in zwart op witte leugens
die morgen vervagen door de
kleuren van vandaag opnieuw
te vatten als perpetuum mobile
van de vergeten vergissing dat
het leven van her kenbaar is

zoek zijn de letters die
mijn kunst opraapten
evengoed voorbij
maar wel
denk ik
of niet toch
wijselijk gewenst
als Mona Lisa ‘s lach
voor de verwondering

 

Geerten van Gelder (1953)

“Poëzie is het (laten) uitkristalliseren van bijzondere dingen in het leven en ze zo een plaats geven.”

 
 

rug aan rug
stevig in de bank
i-pad op schoot
kat op schoot
i-phone aan het oor
televisie hard aan
babbeltje
kijken
glas thee erbij
fles wijn ernaast
koekje
zoutje
geen last van elkaar
met een spouwmuur ertussen