Recensie van Het moeten eenhoorns zijn - Floor Buschenhenke

Gelaagdheid krijgt een nieuwe betekenis

Floor Buschenhenke
Het moeten eenhoorns zijn
Uitgever: Atlas Contact
2014
ISBN 9789025442897
€ 17,99
60 blz.

Het is prettig verblijven in de werelden van Floor Buschenhenke. Werelden, meervoud, want deze dichteres is niet op één wereld vast te pinnen. In haar tweede bundel, Het moeten eenhoorns zijn, stuitert ze van de ene wereldbol naar de andere als in een ballenbak. ‘/Schoenen uit en springen maar//’ zo eindigt een gedicht met de titel ‘bol.’ Poëzie om vrolijk van te worden, maar dat niet alleen. Zoals ik al opmerkte: er is meer onder de zon in de gedichten van Buschenhenke. Kijk eens hoe zij zich de hypothese van de rechtvaardige wereld uit de sociale psychologie toe-eigent:
 

de rechtvaardige-wereldtheorie

je verpakt je mazzel blindelings
in de rechtvaardige-wereldtheorie
als een wollen sjaal knoop je hem vast,
doet bij elke knoop een wens,
hoe warm en zacht is de wereld geworden

een representatieve buitenlaag van
‘als-dan’-denken dekt je toe
als ik mijn multivitaminen slik dan
als ik goed mijn best doe dan
als ik over mijn kinderen waak dan 

en daaronder, dicht tegen je aan,
de mottige voering van ‘hadden-ze-maar-niet’
de verslaafden, de onderbewindgestelden,
de vervloekten, de aangeranden,
de vluchtelingen, de werkelozen,
de doden 

je zult je sjaal afwinden en naakt
onder onverschillige sterren
de nacht in lopen, als je geest
te stram is om knopen te ontrafelen,
zul je een handje geholpen worden 

later zul je jankend naar de maan
de tijd verdrijven
tot je wolvenvacht doorkomt 

Het begrip ‘gelaagdheid’ krijgt hier een nieuwe betekenis. Je kunt verdwalen tussen de lagen van haar poëzie. Meerduidigheid maakt die spannend. Het gedicht ‘festina lente’ had voor mij meteen al een dubbele betekenis, vanwege het gelijknamige café waar poëzieslams worden georganiseerd. De man die met slakken vecht was voor mij onmiddellijk een dichter. Pas in tweede instantie besefte ik de eigenlijke betekenis van de titel. Ik weet niet of Buschenhenke hiermee een inside joke voor dichters heeft gemaakt, of dat de associatie met het café voor mijn eigen rekening is. Het blijven zalige zinnen en beelden.
 

festina lente

de man die met slakken vecht
kruipt slijtend over straat
doet drie jaar over een blokje om

na de regen stijgen sporen op, de geur van
rottingsprocessen, van vervellen
komen ze aan de straten sabbelen
de planten labyrintisch perforeren
de man die met slakken vecht zet de achtervolging uit
stopt even, plukt ze zo van de muren, de mond in 

met zijn schrale kant wrijft hij regen in de tegels
zijn bovenkant is de zware kant
in zijn kaalgevreten kant, de binnenkant, raast en krijst het,
een oorlogstribunaal op valsnelheid

de rinkelende sleutelbos aan zijn oorlel
klinkt als een herinnering, van zacht tapijt
muren overwoekerd door familiefoto’s
soepdampen in een donkere hal
zit er een gaatje in je hoofd ofzo? Een sleutelgaatje? 

De man die met slakken
kantelt, spiraalt zich ondersteboven
verlaat het huis op zijn rug
ontvangt de regen op zijn uitgerolde tong

Wat ik zeg: het is fijn verdwalen in Buschenhenkes gedichten. Ze heeft een breed spectrum aan poëtische middelen en beelden, van mythologische wezens, de belevingswereld van kinderen tot al dan niet bestaande technische wonderen. Een van mijn favoriete gedichten is ‘spectatron 2000©’, waarin een machine wordt uitgevonden tegen naar binnen sneeuwende geliefden. In dit gedicht worden ook de eenhoorns uit de titel van de bundel verklaard. En dat mag iedereen zelf lezen in deze fijne verzameling werelden.

***

Floor Buschenhenke (1978) is dichter, tekstschrijver en schrijfcoach. In 2009 verscheen haar eerste bundel Eiland op sterk water.
 

Recensie van Eiland op sterk water - Floor Buschenhenke

Belofte maakt schuld

Floor Buschenhenke
Eiland op sterk water
Uitgever: Atlas
2009
ISBN 9789045001166
€ 18,50
48 blz.

Bij het samenstellen van de recent uitgekomen Meanderbundel Nog een lente waren we in de afleveringen van de rubriek ‘Dichters’ vooral op zoek naar dichters waar we belofte in zagen. Nu is dat natuurlijk een vaag begrip maar voor mij houdt die belofte in ieder geval in dat je van de betreffende dichter in de niet al te verre toekomst een sterke debuutbundel (in sommige gevallen tweede bundel) kan verwachten. Het is dan ook niet zo heel verbazend dat in oktober 2009, toen we nog druk doende waren de bundel af te maken, Eiland op sterk water, het debuut van Floor Buschenhenke (1978), één van onze ‘dertig’, verscheen.
Een spannend moment. Want belofte maakt schuld, zogezegd.

En ook eigenlijk weer niet zo heel spannend. Want niet alleen de gedichten die Buschenhenke in Meander publiceerde lieten een duidelijk eigen geluid horen. Ook haar publicaties elders toonden consequent een lichtvoetig dichteres met gevoel voor humor.
Buschenhenkes gedichten zijn vaak kleine, absurde vertellinkjes die met iedere regel verder afdwalen van wat er verteld leek te gaan worden en uitmonden in een open einde.
En zo is het ook in Eiland op sterk water, dat overigens veel van die her en der gepubliceerde gedichten bevat. In deze bundel staan veel van die schijnbaar laconiek kabbelende verhaaltjes waarvan de angel net onder de oppervlakte zit. Zoals in ‘Hemelkaart’.

Hemelkaart
Voor Jurgens moedervlekken

jij draagt de melkweg met je mee
mijn nagel bleef net haken achter Mars

de sterren op je huid branden gaatjes in je trui
dit stelsel van licht heeft jarenlang gereisd

je bent mijn hemelkaart maar ik vraag me af
wanneer zal ik je zien zoals je vandaag was?

Het beeld is leuk en origineel. Maar het kan makkelijk wat al te luchtig worden allemaal als het blijft bij het bewonderen van het geliefde lichaam. Door de cryptische, maar duidelijk bezorgde, vraag in de laatste regel komt het hele gedicht in een ander licht te staan en blijft het, ook bij herlezing, interessant.

Wat wel opvalt is dat Buschenhenke, ondanks de verhalende stijl van haar gedichten, er vaak niet voor kiest om de ‘gewone’ interpunctie – zinnen die met een hoofdletter beginnen en eindigen met een punt – toe te passen. Er is een aantal gedichten waarin ze dat wel doet, maar de motivatie van de keuze voor of tegen, zo merkte ook Edwin Fagel in zijn recensie voor DeRecensent.nl op, is onduidelijk. Een keuze voor het een of het ander, met wat mij betreft een voorkeur voor de vorm mét hoofletters, had de bundel meer eenheid gegeven.

Inhoudelijk is die eenheid er gelukkig wel heel sterk. Er zit een duidelijk invoelbaar verloop in de (titels van de) afdelingen. Alle gedichten in de eerste afdeling ‘Ondertussen bij de elektronen’ handelen op de één of andere manier om de relatie van het ‘ik’ met de buitenwereld. Soms heeft die buitenwereld de gedaante van de zon, het heelal, de aarde zelf of gewoon een tafel. Of hij manifesteert zich als taal. Of een beetje van allebei. In de meeste gevallen komt de tegenstelling het duidelijkst naar voren in die bij Buschenhenke zo belangrijke laatste regels:

mensen talen een mol een mol,
een ik een ik
(Vogelman)

de tafel houdt haar handen vast
(Huisvrouw)

Hij staat op een bordes en ziet een duif, in een boom,
alleen nog maar de duif, zijn groezelige grijs
als de lucht maar gewichtiger, als een punt na een zin.
(De lijfwachtenleesclub)

en doe de nacht open
en laat me eruit.
(De vampier denkt na over de tijd)

Er zal gezwommen worden zonder zwemmer.
(Zwemles)

– de grond hier op de heuvel is heilig –
(Iona)

In de volgende afdeling (in de titel al) duikt er een ‘je’ op: ‘ik wieg je met 500 meter per seconde’ (wat een rare formulering is dat: ‘wiegen’ impliceert een heen-en-weer gaande beweging. Zou je die willen kwantificeren, dan zou je eerder denken aan een frequentie dan aan een snelheid). De nadruk lijkt te verschuiven van het ‘ich und die welt’ naar het intermenselijke. In deze afdeling komt ook de tegenstelling tussen het exacte en het onmeetbare sterk naar voren.

In ‘Wat niet breken kan, wil branden’ wordt de toon wat zwaarder en de thematiek wat minder vast omlijnd, hoewel de cyclus ‘De drie karakteristieken’ zeker origineel is en thematisch goed aansluit bij de vorige afdelingen. Buschenhenke behandelt in deze cyclus op haar eigen manier de drie fundamentele eigenschappen van alles wat bestaat, zoals geformuleerd door Boeddha: beperkte duur (annica) onrust/onbetrouwbaarheid (dukkha) en oncontroleerbaarheid (anatta). Met ‘Breinworm’ bevat de afdeling ook nog een echt ‘Buschenhenke-gedicht’.

In de laatste afdeling, ‘En om je belofte’, staan kwetsbaarheid en angst, sowieso al een thema in deze bundel, schijnbaar centraal. Deze afdeling bevat een aantal wat zwakkere gedichten, maar ook ‘Mannenpyjamafeestje’, dat de kwetsbaarheid van de man in pijnlijke beelden toont:

later schuifelen de pyjamamannen
door de gang, zitten buiten te roken
of slaan ergens tegenaan
dan horen ze de moeders en de dochters:
‘gekkie, knoop dat knoopje even dicht’

We kunnen bij Meander niet beweren dat we Floor Buschenhenke ontdekt hebben maar zeker na haar opname in Nog een lente is ze toch wel een klein beetje ‘van ons’. Daarom ben ik blij en trots dat Eiland op sterk water nog veel meer belooft.