Gedichten

Onlangs verscheen bij uitgeverij Koppernik de debuutbundel Club Brancuzzi van Maarten Buser.
Hieruit drie gedichten.

Belijdenis

Als jongens hebben we geprobeerd te bidden
tijdens een logeerpartij onder een te laag dak,
maar het buigen leek ons al het halve gebed

Volgens Claude moesten we wachten tot we gestommel
aan de andere kant van de lijn hoorden
We waren in slaap getuimeld voor het zover was

Opeens veerde Claude op. Hij vertelde later
dat er een stroompje door zijn botten schoot
Net als toen keken we elkaar niet aan,

maar ik wist dat hij op zijn lip beet
Hoe we ook ons best deden, we kwamen nooit dichterbij
dan zijn duizelige sterretjes en kanaries

Terravorming

Sinds kort eet Sybille bij voorkeur ‘licht-exotisch’,
omdat we ‘absolument moderne’ moeten zijn

Vandaag eten we, voor de derde keer al deze week,
kebab. Zij praat over wat te dragen

naar een sollicitatiegesprek; over welk gazon,
welke zitmaaier. We moeten alles heruitvinden,

dus we zijn. Claude werpt tegen: ‘De keuzes
die we maken, zijn allang gemaakt. Alleen het decor

wordt geregeld ververst.’ Ik had zo graag
met mijn vuist op tafel geslagen,

maar kijk naar de plastic fles knoflooksaus
omdat ik behoefte aan een middelpunt heb

Verdeling

Onze driehoek is een triangel
Ik zeg: ‘Ze moet mee.’ Claude knipoogt,

van de ene zuidpool naar de andere,
laat me nog eens de uitnodiging zien

Poëzie Kort februari 2016

 

Jane Leusink, Een grazende streep in de lucht

door Lennert Ras

Een grazende streep in de lucht is een goed doordachte bundel, een coherent geheel, bijna prozaïsch. Ze neemt je mee door de tijd, een grazende streep door de lucht, liefde, geboorte en vooral dood.

We worden meegenomen in het verhaal van de Shoa, maar de dichteres laat ook zien, dat er andere rampen zijn, die los staan van een onmenselijk regime. De dood krijgt ook de gedaante van een lijkhuisje en hoe heden ten dage mensen zich inspannen om dat te behouden, opdat de doden niet twee keer sterven.

Het is poëzie, maar er zijn duidelijke personages. Een vader, beeldhouwer en rokkenjager (maar ook vrouwen zijn jagers), een moeder, een kind. Joodse mensen met een naam. Liefde ontbreekt niet, soms in het kleine, en kort wordt scheiding aangestipt. In het leven en door de dood.

De bundel is een ode aan het leven in al haar facetten en ook een vanitas. Ze geeft je een gevoel van melancholie. Soms zie je de dichteres lijfelijk zitten achter de pc of het toetsenbord. De taal hapert nergens en is soms heel plastisch. Zoals in het gedicht ‘Tot het af is’ waarin het proces van beeldhouwen wordt geschetst: ‘Doordat de houwer zijn beeld bouwt uit een / vierkant blok, dat als eenheid beschouwt en / daar omheen werkt.’

De bundel springt van Sobibor naar Sneek en naar het Starkenborchkanaal. Een hond moet een geliefde vervangen. De stijl is rond en nergens schurend. Opeens staat ergens een stukje proza en er is zelfs een gedicht opgenomen in een gedicht.

De besproken thematiek zet aan het denken. Een grazende streep geeft een aangename leeservaring, die niet schuwt ook de hardheid van het bestaan onder woorden te brengen. Een caleidoscopische kijk op het leven, waarin ook de dood onderdeel is.

***

Jane Leusink (2015). Een grazende streep in de lucht. Uitgeverij Kleine Uil, 72 blz. € 15,-


Bart Chabot,
Bananenrepubliek

door Lennert Ras

Bananenrepubliek is een heel toegankelijke bundel en leest als een trein. Het is licht. Zelfs de dood is licht, een lolletje. De hoofdpersoon Richard, een arts met trekjes van God, heeft niet eens in de gaten dat hij dood is. De dood is licht. Behalve als de geliefde Tim zichzelf ophangt vanwege psychotische klachten, dan doet de dood even pijn.

Richard haalde naast Tim wel vaker jongens in huis. Pleegde hij daar ontucht mee? Je denkt van wel. Maar het wordt nergens uitgesproken. Zijn gezin schijnt te verzuipen, maar Richard blijft netjes op de spulletjes op het strand passen. Begraafplaatsen komen voorbij en er wordt overlegd of die moeten worden aangeharkt. De doden moeten zich nog maar rustig houden, want het is nog geen tijd. Uiteindelijk wast de zee het begraafplaatszand weg van Richards schoenen. Gaat hij zijn familie achterna.

Veel drama eigenlijk … maar spottend .. We doen er niet veel mee. Nederland, een bananenrepubliek.

***

Bart Chabot (2016). Bananenrepubliek. De Bezige Bij, 48 blz. € 16,90


Maarten Buser,
Club Brancuzzi

door Hans Puper

In zijn debuut Club Brancuzzi presenteert Buser een samenhangende reeks gedichten over drie jonge mensen: de ik-verteller, de kunstenaar Claude en het meisje Sybille. ‘Onze driehoek is een triangel’, zegt de ‘ik’ in het gedicht ‘Verdeling’. Een wensgedachte, want gaandeweg blijken de verhoudingen minder idyllisch te zijn: als een Judas – de titel van het betrokken gedicht is ‘Zilverlingen’ – verraadt Sybille hun vriend Claude door de ik-verteller mee uit te nemen; later is de ‘ik’ degene die geschokt is, doordat hij haar jas aan de kapstok van Claude ziet hangen. (‘Chez Claude’).

De gedichten vormen een hecht gestructureerd verhaal, wat niet betekent dat de lezer bij de hand wordt genomen: hij moet dat zelf herscheppen. De structuur zit hem in de vorm: Buser werkt met opvallend veel interne verwijzingen. Een paar voorbeelden uit zo’n reeks: Claude zegt in ‘Voorstudie’ een houten Christus te willen maken die ‘lijkt te trillen alsof / / Hij in- en uitademt, zoals jij en ik dat doen’. De ik-figuur haalt in ‘Dit lichaam’ een splinter (‘een stukje hout’) uit Sybilles nek en houdt het vast alsof hij communie heeft gedaan. In ‘Kalmerend groen’, als hij trekjes heeft gekregen van een lijdende Christus, zegt Claude echt niet te kunnen ademhalen. Het gedicht ‘Het zalven’ moet dan nog komen.

De dichter werkt ook met externe verwijzingen die – hoe kan het anders – samenhangen met de interne: veel bijbelverwijzingen en muziektitels die in hetzelfde betekenisveld liggen. Het motto is van de rapper Kendrick Lamar: ‘Halle Berry or Hallelujah’. ‘Radicaal kiezen voor het wereldse of juist het religieuze leven bieden beide geen oplossing’, schrijft Buser over dit citaat in een stuk over zijn favoriete songtekst. (http://passionateplatform.nl/2015/03/20/de-favoriete-songtekst-van-maarten-buser/)

Maar waar vind je die oplossing dan wel? In ‘Club Brancuzzi’? Dat kan een heilige plaats zijn die voor ieder van hen iets anders betekent. Kunstenaar Claude beweert in het gedicht ‘De uitnodiging (le commencement)’ dat de naam van de club verkeerd is gespeld. Wat zou de juiste spelling zijn? Brâncuși, de naam van de kunstenaar die net als hij een liefde voor hout had?
De ‘ik’ stelt zich in ‘Daar zijn’ voor dat er door de luiken van de club een ‘zacht gezoem’ ontsnapt, of een ‘vage geur van hogere / hitte’. Een verwijzing naar Nijhoff. Zoekt de ‘ik’ zijn bestemming in de poëzie? Niet voortdurend in ieder geval. Hij zal weer buitengesloten worden, maar ‘hoe dan ook / zal ik zeggen: Club Brancuzzi was subliem.’
Ze vinden de oplossing niet. Na ‘uitgebreid tegen de uitsmijter te hebben getierd’ omdat de naam van de club verkeerd is gespeld, wil Claude niet meer naar binnen en beent hij weg als een boze zenmonnik. In hetzelfde gedicht (‘Hier zijn’) zegt Sybille dat ook zij niet naar binnen wil: ze is bang voor de massa. ‘We besluiten dat naar huis lopen ook ascese is.’ Een nieuwe zoektocht?
Ze komen er niet uit. ‘Er is geen kerk in de wildernis’ luidt de titel van een van de gedichten, opnieuw een verwijzing, nu naar ‘No church in the wild’ van Frank Ocean – hij is te vinden in hetzelfde stuk over de favoriete songtekst.

Het moge duidelijk zijn dat Buser een veelbelovend dichter is. Toch stoort me iets: hij heeft het in Club Brancuzzi mijns inziens te mooi willen doen, waardoor de bundel enigszins lijdt aan overconstructie. Hij zou zijn gedichten meer lucht moeten geven, zonder bang te zijn dat er een paar ontsporen. De ik-verteller zegt in ‘Helletjes’ dat in een van zijn lievelingsliedjes een valse noot zit en dat hij daar steeds weer van schrikt. Die schrik heb ik in zijn bundel gemist.

***

Maarten Buser (2016). Club Brancuzzi. Koppernik, 64 blz. € 15,-


Kees Godefrooij,
Amoureuze mechanieken

door Hans Puper

De bundel Amoureuze mechanieken bevat vrije verzen, prozagedichten en voor het overgrote merendeel sonnetten.
Uit de sonnetten blijkt de fascinatie van Kees Godefrooij voor de 19e-eeuwse zwarte romantiek. ‘La belle dame sans merci’, vampirisme, het scheppen van schoonheid uit lijden, satanisme, l’ennui: al deze motieven zie je terug in Amoureuze mechanieken. Op het achterplat lezen we onder andere: ‘De zwarte Romantiek. Toen ( … ) gedichten en romans werden geschreven met het bloed uit de wonden van de ongelukkigen; men schreef ze met een gloeiende kool die nog stamde uit de brandstapel van de heilige inquisitie.’ Die heilige inquisitie komt niet uit de lucht vallen. Religie, en met name het katholicisme, was een dankbaar onderwerp in de zwarte romantiek. De nadruk lag op mystiek, pracht en praal, decadentie, vaak uitlopend in satanisme. In het sonnet ‘De twee zusters van liefde II’ klinkt op de achtergrond een duivelse behandeling van Jezus mee door de beide Maria’s:

Je wreedheid wakkert de levensdrift aan
liefje, dus bijt in z’n tepels terwijl
je vriendin hem aftrekt. Tja, zijn bestaan
krijgt pas betekenis wanneer jouw stijl

van liefkozen geest en lijf doen vergaan
de pijn die je hem schenkt trekt als een pijl
dwars door zijn vlees pal in het kruis, voortaan
zoekt hij bij jullie Maria’s zijn heil

jullie feeërieke boosaardigheid
tonen hem de duistere kanten van
de liefde van vóór zijn opstanding. Tijd

is de ware maîtresse van een man
liefje, alleen in het uur dat hij lijdt
is hij als mens waarachtig, alleen dan.

De sonnetten worden eentonig doordat ze zonder uitzondering het rijmschema abab/abab/cdc/dcd hebben, met daaraan gekoppeld de afwisseling van mannelijk en vrouwelijk volrijm. Dit keurslijf leidt nog wel eens tot rijmdwang. ‘Demonen’: ‘hij weet een listenvlechtster aan zijn zij / met offervaardigen die voor hem strijden // hij ziet hun tranen als een hete brij’. ‘Brij’ lijkt mij geen adequate omschrijving van tranen, ook niet vanuit het perspectief een vampier.

De sonnetten hebben iets geforceerds. Beter vind ik Godefrooij als hij de zwarte romantiek achter zich laat en een persoonlijk en direct geluid van weemoed en verval laat horen. Het prozagedicht ‘Pa’, een brief:
‘een biertje in de kroeg kost tegenwoordig € 2,50. Je hoort het goed, de euro is sinds 10 jaar het betaalmiddel in Nederland en grote delen van Europa. Naar guldens omgerekend is dat dus Fl. 5,50. Ja pa, ik wist dat je zo zou reageren, je draait je om in je graf en ik zal je maar niet vertellen wat een pakje shag kost. Regen en onweer gaan steeds vaker samen, dat komt door de klimaatopwarming
zeggen ze. Zoals jij vroeger al zag dat er geen kikkervisjes meer in de sloot zaten. Ik heb inmiddels de leeftijd bereikt waarop jij vier jaar moest ploeteren voor je pensionering en het gaat me goed. Mis alleen weleens onze zondagse wandelingen door het park naar Schiedam als we bij tante Grada op de thee gingen. Terug dan altijd met de bus. Je kleindochters zijn groot geworden. O ja, ma heeft haar laatste levensjaar doorgebracht in een verzorgingshuis bij mij op de hoek.’

***

Kees Godefrooij (2015). Amoureuze mechanieken. Uitgeverij Kontrast, 78 blz. € 15,00

Een lezer maakte mij er terecht op attent dat ik twee grammaticale fouten in het geciteerde gedicht niet heb benoemd. Het onderwerp van de bijzin ‘wanneer jouw stijl // van liefkozen geest en lijf doen vergaan’ (r. 4 en 5 ) is ‘jouw stijl van liefkozen’. De persoonsvorm ‘doen’ moet daarom zijn ‘doet.’ In de derde strofe gebeurt hetzelfde: ‘jullie feeërieke boosaardigheid / tonen hem de duistere kanten van / de liefde van vóór zijn opstanding’ . Onderwerp is het enkelvoudige ‘jullie feeërieke boosaardigheid’; de congruente persoonsvorm moet daarom ook hier in het enkelvoud staan: ‘toont’.

 


Ofran Badakhshani,
De banneling

door Hans Puper

De banneling is de eerste bundel van Ofran Badakhshani in het Nederlands. Een debutant is hij niet: in het Perzisch publiceerde hij reeds vijf bundels. Sander de Vaan publiceerde op 28 januari jongstleden een interview met hem in Meander. ( https://meandermagazine.net/wp/2016/01/alsof-brood-ergens-groeit/). Het wordt gevolgd door een keuze uit de gedichten van deze bundel.

De titel Een banneling is opvallend. Dat is niet zozeer een vluchteling, maar een uitgestotene. Door wie? Het land van herkomst, van aankomst of beide? De taal? Cultuur? De dichter verwoordt het verdriet van velen: ‘Ik ben een uiteengerukte ziel / die door vernedering en verdriet / beroofd is van rust ( … ) ik vlucht / om in het hart van het onbekende / uit te schreeuwen: / ik ben een banneling!’

De gedichten zijn voor het merendeel kort, maar dat betekent niet dat ze eenvoudig zijn. Een gedicht als ‘Herfst aanbid ik’ roept vragen op die niet makkelijk zijn te beantwoorden. Juist dat maakt het interessant:

Lente heb ik lief
maar herfst aanbid ik
herfst
de verlosser van bladeren
uit verbondenheid.

De ‘ik’ – die ik voor het gemak even de dichter noem – heeft de lente lief: de lente waarin nieuw leven ontstaat, bladeren groeien. In de herfst sterft het leven af: die vallende bladeren zijn dood of bijna dood. Kun je de dood aanbidden en tegelijkertijd het leven liefhebben? Sterker nog: die dood als een verlossing zien? En hoe zit het met die verbondenheid? Moet je die koppelen aan de herfst of aan de bladeren? In het laatste geval: is het een verlossing als bladeren hun onderlinge verbondenheid kwijtraken doordat de boom hen loslaat? Net als bij mensen die losraken van – bijvoorbeeld – hun geboorteland? Kun je dat als dood zien?

Jammer is, dat de bundel storende fouten bevat die bij een aandachtige redactie makkelijk vermeden hadden kunnen worden. De cursiveringen zijn van mij: ‘Ik vond haar / tussen een mist van uiteenlopende ideeën’ (‘Het leven’), Alleen / bewandel ik het pad der leven (‘De weg’), ‘beschaamd reikt hij de hand / om ons te bevrijden / van die ene euro / waarmee we niets kunt kopen’. (‘Levensliederen’). Ik gun Badakhshani een foutloze tweede druk.

***

Ofran Badakhshani (2015). De banneling. Uitgeverij Kontrast, 48 blz. € 15,-

Gedichten

Maarten Buser
Winnaar Bellum Poetica, de jaarlijkse poetry slam georganiseerd door studievereniging Awater

Beatrijs

Nu en mach minen lichame
Niet langher in dabijt gheduren

Ze hield meer van me dan ik
me voor kon stellen, dus nam ik,
terwijl ze nog sliep, de eerste bus

nadat ik hem mijn sleutel heb gegeven,
zodat hij bij haar in bed kon kruipen
Hij heeft mijn toestemming voor onder meer

lepeltje-lepeltje, maar hij weet dat ik,
jaren en studieboeken later,
aan z’n bed zal staan en hem weer af zal tikken

Marloes Robijn
Winnaar Leeuwarder Poetry Slam

Muren vallen niet

Het gaat er om de muren te behangen, dode dieren op te rapen
langs de weg. Naar beneden kijken als je wandelt, meenemen

wat je ziet. Hier zie je de opa omgeven door kasten

(vol mappen met brieven met stempels. Suikerzakjes (het liefst van
familiehotels), een kangoeroestaart, botten van terpen, onverwachte
stenen, een bericht van een koningin, noodzakelijke boeken meer
knipsels dan bladzij, hompjes van overblijfsels, opgedirkte vlinders)

en hier de oma

Het gaat er om de muren te wijden aan jaargangen
op planken, zelf zijn ze glad ontoegankelijk

neem er nooit te veel in huis

Het gaat er om de hoeken te vullen met stoelen
een voor de oma en een om uit op te veren

De vinger te leggen op voorwerpen, tegenlicht zoeken
voor wat je ziet. Misschien houdt alles alsnog

met elkaar verband

Hier zie je de oma in haar stoel. Na de val
kwam de kringloop voor wat kasten

Het gaat er om de afmetingen te behouden
niet te wijken voor de muren

Luuk Wojcik
Winnaar Gelderse Kampioenschappen Poetry Slam

OP EEN PLEIN

Dit is hoe een auto langzaam voorbij rijdt met
zoekende ogen achter de ruiten: dreigend, ’s avonds.
Een plastic zak is een autoraam.

Er staan bomen meer dan bankjes.
Er is altijd wel wat.

Hier loop je alsof je ieder moment een traptrede tegen kunt komen.
In een razend tempo groeien de stenen.
In een situatie vlakbij een casino schreeuwen mannen naar moeders.

Azuurblauwe neonletters van het hotel verlichten het gezicht
van het minderjarige meisje in de nachtwinkel.

Op de achterliggende weg zoeft een brommer voorbij.
Ik steek mijn arm uit, en maak van mijn hand een pistool, volg hem ermee.
Ik heb niets in mijn lichaam wat op kogels lijkt.

Roel Weerheijm
Gedeeld winnaar Pictura’s Poetryclash in Dordrecht

as is de opgerookte sigaret
as is je ontkleden voor het slapengaan
as is koffiedik
as is koffiedik littekens in mokken op een lege keukentafel
as is koffiedik of het oog boven de piramide?
as is vulkanen die barsten, roken, spuwen

vulkanen die slapen met hun oog dreigend geopend
as is de vrucht van de helling van de vulkaan

en de vrucht die aan de boom lachend lente hangt te zijn
as is het boek dat in brand staat
maar niet wordt verteerd door de vlammen

as is de jongen die op het eind van het etmaal
met een telescoop naar de maan kijkt
en de maan vermomd als man zonder lijf
die naar de jongen terugkijkt

de jongen had die avond gelezen over
exploderende sterren in gasnevels waar nieuwe
planeten manen en soms ook jongens met telescopen
uit ontstaan

Gedichten

Claude

heeft een serie portretten gemaakt,
onverwachte close-ups met rode ogen,
gebarsten lippen. Bescheiden succes,

een paar artikelen in kranten
‘Vervreemding in tijden van disco’, citeert Claude
‘Zulke clichés. Ik heb geen stem, laat staan

dat ik de stem van mijn generatie ben
Die doeken? Fotorealistische
zigeunerjongetjes met uitgelopen mascara’

Musje

Trivia, categorie
lichte muziek: Ray Charles

moest zijn bladmuziek
in braille lezen. Zo gaat

leren: eerst voelen en dan
onthouden. Dat plekje

in je nek (zo ken ik je)
doet me bijvoorbeeld

altijd denken aan een avond
na het feestje, waarop ik

een te intiem uitgevallen
(weer als een vogel die te veel

van ramen houdt) kusje
op een klamme brugleuning drukte

Sybille heeft haar benen over de armleuning
van zijn fauteuil gehangen (dit heeft ze
uit een film), haar schoenen op de grond gezet

alsof het al zo vaak zo is gegaan:
zij een dame en hier thuis. ‘Het is niet makkelijk
om op zulke hakken te blijven staan,

zeker niet als je het niet gewend bent’
zegt ze, ‘maar het lukte mij gelijk al’
Ik antwoord: ‘Jij hebt een aangeboren talent

om op zulke schoenen te lopen.’ Ze pakt
mijn stropdas vast, trekt me naar zich toe (zelfde film,
volgende scène), noemt me een seksist. Lacht