Gedichten

SYRISCH KIND

ineengedoken, de ledematen opgetrokken,
als vergroeid met de muur,

(het laatste blaadje van een scheurkalender
tegen zijn bordkartonnen einde)

klein, zo zonder rilling en zo bewegingloos
als maar kon, in de wijd open ogen

(die blonken, zo wist ik dat je leefde)

geen waken, geen angst, maar een kwetsbaar
besef van zichtbaarheid,

(was je een mens, ik noemde het starre
radeloosheid – verwachting? – dat elk moment

de dodende trap kon komen, de wrede
wurgwrong van de hand, leeg)

zo ziek en zwart lag jij, stadsrat, in een portaal,
zag je mij stilstaan, voorbijgaan.

Klokslag zeven diezelfde avond zag ik je terug,
in het journaal, de gelaten blik

van een krom klein wezen onder zeil, klaar
voor een archief, een jaaroverzicht.

GROEPSFOTO met gedachten en dame, o.a.
Een ouderwets liefdesgedicht

Het regende, de rivier was winters vaal, het water
te diep, als vanouds (en altijd staat men aan de overkant),
de gebouwen leken te wachten, klaar voor de sloop
of een nieuw leven, archeologisch.

Hij wilde wit in de foto, en dat ik in de lens zou kijken
(als vroeger in haar eerste ogen, dacht ik).
Hij schikte de gebouwen en het water rond mij,
als een zorgzame verpleegster het hoofdkussen,de lakens.
Hij verplaatste een gedachte wat meer naar links voor
(toevallig aan jou), als bette hij het zweet
van mijn voorhoofd.

Ik hoorde de sluiter (een vingerknip, ouderwets digitaal)
het klonk als de staande klok van mijn grootouders,
met het sleetse raderwerk, die soms een slag
oversloeg, van tik naar tik,
(een kuch tussenin, als een oud hart).

Er trok een vlies over het oog dat me aankeek,
(zoekend, de stervende vogel in de hand van het kind)
en alles viel samen, het wit met het water,
de dingen met hun plaats, ik met mezelf
en met jou.


ROULETTE
Bij Titus Simoens, “Las Vegas Sun City”

Tegenlicht.

Slagschaduwen proeven het zebrapad voor op zijn valkuilen.
Het kader is bepaald: hou het hoofd hoog / faites vos jeux.

In plastic buidels schuilt de buit, de inzet van de dag.

De croupier screent stoïcijns de gezichten, als een lens.
Hij gooit een balletje op, een fotograaf die afdrukt.

/Zo precies hetzelfde zal de wereld nooit meer zijn/

Misschien wordt dit een avond als geen andere,
maar hij heeft makkelijk praten, de roulette draait blind.

Wat met wie zich van hun kleuren zullen ontdoen,
casino kameleons, wat met de gekmakende symmetrie
van blinde ramen, vakken op een roulettetafel?

Wat met wie hangen aan onzichtbare touwen,
klokt het gokken in hun koppen als waren ze poppen?

/ balls, man, balls-up!/

Een enkeling keert op zijn stappen terug, begint
hoopvol te zwaaien.

Alle zwaaien is een roepen om hulp, in welk raam
in godsnaam brandt eenzaam de kaars?

En wacht rondom niet de woestijn?
Rien ne va plus.