Gedichten

door Robin Wim Hutse (1993), Taco van Peijpe (1946), Anne Cockaerts (1962), Robin Kramer (1990)
Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Robin Wim Hutse (1993)

stadschirurg

op bed zijn we de gapende wonde die
Brussel door het open raam naar binnen zuigt, haar merg
haar tweevoudige ziel die zegt

maak hiervan wieg
luchtkasteel, een bedding om elkaar als ratten schoon te likken
onder het filter van straatverlichting en acacia’s

om eindelijk te splijten uit de schil -
als beenhard fruit, om als spierscheur
thuis te komen in elkaars huid

Taco van Peijpe (1946)

Schuilen

Voorbij de laatste boerderij, voorbij
het akkermaalshout waar de hazen spelen
langs de bosrand worden wij gelokt
door klokgeluiden uit het dorre blad.

Hier horen wij, rondom ons sluiten bomen
de gelederen. Warme dieren hebben
in de grond gewroet op zoek naar brood.
Het ruikt naar zoete hars, hier wonen wij,
hier vinden ze ons nooit. En toch

luisteren we alsmaar naar geluid
van buiten, zien wij – als we blijven kijken
zien we straks de hazen weer.

Anne Cockaerts (1962)

ik pluk een jas een paard
en nog wat vrouwentenen

vouw de tuin tot oogstbare stukken
rijg er dan een haag doorheen

voor later als het winteruurt
het afgevallen blad soms namen lispelt

van een boom die mij niet kent

Robin Kramer (1990)

De kunst van het blijven

Blijven zal ik, tot je er helemaal gek van wordt,

aan de grond genadig, mijn voeten zerken,
mensen zullen over de paadjes langs mij heen lopen, gras
zal over mij heen groeien en weerbarstige bloemen

groen van erosie laat ik de erotiek van de autobaan achter mij,
en het blokje om, en het even een sigaretje –

want ook het gaan, zo leerde je mij, zit in jonge hoeken.

Dus voeren zul je me moeten, de puntjes eraf, mijn nagels,
mijn baard –

ik heb gezegd oud te worden, aan plaktogen en
voorstraten, mijn
handen over waxinelichtjes voor doorschijnende
bollingen van beloftes,
en oud zal ik worden, tot je er grijs van wordt.

ik zal een nest van het velours maken, mijn keel schrapen,
praten met vrienden, films zien, patat eten, maar
hier zal ik blijven, buiten heeft geen macht meer over mij

– ik zie de streekbussen, verlengde lichtbakken in het donker,
en sta zwaaiend bij het gordijn.

Gedichten

door Geert Viaene (1963), Liesbeth Aerts (1970), Anne Cockaerts (1962)
En nog een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Geert Viaene (1963)

EEN ONMOGELIJK MEISJE

het kan dat ik een meisje ben
dat mijn hand weet hoe het is
vlot bh-sluitingen los te krijgen

in het halfdonker

draai ik me om met mijn rug
naar de spiegel, je leest niet
dat er staat: hoe het kan dat

ik een meisje ben

je gelooft het op dit moment
nog niet tot je mijn billen ziet
ik trek een nachtzwarte riem

van mijn jarretels

aan en ik plooi mijn knieën
op een vrouwelijke manier
ik heb het nergens geleerd

kon het al als kind

ik ben een meisje, het kan
dat ik een mannenmasker
draag, dat ik een man ben,

meisjes niet bestaan 

Liesbeth Aerts (1970)

Het meisje verkent het water, tast de oever af
en verbergt wat ze vindt onder haar trui:
glazen flesje, vergeeld stuk papier. Pas gevonden schatten
die ze voorzichtig draagt en die haar vormgeven.

Ze plaatst onderzoekend voeten als stelten in de modder,
bukt zich met een hoge knik vanuit haar lenden,
op zoek naar schittering.

Dromen onhandig onder oksels geklemd
gaat ze op pad, meet spelend ruimte,
wentelt kort weg dan weer terug, zon
als om dag en nacht ineen te knijpen
tot tijd rechtop staat.

Er huizen parels in haar mond.
Daar kunnen ze groeien.

Anne Cockaerts (1962)

wij gaven de zee weg aan de hoogste bieder
lang voor jullie hier waren, pas veel later groeiden straten
verkreukelde een fiets in de haag, slotvast

van ons was dan al lang geen sprake meer
het glas licht op bij stille verhalen
de klinkers herkenbaar afgebeten

in de polder stotteren wilgen met wat rest van onze taal
ooit komt alles goed ongemerkt komt alles goed
zei jij veel te vaak, het fietssleuteltje in je hand

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Bert Huisman (1950)

Drie minuten

zomaar ineens
om drie minuten voor twaalf
een zaterdagavond
terwijl het
buiten regent
en het zich
niet laat verklaren

daarvoor is iets
anders nodig
een andere taal
met zuivere tekens
desnoods een woord
voor meerdere dagen

Anne Cockaerts (1962)

het uur waarop een tuin moe wordt maar de slaap niet komt
we een woord zoeken om de dag op te vouwen

in een kast te gooien zodat de deur eindelijk dicht kan
ik tel elke vleugel van dichtbij

hou toch maar afstand fluister je
want vrienden sluiten deuren houden anderen uit het licht
dat zoet smaakt net voor de herfst

onze kat bladert in de struiken jij doet de gordijnen dicht
bijna vanzelfsprekend

Jolande van Lith (1966)

De perzik en de tirade

Als een roofdier in roze tule krimpt het Mariabeeld lege weemoed.
Dut maar dichterbij.
Vlij je postnatale mimiek maar tegen deze zieke hond.
Toeristen van ridderlijkheid schreeuwen kansloos griezelig de prooi als raad.
Proef dit motief van beklemming.

Loensend ontelbaar als wolk uit je kindertijd.
Loop altijd door op het trottoir en verraad de maan.
Geen tij laat zich vertrekken.
Dankbaar. Dansvloer. Full swing.

De perzik en de tirade,
zonderling te koop in een ongepubliceerde zucht.
Het raamkozijn vermoordt het gifgroene uitzicht,
terwijl de resolutie wordt opgehangen aan het ongelovig behang.

Hester van Beers (1995)

Zusje, bedek je ogen
met je vingerloze handschoentjes.
Onze geboortegrond is een hellend vlak

geworden, in onze straat
wordt doodslag gepleegd
en de lichten haperen

met krimpende tussenpozen.
Ik heb het muntje in het winkelwagentje
gelaten en ben naar huis

maar niet op tijd gekomen. Mijn dode hoek
is gegroeid tot blindheid waarin beweging
niet bestaat