Gedichten

Het huis, de buitenstaanders, de naaste familie

1.
Bij het plaatsje X werd de Lambretta teruggevonden. Helemaal
onder het stof, een wrak. Niemand van ons
was ooit echt van plan geweest
het ding op te halen. Misschien uit angst, misschien
omdat een slimmerik – bij het overhoop halen van de ruimte
onder de zitting – een stuk elastiek, een of meer foto’s
een melktandje en een haarlok uit een portefeuille
had opgediept, een muntstuk van tien lire
(maar daar was het vast niet om te doen…)

Bovendien ik herinner me, ik
liep de trap op, een donderdagmiddag, de school was uit;
maar er was iets vreemds
aan mijn terugkeer… Ik weet zeker
dat er een verband is.

Hoe dan ook, ik ben hier nu, geloof me
let op dat loopje, mijn voeten laks over
de grond slepend, in mijn pyjama, mijn ogen nog halfdicht
stijve ledematen. Maar het gekke is
dat ik me er bewust van ben. En dan, zou ik
die manier van praten weer aan kunnen leren
woorden een beetje geforceerd,
die manier van kleden op de een of andere manier?

(Dat er twee doden zijn? Maar is het wel de goeie?
Is het om het even? En de eerste
is dat geen familie, een naast familielid zelfs
iemand die je goed kende, zoals blijkt uit een nachtelijke bekentenis)

(Zeg jij me dan hoe dit mogelijk is. Een paar
dagen terug deed hij hier nog een klus. Hij leek kalm.)

Hij overleed aan een hartinfarct (of door een verkeersongeluk,
een aanval van pijn, een fatale steen)
ja, dat staat vast, maar er moet ook een schuldige zijn,
iemand die hiervoor verantwoordelijk is, iemand
die hem om zeep geholpen heeft.

2.
Dat gebroken glas was overbodig.
Amper een symbool, nauwelijks meer
dan een fixatie. Of omgekeerd.
En dan nog de verwondingen, het sijpelend bloed,
het stelpen en het verbinden. Ik geef toe
ik ben blij dat ik er niet bij was
op dat moment.

Laten we eens kijken naar DE TOPOGRAFIE VAN HET HUIS:

Alle voorwerpen waren intact, stonden op hun plek.
Dat betekende iets, begrijp je. Maar degene die
kort daarna is binnengeslopen
(misschien iemand van de politie,
zo vertrouwde jij me toe) wat dacht hij eigenlijk?
Ik bedoel die vleeshamer achtergelaten
op de koelkast, of die half geschilde gesneden appel, al bijna verrot;
die fles vermout zonder dop, op de hoek van de tafel
met een glas ernaast ja daar….

Buiten lagen mandflessen en andere lege flessen.
Alle paraplu’s stonden in de ijzeren
paraplubak bij de ingang voor de deur.

(Heeft die beneden buurman, die altijd
‘s avonds na elven de deur uitgaat
er soms iets mee te maken
die vent met zijn bleke vampierachtige gezicht?)

Voor mijn tandarts had ik geen geheimen, hij kende mijn angsten.
Het heeft iets aanlokkelijks om er na zonsondergang heen te gaan
het huis te inspecteren met gesloten mond te zeggen tegen de eerste
de beste die je tegenkomt:
“Neem me niet kwalijk als ik onverstaanbaar praat
dat mijn glimlach macaber is. Maar zie je,
ik mis mijn twee voorste tanden…”

Dus na het voorval zei de buurvrouw van de tandarts: “Mijn beste,
als de mensen eens wat meer nadachten
dan zou er minder slechtheid op de wereld zijn”. En ik
met rood aangelopen hoofd, in de war, met mijn kortgeschoren
haren probeerde me te verontschuldigen:”Maar ik heb er niets mee te maken,
ik ben onschuldig…weet u… het was een hartinfarct..”
(En ik klopte met mijn vingers op ongeverfd hout.)

3.
Zo te zien waren de eerste tekenen duidelijk. De terugkomst
die niemand verwacht had. Vooral omdat daarna
iemand in een fauteuil, waarschijnlijk in tranen, had gerept
over een verdwijning. Maar vanuit praktisch oogpunt bekeken
hoeveel wisten we nou eigenlijk?
Denk eens terug, zonder iemand de schuld te geven, aan het water
dat ’s nachts door de ramen lekte tijdens onze afwezigheid, aan de scheur
in het plafond, precies ter hoogte van de zolder,
boven de achterste kamer waar we gewoon vergeten zijn
te gaan kijken, denk aan de buitenlamp die heen en weer bewoog
aan de half verrotte kozijnen.

En vandaag alsof het allemaal nog niet genoeg is geweest, kijk hier
eens! Kom eens dichterbij, kijk dan hier, zeg ik je,
hieronder. Schimmel groeit onder mijn schoenzolen!

Mijn vader wist inderdaad veel over literatuur, cultuur:
Londen, Steinbeck, Coppi en Bartali, Oscar Carboni en
de Gazzetta dello Sport. De garage. En die overhemden
die toen in de mode waren, broeken met een hoge taille,
een overjas, een kamerjas…

Ik heb me afgevraagd wat is de reden van dit eeuwige
komen en gaan van bewoners hier in dit complex,
van werklui die heen en weer lopen en de trappen
smerig maken (hoe komt het dat de letters van het naambordje bij de deur
helemaal uitgevaagd zijn.)

4.
Ik probeerde inlichtingen in te winnen
bij mensen die er misschien meer vanaf wisten. Ik vroeg
steeds verder door. En vervolgens bespeurde ik
een zekere gêne, een ongemakkelijke stilte.
“Neem me niet kwalijk”, zei ik “Als het je teveel wordt,
dan praten we er niet meer over.”
“Maar dat is het niet”, antwoordde ze.
“Het overvalt me allemaal een beetje…ik bedoel,
geef me tijd om na te denken.”

– Je begrijpt, is dit is de meest logische verklaring
van de gebeurtenissen, er is geen andere conclusie
dan hetgeen ze eerder hadden vastgesteld.
Alleen, vroeg of laat zal er een of andere kerel
langskomen, eentje die met de bewijzen van zijn onderzoek op de proppen komt:
een stukje papier, een foto, een aantal getuigenissen….

uit Il Disperso, Maurizio Cucchi (Mondadori 1976; nieuwe editie Guanda, 1994)

*

La casa, gli estranei, i parenti prossimi

1.
Nei pressi di.. trovata la Lambretta. Impolverata,
a pezzi. Nessuno di noi ha mai pensato
seriamente a ritirarla. Forse la paura. Rovistando
nel cassetto, al solito, il furbo di cui al seguito
ha ripescato una fascia elastica, una foto o due,
un dente di latte e un ricciolo rimasti nel portafogli,
dieci lire (che non c’entravano per niente..)

In aggiunta a tutto ricordo che quando venivo su dalle scale io
era di giovedì, finita la scuola, verso mezzogiorno; ma era
anche un ritorno diverso dal solito… Ci sarà
un aggancio.

Adesso comunque, eccomi e:
– Credimi, fai caso
a quel tale andare tirandosi dietro le gambe e tutto, con gli occhietti
ancora appiccicati, nel pigiama, goffo da cane,
rigido inamidato. Ma il bello è
che me ne accorgo. E allora con che faccia
fingere un’altra volta il tono giusto, le parole,
cioè un po’ stiracchiate; il vestire in qualche modo?

(Che i morti siano due? Ma quello giusto?
Indifferente? E il primo,
come una specie di confidenza notturna, non è un parente stretto?
Strettissimo?)

(Dimmi tu se è possibile. Pochi giorni fa
era lì che faceva i suoi lavori. Pareva pacifico.)

È morto per un infarto (o per un incidente stradale, per un malore, per via di un sasso): sì, va bene, ma ci sarà
pure un colpevole, un responsabile
diretto, qualcuno che l’ha fatto fuori.

2.
Non ci voleva quel bicchiere rotto.
Poco meno di un simbolo. Poco più
di una fissazione. O viceversa. E poi
la ferita, lo zampillo, l’incerottamento. Mi spiace confessarlo,
ma per fortuna che non c’ero.

Diamo un’occhiata alla TOPOGRAFIA DELLA CASA:
– Tutte le cose, a loro modo,
erano in ordine, al posto giusto. Un senso,
capisci, non mancava. Ma quel tale
entrato poco dopo (forse, mi hai detto
dietro la tenda, uno della polizia) cos’ha capito?
Intendo del pestacarne abbandonato
sopra il frigorifero, o della mela
mezza sbucciata, tagliata, diventata nera; della bottiglia
del vermuth rimasta senza tappo, in un angolo sul tavolo,
col bicchiere lì…

Di fuori c’erano i fiaschi, le bottiglie vuote. Tutti gli ombrelli
appesi alla sbarra di ferro della porta interna.

(C’entra qualcosa il vicino
del piano di sotto, che esce sempre dopo le undici di sera
con la faccia da vampiro?)

(Non avevo mai nascosto certe mie debolezze
– Dal dentista
andarci all’ora del tramonto può essere invitante.
E in più, dopo, uscire, fare il giro della casa,
tenerti la bocca, dire al primo che incontri e ti saluta: "Sai
devi scusarmi se parlo male, o mostro un riso macabro. Ma vedi,
mi mancano i denti, proprio qui davanti…"

Così, dopo l’accaduto, la vicina del dentista: "Se la gente caro lei
ci pensasse un po’ più spesso
ci sarebbe meno cattiveria". E io
rosso di colpa, mezzo scemo, coi capelli
già quasi tagliati a zero
a giustificarmi come segue: "Ma io non c’entro,
io non ho fatto niente… l’infarto… lo sa bene.."
E mi toccavo i bottoni della giacca.)

3.
I primi segni a ben vedere
non erano mancati. È la ricomparsa
che nessuno si poteva attendere. Dato che poi,
sulla poltrona, magari in lacrime, se ne era parlato
della sparizione. Ma in concreto, quanto ne sapevamo?
Ricordati, però, senza cercare colpe, dell’acqua
entrata di notte sotto i vetri in nostra assenza, della crepa
che taglia tutto il soffitto, addirittura del solaio,
sopra la stanza in fondo e che neppure ci siamo curati di visitare,
del lampadario che dondola, degli infissi mezzi marci.

Oggi, poi, come non bastasse, guarda qui! Avvicinati,
guarda un po’ qui, ti dico, qui sotto. Mi cresce la muffa,
la muffa sulla suola!

È che mio padre sì
sapeva di lettere, cultura: London
Steinbeck, Coppi e Bartali, Oscar
Carboni e la Gazzetta
dello Sport. L’officina. E quelle camicie d’allora,
larghe, i pantaloni alti in vita, paletò palandrane..

Mi sono domandato il perché
di questo continuo andarsene
di inquilini, qui dell’interno. E di operai
che vanno e vengono e sporcano le scale. (Chissà adesso
come sarebbe tutta consumata la targhetta della porta.)

4.
Avevo cercato di chiedere spiegazioni
a chi poteva saperne di più. E le domande,
come al solito, si facevano insistenti. Poi ho visto
un certo imbarazzo, un certo disagio. "Se non ti va"
ho detto "scusami,
non se ne parli più." "Ma non è per questo"
mi ha fatto lei. "È che così, a bruciapelo…
Preparami, voglio dire,
lasciami tempo di abituarmi."

– Ma non ci sarà, lo sai bene,
conclusione migliore alla vicenda,
soluzione diversa dal previsto. Solo tutt’al più
prima o poi un tizio che verrà, uno dei soliti,
a portare certi suoi risultati di qualcosa: per esempio pezzi di carte,
foto, testimonianze…

uit Il Disperso, Maurizio Cucchi (Mondadori 1976; nieuwe editie Guanda, 1994)