Recensie van De schoonspringer - Jos van Daanen

Sprong in het diepe

Jos van Daanen
De schoonspringer
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659869
€ 17,50
72 blz.

Het getuigt van enige durf om te willen debuteren met één lang gedicht. Het schrijven van zeer lange gedichten is sowieso een geheel andere tak van sport dan het maken van kortere verzen. Veel meer dan bij de korte baan komt het aan op uithoudingsvermogen en – vooral – op dosering. Teveel geconcentreerde taal en de lezer leest zich vast, te weinig en je verliest de lezer boven de oppervlakte.

Het gedicht De schoonspringer van Jos van Daanen beschrijft de val, nee de sprong, van de hoofdpersoon, de schoonspringer, van een flatgebouw van 23 verdiepingen, waarbij ‘de film van zijn leven’ aan hemzelf, maar ook aan het hooggeëerd publiek, de jury, de lezers, wordt getoond.
Op iedere verdieping van het gebouw huist een wezen of een groep mensen, van waaruit gereflecteerd wordt op de springer en vice versa. Tussendoor klinkt commentaar van de coach.
Waarom 23 verdiepingen? Of, wanneer je het dak mag meetellen, 24? Ik weet het niet. Hoewel ik, gezien het gegeven, al vrij snel aan Dante’s Divina commedia moest denken, vind ik diens getallensymboliek (3x(3×3)) hier niet terug. Hier is ook geen dichter aan het woord die uitzicht heeft op de hoogste hemelen, maar eerder een mens die door zijn taal heen naar de verdommenis valt. Op een bepaald punt heeft de reeks nog het meest weg van een top-23 in de hit parade of self interest (uit: ‘Twelfth Night’ van The Collector).
Een tweede dwarsverband leidt naar The lamb lies down on Broadway van de symfonische rockgroep Genesis, waarin de protagonist na een tocht door boven-, tussen- en onderwereld uiteindelijk zichzelf in het gezicht kijkt.
Ook The Wall van Pink Floyd komen we nog tegen (op p. 33). Uiteraard loopt het allemaal slecht af:
Hij heeft geen woorden meer voor het bestaan en de woorden die hij had, hebben hem gewetenloos bedrogen.’ (p. 34)

Aangezien het citeren van enkele fragmenten naar mijn mening onrecht zou doen aan het hele werk, heb ik gekozen voor een groot citaat van een gehele pagina (inclusief de bijbehorende verwijzingen):

De doorgronder van natuurlijke principes

Hier heerst de stinkende bek van de wolf
die kevlar draagt onder zijn pels, zijn macht
zit niet in zijn tanden, maar in zijn vermogen
geruisloos te zijn en van lange adem

hij zet zijn poten behoedzaam in elke ondergrond die de sporen van zijn prooi
bevat, het veld vol paardenbloemen, de bosgrond, het mos, het gemeenteplantsoen,
de goot en het beton dat mensen in hokjes gevangen houdt.
De wolf maakt geen fouten, hij bespiedt je vanuit het bos, schept voorwaarden totdat
zijn prooi zichzelf heeft uitgeput, niet wetend dat de wolf hem op de hielen zat.
De wolf zit niet op elf, daar slaat hij de kadavers op die hij op twaalf al heeft
buitgemaakt en verorberd. Op elf wonen de gieren en de hyena’s, de vliegen en maden
die het smerige werkje afmaken. Het is legaal en valt binnen de mazen van elke
natuurwet.

Babadibap
I wandered lonely as a cloud
‘till I came upon this dirty street
I’ve never seen a stranger crowd
Slubberdegullions on squeaky feet…

Zo klinkt hij ongeveer
als hij langs de tiende vliegt
eenzaam dwalend als een wolkje
witte stof die voor het semipermeabele venster hangt
geblindeerd met toga’s en beffen.

Hij snuift diep, voelt licht in zijn hoofd
lijkt even in paniek te raken
herpakt zich om door de blindering
een blik te werpen in de woning
waar recht gesproken wordt
wat krom geworden was.

p.26

De onderstreepte woorden in bovenstaande passage werken als een soort hyperlink op papier, en verwijzen naar teksten die verderop in de bundel zijn opgenomen:

(1) bij ‘twaalf’:

Herinnering aan een verloren bos

Ik mis de lach van de katanflaat
het gepiep van de grop en het
minutenlange kloppen van de
roodgestreepte vromerwiep

vroeger was het grandulomeer
nog zuiver en vrij van spet, of
molodontale algenmestborij
onder het marmeren oppervlak

hard zijn nu de stenen die ik uit
en de woorden die ik pleng bij
de blik op de afgegraven grond
die boven blauwe luchten hangt

wat is verloren, komt niet in tweevoud
weer, noch in vreugde of geluk over
wat verworven is in wanhoop, en
dromen van chaos in de ochtend.

p.55

(2) bij ‘elf’:

Aan de straat staan de brokken van een muur met tatoeages
die twee buren van elkaar gescheiden hielden
vanwege een verhuizing klaar om als vuil te worden afgevoerd.
Passanten van heinde en ver kijken toe of het waar is
of de barrière werkelijk geslecht is, of er vrede heerst
harmonie, stilte en rust, dringen van een kant het beeld in
om na korte tijd weer om te draaien, hoofd tussen de schouders
staart tussen de benen. In de verte, in de bocht
waar de stoepen wegkijken, zien zij de gevels
bijeen kruipen, hechten tot iets wat doodloopt als een muur.

p.56

(3) bij ‘waar recht gesproken wordt / wat krom geworden was’:

Voorbij
de overvloed

Uit de laatste peilingen is gebleken
dat taal een schaars goed geworden is;
woorden zijn sterk in prijs gestegen
en boze tongen beweren dat gebruikers
aan het hamsteren zullen slaan.

De overheid denkt aan maatregelen
maar kan zonder tekst
geen rapport uitbrengen.

Men zoekt nu een oplossing
in het slopen en hergebruiken
van verouderde wetten.

p.57

In een interview uit 2013 (met Antoinette Sisto in Meander) zei Van Daanen: ‘Poëzie moet voelen als liggend op de wind luisteren naar de woorden die je aan je eigen ademhaling kunt onttrekken.’ Dat veronderstelt een meer lyrische toets dan in De schoonspringer veelal wordt gevonden. Steeds worden tekstgedeelten met afbrekingen en witregels na verloop van tijd afgewisseld met lange doorlopende regels in de proza-doctrine, waarin de beschouwende toon de overhand heeft.

De schoonspringer is minder een compositie dan een improvisatie en dat is tegelijkertijd zijn zwakte en zijn kracht. Ieder kunstwerk is immers een mislukte poging tot het volmaakte, dat bovendien bij publicatie door zijn maker is verlaten. In de taal tussen afsprong van de 23e en doodklap op de begane grond schieten de woorden als vangarmen de werkelijkheid van heden en verleden in, waarbij de gelegde verbanden even als bliksemstralen aan de hemel oplichten, maar kort daarna weer door andere vormen worden vervangen. Het gedicht als eenmalige mindmap van associaties is een keuze, een gevolg van de kijk van de dichter op de wereld om hem heen. Tegelijkertijd toont deze keuze ook de onmacht (of onwil) aan om deze vormen en structuren te tonen in een groter verband, een wereldkaart of desnoods een doolhof met lachspiegels.
Op veel plaatsen haakt de taal van hij de dichter niet voldoende krachtig en overtuigend in die van mij de lezer om de opgetrokken bouwwerken langer te laten beklijven dan een tijdelijke nederzetting. Uiteraard is het niet nodig om een 21e-eeuwse evenknie te geven van Dante’s who’s who van de 13e eeuw, maar bijvoorbeeld van het optreden van de politiek, de banken en de grootbedrijven (p. 33) zou meer gemaakt kunnen, ja moeten worden dan een min of meer verplicht nummer in de aftelsom van de aversies.

De vorm van het gedicht past eigenlijk niet in een papieren bundel. De grondvorm is een tekst met hyperlinks, waarmee tijdens het lezen van het grotere geheel de dichter via een terzijde de lezer in het oor fluistert. Het via een indexering bij wijze van voetnoot verwijzen naar deze flankerende gedichten is een kunstgreep, die niet zonder verlies van de extra dimensie gerealiseerd kon worden. Het was eenvoudig geweest om een hypertext-variant op een kleine platte USB mee te leveren.

***
Jos van Daanen (Kerkrade, 1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. In 1988 debuteerde hij als dichter in Maatstaf en er volgden tot 1992 meer publicaties in De Tweede Ronde, Preludium en Letterlik. Vanaf 2011 publiceerde hij vele gedichten in tijdschriften zoals Op Ruwe Planken, Gierik/NVT, Meandermagazine, Deus ex Machina, Krakatau. Een deel van die gedichten werd in 2016 door uitgeverij Kleinood & Grootzeer gebundeld in de bibliofiele uitgave Tot er woorden waren, waren we nietsDe Schoonspringer beschouwt hij als zijn officiële debuut.

Gedichten

De laatste selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Jos van Daanen (1959)

Leven in een flat

Op achttien woont een ouder stel
bang voor hoogte, bang voor liften
en andere kleine ruimtes, denkruimtes
bang om te vergeten en te onthouden,
bang voor plastic pasjes
voor kleinkinderen, bang bang bang
voor vogels in de nacht, voor geweld
bang voor presidenten die niets begrijpen, bang
om te bewegen en om stil te staan,
bang voor vuur en voor wie er achter ramen schuilt
voor beestjes in het afval, voor water
en voor wie dat kan vergiftigen, bang
voor mobiele telefoons, voor kleine knopjes
met letters die ze niet kunnen lezen,
die woorden kunnen vormen, boodschappen
aan vreemden, bang voor straling van tv’s
bang om alleen te zijn, beroofd te worden, bang
voor kranten en maskers, bang voor nu
en later, bang om te worden uitgenodigd
van hun balkon te springen en te ontdekken
hoe hun leven was, in een film gevat.

José Raaijmakers (1958)

zwemvestjes

eeuwigheid meet geen parkeren
hemel spant geen prikkeldraad
aarde zoekt geen voeten en
licht geen evenaar

water is niet van zee
wind waait niet naar stuifmeel
vuur laait niet voor begeerte

lucht is niet van adem
gras groeit niet voor boter
niet voor een veld of groen

‘n vrouw is geen telraam
van af te vinken eitjes
‘n man stort geen zaaigoed
om argwaan te wekken

nee
een baarmoeder is geen kooi
asiel voor onbevoegden

en zwemvestjes torsen
geen brandhout

naar verre, verre stranden
ver van die ene stamboom
waaronder wordt gepaard

moeders baren mensen
want vluchtelingen
wie wil ze
wil ze in zijn buurt

wie deelt er
zijn enkeltje bestaansrecht
dat in een universum
even is gehuurd

zwemvestjes zijn geen planeten
rond een regen vallende sterren.

Niels Raaijmakers (1991)

Zeeatlas

Bedenk dat er ooit een woestijn was,
met daarin een man, een vrouw, een A en een B.
Bedenk dat hij de verbinding moest leggen
onder de schroeiende zon die gewichten gooide
te midden van nomaden en fata morgana’s.

Bij de A was hij,
bij de B was zij.
Onder zijn arm rustte een zeeatlas
en de wetenschap van een nulkans.

Gedichten

Jos van Daanen studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap en debuteerde in 1988 in Maatstaf. Poëzie van zijn hand verscheen o.a. in Gierik/NVT, Kluger Hans, Poëziepuntgl, Schoon Schip en al eerder in Meander.
Bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer verscheen half februari de bundel Tot er woorden waren, waren we niets. Deze geeft een beeld van zijn poëzie van de afgelopen vijf jaar. En van de thema’s die zich in de afgelopen twintig jaar hebben ontwikkeld: de liefde, ouders en het verzaken van de zorg voor hun kinderen, en overdenkingen over het bestaan in het algemeen.
Uit deze bundel twee gedichten.

Verlangen

Aan het einde van mijn uitgestrekte vingers
doe je net alsof je de rol van water hebt,
maar spelen doe je niet.

Kijk, zeg je, dit is dorst: ik bied je iets te drinken aan
en jij doet net alsof je nooit gedronken hebt,
reikt naar wat luchtgolfjes boven een heet wegdek
en pauzeert even.

Als je zo naar mij verlangen zou, zeg je,
zou ik de liefde voor je spelen en zou je
net doen of je nooit geliefd had.

En net zo zou het zijn als je stukjes dood zou zijn,
zeg je, als ik de zon voor jou zou spelen
en jij nacht na nacht geleden had.

Schaduw

Als ik ook maar een vermoeden had
van wat ik zeggen wou, zou ik je misschien
kunnen beschrijven.

Zoals het geluid van teenslippers, bijna geruisloos
slepend in het zonlicht op de tegels van de boulevard
en na iedere stap dat korte klapje, als de punt
na elke onuitgesproken zin.

Of je oogopslag en de kleine dood die volgt
terwijl je reikende hand vol slanke vingers
mijn hart omklemt en er wolken inkt uit perst
tot de laatste krijsende druppel.

Van zulk zwijgen tot gedachtegolven in het warme zand,
waar je vandaan komt, wie je noemt of kent
of hoeveel ademtochten jij hebt bijgedragen
aan de reis die je me hebt gegund.

Maar elk vermoeden van wat ik zeggen wil
is niet in taal gegoten, alleen de angst
je nooit te hebben gekend.

Gedichten

Tot er woorden waren, waren we niets

In het bladstil, in het oranje waar zon en maan
de schemering bedrijven, in de blik van glurend fauna
en de klamme veeg van klossend water over griend
zijn we opgestaan.

We schepten loof en legden op- en ondergang
op linnen vast. Jij zat in alle kleuren en ik schiep koffie,
sigaretten om het ruwe leven af te dwingen. Samen
gaven we licht.

Maar tot er woorden waren, waren we niets, en zelfs nu
zijn we nauwelijks. We zijn nog maar amper
goden in het spel, te druk met het wijzigen
van de regels.

Zonder titel

Ik ben hier niet, ik ben
in gedachten, ik ben een spoor
op het enige pad dat door het moeras glijdt,
ik ben het gefluit van een vogel
zonder dat je de veren ziet, ik
ben het blad dat omdraait
aan de tak van de boom,
ik ben jij als je verdwenen bent
met achterlating van je naam
en jouw deel van mij, en soms
ben ik gewoon niets, niet eens alleen hier,
maar overal, onhoorbaar, niet
te vinden, hoe goed je ook zoekt.

Gedachten over een beter begrip
van dingen die verloren gaan

Aan de oever
waar de wereld voor een vis
ophoudt te bestaan,
zit een man,
speelt voor god.

Aan de blauwe hemel
hangen vlokjes vogels
zonder houvast.

In zijn hoofd
legt een visser
onzichtbare verbanden.

Gedichten

Vertraging

In een bushokje kun je best
zonder gedachten zijn. Je kunt uitkijken
over het zware water van de vaart
en toezien hoe ijs zich in grote lijnen
naar de oppervlakte schrijft. Je kunt ook
de bus missen.

In dit bushokje kan ik vanaf de wal
lezen wat je zei. Een enkele lange zin
die naar de Noordzee leidt,
maar die voorbij de brug al niet meer
bij me binnendringt. Hoe lang de bus ook
nog niet rijdt.

De andere kant op is
de eeuwigheid, de horizon van niets,
de bus en de bestuurder
die hoofdschuddend
in de richting van het verdwijnpunt glijdt.

Dood spoor

Geen spoor loopt voorbij
zijn eindpunt, als je dat denkt
ben je niet goed bij je hoofd.

En als je aan het eind niets
aantreft op een laatste indruk na,
heb je niets gemist.

Maar ik zag alleen maar dit:
hoe je opkeek van een lege plek,
hoe je om je heen keek,
verbaasd over wat je kwijt was,
hoe je blik die van mij zocht
en alleen maar na de stilte
in herinnering vergleed.

Gedragen

Haar lippen vormden rookwoordjes,
ballonnetjes waarin ze minder zei
dan welke kant ik op moest kijken.

De kaders passeerde ik in stilte
als de steen, te zacht geworpen
en op de weg beland die zij
al lang voor mij had afgelegd.

En achter mijn rug, in gefluister
schiep ze vuurvliegjes in licht
waarin mijn ik verdween
in het dichtknijpen van mijn ogen.