Recensie van Nacht en navel - Yannick Dangre

‘Dichters zijn de losprijs van deze wereld’

Yannick Dangre
Nacht en navel
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449867
€ 17,99
80 blz.

Yannick Dangre (1987) heeft zijn bundel Nacht en navel zorgvuldig gecomponeerd. Een voorbeeld: het openingsgedicht gaat vooraf aan de eerste afdeling en heeft als titel ‘Naamloos’. Het gaat over de harde buitenwereld: het lot van de bootvluchtelingen. De titel kan op hen slaan, maar in ieder geval op het machteloos toekijkende lyrische ik: ‘(…) ze roepen mij / bij mijn naamloosheid.’ Het laatste gedicht, evenmin behorend tot een afdeling, eindigt met de regel ‘Geef me jouw naam’ en is naar binnen gericht: het gaat over een tot ondergang gedoemde liefde. De gedichten spiegelen elkaar en zijn daarmee aan elkaar verbonden.
De bundel heeft vijf afdelingen waarin we die verbinding terugzien. Achtereenvolgens: de binnenwereld (het innerlijk, de gedachten en beleving), buitenwereld, de verbinding tussen binnen- en buitenwereld, binnenwereld, buitenwereld.

De binnenwereld is niet zorgeloos. In de eerste afdeling, ‘Toi tu t’appelles Lolita’, wordt de wankele relatie beschreven tussen een zich tamelijk oud voelend lyrisch ‘ik’ en een veel jonger meisje – dat is zij in ieder geval naar de geest. De vierde afdeling, ‘Settima Santa’, gaat ook over de binnenwereld en daarin kijkt de dichter onder andere terug op zijn stukgelopen huwelijk. Hij heeft diepe spijt, vergeten kan hij zijn voormalige geliefde niet. Hij uit zijn onvervulbare verlangen op een bijbelse manier: ‘Het is weer die week waarin zij / knettert in mijn struiken’.
De buitenwereld met haar terrorisme, onnoemelijk leed en oorlogsgeweld is dreigend. Die dreiging is bovendien heel dichtbij. De titel van de tweede afdeling begint bijvoorbeeld met ‘ik’: ‘Moi je m’appelle’ en dan volgt een reeks gedichten met namen als titels: van het iconische, met gruis bedekte Syrische jongetje dat ontdaan in een ambulance zit, van terroristen en presidenten (Assad en Hollande). Deze personen zijn in deze reeks aan het woord. In het laatste gedicht zien we een klagende Allah: ‘Ik zit thuis en word er zo moe van, dat eeuwige / gekrakeel en geïnterpreteer van mijn naam’. Merk op dat Lolita in haar afdeling met ‘jij’ wordt aangeduid (‘Toi tu t’appelles Lolita’) en dat is een fractie afstandelijker. Ook dat is een manier om binnen- en buitenwereld bij elkaar te brengen.

De derde afdeling, over het dichterschap, heet niet voor niets ‘Stairway to hell’ – dat is heel wat anders dan de ‘Stairway to heaven’ van Led Zeppelin. Wat kun je in zo’n wereld nog als dichter? Wie ben je?  In ‘Pamflet’ geeft hij een voorbeeld.

Ik bedenk wel eens: de hele wereld
wordt gegijzeld en ik zit vredig op dit blad
te zoeken naar de laatste punten en komma’s
van het menselijk karakter.

Misschien is het belachelijk en toch blijf ik beweren:
koop geen pamfletten maar poëten. Loop binnen
in hun openstaand verdriet. Vergeet het gekakel
van deze eenmalige aarde en broed alleen
je eigen betekenis uit.

En ach, misschien komt God mij ooit straffen
omdat ik de mensheid vastpin in de eenzelvigheid
van dit gedicht, maar ik zal blijven zingen
als dankzij mij ook maar één jonge kerel
de nuances van zijn navel leert lezen.

Ik bedenk wel eens:
dichters zijn de losprijs van deze wereld.

Een mooi gedicht. Ernst en grote woorden worden draaglijk gemaakt door de relativerende ironie: ‘koop geen pamfletten maar poëten’, maar de titel is grappig genoeg ‘Pamflet’. De regel eindigt met het mooie enjambement ‘Loop binnen’: regelrechte pamflettentaal. En die pamflettentaal wordt vervolgens weer onderuitgehaald: ‘Loop binnen / in hun verdriet’. De laatste vijf regels raken de kern van de bundel, zie de titel Nacht en navel, een toespeling op het lugubere Nacht und Nebel. De navel is het beeld voor de verbinding tussen het innerlijk en de buitenwereld. Iedere navel is anders en daarom moet je weten op welke unieke wijze je die verbinding legt. (Dat is een van de hoogste dingen die literatuur kan doen, maar inzicht betekent natuurlijk geen verlossing. Een goed gedicht verandert je eenzaamheid, zei Nijhoff – een prachtige observatie.) De buitenwereld wordt aangeduid met nacht: de donkere staat waarin die zich bevindt.
Het is in dit verband opvallend dat in de eerste buitenafdeling, ‘Moi j’appelle’, het perspectief bij de beschreven personen ligt en in de tweede, ‘Cidade de Deus’, bij het lyrisch ik. Hij spreekt daarin steden als Aleppo, Keulen en Jeruzalem toe. De laatste strofe van ‘Aleppo’: ‘Op geen zender kijk ik er nog van op / en ook jij zwijgt stil. Je bent net een mens: / je kunt niet wegkijken van jezelf.’

De titel brengt me op iets wat me hindert in de bundel. De eerste strofe van ‘Explosief’, het openingsgedicht van ‘Stairway to hell’, luidt als volgt:

Daar zit ik dan, dertig jaar en nog steeds
zoek ik het leven door doktertje te spelen
met een gedicht. Zo beluister ik de longen
van woorden, meet zorgvuldig de bloeddruk
van mijn metaforen en ik geef toe: aan het eind
worden mijn komma’s soms handtastelijk.

Helder en humoristisch, maar ik zou willen dat het doktertje af en toe wat meer op de achtergrond bleef. Het gaat me met name om de vele allusies, alleen al in de eerste afdeling rond de zeventien. Dat gaat irriteren, hoewel het onmiskenbaar is dat Dangre ze goed weet te integreren: ‘Dan ( … ) klets ik alle vorige minnaars uit je nek’ bijvoorbeeld. Of de mooie meerduidige regels (iets waar hij zeer goed in is): ‘Je hebt me, zei ik, je hebt me niet / in het midden gelaten, (…)’. Het meest geslaagd is de toespeling in de eerste strofe van ‘Omran Daqneesh’, het Syrische jongetje.

Daar zit ik dan, vijf jaar
en mijn gezicht vol gruis en grenzen
waar elke Amerikaan en Rus om vecht
boven mijn pet. Elke dag denk ik hen
in stilte omver.

De eerste vier woorden van deze strofe zijn identiek aan die uit het eerder geciteerde fragment uit ‘Stairway to Hell’ – geen toeval natuurlijk. Alle parallellieën, tegenstellingen, spiegelingen et cetera zijn functioneel, maar ze dringen zich niet op. Aan Mulischiaanse circusacrobatiek bezondigt Yannick Dangre zich niet.

Aanvankelijk vond ik de gedichten over de buitenwereld minder sterk, omdat het engagement een wat obligate indruk maakte: zo kennen de meesten van ons de frustrerende machteloosheid die je kan overvallen bij het zien van zoveel ellende. Maar dat veranderde toen de fascinerende invalshoek tot me doordrong: de poëticale verbinding van binnen- en buitenwereld. Voor zijn liefdeslyriek was ik al gevallen:

WAT WIJ ZEGGEN

Je hebt me, zei ik, je hebt me niet
in het midden gelaten, viel mij binnen
als lenig licht in een kamer en je brak er
mijn angsten uit, verving mijn verleden
door je volle ornaat van kont, zweet
en hinnikende tepels.

Verander je leven, zei je, en ik deed het,
at mijn berouw op tot de laatste krop
in mijn keel, nam mijn voornemens mee
naar je tafel en altijd lachte je dan
om de kilo’s achterstallige angst
in het vriesvak.

Dat gaat nooit voorbij, zeggen we
terwijl mijn adem soms al op je rotsen
kapotslaat, ik mijn zwarte zaad verzamel
voor later. Toch blijf je dat jonge veulen
in mijn contreien en ook jij weet dat ik
in je dijen nog steeds voor het grijpen lig.

Al met al vind ik Nacht en navel een van de beste bundels die ik het afgelopen jaar heb gelezen.

***
Yannick Dangre (1987) is schrijver en dichter. Zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet (2011) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs.

Recensie van Met terugwerkende kracht - Yannick Dangre

Een schone verschrikking

Yannick Dangre
Met terugwerkende kracht
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023488187
€ 18,90
96 blz.

Indrukwekkend, de bundel Met terugwerkende kracht van Yannick Dangre. Imponerend. Had dat woord maar niet de connotatie van ongewenste, en in dit geval ook ongewilde dominantie.
Dit is poëzie die moeiteloos uit het brein van de dichter lijkt te zijn voortgekomen, met vlekkeloos gemak. Het is alsof de adem van de dichter door de regels heen stroomt, je opneemt in zijn gevoelsstroom, je meeneemt, steeds dieper de ontgoocheling in waar de bundel over handelt.
Voor het laatst kreeg de poëzie van Jehuda Amichai het voor elkaar, dat ik knapte tijdens het lezen van poëzie, en heb zitten huilen. Dat gebeurde in de bundel van Dangre tijdens het lezen van het op een na laatste gedicht van de bundel. Toen volgde nog dat laatste gedicht, als een hoogtepunt direct na een hoogtepunt. Het was teveel bijna. Ik heb echt een tijdje nodig gehad om bij te komen.

Qu’as-tu fait, ô toi que voilà
Pleurant sans cesse,
Dis, qu’as-tu fait, toi que voilà
De ta jeunesse?

Wat heb je gedaan, jij die onophoudelijk huilt, met je jeugd?
Het is het motto van de bundel, een tekst van Verlaine, die met terugwerkende kracht pas zijn lading kreeg. Zoals de bundel in zijn geheel pas na de complete lezing zijn impact krijgt.

De bundel gaat over een stukgelopen relatie. Een onuitputtelijk thema. Wie maakt het niet mee, vroeg of laat. Maar er zijn maar heel weinig schrijvers die de pijn die dat met zich meebrengt tot zijn recht laten komen, zonder te vervallen in clichés.
Beurtelings zijn een man en een vrouw aan het woord.
In de eerste afdeling, ‘Man in the mirror’:

Artis

Hij is negen en wil nog steeds een leeuw
worden. Je probeert hem te vertellen
over uitvinders, Porsches, dichters
die jaren van tevoren hun heldendood
verkochten, maar hij wil het niet.

Dus loop je weer hier en kijkt naar
hoe je zoon zich een weg tussen de tralies
droomt. ‘Kijk, pap, kijk dan,’ kirt hij
en je knikt. Lang geleden stookte ook jij
op je zolderkamer pure levensdrift.

Je zou elke nacht door meisjesharten kruipen
en met pen of patent van je tijdgenoten
wegsluipen. Het werd niets. Geen roem

of poen of Porsche. Alleen een loonstrook
die met je hoogmoed spot en een zoon
die maar geen koning wordt.

Prachtig geeft Dangre het gevoelsdode weer van na de scheiding van een langdurige partner: ‘Kijk pap, kijk dan,’ kirt hij/ en je knikt. Hij zit vol van zijn eigen gevoelens en gedachten, wat het kind vraagt, ervaart hij als teveel.
En hoe verbindt hij de eerste regel met de laatste!
Toch is dit een eenvoudig gedicht. Het is als op de universiteit: alleen de docenten die hun vak werkelijk beheersen, kunnen hun kennis eenvoudig overdragen. Geen woord te weinig of teveel.

In de volgende afdeling, ‘Sagesse’ (wijsheid, deugdzaamheid) is de vrouw aan het woord:

Borsten

Hij kijkt verwonderd naar mijn borsten en ik lach
omdat er zoveel is wat hij nog niet snapt
(menstruatie, afgedragen vaders, buitenspel, buikvel
na de dracht), dus vertel ik hem

dat meisjes, ze zijn dan ongeveer twaalf, hun moeders beginnen
op te rapen. Steeds valt er een stukje van hen af
(in de plaats komt een rimpel, dat is een lijntje inzicht
in hun verdriet) en nemen dochters trots
hun vormen over.

Mijn zoon knikt plechtig, lijkt zelfs even te verstaan
dat ik weer op het schoolplein sta waar iedereen schreeuwde
dat zij de grootste had (niemand wist dat het later,
als je eerste man je inhaalde, ging om wie de hoogste had)

‘En jongens dan?’
‘Van jongens weet ik niets,’ zeg ik
en verder niets. Ik wil niet dat hij zich later verwijt
vaders te begrijpen.

Ook in dit gedicht de twee werelden die door elkaar heen lopen: die van betrokkenheid bij het kind, en de innerlijke wereld van de vrouw die door haar zoontje wordt opgeroepen. Ook wordt het verschil tussen de werelden van zijn vader en moeder duidelijk. Toch is hier overduidelijk dezelfde dichter aan het woord, met zijn ‘afgedragen vaders’.

Ze mag ogenschijnlijk helder zijn, deze poëzie, arm is zij nooit:

(..)
Er hangt ons iets boven het hoofd
en wij wisselen wijsgerige blikken,
genegenheid die knippert
als een kapotte lamp

(uit: ‘Sotto voce (met ingehouden stem) 1)

nr. 3 gaat zo:

Loden lippen. Weer een avond
op de klippen, we liggen er
maar wat bij en kijken naar elkaar
als naar nog door te slikken pillen.

Ik en jij en wij, drie stenen aapjes
met afgeknotte grillen.

Onze ogen staren naar het monddode
plafond:

Geen horizon. Geen koepel.

Alleen het wachten tot we
onszelf naar de haaien
slapen, toch weer ontwaken
en rouwen om het vertrouwde
van ons vel.

Geen vooruitzicht. Geen bescherming. Je voelt bijna de ingehouden adem waarmee de deelnemers aan dit drama het onheil afwachten dat hen boven het hoofd hangt. Het onheil dat zij voor elkaar zijn: de nog te slikken pillen.

Ik zit vol. Ik kan bijna geen gedicht meer lezen zonder vol te schieten. Wat zijn ze mooi en goed en krachtig, deze gedichten; wat zijn ze verschrikkelijk, deze liefdevol geschreven, ons meedogenloos met onze persoonlijke onmacht confronterende gedichten. Elk gedicht opnieuw een afschrift van hopeloos verlangen. Elk gedicht ook een bewijs van de schoonheid die voort kan komen uit pijn, uit lijden – schoonheid die het leven waarde geeft, en (op wat littekens na) herstelt.
Dat zulks niet altijd het geval is vertelt ‘CS’, het laatste gedicht, ‘al capo al fine’ (herhalingen moeten achterwege blijven). Met terugwerkende kracht krijgen alle gedichten een impact die je niet snel zal vergeten. De rugtekst spreekt over ‘nagalmen’. Nazinderen zou ik zeggen; galm is wat deze gedichten juist niet hebben, goddank. Het is lang geleden dat ik zo onder de indruk was van poëzie, dat ik er zo diep door werd geraakt.

Ik wil toch nog één gedicht citeren uit ‘Sagesse 3’:

Later

als ik een lelijk en teder hoopje as zal zijn
en jullie met natte vingers
de richting van het verdriet staan te gissen bid dan niet

maar staar lachend naar jullie hoofd
ik zit er nog vloekend op sudoku’s
etend de planten water gevend

omdat hij het weer eens vergat en alleen bezig was
een natuurwet te worden al heeft hij nooit ontdekt welke
behalve dat ze krachtig was

zorg goed voor mijn kind ook als hij dertig is en ik
samen met zijn vader nog steeds zijn gebreken bepaal
weet ook dat we de kwaadsten niet waren hoogstens wisten we niet
wat er zo vreemd was aan elkaar

dat we ons zo nodig moesten bewaren
tot de tijd mijn vel in de aanbieding zette en hij zichzelf
naar zijn verleden begon te wenken tot ook ik geen andere keuze meer
had dan ten koste van alles een voorsprong te nemen dus vergeef me
dat ik net als jullie een knoop in mijn kind heb gelegd om mezelf
niet te vergeten

Het einde van de bundel laat zich raden.

***
Yannick Dangre (Roosendaal, 1988) studeerde Nederlandse en Franse literatuur en schreef de romans Vulkaanvrucht en Maartse kamers. Hij debuteerde in 2011 als dichter met Meisje dat ik nog moet (nominatie C. Buddingh-prijs, winnaar Herman De Coninckprijs).


Gedichten

Twee meisjes zo zacht

Op een bank zit mijn schaduw en zijn rug
Gekromd in de zonneslag van een droom, ik kijk
Naar de schaduwjurkjes van de wind en leg mij
Languit in het geritsel van twee meisjes
Die schommelen in mijn losgewaaid verdriet.

Hun gezichtjes laaien op, zingend groeien ze
Het gebladerte van mijn ogen vol en blozen
De traag uitgezaaide dagen van mijn geheugen groen
Tevoorschijn. Ze gieten mijn eetbare nerven
Van oude liefde vol.

Twee meisjes zo zacht van aarde, zo lenig
In mijn vuurschors gekropen dat ik bijna barst
Van hun onderzeese honing en mijn huid
Terstond het licht, de dubbele plantengroei
Van hun adem aanneemt.

Naoogst

Ik ben een veld met kloven, met nagelsporen
Van al wie mij bewerkt heeft en achteloos
Het zwellend onkruid met de spinnenwebben
Uit mijn hoofd trok.

Boven mij rusten de anderen, de avonden
Die zich met afgetrapte schoenen in mijn ziel
Planten en modder doen opspatten uit de voren
Van mijn melancholie.

In mijn aren hangt hun tijd te drogen,
Op kousenvoeten te vergaan van geduld,
Want mijn lijf van graan en gras is oud
En verschraald van zovele jaren
Grazen op mijn blakende naam.

De derde eenzaamheid

De dichter is een kant, een donkere
Helft van de mensheid waar het schijndood
En zondagse vernieling regent, waar de wolken smelten
Tussen de uitgelezen tanden van zijn weemoed.

Een schaduwland is hij, een knokig kroondomein
Van raadsels en te lang bewaarde mythes
Over witte zonnen die niemand meer bezoekt
En in wier stralen hij groeiend dakloos is.

Hij is als vanouds die kant, dat land
Van schuimende sterrenbeelden en echo’s te groot
Voor het vergeelde gras en de trouwe grafzerken
Van zijn keel. Hij dobbert rond in wanklank
Stoffig van alle seizoenen en eindigt megalomaan
Onbewoond.