Gedichten

Vrienden

Hij boog zich voorover, bebloed maar sereen.
De tranen die regenden, veegde Hij af.
Hij sprak van een schitterend, louterend vuur.

Maar mijn vrienden zien niets
dan hout aan een muur.

Zuchtje

Zouden wij slechts bladeren zijn,
de wind nam ons mee in haar armen,
de grond begon te ademen
van zoveel schoon vertoon,
de huizen keken toe
hoe zij alsmaar leger raakten
omdat orkanen bij hen binnenstroomden,
opvegend wat zich genesteld waande,
van zolder tot kelder nam mos het dan over,
het riet ging langzaam zingen
en wij zouden dwarrelen, niet wetend
waar te landen, behalve in Gods hand.

Mijn vriend, wij zijn die bladeren
en dwalen en vallen en wandelen
en trachten zelf het mos te zijn,
elkaar en elkaars kamers begroeiend
en in vloeistoffen bewarend, maar
onze hebberige ribbenkasten
zijn slechts bibberende nerven,
door het minste zuchtje sterven
in bloeitijd ingewijd.

Uit: Schuilkerk, 2009, Uitgeverij De Contrabas.

Een rups in een onmetelijk woud
(bij de Transitus van Franciscus van Assisi)

Zonder kleren thuisgekomen,
want deze kleren ben ik niet.
Een rups in een onmetelijk woud,
een druppel die het nieuwe licht vangt,
licht dat nog nooit, dat altijd bestaan heeft.

Een kus op het voorhoofd, grond op de lippen,
voetspoortjes van torretjes, korrels bruine aarde,
kwijnend, koortsig, dankbaar, duizelend,
een nacht, een dag, een lied, een morgen.
Laten we opnieuw beginnen.
De zon schijnt al, de zon gaat onder,
broeders, broeders, ga nu maar.

Geen haan die kraait, maar krakend hout,
een aarde die zich nog eens omdraait,
kikkers en vlinders die krieken als kinderen,
vrolijk onder de zolder van God,
de laatste en de eerste adem,
heuvels in gebroken goud,
een druppel die het nieuwe licht vangt,
een rups in een onmetelijk woud.