Recensie van Vloeibare Middelpunt - Martjie Bosman

Woorde reis na hier

Martjie Bosman
Vloeibare Middelpunt
Uitgever: Protea Boekhuis
2016
ISBN 9781485305842
€ 10,95
80 blz.

(Meander publiceert een paar keer per jaar recensies over Zuid-Afrikaanse bundels. Het gaat daarbij niet om vertalingen: citaten staan daarom in het Afrikaans. Sinds begin dit jaar geldt dat ook voor de recensies in hun geheel. Native speaker Yolandi de Beer, die sinds vorig jaar in Nederland woont, schrijft ze – redactie Meander).

Die kruising by die die spookhuis in Pretoria is vir my ’n bekende gesig. Die skildery van Ryan Loubser wek by my die gevoel van ’n herinnering asof uit ’n droom. Vir ‘n oomblik is ek weer daar by die kruising tussen Rigel en Nossob … wagtend op ’n rooi lig wat vanoggend nie wil groen. Dit reën.  My ruit ‘n skrefie skoorsteen waaruit sigaret rook borrel.  Die as plak aan die nattigheid aan die buitekant van my ruit vas. ’n Kilometer agter my is huis. Na links die Woolworths wat laat genoeg oop is dat ek nog kan inkopies doen as ek vegvoos na ’n dag op kantoor daar langs weer terug huis toe ry. Hier het ek by dieselfde rooi lig saam met die liefde van my lewe gesit en wag op ’n groen, die spookhuis aan hom uitgewys en vertel hom, vertel van al die legendes en stories wat daaroor die rondte doen, ook van die verfilming van die Parlotones se ‘Push me to the floor’.
Dit was voor my eie reis begin het. Ook hier was my middelpunt. Ook ek moes ontdek dat dit vloeibaar is.

Met die eertse aanhaling van Friedrich Hölderlin boei die skryfster my reeds … poëties woon die mens op hierdie aarde. So beskryf Martjie Bosman in Vloeibare Middelpunt haar wereld-, miskien ook lewens- reis. Poëties en met bypassende melodie van Schubert, gee Bosman die wereld ’n derde dimensie.  

Haar reis begin in Afrika waar die skynbare eenvoud van haar gedigte tog diep raak as jy die agtergrond ken.
Die eertse paar gedigte vanaf ‘Buitelander’ roep herinneringe by my op van my eie kleintyd en my steeds blywende skaamte oor die kleurryke, of is dit kleurlose,  geskiedenis van my land. Herinner aan gesinsvakansie en ons eie aia Vytjie Janjies se wat ons so liefdevol grootgemaak het. Sy sou ook met haar lyf assegaaie weghou. By haar het ek leer stampmielies met tamatie en peper eet. Sommer so uit die pot, op die onderste stoeptrap. ‘Vlermuis’ roep beelde op van Saterdagaand braaivleis en piekniek komberse.
‘Kanna hy kom huistoe’ benadruk my geween aan my moeder elke Sondag as ons in enkel gelid die Nederduits Gereformeerde kerk in Lime Acres moes in marsjeer ‘come hell or high water’. My pa ewe vroom in die diaken bank. Ook ek het gewonder of Jesus alleen maar daar op die koue hout banke tussen die suur gesigte te vinde was.
In ‘Blok myself’ verwys Bosman na ’n speletjie genaamd wegkruipertjie. As jy jouself sou blok dan kom jy self uit jou wegkruip plek. Jy hou dan op wegkruip. Hier laat sy haar ydelheid agter. Sy kom te voorskyn en sy gee van haarself oor aan die onoorkombaarheid van die maatskaplike probleme om haar. Ontbloting. Oorgawe aan ’n lot wat jy nie kan verander nie.

Sal ek ook kan vlug
vir die vrae die eise            
sal ek kan wegkruip 
vir die nood vir die honger
vir die winter?
Ek  haal my beursie
uit en blok myself.

Martjie Bosman skryf braaf en eerlik oor haar ervaring van die lewe. Haar reis en soeke neem haar na onder andere Engeland en Duitsland. Dis ’n bundel wat spreek van ’n mens met diep sin en ervaring in die lewe. Iemand wat geleer het om te voel en te sien verby wat die alledaagse aan ons ontbloot.
Tog keer sy terug na haar wortels, maar dit is nie sonder die hartseer besef dat dit tuis ook nie meer draai rondom dieselfde middelpunt of waarheid nie. In haar slot gedig ‘Spikkelkoei’ verwys sy na die pynlike realiteit wat heers in Suid-Afrika. ‘n Volk van vele kleure wat wat steeds wag vir die Madiba reenboog na die storm wat maar net nie wil uitwoed. 

Vergeet nie die histerie en haat wat hyg
Waar velle van spikkelbeeste bedrieglik
Stil gesprei lê oor ’n skynbaar stabiele bodem

’n Keurige bundel deur ’n talentvolle skryfster. Sterk aan te bevelen.

***
Informatie over Martjie Bosman (1954) staat op Wikipedia.  Informatie over de bestelwijze van de bundel  kunt u vinden op de site van haar uitgever, Protea Boekhuis

Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70