Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 

 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95

De gemeenschappelijke factor in de Rotterdamse poëzie

Het gaat goed met de Rotterdamse poëzie. De directeur van het Poetry International-festival Bas Kwakman spreekt zelfs over poëziestad nummer 1. Ik voel geenszins de noodzaak om die uitspraak te ontzenuwen. En misschien is het waar: Anne Vegter is de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perquin is de winnaar van de VSB Poëzieprijs 2013 en met Verzamelde Werken komt er een heuse literaire as tot stand in de stad die de krachten van alle literaire organisaties bundelt.

Dat het dus goed gaat met de poëzie staat buiten kijf, maar bestaat er zoiets als een Rotterdamse poëzie? Gerrit Komrij dacht van wel; hij sprak zelfs van een Rotterdamse literatuur. En wederom voel ik geenszins de noodzaak om die uitspraak te ontzenuwen. Wat die Rotterdamse poëzie dan precies is, valt echter veel moeilijker uit te leggen. Ik zou in de welbekende clichés kunnen vervallen met termen als ‘hard’, ‘snel’ en ‘van de straat’. In elk cliché schuilt een grote kern van waarheid, maar met die definitie zou ik toch een hoop dichters uit de stad tekort doen.
Ik zou ook kunnen zeggen: Rotterdam is een stad en in die stad schrijft een aantal dichters hun werk en dat is dan vanzelfsprekend Rotterdamse poëzie. Maar dat is te makkelijk, hoewel er geen speld tussen te krijgen is. Daarbij zegt het niets over inhoudelijke kenmerken die eventueel die poëzie met elkaar gemeen heeft. Want een gemeenschappelijke factor is er wel degelijk. Een factor die verder in de Nederlandse poëzie niet terug te vinden is. Ik ben namelijk van mening dat het simpele feit dat een dichter woont en werkt in Rotterdam een sterke invloed heeft op zijn gedichten. Dat wil niet zeggen dat er slechts eenzelfde soort gedichten wordt geschreven in deze stad, maar de havenmetropool zindert (al dan niet bewust) door de gedichten van de Rotterdamse poëten heen.
De definiëring van de Rotterdamse poëzie zal mijn inziens veel eerder gezocht moeten worden in de underdogpositie die Rotterdammers innemen bij zo’n beetje alles wat zij ondernemen. Die positie zorgt ervoor dat zij het buitenbeentje van Nederland blijven. In alles wat zij doen, voelen zij de neiging om de beste te zijn, dus ook in de poëzie. Er is geen stad in Nederland die daardoor ook zo tragisch kan verliezen als Rotterdam (zie Feyenoord). En zelfs als er wordt gewonnen, is er altijd wel iets dat de overwinningsroes verpest (zie Pim).

Rotterdam is ook een schizofrene stad zonder kern of vaste waarden, zelfs echte wijken met steeds dezelfde soort woningen kent de stad amper. Elke vijf jaar lijkt de stad weer volledig getransformeerd. Deelder schreef in zijn gedicht Rotown magic: ‘De beelden wisselen te snel.’ Dat is zeker waar, én daarbij veranderen ze continu. Van de vijf huizen waar ik inmiddels heb gewoond, staan er nog slechts twee overeind. En ik ben geen uitzondering op de regel. Zo’n beetje alle uitgaansgelegenheden van mijn jeugd zijn voorgoed verdwenen. Alles moet continu groter, hoger, beter. Terwijl de Rotterdammer intussen wel degelijk behept is met een vals sentiment over het verleden van zijn verblijfplaats dat alleen daadwerkelijk ging zoals in het televisieprogramma Toen was geluk nog heel gewoon.
Gelukkig hebben daar voornamelijk bejaarden last van, de jongeren proberen er tenminste nog iets van te maken. Waarbij tussenhaakjes nog opgemerkt dient te worden dat de meerderheid van de jongeren allochtoon is en die demografische kleuring druppelt ook door in de poëziescene van Rotterdam. Daarmee is Rotterdam de eerste stad waar op poëtisch gebied de integratie tenminste gelukt is, maar daar zal ik me verder niet al te veel voor op de borst kloppen, want ik ben per slot van rekening geen Amsterdammer.
Bovendien ontbreekt hier de kritische massa volledig. De stad bestaat voor het overgrote gedeelte uit lageropgeleiden en verder een paar van de allerrijksten, daartussen zit nauwelijks iets. Iedereen die op een gegeven moment een beetje welvaart krijgt en een gezond verstand bezit, verlaat de stad.
Het kan dan ook niet anders of die vervreemdende materie sijpelt door in het werk van de dichters uit die stad. En dan maakt het niet uit of het om spoken word of hermetische verzen gaat. Gelukkig is de Rotterdammer veelal nuchter en behept met de nodige zelfspot, waardoor de gedichten te pruimen blijven.

Helaas ontbreekt praktisch elke vorm van aandacht of (lezers)publiek in de stad, ondanks de infrastructuur die opgezet wordt door Verzamelde Werken, maar dat plan staat dan ook nog in de kinderschoenen. Met als gevolg dat elke dichter voornamelijk voor zichzelf schrijft. En dat is maar goed ook: je zou er tenslotte niet aan moeten denken om voor je collega’s te schrijven, voor je het weet komen ze nog bij je op de koffie. Die particuliere manier van werken in zo’n schizofrene stad levert bij tijd en wijle fantastisch werk op. Daarom gaat het goed met de Rotterdamse poëzie en juist daarom is het aan te bevelen om als dichter in Rotterdam te resideren.

Recensie van Monsterproof - Daniël Dee

Van ma zul je geen last meer hebben

Daniël Dee
Monsterproof
Uitgever: Passage
2010
ISBN 9789054522140
€ 15,90
68 blz.

Televisiereclames, alcohol, de dood, de liefde: als thema’s voor poëzie zijn ze volledig uitgekauwd en onuitputtelijk tegelijkertijd. Er is een dichter van formaat nodig om over deze onderwerpen nog iets origineels op papier te zetten. Daniël Dee (1975) is zo’n dichter. Daniël Dee schrijft ook in Monsterproof weer pathetisch, in clichés. Hij is een dweper, een aansteller die zich vaak wentelt in zelfmedelijden. Dat je dat van hem pikt en blijft pikken, komt alleen maar omdat hij dat allemaal doet zonder ironie. Pathetiek werkt alleen als zij wordt gebracht zonder een spoor van ironie. En dan bedoel ik niet dat Dee geen zelfspot heeft, want die heeft hij in overvloed. Het gaat erom dat je, als je het zoveelste gedicht schrijft over een mislukte liefde, iedere ondertoon van ‘dit is het zoveelste gedicht over een mislukte liefde’ moet vermijden. Als iedere relativering, ieder verontschuldigend glimlachje van de dichter ontbreekt, heeft de lezer, eenmaal aan het gedicht begonnen, geen keus. Er is geen nooduitgang. Je moet mee, het onaangename wereldje van Daniël Dee in.
Geen gedichten dus om regel voor regel te lezen of te analyseren, maar gedichten om van te walgen, om te lachen of verontwaardigd bij te grommen.
Het is dit niet-literaire, het anti-poëtische, dat de verzen van Dee zo geweldig maakt. Het is echt. Het is niet een gedichtje over een mislukte liefde van een dichter die gedichtjes maakt over mislukte liefdes, het is echt het eind van de wereld. Dee lezen is diep in het hoofd van de mens Daniël Dee kijken. En omdat de thema’s die hij kiest zo universeel zijn, kijk je ook in je eigen hoofd en daar zie je, als man in ieder geval, jezelf op je kwetsbaarst.

De paradox is natuurlijk dat er een groot dichterlijk vakmanschap nodig is om zo’n directheid in een gedicht te stoppen. Een nieuwe bundel van Dee is dan ook altijd iets om naar uit te kijken. Als dan blijkt dat hij zich in zijn nieuwste uitgebreid heeft gewaagd aan mijn favoriete genre-dat-maar-geen-genre-wil-worden, het prozagedicht, dan ben ik compleet verkocht. U moet mij dan ook maar vergeven dat ik een beetje uit de bocht vlieg als ik u vertel dat ik bij het lezen van het volgende hartkloppingen kreeg en meende met de Nederlandse – en 21e-eeuwse – Rimbaud te maken te hebben:

De narrenkoning nam me bij mijn moeder vandaan. Om iets te weten te komen over de oorsprong van taal, liet hij een aantal baby’s in twee groepen verdelen. De ene groep van dertien baby’s kreeg volledige aandacht. De baby’s werden gevoed, er werd tegen ze gesproken en ze werden aangeraakt en geknuffeld. De andere groep van dertien kreeg te eten en te drinken, maar aandacht en aanraking werd hen onthouden. De baby’s uit deze tweede groep stierven allemaal, op mij na.

Ik lieg: ik weet niets van mijn verleden, ars oblivionis.

Ik versta de kunst van het vergeten even sterk als Wolverine. Ik drink als kapitein Haddock. Duizend bommen en granaten slaan kraters in mijn kop. Apostel van de ledigheid.

O chirurgijn, snijd een luikje in mijn hoofd.
O kakadoris, kijk toch eens: gek van bloemen,
duizendéén narcissen dansen voor jou, trek ze uit mijn brein.

Absurd dansende taal, stripfiguren, de Oorlog… Alles bij elkaar in een hypnotiserende draaikolk. Hier en op verschillende andere plaatsen in de bundel is ouderschap een belangrijk thema. De vader, een man immers, daar kan Dee zich nog in inleven. In een aantal gedichten, zoals ‘Aan mijn ongeboren kroost’ is de ik-figuur zelf de vader. De moeders, vrouwen en dus niet alleen het centrum van Dee’s dichterlijk heelal maar ook de veroorzakers van alle ellende, komen er een stuk slechter af. Zoals in de laatste strofen van ‘Zoenoffer’:

en dan je gezeik soms ben je net mijn moeder dat neem ik terug
als jij mij terugneemt van ma zul je geen last meer hebben
beloofd ik ken je afkeer als ze je weer eens tochtige vaars noemt

dat zal nooit meer gebeuren in deze dichtgetapete plastic tas
van bas van der heijden heb ik een gift voor je een zoenoffer
jouw plaaggeest haar hoofd

De zesde afdeling van Monsterproof bestaat overigens uit door Dee gemaakte vertalingen van gedichten van ene Liza Yuvachova, over wie Google zo’n beetje in het duister tast, afgezien van het feit dat de zus van de bekende Russische absurdist Daniil Charms ook zo heette (en over deze Yuvachova kan het, gezien de inhoud van de gedichten, onmogelijk gaan). Een collega-recensent beweerde zelfs al dat het mogelijk om een mystificatie van Dee gaat. Als dat zo is, dan is het wel een hele goede want de stijl van de gedichten is totaal anders. Hoe dan ook is het bijzonder effectief om een bundel die zo expliciet het mannelijk perspectief kiest af te sluiten met een aantal gedichten van een (al dan niet bestaande) vrouw.