Recensie van Warhoofds gekkenwerk - Alain Delmotte

Also sprach Wirrkopf

Alain Delmotte
Warhoofds gekkenwerk
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401344
€ 15
66 blz.

Warhoofds gekkenwerk verschilt van alles wat ik de laatste jaren aan poëzie heb gelezen. Alleen daarom al vind ik de bundel verfrissend, maar dat is niet het enige: hij is ook goed. Al bij het eerste gedicht schoot ik in de lach, maar een light verse-bundel is het niet, integendeel. En ik zeg ‘gedicht’, maar klopt dat eigenlijk wel? Dat is nog maar de vraag. Onder de titel van de bundel staat wat je kunt verwachten: ‘Prozastukken, prozagedichten, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen.’ En of dat allemaal klopt, is ook nog maar de vraag. Ik kom daar nog op terug, maar houd nu in ieder geval de bladspiegel van de bundel aan. Het eerste gedicht uit de eerste afdeling, waarin Warhoofd zijn zelfportret schetst:

1

Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met
hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn
zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw
behoort zich te laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen
meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kan vinden, maakt zijn dag
goed. Maakt zijn dag af.

Warhoofd houdt ons een lachspiegel voor – Buster Keaton is een van de personen die voorafgaand aan de bundel worden bedankt- , maar het is wel een ongemakkelijke spiegel. Door zijn omkering maakt hij de onzekerheid duidelijk van iedereen die ook maar enigszins ambitieus is.
Warhoofd wordt grimmig in de tweede afdeling: ‘Zeg eens wonden’, met als ondertitel ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden.’ Gedicht 4: ‘Beschikken jullie over een wil of voeren jullie, op bevel van een zelf / verzonnen hogerhand, in het wilde weg uit? // Hopen jullie ook op roem en op een eeuwig leven? Is blijvend smeulen jullie hoger doel?’
Na allerlei vermakelijk leed eindigt hij uiteindelijk in de hel, die verdacht veel op onze wereld lijkt. Dat heeft wel iets van een ironische Umwertung aller Wirte, net als veel gedichten uit andere afdelingen. Het laatste gedicht van deze afdeling vind ik hilarisch:

10

Om te concluderen.

Eerlijkheidshalve: de hel valt minder ‘kinky’ uit dan je had verwacht.

Redelijkerwijs: de hel geeft minder blijk van boosaardigheid dan
waarop een mens had kunnen rekenen.

Daarom, dierbaren, stelt ook de hel teleur: ze stemt hoopvol.

Of is dat nu net haar venijnigste kwaad?

We zijn er nog niet. Een van de meest intrigerende zinnen uit Warhoofds gekkenwerk staat in de verantwoording: ‘Elke feitelijk bewezen gelijkenis met bestaande personen is een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan de moeder van alle toeval: het misverstand.’ Als er zou staan: ‘elke gelijkenis’ zou ik de zin beschouwen als een wat plagerige disclaimer. Maar dat staat er niet. Er staat: elke feitelijk bewezen gelijkenis en de schrijver houdt ook nog eens een slag om de arm: een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan het misverstand. Maar hoe zit het dan wel? Misschien zo: de woorden ‘bestaande personen’ staan voor dichters in het algemeen. Het kan natuurlijk zijn dat individuele dichters zo goed aan dat beeld voldoen dat ze daarmee samenvallen; dat kun je natuurlijk bewijzen, maar het is desondanks een misverstand te denken dat hij of zij dat werkelijk is.
Misschien moet je het beeld zelfs ruimer opvatten dan dichters in het algemeen. Weliswaar komt het dichterschap in enkele afdelingen expliciet ter sprake (‘Uitverkoop van dichterlijke werken. // Woorden. Grote woorden, grote hopen woorden, hopeloos holle / woorden, hun prijs niet waard – // ’), maar in afdelingen als ‘Funeral sentences’ en ‘Posthuum’ kan het ook gaan om een beeld van iedereen, van ‘Elckerlyc’. (NB: let op dat ‘Posthuum’, met ‘h’. Moet je lezen: ‘posthumaan’ i.p.v. ‘na de dood’? Een grappig verschil in nuance.)

Maar zeker is dit allemaal niet. Delmotte laat doorschemeren dat wat wij voor de werkelijkheid aanzien niet meer is dan een beeld van die werkelijkheid. De warhoofdigheid krijgt daarmee een filosofische lading: wij lijden daar allemaal aan, het is een onderdeel van de menselijke staat. De werkelijkheid is onkenbaar.
De wijze waarop Delmotte de bundel karakteriseert – zie het begin van deze recensie – kan daar ook op wijzen. Als die toelichting er niet had gestaan, had ik voetstoots aangenomen dat het om gedichten gaat: er zijn acht afdelingen van ongeveer gelijke lengte, met teksten zoals boven geciteerd. De afdelingen worden gevolgd door een langere tekst, die in eerste instantie aandoet als proza, ook door de mooie ondertitel: ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. (De titel zelf luidt: ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’).
Maar kun je de gedichten beschouwen als prozagedichten in plaats van gedichten? Ik denk het wel: de bladspiegel is helemaal gevuld. Of als notities? Ook. Schetsen? Ja. Het is maar net hoe je het bekijkt en dat is precies de bedoeling, denk ik. Een prachtbundel.

***
Dichter, criticus, essayist en redacteur Alain Delmotte (Kortrijk, 1957) publiceerde onder meer Warhoofd (2002), Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (2003), Verstekelingen – Onderschrift 3 (2006), Existential figures (bij tekeningen van Ine Lammers, 2008), Voorstander zijn (2008) en Uit de lucht gegrepen (2013).

Recensie van Op een rand van elkaar - Toon Vanlaere

Toon Vanlaere: dichter, architect, archeoloog, geoloog

Toon Vanlaere
Op een rand van elkaar
Uitgever: Uitgeverij P
2015
ISBN 9789491455865
€ 17,50
75 blz.

Ik hoor wel eens, na lectuur van een dichtbundel (die ze overigens halfweg opzij hebben geschoven) sommige lezers verzuchten dat ze er niet in zijn geslaagd om zich in de denkwereld van een dichter in te leven.

Dit lijkt mij niet meteen een goede benadering. Wat de denkwereld van een dichter ook moge zijn (levensbeschouwelijk, literair esthetisch enz.), als lezer moet je je vooral proberen in te leven in de ‘taalwereld’ van een dichter. Ik geef een voorbeeld. De denk- en de geloofswereld van Guido Gezelle is me compleet vreemd. Het conservatisme ervan irriteert me. Maar zijn taalvermogen, die verfrissende taalwereld, de van verbeelding en zelfs van zinnelijkheid blijk gevende omgang met de taal doet me zijn werk als uniek ervaren. Des te meer als je zijn werk met die van zijn Vlaamse en Nederlandse generatiegenoten gaat vergelijken.

Maar de taalinleving in een dichterlijk oeuvre gebeurt niet altijd vanzelfsprekend. In eerste instantie omdat in een gedicht de taal een andere invulling krijgt dan de taal waarmee we ons dag aan dag uitdrukken. (Of moet ik zeggen de taal waarachter we onze maskers dragen?) Die inleving vergt om allerlei redenen zijn tijd. De hamvraag is uiteraard hoe dat ‘inleven’ tot stand komt.

Toon Vanlaere heeft in dit verband een heel eigen antwoord klaar. Bij de voorstelling van zijn bundel Op een rand van elkaar – waarin het begrip taal een fundamentele rol speelt – nodigde de dichter het publiek uit om met zijn poëzie ‘rond te lopen’. Waarmee hij naar alle waarschijnlijkheid wou zeggen dat poëzie niet in één hap en klap valt te vatten. Dat poëzie niet is te omvatten. Dat poëzie zich niet zomaar laat vatten. Geef het gedicht, gun de lectuur ruimte: een wandelruimte. Die wandelruimte is het gedicht, zijn de gedichten die zijn bundels vormen. Een wandelruimte die ook een ademruimte is. Is het binnenruimte? Of is het buitenruimte? Ergens op de rand, op het raakpunt van binnen en buiten bouwt Vanlaere zijn huis van de poëzie dat het huis is van het zijn. Het gedicht heeft zo zijn limieten, de gedichten zijn ommuurd maar hoe dun zijn de muren? ‘In huis is het anders, het overweldigende aanwezig, / ommuurd.’

Waar is het raakpunt, waar is de rand? Uit de vorige bundels van hem weten we welke zorg de dichter aan zijn publicaties besteedt. Hij hecht groot belang aan de (typografische) vormgeving ervan. Die vormgeving moet mee betekenisdragend zijn. Het maakt deel uit van een concept. Met deze bundel bouwde architect Vanlaere een ander huis. Met verschillende ingangen, zij het nooit echt de juiste – al kom je toch wel altijd op de plaats terecht waar je als lezer hoort te zijn. In dit huis zijn er vestibules, doorgangen. Een keuken met uitzicht op de tuin waar een boom staat die als de ‘boom van nu’ wordt aangesproken. In deze tuin kan het zowel winter zijn of zomer, of nu of nooit. Er zijn ingebouwde kasten. Plekken werden onderkelderd. Geheime kamers, donkere kamers en enkele kamers die als functie hebben om leeg te blijven. Daaraan heeft zowel de dichter als de lezer wel eens nood aan.

Wat nu de vormgeving betreft, wens ik even stil te staan op de voor- en achterflap. Deze zijn niet toevallig, niet vrijblijvend. Ze verklappen veel over de bundel. Op de voorflap zie je in horizontale houding twee gezichtshelften van een vrouw en een man. Die gezichten als je die voor –en achterflap helemaal openvouwt, blijken een fotomontage te zijn waarbij de twee gezichten in twee handen zijn ingebouwd. Gezichten en handen lijken in elkaar te vergroeien, elkaar aan te vullen, in te vullen. Maar tot een symbiose komt het niet. Een rand blijft zichtbaar, iets lijkt onoverbrugbaar: tot een handdruk, een verstrengeling komt het niet.

Moeten we in die zin, in de context van het onoverbrugbare, de eindregel van de bundel, de gehele inzet van de bundel interpreteren? Het betreft de laatste regel van de finale cyclus ‘Moedertaal’ die uit één gedicht bestaat: ‘Ik loop met mijn eigen falen te koop’. Tussen moeder en taal is de navelstreng doorgeknipt. 

De absolute en wederzijdse vereenzelviging met de ander lukt nooit. Tussen dichter en lezer blijft een rand. Opnieuw weer: hoe dun is die rand? Vanlaere wil die zo dun mogelijk houden. Het gegeven doet me denken aan enkele poëzieacties die Vanlaere ondernam. Vaak ontwijkt hij de rechtstreekse confrontatie niet. Hij stapt naar iemand toe, totdat hij bijna oog in oog tegenover iemand staat. Hij vraagt die persoon of hij hem of haar een gedicht mag voorlezen. Het is wel echt dichtbij, vind ik en vereist toch wel enige assertiviteit en lef. Het wijst op een dringende nood bij Vanlaere, op de wilskracht naar ontmoeting met de ander.

Het motief man/vrouw (zoals dat op de voorflap wordt aangegeven) ligt over heel de bundel verspreid maar krijgt een duidelijk accent in de cyclus ‘Aanminnige taal’. Van pathos en sentimentaliteit geweerde liefdesgedichten waarbij de frêle intimiteit ontroert.

Thematisch – ik schets hier de grote lijnen – overheersen in het werk van Vanlaere twee motieven: de resten van de tijd en de tijd die rest.

Het eerste motief laat zich vertalen in de metafoor van de archeologie. De dichter onderneemt graafwerk. In universele en particuliere zin. Enerzijds boeit hem het menselijke artefact (in eerdere bundels drukte hij o.m. zijn fascinatie voor de ruïnes van Pompeji uit). Anderzijds graaft hij de particuliere herinnering uit. Ook die die niet altijd even helder blijken te zijn. Waarschijnlijk ligt aan de basis van een gedicht heel vaak een concreet voorval, een observatie, een kunstwerk, een nieuwsbericht, een herinnering die zich associatief voordoet en zich associatief verder laat uitdijen, uitdiepen. Schrappen, schrapen, aanscherpen. Gedichten deinen tussen het concreet herkenbare en naar abstractie neigende verwoording. Ik kom erop terug.

Bundel na bundel graaft de dichter zich naar nog diepere gelaagdheden toe: hij lijkt hierbij bijna een geoloog te zijn geworden. Althans laat ik mij dat al struinend in deze bundel aflezen en met name in het uit drie delen bestaande gedicht ‘Amberinsecten’. In de verantwoording laat Vanlaere ons weten dat het hier gaat over fossiele insecten in minuscule stukjes amber. Van artefact naar kiezelsteen. Stukjes verdwenen tijd die ons vanuit de diepte overvliegen:

De poten geknikt
in de plooi van wat ze
overvlogen, zo klemt
vliegkunst haar landschap vast.

Klemt ook zo het gedicht – de tijd van het gedicht – de woorden vast? Of is het de dichter die zich aan deze gedachte vastklemt?

Het tweede motief (de tijd die rest) laat zich vooral in de schrijfdaad zelf onderkennen: in het gedicht sluimert het heden terwijl het geschreven wordt. Het nu is de tijd die rest. Het nu wordt in taal uitgesproken: de taal van het nu. En dat duurt niet langer dan het gedicht. Want straks – tiktak – volgt een ander gedicht. Het gedicht dat daarnet al het nu mocht zijn: het krimpt in, het vernauwt, het wordt een rest, een stofje op de rand van de tijd. In deze bundel wordt deze beweging niet alleen verwoord, het wordt ook gevisualiseerd.

De gedichten in de bundel werden gegroepeerd in zeven cycli. In elke titel verschijnt het zelfstandig naamwoord ‘taal’ voorafgegaan door telkens een ander bijvoeglijke naamwoord: ‘ingeperkt’, ‘ontdubbeld’, ‘aanminnig’, ‘geroofd’, ‘gedrenkt’, ‘ontbrekend’ en het al genoemde moeder(taal). De cycli zijn ongelijk van lengte en worden telkens voorafgegaan door een gedicht met dezelfde titel ‘de ruimte waarbinnen’. Een ruimte waarbinnen er kan rondgelopen worden? Of is het de tijdruimte, het krimpend en ingekrompen, verstijfde en gestolde nu van het gedicht?

Typografisch wordt het gedicht cyclus na cyclus smaller, nauwer, dringender en schuift geleidelijk aan naar de rechterkant af. Het ‘ik’ ziet de lezer gestaag afbrokkelen. De tijd kort in, de wandelruimte vernauwt, er dreigt ademtekort. In de laatste regels van het eerste gedicht lezen we:

‘Ik’,
geen letter brokkelt af
of het breekt in mijn woord.

Deze woorden zetten een proces op gang dat in het laatste gedicht eindigt. De dichter sluit die beweging in het laatste gedicht als volgt af:

Ik wil de
bladspiegel
kwijt,
de glans, de
witruimte,
de randen.

Hierop kan alleen maar stilte volgen. Doodzwijgen.

Ik schreef dat het archeologische een graafwerk in de tijd en naar de tijd impliceerde. Uitgraven maar ook ingraven. Formeel gesproken verwijs ik daarmee naar de grote mate van verdichting die de poëzie van Vanlaere typeert. Steeds onder het al gesignaleerde principe: schrappen, schrapen, aanscherpen.Verbrijzelen en dan weer aan elkaar proberen te lassen, in elkaar in te passen. Bundel na bundel wordt die verdichting steeds dieper, strakker. Het gedicht wordt een taalconcentraat dat in zijn precieuze, al dan niet bewuste vaagheid open betekenissen toelaat. Elke expliciete anekdotiek wordt geweerd. Het ‘ik’ wordt, zoals gezegd, afgebrokkeld: of op z’n minst wordt het ik hooguit met een paar schaduwvlekken geschetst en daarna weer uitgegumd.

Het gedicht wordt teruggebracht tot een ‘naaktstudie’. Op die manier las ik volgend gedicht.

Naaktmodel.
Niemand weet naar welke kleren je terugkeerde

en hoe je je eigen lijf benijdt.
Dit korte verhaal
van grootworden, liefhebben en baren,
een tijd waarin je naakt staat en zwijgend ziet
hoe je leven wordt versneden
op iemands anders maat.

Je lichaam zit in stofresten van gom en slijpsel.

Indien ik dit gedicht metapoëtisch las dan is dat omdat ik het zo aanvoelde toen ik erin rondliep. Misschien zou ik het bij een volgende keer als een existentieel gedicht ervaren waarin prangend entropie wordt geëvoqueerd. En op nog een andere keer interpreteer ik het misschien als een simpel liefdesgedicht. Maar die metapoëtische lezing kan ik mezelf toestaan omdat de bundel me dit in grote mate toelaat.

Geboorte en dood, ze worden voortdurend opgeroepen. Onomwonden. Er staan harde gedichten in de bundel. Hard in de zin van confronterend en omwille van een onomfloerste verwoording (zoals in onderstaand gedicht). Vanlaere verbloemt niet maar is vrij van cynisme. Daarvoor is hij zich te bewust van wat taal kan en vooral niet kan of mag. Taal en mens: ze delen dezelfde beperkingen. Dezelfde machteloosheid.

Op een rand van elkaar beschouw ik als de beste bundel van Vanlaere, wiens werk zelden op aandacht kan rekenen. Maar het is ook zijn meest complexe, meest gestructureerde, minst voor de hand liggende. Je zou bijna kunnen zeggen dat deze verzameling uit verschillende bundels bestaat, zoals de aardbodem uit verschillende geologische lagen. Elke cyclus, hoewel met elkaar in verband, staat vrij autonoom. Er staat meer in de bundel dan wat ik in een recensie ervan kwijt kan. De cyclus ‘ontdubbelde taal’ bijvoorbeeld is formeel op zich al een bespreking waard. Ik kan de lezer daarom alleen maar het advies geven de bundel in de hand te nemen en er vrij, in en uit, mee rond te lopen. Toon Vanlaere verdient het.

Ga ik dood, dan komt iemand mij wassen.
Ik geef haar mijn kaken, de onderkant van mijn kin,
glim met uitstervende glans.

Is mijn lijf verrukt?
Geef het licht me bloed?
Laag per laag nieuwe cellen.

Ik kijk me blind op een handdoek en strand ergens
vers gewassen.
In beeld komt een kraaknet hemd, lakens.
Zo hoog is de stapel dat ik het zicht verlies
dat voor me uit te tillen is.

Het kan dat het nog altijd een repetitie is.

***

Toon Vanlaere publiceerde onder andere Notaris van de kleine akker (2000), De rok van de archeologe en Menigte (2012). Zijn werk werd onder meer bekroond met de prijs van de Provincie West-Vlaanderen in 2001 en de tweede prijs in de Nederlandse Publieksprijs Poëziebundel van het jaar in 2007.

Recensie van Uit de lucht gegrepen - Alain Delmotte

Groots ontworpen

Alain Delmotte
Uit de lucht gegrepen
Uitgever: De Contrabas
2013
ISBN 9789079432776
€ 15,-
70 blz.

Alain Delmotte gaf zijn nieuwe bundel Uit de lucht gegrepen bij wijze van ondertitel de aanduiding ‘prozagedichten – orale verlokkingen’ mee. Over het eerste wordt in de begeleidende informatie opgemerkt dat die vorm de dichter nu al geruime tijd als ‘gegoten’ ligt (sic!) en nu verder wordt ‘uitgegraven’; het tweede duidt op de verschillende ‘toonaarden’ die de dichter zou hanteren, ‘van hartelijk tot hard, van getemperd tot geschreeuwd’.

Vijftien titels telt de bundel, waaronder een flink aantal cycli, en op de laatste tekst na zijn het (al valt daar nog over te discussiëren) inderdaad prozagedichten, maar dan wel met een ferme nadruk op het tweede lid van het woord. De muzikaliteit is opmerkelijk, er wordt met alliteraties, assonanties, herhalingen, metonymia en metaforen overvloedig gebruik gemaakt van een ruim pakket aan poëtische middelen, en de ‘alinea’s’ hebben vaak verdacht veel weg van gewone ‘strofen’, want ze worden niet met uitgevulde regels als tekstblokjes afgedrukt. Zelf zou ik daarom eerder willen spreken van parlandopoëzie. In de citaten volg ik daarom de bladspiegel, ook met de regeleindestrepen.

De bundel opent met het tweedelige titelgedicht, dat een perfecte illustratie is – in werkelijkheid is dat natuurlijk precies omgekeerd – van de fraaie omslagfoto: op als notenbalken gespannen stroomkabels zit losjes verspreid een zwerm zwaluwen, zo gepositioneerd dat je bijna geneigd bent er Messiaense klanken in te horen. ‘Uit de lucht gegrepen 1.’ beschrijft ze:

Zwaluwen, zwart-witte vlekken in een rimpelloze,
eigenlijk wat kunstmatig aandoende blauwe hemel. Te
mooi om waar te zijn: ze brengen licht in hun vlucht
wat realiteitszin bij.

Prachtige regels staan er verder: ‘Vliegende scharen met het geluid van een kriepende/ deur. Ze dimmen het daglicht -‘ […] Het zijn gelukzoekers./ Onheil laten ze aan het krassen van de kraaien over.’ Met die laatste regels eindigt het, maar Delmotte heeft dan al een vergelijking met het dichterschap gemaakt en de beschrijving op een heel ander niveau getrokken:

Zo uit de lucht gegrepen: hun scheren is een soort
vrolijkheid maar gevaarlijker. Alsof ze iets aan het
schrijven zijn en willen blijven.

Voorzichtig, zeg, breng ze nu niet aan het schrikken.

En waar ze hun vlucht nemen, waait stof, lichtjes,
lichtjes op. Evenveel als wat er ooit van jou zal
overblijven als je schrijft.

In die laatste regels speelt de dubbele betekenis van de titel mee: wat je te berde brengt is op niets gebaseerd, een lege fantasie…
Ook in het parallelle tweede gedicht, over mussen, met weer de waarschuwing: ‘Let op: schrik ze niet weg!’ wordt de verbinding met het dichterschap gelegd en vraagt de dichter zich af ‘Wat van jou zal overblijven, op een/ dag, als je de mussen niet meer hoort, ze niet meer/ schrijft. En dan volgt een schitterende omschrijving van wat voor Delmotte poëzie is:

Onbenullige lichtgewichtjes in groots ontworpen,
om zich heen grijpende en onsamenhangend lijkende
luchten. Gedichten.

De bundel vervolgt met ‘Aanbevelingen voor wie met dagdromen wil beginnen’. Het eerste advies luidt ‘Ga zitten’ en een van de volgende aanbevelingen is ‘Beoefen dit zitten alsof je in beweging wordt gebracht./ Je stilzitten moet tot een orkaan worden. Groei daarin.’ De tekst heeft een sterk analytisch karakter en gaandeweg de bundel wordt duidelijk dat een zekere redeneerzucht Delmotte niet vreemd is, evenmin als de klaarblijkelijke behoefte zich ten uiterste rekenschap te geven en daarin volledig te willen zijn. Vandaar dat het soms lijkt alsof hij aan het brainstormen is, maar de opsommingen zijn steeds uiterst virtuoos. Zo geeft ‘Inventaris van de schaduwen’ zeventien verschillende invalshoeken: ‘Een schaduw voor als de uren je niet zinnen’, ‘Een schaduw voor de juiste plooi’, ‘Schaduw die alles van je naaktheid toont’, enz.

Hoewel er dus een sterk intellectuele invalshoek is, wordt de bundel nergens zwaar. Zelfs het voortdurende besef van tijdelijkheid en vergeefsheid en van ‘je lichtgewicht/ aan vrije wil’ drukt niet neer. Integendeel zelfs, want in veel opzichten is dit ook een bundel van geluk. Dat ‘Gift’, dat te lezen is als een zelfportret, als volgt begint, is dan ook allerminst paradoxaal:

Alles wat in zijn lege broekzakken steekt: om er samen
de luchtig- en de luchtledigheid van te delen, het niets
dat iemands zijn omhult, het niets dat onthult wat een
leven lang door kan blijven wegen – onwetendheid.

‘Het zeer diep geliefde van wat hij ziet’ is de rijkdom die hij wil delen en waarin hij in ‘Impromptu’s voor de handen’ haast tastbaar, in concentratie op een ‘zij’, uitdrukking geeft:

Onmisbaar in de liefde: waar je handen eindigen, daar
begint haar huid – dan is er van taal helemaal geen
sprake meer, er is meer.

En:

Zonder handen bleef in de liefde enkel nog de tong, de
taal, haar huid en de fijne illusie van de lyriek over.

Hier dus ook weer de correlatie met het dichterschap, evenals in ‘Iemand omarmen’, dat via de omarming van en door de moeder, die van de wereld en die van de geliefde (‘in één omarming zet je alles in’) eindigt met die van ‘heel het woord’.
Het is verleidelijk uit deze bundel veel te citeren. Uit ‘Wat je hoort als je aan haar denkt’ bijvoorbeeld, het direct volgende moedergedicht (een cyclus van vijf), waarin hij de mogelijke bron van zijn dichterschap aangeeft:

De sonore poëzie die ze je fluisterde bij het toedekken,
woord voor woord, al haar genegenheid voor zoiets
broos als jij.

In het laatste deel komt op een ontroerende manier haar sterven ter sprake:

Je hoort nog het laatste van al haar verhalen: haar
laatste adem. Je hoort het nog, je ademt het nog na, ze
blijft nog in dat ademen wat ze was, wat ze zal blijven,
wat ze van haar laat horen.

In de gedichten die volgen staat het dichterschap echt centraal. ‘Addergebroed’ is een speels hekeldicht op de ‘rare vogels’ die dichters zijn, ‘kruimeldieven’, addergebroed’, ‘armoezaaiers’, ‘lijkenpikkers’. En met honende (zelf)spot: ‘De meesten, de lichtgewichten, luisteren en spelen na -/ niet meer dan het klateren van ondiep water.’
In eerder werk voerde Delmotte in de meneer Cogito-traditie ene Warhoofd ten tonele en in vier teksten keert deze nu terug. Het eerste, ‘Al die onhebbelijkheden van de dichter’ ofwel ‘Warhoofds lamento’ is mij te fragmentarisch; niet ieder inventarisatie wordt automatisch een geslaagd gedicht. Maar de andere zijn indrukwekkend, vooral ‘Drie feeën’, waarin beschreven wordt met welke faculteiten de dichter bij zijn geboorte werd uitgerust. ‘Nausea, migraines, insomnia’ horen ertoe, maar ook ‘stoïcijnse gelatenheid’ en ‘het vermogen om te herinneren.’

De bundel eindigt met ‘Bête noire’, bedoeld als hommage aan de surrealist Antonin Artaud, met wie Delmotte zich wel lijkt te identificeren. Elf bladzijden lang, smal afgedrukt, somt hij een litanie van onwenselijkheden op, zoals ‘liever/ verguisd/ verdacht/ verhoord/oog om oog’ en ‘liever/ een gelukszoeker/ een wolkenmeter/ een mus/ een vogel voor de kat’, om pas in de laatste regels duidelijk te maken waartegen dit moet opwegen:

     ja
     liever dit

dan samentroepen
meeheulen
meehuilen
met de wolven

Delmotte heeft een unieke stem. Goed dat de Contrabas hem uitgaf. Waarom kenden wij deze dichter in Nederland niet?

***
Dichter, criticus, essayist en redacteur Alain Delmotte (Kortrijk, 1957) publiceerde onder meer Warhoofd (2002), Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (2003), Verstekelingen – Onderschrift 3 (2006), Existential figures (bij tekeningen van Ine Lammers, 2008), Voorstander zijn (2008).