Recensie van Hoe H.H. de wereld redde - Wouter Godijn

Door de mazen van het net

Wouter Godijn
Hoe H.H. de wereld redde
Uitgever: Atlas Contact ,Atlas Contact ,Atlas Contact
2012
ISBN 9789025437831
€ 24,95
63 blz.

Je moet het maar durven: een dichtbundel publiceren met zes kapitale H’s op het voorplat, in een periode waarin die letterreeks menig lezer aan de gelauwerde roman van Laurent Binet zal doen denken (HhhH – Hitlers hersens heten Heydrich). Met zijn zevende dichtbundel Hoe H.H. de wereld redde nam Wouter Godijn de gok. En waarom ook niet: na het pompeuze Wiegeliederen en blaaskikkermuziek is het poëziepubliek al het een en ander van hem gewend. Datzelfde publiek wordt door de titel van Godijns jongste worp bovendien stevig geprikkeld: een H.H. die de wereld redt – zou dat allicht Ter Balkt zijn?
Gefascineerd door deze (schijnbare) intertekstuele inbedding van de bundel nam ik Hoe H.H. de wereld redde ter hand. Bij een eerste oriënterende lezing stuitte ik op het titelgedicht, waarin H.H. niet Herman Hendrik, maar Herbie Hancock blijkt te zijn:

HOE H.H. DE WERELD REDDE

Het was weer eens zover: Herbie Hancock moest de wereld redden.
Maar eerst was het tijd voor zijn ochtendgymnastiek.
Toen hij daarmee klaar was deed hij het

en daarna vroeg hij zich af: heb ik nu tien diepe kniebuigingen gemaakt?
of heb ik er, omdat ik in gedachten onwillekeurig bezig was met datgene
                 wat ik na mijn ochtendgymnastiek moest doen,
misschien een paar overgeslagen?
Hij besloot voor alle zekerheid nog een paar diepe kniebuigingen te maken.

Je moet Godijn nageven dat hij gevoel voor absurdisme heeft: een jazzmuzikant die een pseudo-superheld wordt en zijn ochtendgymnastiek vervolgens belangrijker vindt dan onmiddellijk ingrijpen bij groot gevaar – het moet je humor zijn, maar droge kost is deze poëzie beslist niet. Het probleem is echter dat de grollen zozeer de overhand nemen, dat de vraag die het gedicht in eerste instantie interessant maakt – hoe gaat H.H. die wereld precies redden? – geheel naar de achtergrond verdwijnt. Godijn serveert de kwestie (en daarmee het gedicht) af in het volstrekt vage ‘deed hij het’, waardoor hij de indruk wekt weinig wereldschokkends met zijn poëzie te zeggen te hebben.
Ik vind dat een gemiste kans, zeker omdat Godijn zich in het openingsgedicht van de bundel profileert als een auteur die afrekent met het clichébeeld van poëzie als romantische registratie van een natuurgevoelige dichtersziel. ‘Ik was ook zo’n dichter’, stelt hij ten aanzien van een strofe waarin de fijnbesnaarde verwondering besproken wordt:

een beetje giraffeachtig,
rondschrijdend, aandachtig proevend:
gebladerte, een vluchtig passerende vlinder,
een enkel, luchtig knapperend vinkje;
verwonderde dichters.

Ik betwijfel of Godijn ooit het type dichter is geweest dat ‘luchtig knapperende vinkjes’ bezingt – daarvoor moet je eerder bij Sjoerd Kuyper zijn, die schaamteloos over klapwiekende zwaluwtjes schrijft – maar zijn ironisering van de afgezaagdheid maakt hoe dan ook nieuwsgierig naar wat hij voor de passerende vlinders in de plaats wil stellen. Het lijkt erop dat dat vooral een associatieve gedachtestroom moet zijn, die vooral niet ‘te strak, hoekig, te uitgesproken, te niets’ is, maar eerder ‘een spoor van punaises’, dat de lezer moet volgen en waaraan hij zich zo nu en dan verwonden zal.
Die poëtica klinkt nogal vaag, maar wie Hoe H.H. de wereld redde leest, krijgt er een aardige voorstelling bij. Het begin van het gedicht ‘Haas in wording’ is een goede illustratie van de punaisepoëzie die Godijn serveert:

Mijn lichaam staat op een kier. Zo goed?
Of toch maar wijd open. Beter. Om welkom te heten: jajaja!
daar komt de eerste letter al, een d …? Precies wat u dacht…? Nouwwww –
tis niet wat ik zelf in gedachten had. Ik wou een h
zoals sommige restaurants hun deuren voor je openspreiden als uitnodigende
moederarmen
kommm dan kommm dan! (…)

Het fragment hangt van associatieve procédés aan elkaar: in de tweede regel herziet de dichter onmiddellijk de claim uit de openingszin; vervolgens ondermijnt hij zijn scheppende controle door een andere letter op te voeren dan hij ‘in gedachten had’ en ten slotte doorbreekt hij de logica door een ‘h’ te koppelen aan restaurantdeuren (die weer aansluiten bij het lichaam dat wijd open staat). In poëzie die strak, hoekig of uitgesproken is, resulteren deze regels dan ook niet: Godijn stuitert eerder alle kanten op en laat de lezer verbouwereerd achter. In mijn geval kwam daar bovendien een aardige dosis irritatie bij, door het aanstellerige ‘kommm dan kommm dan!’ en het zo mogelijk nog ergerlijke ‘Nouwwww’.
Zulke ergernis is enigszins positief te duiden, in die zin dat ik tijdens het lezen van Godijns poëzie vaststelde dat ik in elk geval iets voelde bij deze gedichten. Feit blijft echter dat het in Hoe H.H. de wereld redde vooral bij kitscherige overdaad blijft; bij ironie en absurdisme dat gespeend is van enige originele wereldvisie. In plaats van de lezer te verrijken, kan een gedicht als ‘Queen’ bijvoorbeeld het niveau van de slapstick niet overstijgen. Aan het begin van het gedicht treft het lyrische ik, dat later expliciet wordt gelijkgesteld aan de dichter, de koningin aan op de groenteafdeling van een supermarkt:

Ben ik in de supermarkt ja je raadt nóóit
wat me overkomt zie ik daar een koningin heel gewoon
tussen de tuinbonen en de hoe heet ut? de gerapste bietjes
(die lui van de marrekutting beschouwen zo’n majesteit kennelijk als een soort
                                 groente)
ze was in de aanbieding als je zo’n dinges zo’n kaart had
ik denk dat laat ik me geen twee keer zeggen
ik zet ur in me karretje en ik hop naar de kassa’s

Net als het titelgedicht heeft ‘Queen’ de potentie op de lachspieren te werken – niet alleen door het absurdistische idee vanwaaruit Godijn vertrekt, maar ook door het koddige gebruik van het spreektalige in zowel de syntaxis als de spelling van het gedicht. Maar wat is nu de inzet van deze exercitie? Neemt Godijn het Koningshuis op de hak met deze spraakwaterval, die uitmondt in de aanbeveling ‘neem een koningin in huis je ken se gewoon bij de super krijgen / iedereen se eigen queen kunnen we die Oranjes mooi afschaffen / die koste me toch een bak geld – dit is ja veel goedkoper’? Als dat zo is, dan lijkt het woord ‘goedkoop’ hier beslist op zijn plaats, want echt inhoudelijk wordt Godijn nergens. Eerder bijt hij zichzelf in de staart, door de uithaal naar ‘die lui van de marrekutting’, die feitelijk op hemzelf gericht is: voor zover ik kan overzien, is het immers niemand anders dan Godijn die de koningin tussen de groentebakken plaatst.
Naar aanleiding van Godijns bundel De zieken breken (2008) schreef Erik Lindner in Poëziekrant: “De gretigheid [van Godijn] om zich als een melige gek te presenteren, is ongekend.” Precies dat is wat Hoe H.H. de wereld redde in mijn ogen opbreekt. Het maakt niet uit hoe ernstig de thema’s zijn, of Godijn maakt er een grapje van:

                                                       (…)        Niet
zal ik meemaken: het opraken van de fossiele brandstoffen, het zo hoog zetten
van de planeetthermostaat dat de gevolgen een grootse, groteske, gruwelijke
gedaante aannemen. Als een vis door de mazen van het net ben ik
ertussendoor geglipt. Dank. Dank. Dank
o godin van het toeval. (…)

Met de komst van Fortuna is de zaak, meteen nadat de dichter haar aanstipte, onmiddellijk afgedaan. Daardoor blijft de problematiek onherroepelijk in het luchtledige hangen – het valt eerlijk gezegd nog mee dat Herbie Hancock de thermostaat niet wat lager komt zetten. Misschien had de titelheld het te druk met zijn ochtendgymnastiek, want uiteindelijk verkiest deze bundel ironisering en relativisme boven visie en urgentie. Dan zie ik H.H. toch liever gewoon als Ter Balkt, die eens aantekende: ‘Poëzie is géén spel, zelfs geen kinderspel … Poëzie is een vlag op een modderschuit, een vrolijke vlag die wappert boven de woede.’ Die vrolijke vlag, die zie ik bij Godijn nog wel. Maar de modderschuit en de woede? Die liggen geloof ik nog erruguns in de groentebak.

***
Wouter Godijn (1955) debuteerde in 1997 met de roman Witte tongen en schreef daarna nog de romans De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (2007) en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010).
Als dichter debuteerde hij met Alle kinderen zijn van glas (2000). Daarna volgden Langzame nederlaag (2002), De karpers en de krab (2003), Kamermuziek, of De weg naar onverschilligheid (2005), De zieken breken (2008) en Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010).

Interview met Maarten van der Graaff

'Een spel moet je ernstig spelen'

 

In het jongste nummer van nY vielen Jeroen Dera de gedichten van Maarten van der Graaff (1987) op. Wie is deze dichter die de kitsch en het sentiment in zijn poëzie wil opzoeken?

Het gebeurt niet vaak dat iemand debuteert in een tijdschrift als nY. Wat vind je zo aantrekkelijk aan dat blad?

nY heeft een voorkeur voor experimentele poëzie, daar passen mijn gedichten in zekere zin bij. Ik vind de bijdragen in het tijdschrift bovendien vaak interessant en de vormgeving mooi. De redactie vertelde dat Erik Spinoy enthousiast was over mijn werk en in een e-mail heeft hij dat nog een keer aangegeven. Hij zei dat hij vooral wil dat ik mijn eigen stem behoud. Dat zal ik doen.

Maarten van der GraaffHoe zou je zelf je eigen poëzie omschrijven?
Ik merk dat dit soort zelfbeschrijving onzeker maakt, maar ik zou graag poëzie schrijven die wat vorm betreft veel durft en thematisch gezien de grote onderwerpen niet schuwt. Geen keurige slimmigheidjes of gepolijst gebrabbel. De zogenaamde kitsch, het sentiment wil ik opzoeken en de beelden die ik gebruik, moeten onvervangbaar zijn. Verder wil ik niet voortdurend de schouders ophalen of de grote relativist uithangen. Als ik het schrijven van gedichten onbelangrijke bullshit zou vinden, zou ik het niet doen. Een spel moet je ernstig spelen.

Welke dichters uit het huidige literaire veld vind jij relevant?
Dichters die ik goed vind, zijn H.H. ter Balkt, Kopland, Vicky Francken, Alexis de Roode, Sylvie Marie, Nachoem Wijnberg, Mark Boog, Ducal. Ik noem er een stel. Verder, met gedeeltelijke verlating van het huidige veld, houd ik in willekeurige volgorde van Reve, T. S. Eliot, Prediker, Ginsberg, Vasalis, Baudelaire, Pessoa, Bukowski, Piet Paaltjens, de Jeugd van Tegenwoordig, Deelder, Nijhoff, Lucebert, Trakl, Gorter, Brecht, van Ostaijen, Rimbaud, Achterberg, David en Hugo Claus.

Dat is een behoorlijke lijst. Kun je er een paar dichters uitlichten en aangeven wat jou precies aantrekt in hun poëzie?
Bij Francken en Wijnberg waardeer ik het oog voor de subtiliteit van taal en betekenis. Bij Claus en Lucebert de manier waarop woeste, soms duistere metaforiek wordt verbonden met sentiment en expressie. En humor, niet te vergeten. Dat vind ik erg belangrijk. Hoe Reve ironie, schuine moppen en grootse passages over dood en liefde vermengt: dat is geweldig. Dichters zonder humor zijn onverdraaglijk. Daarbij moet wel worden vermeld dat mensen die niets te zeggen hebben nooit grappig zijn. Met David bedoel ik overigens die van de psalmen (hoewel ik natuurlijk weet dat zijn auteurschap zeer twijfelachtig is). De psalmen zijn überhaupt prachtig, gruwelijk, beeldrijk en ze barsten van de melancholie.

Die psalmen brengen me bij je studie: theologie. Dat is tegenwoordig een bijzondere keuze voor iemand van jouw leeftijd. Wat bracht je ertoe?
Ik vind religie een interessant, invloedrijk verschijnsel en wilde er meer over weten. Ik houd me momenteel vooral bezig met religie en kunst en dan met name de literatuur. Volgende maand mag ik in een collegereeks van Johan Goud een gastcollege verzorgen over religie en seks bij Reve. Mijn masterscriptie zal over Kopland gaan, over zijn verwondering bij het kijken naar het oppervlak van de dingen, zijn aversie tegen achterwerelden, om het zo te zeggen. Pessoa is een belangrijke dichter voor hem, ik wil ontdekken hoe zijn werk functioneert in dat van Kopland. Om terug te komen op je vraag: het lezen van veel religieuze en filosofische teksten heeft mijn taalgebruik als dichter denk ik sterk beïnvloed. Eén van de drie gedichten in het huidige nummer van nY heet ‘139’ en is geschreven naar aanleiding van psalm 139. Het gaat bij mij uiteindelijk om de beklemmende liefde die de ander wil overwoekeren. In een van de regels staat: ‘ik leg mijn hand op je./ Mijn hand is een eenzelvige korst op je’. Het menselijk verlangen naar nabijheid en de angst voor identiteitsverlies en verstikking vind ik fascinerend.

Je publiceert ook in het scrapbook van beeldend kunstenaar Daniël Labruyère. Kun je iets zeggen over die samenwerking?
De eerste keer dat ik iets als dichter deed, exposeerde ik met Daniël – een goede vriend van me – in de Singer Sweat Shop in Rotterdam. De expositie was een combinatie van zijn beeldend werk en mijn gedichten. Nog steeds praten we veel over wat we doen en dat vormt ons beiden. Ik vind Daniël een enorm talent en zie onze samenwerking als erg waardevol. Het scrapbook op Daniëls site bevat flarden beeld en tekst, waar je als bezoeker doorheen kunt dwalen. Het scrapbook geeft ons de mogelijkheid te experimenteren: ik kan zo alle hoeken, gaten en afgronden van de taal aanspreken.

Wat zijn je ambities op het vlak van de poëzie in 2011?
Ik ga veel schrijven, nog meer dan ik deed. Zo werk ik aan een ‘Gedicht in vijf Tabletten’. Dat is een lang gedicht waarin ik de zoektocht naar een nieuwe betovering wil verbeelden, een queeste. Verder zou ik graag meer in tijdschriften publiceren en op de podia staan. Het beviel me laatst goed om op te treden bij iPoetry en bij de bundelpresentatie van Alexis de Roode. Ook Onbederf’lijk Vers was een goede ervaring. Ik ben erg blij met mijn debuut in nY en zou graag een uitgeverij vinden. De opzet van een eerste bundel spookt soms door mijn hoofd.

Interview met Jan de Bruyn

Poëzie zonder rafelrand

 

Jan de Bruyn (1959) publiceerde onlangs in Het Liegend Konijn, een van de belangwekkendste poëzietijdschriften in het Nederlands taalgebied. Zijn publicatie kwam in die zin uit de lucht vallen, dat De Bruyn een relatief onbekende figuur in de poëziewereld is. Tijd om deze dichter van sprookjes nader te introduceren.

Hoe kwam je publicatie in Het Liegend Konijn tot stand?
Tijdens de zomer verschenen een aantal van mijn gedichten in De Brakke Hond en Gierik/NVT. Ik beschikte over voldoende materiaal en dacht dat de tijd rijp was om ook Het Liegend Konijn aan te schrijven. Meestal moet je geduld hebben voor je uitsluitsel krijgt, maar tot mijn niet geringe verbazing antwoordde de redactie de volgende dag al dat ze enthousiast was over het werk dat ik had ingezonden. Mijn gedichten werden in het herfstnummer gepubliceerd. Ik heb enkel lof voor de professionele manier waarop Het Liegend Konijn gerund wordt. Ik onderschat de rompslomp niet die met het redigeren van een tijdschrift gepaard gaat. Als je rekening houdt met het aantal dichters waarmee een nieuwe editie van Het Liegend Konijn uitpakt, dan past het om daar je hoed voor af te nemen.

Hoe zou je jouw poëzie omschrijven?
Ik ben geneigd om mijn gedichten als sprookjes te bestempelen. Niet uit bescheidenheid of omdat ik er een Oosters georiënteerde visie op nahoud, maar omdat de suggestieve, bijna surreële kwaliteit die sommige dichters met eenvoudige middelen weten te bereiken, altijd een inspiratiebron voor me is geweest. Schitterende vondsten zoals Frank Koenegrachts ‘Er zijn ook bedienden vol sluimerende wijnen’ of Van Ostaijens ‘Wilde rozelaars waaien stemmen van elzekoningen bloot’ zijn met een Zwitsers zakmesje in mijn geheugen gegrift.
Ik tracht binnen het bestek van pakweg een halve pagina een verhaal te vertellen, dat misschien niet helemaal strookt met de werkelijkheid zoals we die dagelijks ervaren, maar er toch alle schijn van heeft. Elk gedicht, waarvan ik de details zo realistisch mogelijk tracht in te kleuren, kent echter zijn een eigen wetmatigheid, zoals dat ook met een sprookje of een droom het geval is. 
Ik hecht er nogal belang aan dat het eindresultaat niet alleen inhoudelijk, maar ook visueel aantrekkelijk is. Soms kom ik er niet uit en blijft er een hinderlijke rafelrand zichtbaar, zoals je bij een spelletje patience ongewild met een paar kaarten kunt blijven zitten. Een uitwaaierende zin, een beeld of een binnenrijm dat net niet ten volle tot zijn recht komt, probeer ik dan eerst nog aan te passen, zonder dat de balans verstoord wordt. Lukt dat niet, dan gooi ik ofwel de vorm compleet om, of recycle ik de beste stukken en kijk of ze elders beter tot hun recht komen. Een gedicht mag best veeleisend zijn, maar ik vermijd het om af te glijden naar nonsensicaliteit, omdat me dat een te gemakkelijk oplossing lijkt. Naar mijn gevoel is de helderheid van een gedicht toch in de eerste plaats gebaat bij een sterk beeld, een knap binnenrijm of soepele regelval.

Zijn er schrijvers die je (denken over) poëzie beïnvloeden?
Ik vermeldde al Frank Koenegracht, die in ons taalgebied misschien minder bekend is, maar wiens oeuvre een goudmijn is. Luuk Gruwez lees ik graag omwille van zijn vakmanschap en zijn thematiek. Hans Faverey is een dichter die ik bijzonder hoog acht, omdat hij in zijn beste gedichten een willekeurige gebeurtenis op een bijna filmische wijze tot poëzie weet te transformeren.
Ik ben schatplichtig aan Achterberg en Hoornik, alsook aan de dichteressen Herzberg en Gerlach. De latere poëzie van Kouwenaar is me eveneens enorm dierbaar. Ik vind trouwens, maar dit terzijde, dat een dichter als Achterberg nog onvoldoende bekendstaat om de soms hilarische gedichten die hij geschreven heeft. Lees de gedichten Horeb of Onland in Het spel van de wilde jacht er maar op na.
Omdat mij naast de Nederlandstalige ook de Amerikaans poëzie genegen is, kan ik niet nalaten om e. e. cummings, Mark Strand, Stevie Smith, Charles Simic, maar vooral Robert Bley te vernoemen, wiens Morning poems niet alleen een hoog droomgehalte bezitten, maar ook bijzonder laconiek en spitsvondig zijn. Zijn poëzie benadert nog het dichtst het ideaal dat me voor ogen staat. Wat de jongere generatie betreft, bewonder ik vooral het werk van Mark Boog, Ester Naomi Perquin, Jan Visser en Antoine Uitdehaag.

Je bent werkzaam in een bibliotheek en werkt bovendien als fotograaf. In hoeverre speelt dat een rol in je dichtpraktijk?
Ik werk in de openbare bibliotheek van Antwerpen. Dat ik iets met boeken heb, is niet verwonderlijk. Omdat ik geïnteresseerd ben in typografie en lay-out, volgde ik een opleiding van twee jaar bij het Plantin Genootschap te Antwerpen. Fotografie heeft steeds een belangrijke plaats ingenomen, maar is de laatste jaren door gebrek aan tijd wat op de achtergrond geraakt. Schilderijen spelen wel soms een rol in de poëzie die ik schrijf. Het gedicht ‘Dit geheel ter zijde’ bijvoorbeeld tracht de verstilde sfeer weer te geven van een doek van S. van Hoogstraten, Jonge vrouw met brief, dat ik vorig jaar in het Mauritshuis zag. 
Vorig jaar ben ik overigens begonnen met het maken van collages en fotoassemblages en ik ben toen werkelijk door de microbe gebeten. Het maken van een collage is een even intuïtieve bezigheid als het schrijven van een gedicht. Je weet vooraf niet waar je uitkomt en het resultaat is steeds weer een verrassing.

Wat staat er zoal voor de toekomst op stapel?
Het was mijn bedoeling om tijdens de zomer een bundel in eigen beheer uit te brengen, maar door omstandigheden heb ik er niet meer aan kunnen werken. Ik mik nu op begin volgend jaar. Na de opleiding aan Plantin ben ik het een beetje aan mezelf verplicht. Een bundel in eigen beheer biedt de vrijheid om typografie en lay-out volledig naar mijn hand te zetten. Daarnaast zie ik het als mogelijke opstap naar een reguliere uitgave. Een ander project is een representatieve keuze uit het werk van Robert Bley te vertalen. Revolver, dat geïnteresseerd was, is vorig jaar echter ter ziele gegaan, waardoor het niet tot een publicatie gekomen is. Vertaalwerk op zich is een plezierige bezigheid, omdat je al over een geschreven tekst beschikt, maar er speelt toch iets vreemds mee. Om beter je eigen teksten te kunnen beoordelen, heb ik gemerkt, helpt het om ze te lezen, alsof ze door iemand anders geschreven zijn. Voor vertalingen geldt ongelukkig dan weer het tegengestelde, maar als het lukt, lijkt het of je per abuis een nieuwe taal uitgevonden hebt.

Bart de Block over zijn poëzie

Een gedicht als een aflevering van E.R.

 

Dichter en vertaler Bart de Block (1978) liet al van zich horen in de belangrijkste papieren literaire tijdschriften van ons taalgebied en is bovendien redacteur van Kluger Hans. Tijd voor Meander om deze nieuwe stem in de Nederlandse poëzie aan u voor te stellen. Voor nu althans, want De Blocks gedichten zijn volgens de dichter zelf aan voortdurende evolutie onderhevig.
 
Je bent dichter en kunstwetenschapper. Is er voor jou een verband tussen die beide bezigheden?
Zeker. In de eerste plaats is poëzie natuurlijk ook kunst. Ze speelt zich af in een vergelijkbare context, een vergelijkbaar cultureel en maatschappelijk veld als beeldende kunst. Je zou kunnen zeggen dat poëzie valt onder een bepaald ‘taalregime’ in plaats van onder een ‘beeldregime’. Natuurlijk zijn er verschillen tussen literatuur en beeldende kunst. En een gedicht is natuurlijk meer dan theorie. Maar beide disciplines delen wel een context van hedendaagse gevoeligheden.
Dat is het voornaamste verband, denk ik. Dat poëzie veel meer kunst is dan ambacht. Dat ze dus even hoog moet grijpen en even hard moet denken als beeldende kunst. Ik zie ook een intuïtief verband tussen poëzie en videokunst, kunstvormen die mij allebei sterk raken. Het heeft iets te maken met tijdbeleving. Dat zou ik graag eens iemand zien uitzoeken.

Hoe zou je je poëzie zelf karakteriseren?
Dat is moeilijk, omdat ik dit karakter voortdurend in evolutie zie. Daarom is iets poëzie: omdat er nieuwe constructies worden gemaakt met taal. Maar er zijn wel constanten. Mijn gedichten werken bijvoorbeeld meestal met breuken of losse, associatieve verbanden. In de loop van een gedicht vinden er vaak opvallende verschuivingen plaats van stem of toon. Nog een ander kenmerk is dat er veel informatie in de gedichten wordt samengebracht, zoals in een film van Robert Altman of een aflevering van E.R.. Deze vormkenmerken lopen door naar de inhoud. Die betekent niets anders dan de mogelijke impact op de lezers. Wat het gedicht doet. Ik zou een gedicht willen schrijven dat evenveel kan doen als een aflevering van E.R..

Welke dichters lees je graag en waarom? Hebben zij ook invloed op je eigen werk?
Op dit moment lees ik Gwennaëlle Stubbes Ma tante Sidonie en Rae Armantrouts’ The Pretext. Stubbe bewonder ik om haar talent voor het absurde en het theatrale. Ze schrijft minimale poëzie met een maximaal effect. Die gebaldheid vind je ook terug bij Armantrout. Wat ik in haar poëzie frappant vind, is dat ze dubbele of valse boodschappen meegeeft, waardoor betekenis iets bedenkelijks of betwistbaars wordt.
Figment van Rebecca Wolff was in het recente verleden een belangrijke bundel voor mij. Net als Fuck You-Aloha-I Love You van Juliana Spahr. In ons eigen taalgebied heb ik bewondering voor Saskia De Jong en Paul Bogaert. Dichters die ik binnenkort wat grondiger zal lezen, zijn Alice Notley en Friederike Mayröcker. Noot: opvallend dat dit haast allemaal vrouwen zijn.

De nieuwe hedendaagse dichter is niet alleen actief op papier, maar treedt ook regelmatig op en laat van zichzelf horen op het internet. Hoe verhoud jij je daartoe?
Ik heb er eerlijk gezegd gemengde gevoelens bij. Ik ben wat wantrouwig tegenover het retorische karakter van sommige slampoëzie. Maar er zijn genoeg tegenvoorbeelden die dit weerleggen. Ik voel ik me aangetrokken tot een voordracht die weerhaken toevoegt aan een tekst, bijvoorbeeld het werk met geluid en klanken van Antoine Boute en de crossover met theater van Vincent Tholomé. Maar in mijn eigen teksten is dit momenteel niet aan de orde, nu ik op papier iets interessants probeer te ontwikkelen.

Je hebt ook poëzie vertaald. Hoe verhoudt het vertalen van poëzie zich volgens jou tot het schrijven van je eigen gedichten?
Er is nauwelijks een verband, denk ik. Vertalen is een eigen metier, waarbij de vertaler een bepaalde toon en een vlotte leesbaarheid moet proberen te vatten. De inventiviteit die daarbij te pas komt, heeft maar maar weinig te maken met het ontwerpen van een gedicht. Ik zie dan eerder een verband tussen poëzie en het schrijven van een essay.
De vertalingen – die ik overigens maak voor Kluger Hans – zijn interessant omdat ze leiden tot een andere lectuur van poëzie. Je wordt gedwongen om de gedichten helemaal door te denken, iets waar je anders – zeker bij anderstalige poëzie – vaak niet de tijd voor neemt.

Wat mogen we nog van jou verwachten in de toekomst?
Dit jaar nam ik deel aan Dichters in de Prinsentuin en schreef ik een essay rond Juliana Spahr voor Parmentier. Bovendien verschenen er gedichten in DW/B. Volgend jaar hoop ik voldoende nieuwe gedichten te schrijven voor een boek. Ik verwacht ook een paar mooie themanummers van Kluger Hans. En in het voorjaar organiseren we met Kri Kri een nieuw poëziefestival in Gent.

Interview met Geert Jan Beeckman

Het repertoire van een eigen bestaan

 

Naar aanleiding van je debuut Diep in het seizoen schreef Alain Delmotte op Poëzierapport: "Het voordeel om te debuteren op middelbare leeftijd? Dat je het, op die leeftijd, zo stilaan begint te weten. Dat je een en ander doorziet en een en ander voor bekeken houdt. Dat je eigenlijk nog maar weinig hoeft bij te leren: het voornaamste werd je toch al afgeleerd." Hoe sta je zelf tegenover deze woorden?
Ik denk dat Alain Delmotte ergens een punt heeft als hij de voordelen opsomt van debuteren op latere leeftijd. Dit in de zin van dat niemand gediend is met een auteur die te vroeg van stapel loopt. Hij die staat te trappelen van ongeduld en stinkt van ambitie kan bijn eerste worp de mist ingaan. Dus niemand heeft baat bij een onvoldragen debuut. Het geduld dat de dichter aan de dag moet leggen voor het schrijven van goede poëzie, is eveneens het geduld om niet te vroeg te publiceren. Voorbeelden genoeg in de literatuur. Een debuut moet verantwoorden dat een dichter pas publiceert als zijn poëtica er klaar voor is. Zo niet, dan heeft het weinig zin. En ook: een debuut is eenmalig. Zorg dat het goed en correct is. Een dichter moet de kans niet vergooien door zijn eigen woorden te snel in een bundel te willen zien. Maar goed, of dit dan zozeer met een zekere leeftijd te maken heeft, wil ik hier in het midden laten. Er zijn immers altijd verschillen. In ieder geval mag ik van mijn debuut tevreden zijn met het winnen van de Herman de Coninckprijs 2008. Het was een mooie binnenkomer in de Vlaamse letteren.

Een hamvraag die wij dichters vaak stellen, is wat zij precies verstaan onder goede poëzie. Wat is jouw antwoord?

Bij poëzie gaat het mij om het onzegbare zegbaar te maken. Dat is mijn streven. Ik zeg ‘streven’, omdat dit het hoogste goed is dat een schrijver of andere kunstenaar kan bereiken in zijn of haar doen. Deze vaststelling noopt mij te zeggen dat wie dicht, of anders aan de kunst is, veel nederigheid aan de dag moet leggen. Je schiet, met andere woorden, steeds tekort in het bedoelde. Maar dat is nu juist het interessante en het boeiende eraan. Het is niet alleen deze zoektocht naar het meest benaderbare die mij bevalt, het schrijven van poëzie maakt van mij welhaast een completer mens. Het breidt als het ware het repertoire van mijn eigen bestaan uit.
Verder vind ik dat goede poëzie altijd moet proberen het universele achter het particuliere te tonen. In mijn eigen werk probeer ik zoveel mogelijk aan dat gegeven te appelleren en inhoud te koppelen aan taalmomenten met een blijvende ervaring. Dit alles moet de lezer aan het werk zetten om een eigen invulling te geven aan het gedicht. Daarom vind ik het niet onbelangrijk dat de lezer zich, tot op zekere hoogte, in het gedicht herkent.

Is er een traditie waarin je je probeert te scharen met je poëzie?

Als ik de recensenten van mijn eerste bundel mag geloven, behoor ik tot de romantici en de traditionelen. Dat is mij echter te kort door de bocht en te beperkt van oordeel. Ik denk dat mijn poëzie zich niet zomaar laat opsluiten in een traditie. Daarvoor is ze mij te eigenzinnig van idioom. Maar goed, ik schrijf en dat is alles en een dichter geeft altijd maar de helft. Wat de lezers of de critici met de andere helft doen, de beoordeling, dat ligt buiten jezelf.
Natuurlijk snijd ik als bijna alle dichters wat romantiek aan, maar om mij bij deze direct bij een strekking in te delen? Nee. Daarvoor is poëzie te veelzijdig om er niet aan te doen en te blijven steken in een vakje. Ik knip geregeld het richtsnoer van mijn betekenissen en taal door om bewust niet bij een traditie te horen. Want wil iedereen toch niet wat originaliteit nastreven? Misschien kan ik zeggen dat mijn werk van een persoonlijkheid is waarbij de dichter via zijn gedichten tracht te achterhalen wat aan hemzelf en bij uitbreiding aan het leven ontbreekt. Soms aanschouwend, soms van een bedrieglijke abstractie, met de ongrijpbaarheid van het bevreemdende. Veel meer dan dat ik door weinig uit te leggen veel wil uitleggen, valt er niet over te zeggen.

De laatste jaren beginnen steeds meer dichters te experimenteren met digitale vormen. Hoe sta jij daar tegenover?
Digitale poëzie is misschien nu nog geen volwaardig genre, maar wel al een heel nieuwe manier om getuige te zijn van poëzie of om aan poëzie te doen. Het is een manier om een vinger aan de pols te houden, hoe poëzie zich kan ontwikkelen met bijvoorbeeld de directheid van het net. Ook cd’s met verzen of andere  digitale (beeld)vormen, doen zo zoetjesaan hun intrede. Op zich juich ik dat wel toe. Al was het maar om de simpele reden dat poëzie zich al genoeg in de slaapkamer van de literatuur bevindt, en dus gerust gediend is met een breder medium dan het traditionele boek. Dit alles zal met de tijd verworden tot nieuwe kunsten, geboren uit de traditionele schrijver en lezer, maar toch met een nieuw en bovenal ander publiek. De mogelijkheden lijken mij vrij onbeperkt. Maar er is natuurlijk ook een groot nadeel verbonden aan al deze evoluties. Iedereen kan tegenwoordig met zijn teksten naar buiten komen zonder dat daaraan een noemenswaardige kwaliteitsgarantie is verbonden. Iedereen doet wat hij wil, maar toch. Enige redactie is echt wel op zijn plaats. En ook: een boek in de hand is een fysieke bezigheid waarmee de schrijver en zijn werk tastbaarder blijft voor de lezer. Een niet te onderschatten vaststelling, me dunkt.

Dichter ‘zijn’ betekent meer dan alleen poëzie schrijven. Zo treden veel dichters op, houden zij er een weblog op na of doen zij redactiewerk. Wat doe jij zoal naast het schrijven an sich?
Ja, ook ik heb een bescheiden weblog. Een weblog met allerhande teksten, zoals dagboekfragmenten, columns en natuurlijk ook poëzie. Zie het als een manier van communicatie, van je eigen territorium uitbreiden, om jezelf onder het surfend publiek kenbaar te maken en te blijven. Ook nog Facebook, al is dat meer een prettige speeltuin waar je vrijblijvend kan vertoeven. Maar goed, al deze dingen dragen dus wel bij tot je eigen persoon, je eigen dichterschap. Optreden is natuurlijk van een andere orde, maar is zeker op tijd en stond nodig om in beeld te blijven. De mensen komen naar je toe en wie komt heeft interesse. Een andere manier van ‘dichter zijn’ vind ik vooral in reizen. Dichtbij of ver, dat maakt weinig uit. Al zijn er natuurlijk plaatsen waar je je meer aangesproken voelt dan ergens anders. Reizen heeft met ‘zien’ van doen. En laat ‘zien’ dan het voornaamste wapen zijn dat een dichter in zijn bezit heeft om de dingen te benaderen op hun detail of onderwerp. Ook de interesse in andere kunstvormen is een essentiële voedingsbron waaruit ik kan putten. In het verleden leende ik mij al eens voor een tentoonstelling waarin poëzie in relatie staat met beeldende of andere kunsten. Dat werkt zeer verfrissend en is van een niet te onderschatten inspiratie. In dat licht is het niet verwonderlijk dat ik verbonden ben met het Stedelijk Museum van Actuele Kunst (SMAK) in Gent. Ik schrijf regelmatig kunstrecensies voor hun weblog UrbanMag, en de tentoonstellingen zijn meestal van een hoog niveau. Ook de gesprekken met de kunstenaars zelf. Dat is mooi meegenomen. Zij getuigen meestal van een andere invalshoek en dat verruimt je blik.
Maar om op de kern van de vraag terug te komen: dichter ‘zijn’ is eigenlijk een voltijdse bezigheid met de voelsprieten omhoog.

Wat kunnen we het komende jaar van je verwachten?
Met Hersenneerslag staat er een nieuwe bundel in de steigers, al kan ik daar nog niet veel over kwijt. Laat ik zeggen dat het een ander werkstuk geworden is dan mijn eerste bundel. Normaal ook. Het zijn gedichten die ik nu kon schrijven. Niet gisteren of morgen. Want een mens schrijft zich maar op van een bepaald moment, je bent tenslotte alle dagen iemand anders. Van alle ikken die we geweest zijn en na elkaar. Wanneer de bundel het licht ziet, daar heb ik nog geen zicht op. In het najaar misschien, maar evengoed kan het begin 2011 zijn. En misschien begin ik wat met mijn columns en mijn recensies voor het SMAK. Ze zijn nogal poëtisch van aard en niet zelden krijg ik daar goede reacties op. Dus ja, wie weet zit daar muziek in. Voor de rest is er de hoop om her en der een optreden te versieren, want een podium is toch wel een biotoop waar ik graag verblijf om mijn ding te doen.