Gedichten

in alle streken staken

handen dood uit de mouwen.
de zee bezette als een leger
de verbaasde o’s van monden.
ogen sloegen in golven neer.

wat bleef groef adem op.
sleurde zich bij de haren
uit het water recht en keek
dood uit over het blauw

van armen en benen.
slippers dreven te voet
in het zand en waren
voorgoed hun maatje kwijt.

een man die door het water
vergeten was zwom in een zee
van schoenen. vroeg zich
de rest van zijn leven af.

waarom de zee alleen maar
linkerschoenen had gebraakt,
alsof zij in haar dode eentje
de rechter was.

[Tsunami in Sri Lanka – 26.12.2004
Op 27 december lag het strand vol slippers.
Bijna allemaal linkerslippers.].


ooit was ik de eerste
 

die op kamertemperatuur de kast
beklom. zolang ik rook naar verre
landen streelden de handen

die mij vonden de zomer uit mijn huid.
verhard van heimwee naar zee
en zand gaf ik mijn kleuren op.

ik werd een mak soort kamerplant
die nooit om water vroeg en zwijgzaam
het stof van maanden droeg.

door een ander strand te vondeling
gelegd, bloedde elke zomer
een nieuwe steen dood naast mij.

de handen luisteren al lang niet meer
naar de zeeën die wij zingen.
de kast kreunt onder het gewicht

van ons keihard zwijgen.

 


in de kelder was het stil

 
daar hoorde ze ons niet groeien
zonder woorden hield de onderbuik
van het huis ons buiten

daar knoopte moeder steek
na steek een jarenlang tapijt
van laat me nu toch even

we waren vaak te veel kabaal
dan kroop ze weg tussen de kolen
en mat de tijd in knopen

ze steekt weer in de kelder, zeiden we
en wij maar zonder grenzen
boven blijven leven

hoor hoeveel zachter wij nu lopen
in het huis waar kamerbreed tapijt
moeders doodgaan dempt