Gedichten

door Du Fu

Mooie vrouwen
10 april 752, hoffeest bij de Serpentinevijver in het Lotuspark.

Er is een frisheid in de lucht, dit Lentefeest.
Ik zie bij de rivier veel mooie vrouwen,
met verre blik, gesorteerde lachjes, zoet-werkelijk,
met verfijnde teint, symmetrie van vormen,
in zijden jurken geborduurd met gouden pauwen
of zilveren eenhoorns, schitterend in de lentezon.
Wat dat op hun hoofden is? Reigerveertooien
met jadebladeren die over hun slapen vallen.
Wat ze aanhebben? Mantels afgezet met parels
die hun lichamen volmaakt omsluiten.
Bij de Regenboogtent zie je familie van de ‘keizerin’,
onder hen haar twee zussen die men grote titels gaf.
Purperen kameelbult wordt geserveerd in azuren ketels,
op schalen van bergkristal komt blanke vis voorbij.
De eetstokjes van rinoceroshoorn kunnen het voedsel niet aan,
flitsende messen snijden voor niets verfijnde hapjes af.
Eunuchen in vliegende draf werpen niet eens stof op
als ze uit de hofkeukens telkens nieuwe zaligheden brengen.
Fluiten en trommen roepen klagelijk de geesten op,
maar de gasten en het gevolg verwijlen in voornaamheid.
Als laatste komt híj, te paard, in trage statie,
stijgt af onder het baldakijn, schrijdt over het brokaat,
wilgenkatjes sneeuwen als wit kroos neer –
en een blauwe vogel vliegt over, in zijn bek een rode lap.
Aan de hete handen van de macht brand je je snel:
kom niet nabij de woede van de Gevolmachtigde!

Maannacht

Ver in dat godverlaten oord ziet zij
vannacht dezelfde maan; maar zonder mij.
Ik denk hier aan haar, en aan de kinderen,
weten zij nog wel iets van de hoofdstad?
De mist leent geur van haar natte haar,
de maan glans van haar blanke armen.
Wanneer staan we weer samen bij het raam
en laten die maan dezelfde tranen drogen?

Ronselaar te Shihao

Op een avond kwam ik in Shihao,
die nacht deed een ronselaar zijn werk.
Een oude man ontkwam over de muur,
zijn oude vrouw kwam aan de deur.
De ronselaar schreeuwde van woede
en de oude vrouw jammerde terug.
Ik hoorde haar tegen hem zeggen:
‘Drie zoons deden dienst aan de grens,
een stuurde per koerier een brief
dat twee al zijn gevallen in de strijd.
De levenden stelen het leven,
maar de doden zijn weg voor altijd.
Geen man is er meer in mijn huis,
alleen mijn kleinkind, nog aan de borst,
zijn moeder is er nog niet vandoor,
al heeft ze geen draad meer aan haar lijf.
Ik ben een oude vrouw en niet sterk
maar laat mij vannacht met u meegaan,
als het leger ons zo nodig heeft
dan zal ik wel soldatenpap koken.’
De nacht duurde, je hoorde geen mens,
alleen soms wat gesmoorde snikken.
Bij dageraad ging ik weer op weg,
alleen de oude man zwaaide me na.

De aanblik van de lente

Het rijk is een ruïne. Bergen
en rivieren, die zijn er nog.
En lente op de stadsmuur,
dicht gras, volle bomen.
Soms voel ik de pijn en huil ik
een paar tranen om de bloemen.
Soms voel ik me zo verlaten
dat van een vogelkreet mijn hart verspringt.

Drie maanden al branden de legervuren.
Een miljoen voor een brief van thuis!
Ik heb me zo het hoofd gekrabd
dat een haarspeld geen haar meer vindt.

voorjaar 757

Genieten van de regen in een lentenacht

Goede regen kent haar eigen tijd,
zij verschijnt niet eerder dan de lente,
komt achter de wind heimelijk de nacht binnen,
spreidt geruisloos haar glans over de dingen.
Een weg door de vlakte met alleen zwarte wolken,
een boot op de rivier waar een kaars helder brandt,
rode wasemplekken aan de vroege ochtendhemel,
zware bloemen en zijden heren in de stad.

Ik treur niet dat de bloemen doodgaan,
ik ben bang dat als veldbloemen verwelken
de ouderdom mij opjaagt.
Vanzelf vallen welige takken verpulverd neer
terwijl tere blaadjes bespreken hoe ze
één voor één zullen opengaan.


De wilg

De wilg bij de poort is jong en gracieus
precies de taille van een meisje van vijftien;
‘s ochtends zie ik weer de zin van het Al:
wilde wind rukte de langste tak af.

Middernacht

De westertoren om middernacht beklommen,
duizend voet hoog, over glanzende treden.
Vallende sterren lichten op in het water,
een lage maan slaat putten in het zand.

Aan hun keus van bomen herken je de vogels,
aan hun diepten van zee de grote vissen.
Hemel en aarde zijn vol van hen die ik lief heb,
zwaarden en schilden maken hun brieven schaars.


uit ‘De strooien hut’ (2)

Ieder die weet wat recht is, lijdt
en is woedend, nu alle recht is verloren.

Drie heren wedijveren om dit ene rijk
en miljoenen zijn hun aas en prooi.

In kongsi verdelen ze macht en privileges.
Zij bepalen wie moet worden gestraft.

Ze kwamen naar ons met hun martelwerktuigen
en keerden weer om naar hun zoete muziek.

Vrolijk pratend bevalen ze de slachtingen.
Stromen bloed vullen de lange straten.

Tot vandaag hoor je in wind en regen
het gehuil van waar de bijl heeft gezwaaid.

Laat ze jammeren, vrouwen en dieren,
dat is het vertier van deze beulen.

Wat waren de wetten en normen van de staat?
Deze: terreur, en dat de mensen lijden.

Du Fu – gedichten. Vertaling: Daan Bronkhorst.