Gedichten

Nog vijf gedichten die de aandacht trokken tussen de inzendingen in de tweede ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Robin Veen (1953)

OVER

Omdat je precies in je eigen hoofd paste,
kon je de oorlog nooit winnen.
Achter iedere muur lachte de vijand.

In camouflagekleuren sloop je langs
de demarcatielijn tussen jou en de wereld.
Je leven mesbreed gevouwen.
Je wapen keurig ingevet om nooit te gebruiken.

Nu tast je hand breekbaar in de lucht;
een witte vlag vanuit de loopgraaf van het leven.
Boven je hoofd vind je de driehoek,
maar de kracht ontbreekt je te verheffen.

Aan alles komt een eind.
Buiten dwarrelen de bewijzen.
Ik zie hoe je ze nakijkt tot de vrede is getekend.

Etwin Grootscholten (1969)

ik ben in de war van je

vannacht ging je linkerhand
over mijn rug, masserend soms
met de palm soms met nagels
licht krassend in het schouder-
blad dan weer kriebelend net
boven mijn billen om daarna
langs de lendenen omhoog te glijden

het gaat niet zo heel goed met ons

maar vannacht toen je op je rug lag
één been opgetrokken met je volle
linkerborst onder mijn rechter-
hand totdat ik ook je nek streelde
daarna afdaalde jij je bekken kantelde
om de druk van de muis van mijn hand
beter op je venusheuvel te weten en
uiteindelijk mijn vingers speelden
met je meest complexe delen

het gaat niet zo heel goed met ons

en vannacht ging het dan wel
toen opgewekt en opgericht licht
dwingend mijn eenvoud zich openbaarde,
de vingers verstoten terug in balling
van de volle boezem opwaarts verend
met afgetrokken HEMA dekbedovertrek
totdat ik mijn tranen in je kussen schoot

ik ben in de war van je

Henrike Vellinga (1998)

Supermarkt

A. zegt dat je van Optimel onvruchtbaar wordt.
Dat weet ze zeker, heeft ze gelezen, staat ergens
zwart op wit.

Ik weeg haar woorden onverschillig,
knik wanneer ik op ‘BON’ druk
en plaats een dode dichter
tussen de vissticks tegen een diepvrieskist.

A. struikelt over de zoom van zijn jas
en doet alsof er niets gebeurd is.
Ik kijk hoe ze haar gevallen boodschappen
opraapt en schaam me voor de manier
waarop ze graait naar een familieverpakking
spinazie à la crème en broodjes bapao
voor in de magnetron. Soms doet ze dit:
koopt spullen die bij iemand anders passen
zodat de caissière niet om legitimatie vraagt
voor de wijn tussen de natte doekjes.

Het hoofd van de dichter is opzij gezakt.
Ik haal een kartonnen beker automaatkoffie
en ga naast hem zitten. Ik adem oppervlakkig
door mijn mond en zoek in zijn zakken
naar iets wat hier betrekking op heeft,
maar vind het niet.

A. rekent ondertussen probleemloos af,
vraagt met schelle stem of iemand het rottende
vlees in gangpad vijf in hemelsnaam
op kan ruimen.

Ramon van den Dungen (1970)

Cornflakes

Soms lukt het even niet. Zijn de cornflakes weer te zacht. Morst er latte op je blauwe das. Rijdt je taxi met een ander weg.

Soms lukt het even niet. Krijg je de E-snaar niet gestemd. Belt zij als je haar net vergeten bent. Is je hoofd een pak bedorven melk.

Soms lukt het even niet. Doet je lichaam wat je altijd vreest. Schreeuw je in de stilte van je BMW. Wil je slapen tot de pijn verslapt.

Michelle Brouwer (1991)

het een en het ander

ik vind mezelf even mooi als het geluid van een glas
dat over een houten tafel naar je toe geschoven wordt

even mooi als hoe je bovenbenen voelen bij thuiskomst
als je hebt gewandeld en het buiten rond het vriespunt is

even mooi als je neus in een kledingstuk steken
dat je op zolder bewaarde voor het juiste moment

even mooi als een mond vol Skittles tot het niet meer past
en het kleurenmengsel dat je uitspuugt in een servet

nee, even mooi als de eerste wintersneeuw zien vallen
over een gladde sneeuwweg lopen en wegzakken

met natte sokken over de deurmat wrijven
de tocht onder de deur naar je voelen grijpen

Gedichten

Taco van Peijpe (1946)

Poëzie is voor mij een taalspel en een binnenweg naar het gevoel.

VEER

Naast de smalle steiger ligt
de oever links en rechts uit zicht.
De overkant omarmt een breed verlangen.
Daarheen vaart het veer en weer
landen wij aan onze kant.
Onder water keert de aalscholver
weerom.

STATIONSPLEIN

We zagen om ons heen maar tevergeefs.
Lindebomen stonden voor de gevel
geen wijzerplaat verbond ons met de tijd
wingerd overwoekerde de gele
vertrekstaat in de hal. Het fluitsignaal
verwaaide in de bomen op het plein
en liet ons een geluksmoment beleven:
hoe onmisbaar is een trein?

Ramon van den Dungen (1970)

Zusje

van limonade iglo’s bouwen
smarties smelten in het ijs
foto’s maken van de toekomst
aan smalfilm slingeren door de tijd

hersengevechten voor het slapen
wanen wiegen zolang ze krijsen
met cellen uit hun navelstrengen
jouw naam over de mijne schrijven

sterren kweken in de kelder
uitstrooien over een barre nacht
samenwonen in mijn spinsels
maanlicht filteren uit de gracht

dit alles zou ik met jou delen
als jij niet doodgeboren was

Arjan Keene (1963)

Voor mij is poëzie een levensvorm, een religie wellicht, een noodzakelijke muzikaliteit. Hoewel ik niet voortdurend schrijf of lees kan ik me niet voorstellen dat ik zonder poëzie zou kunnen. Ik werk als software engineer, misschien is het ook een balans die ik nodig heb, twee uitersten in de taal.

Papilio Domestica

Als kind verzamelde ik vlinders
toen ik woonde op de evenaar.
Ik holde met een schepnet achter
gevaarlijk fladderende kleuren aan.

Ik was safariman, ving vlinders
als vliegende vissen in mijn net.
Voorzichtig kneep ik het leven
uit verfijnde middenriffen.

Geen chloroform, geen glazen
potjes, geen mensvriendelijke
middelen kwamen er aan te pas.
Ik prikte ze op en hing ze achter glas.

Nu ben ik ouder, verzamel geen
vlinders meer maar kinderen.
Mijn handen passen nog steeds
om hun colafleswespentailles.

Soms heb ik weer de neiging
om kort en hevig door te knijpen,
ze op te hangen aan het prikbord,
zodat ze altijd bij me blijven.

Robin Wim Hutse (1993)

Schrijven is voor mij een neerslag van esthetiek, verbanden en gedachten die te kwetsbaar zijn om verduidelijkt te worden in gesprekken en relaties; ze zijn te traag, te minuscuul of rationeel om een plaats voor zichzelf te vinden.

III. kartuizer

dat je vader het maar niets vond
als de grasmaaier niet recht liep
of dat wij vergaten
wat je moeder die zomernacht hoorde

zo lijnt je lichaam nu
vlakkend uit

in scheut en luwte
een langzaam ontsteken in het molm, het helmgras
van je liezen

zo keelt een dynamo je huiswaarts
van tussen de klaprozen en het wolfskoren
dat schalig onder je vel jankt en

de drank die m’n kop op scheuren zet

Gedichten over poëzie

Uit de ons toegestuurde gedichten selecteerden we er vier met  poëzie als onderwerp.

Esha Guy (1994)

Poëzie is voor mij een manier om mezelf te ontwapenen van alle waanbeelden en pretenties die het dagelijkse leven met zich meebrengt. Ik wil niet met mijn poëzie laten zien hoe belangrijk de dingen zijn waar ik waarde aan hecht, maar ze juist onbelangrijk maken.

Wittgenstein

Alle criticasters en semi-intellectuelen nog aan toe!
Wat is toch die “echte poëzie” waar ieder over spreekt
met de onschuld van een peuter
die zijn vinger in het stopcontact steekt?

Wat voor zielenrust komt daaruit voort?
met welk knoesterig devies trachten zij
de schoonheid te bevangen?
Al is het maar voor even…

Ik ben helemaal niet geïnteresseerd in “echte poëzie”
en soortgelijke sofistieke paradoxen
Waarom zijn rijm en metrum van belang?
In een willekeurige wereld past geen
onwillekeurige woordensamenhang!

De mooiste gedichten hebben geen einde
en dus ook geen begin
Zij kruipen tussen de klanken door
verstoppen zich onder de planken waar
de uitgesproken zinnen zich bezatten
aan elkanders lippen.

Zij leven tussen tong en toon
Geen toetsenbordgetik dat dat
in tijdstippen kan stoppen.

De mooiste gedichten verdienen het
niet opgeschreven te zijn
Zij fonkelen aan de horizon
waar het Ik en Ander vervagen
en vloeien door de breuklijnen.

-Een blad valt ongehoord ter aarde-
Dat is wereldpoëzie!
Met een schone sok in een plas stappen
Een titel zonder gedicht
De eerste lentebloem, die
door een kind wordt platgetrapt

De poëzie wordt gebaard in het
post-coïtale aroma van
oud zweet, oude drank, oude tranen, oud geil
met het liefst een asbak op het nachtkastje
en sterft bij de ontluiking van het eerste ooglid.

“poëzie is een definitiekwestie”
ongetwijfeld
en dus is het niet moeilijk:
poëzie is [ ]

Ramon van den Dungen (1970)

Poëzie is voor mij een manier om afstand te nemen van de dagelijkse werkelijkheid en de dingen iets mooier te maken dan ze zijn.

Gedicht van zeep en water

Zwart bekraste vellen zeggen
niet wat ik vandaag wil voelen.
De lettersneltrein in mijn hoofd
dendert door tot hij ontspoort.

Strofes vallen uit elkaar,
beelden vliegen door het raam.
Zinnen in mitella’s troosten woorden
buiten zinnen van verdriet.

Als een mengeling van zeep en
water stijg jij op uit deze rampspoed.
Ongenaakbaar kwetsbaar zweef je
over hete letters door mijn hoofd.

Trillend land je op de ranke handen
van een lentemeisje met grijs haar.
Daar spat jij, bellenblaasgedicht,
na een kort leven troostrijk uit elkaar.

Kamiel Choi (1979)

Poëzie is een ontdekkingsvorm.

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
kroont met morgen eenoog koning op een stippellijn

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
schalt bargoens door de straten, die slechts straten zijn
lijdt men zonder ambitie en troost elkaar met brandewijn
lalt men protocollen en statuten in harde schelpenoren
vrijt men zwijgend, omdat ieder iets anders wil horen
valt men koud en stom in elkaars oorverdovende pijn

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
regeren wit van de macht de woorden, die slechts woorden zijn.

Sharon Evita Bakker (1989)

Poëzie is voor mij een levenloos wezen zonder ziel. Een stilte zonder zwijgen die in mij geboren wordt, zonder er te zijn en toch een aanwezigheid kent daar waar niemand de identiteit herkent, maar wel de woorden.

Woordzinnig

Taal is mijn encyclopedie
van dichterlijke zinnen
die stiltes uitzetten
als knipperende lampen
die dampende letters
een tweede leven geven

Mijn woordrivier stroomt
op automatische kanalen
die afdalen naar beschrijvingen
waar mijn zinnen
recht van spreken hebben
en in de oneffenheid
van gepolijst geschrift
verder van de realiteit
wegstromen
waar poëzie
achter de deurpost
van voorbedachten rade
in mijn hoofd zwemt