Recensie van Kozijnen van krijt - Hanneke van Eijken

Zoet en rauw hand in hand

Hanneke van Eijken
Kozijnen van krijt
Uitgever: Prometheus
2018
ISBN 9789044628272
€ 19,99
56 blz.

Kozijnen van krijt is een bundel die zacht en verlokkend opent, met de afdeling  ‘We gaan gelukkig slapen’. Terwijl het eerste gedicht, ‘Baai’, wel het onheilspellende element bevat van vroege bijensterfte, wiegen de schone, beeldende woorden. Er zit zoveel liefde voor het zintuigelijk ervaren van het leven in deze gedichten. Met woorden als ‘nerven’, ‘barnsteen’ en ‘ademteugen’ wordt de lezer meegenomen de natuur in en die natuur schetst haar verhaal. Van Eijken laat zo zien dat haar tedere observaties geen uitleg behoeven. Ik zie ze, voel ze en wil daarbij net zo gretig verder lezen als leven.

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis 
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver 
als we kunnen kijken

(….)

er is net genoeg licht voor twee mensen 
het is koud, buiten 
plooit een wintervacht. 

De liefde van een vrouw voor haar gezin is ijzersterk in al haar kwetsbaarheid. Dat raakt me. Ik krijg te zien, te voelen en weet het ook allang dat alles vergankelijk is en tóch kan deze liefde niet kapot. 
Er is zelfs tederheid in de wreedheid. Krabben die werden stukgeslagen door de meeuwen op de rotsen worden met een kind veranderd in ‘slingers in de eindeloze tuin, tinkelend als belletjes’.

Het lijkt de leegte te zijn, de stilte, de uitgestrektheid van een landschap waarin alles al besloten ligt. De liefde, de herinneringen.

Ik las ooit dat gieren in een halfuuur tien kilo vlees kunnen eten
het stelt me in zekere zin gerust
dat er weinig overblijft
om naar terug te keren.

De tweede afdeling heet ‘Tafel, Zee, Tijd’. Een tussentitel die ik ervaar als een gedicht an sich. Ik blijf kijken naar die tafel, de zee, de tijd die verstrijkt. Het gebeurt in het wit van de pagina en ik droom er bij weg.  Zo vier ik de vergankelijkheid, op een mooie, melancholische manier.
Er schuiven familieleden aan in de vorm van vier gedichten: ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Broer’ en ‘Zus’ en dan volgt het gedicht ‘alles op de juiste schaal’. Weer is de toon liefdevol, inzoomend, uitzoomend. Koesterend en tegelijk relativerend. Vereeuwigd maar in de vorm van krijt, dat wegsmelt als je het in de zee gooit.

In de volgende drie afdelingen van de bundel, ‘De vacht is een huis zonder muren’, ‘De angst voor het vallen is erger dan het vallen zelf’ en ‘Spatieruis’ worden de eerder genoemde thema’s voortgezet, maar er komen nieuwe, onverwachte motieven en perspectieven bij die ik deels wat uit de toon vind vallen. Het is me niet overal meer zo duidelijk wat de ‘ik’ voor persoon is, zodat ik het nog maar moeilijk aan een gezin in een vergankelijk huis aan zee kan koppelen en dat was het beeld, de sfeer waar ik toch inmiddels zo verliefd op was geworden. Tegelijk is deze afwisseling ook een sterke kant van de bundel, er blijft zo veel ruimte voor de lezer voor eigen interpretaties.

Fragment ‘geen gebrek aan motivatie’ .

Ik laat me graag fotograferen, liggend
op een sofa of piano
of liever nog met twee messen, een geweer
in elke hand, een koalabeertje
op mijn arm

Ik vraag me bij dit gedicht zoveel af. Wie zegt dit? Waarom twee messen en een geweer? Waarom een koalabeertje? Ik beleef een confrontatie met mezelf als dichter en vraag me af sinds wanneer het zo belangrijk voor me is geworden gedichten te kunnen begrijpen.

om geen meisje meer te zijn
wil ze haar schone kern vinden

Bij bovenstaand citaat uit het gedicht ‘Landschap’ blijf ik steken omdat ik meisje en schoon (ongerept) juist met elkaar associeer. Bedoelt de dichter deze zin hier dan ironisch, wil het meisje datgene vinden wat ze al is? Dat thema vind ik poëtisch en dramatisch zeer interessant, maar daar zou ik dan meer van willen weten om er echt zeker van te zijn dat dit is wat hier bedoeld wordt. In hetzelfde gedicht ‘wonen apen met ingewikkelde namen’. Liever had ik die namen daadwerkelijk gelezen, dan had ik ze kunnen beleven en was ik meegegaan.

De gedichten die bij mij blijven hangen zijn ‘Parijs’ en ‘De adem zingt als een mechanisch vogeltje’, waarin het duidelijk is dat een moeder over haar kind schrijft of haar direct aanspreekt. Die kwetsbare, ijzersterke liefde wekt de dichterlijke kwaliteiten van Van Eijken werkelijk bijzonder prachtig op.

Het openingsgedicht van ‘Een vacht is een huis zonder muren’ met haar glasheldere thematiek, de verbinding die de mens kan voelen met wilde dieren, reken ik ook tot mijn lievelingen. Een mooi beeld wordt consistent uitgebouwd en er staat geen woord teveel in.

er jaagt vaak nog een kudde
door mijn hoofd, met teerzwarte staarten
ze stampen in het ritme
van een woeste zee

schuimkoppen glimmen
op hun lippen

ik hoef alleen maar
een haakje los
een deur van slot te laten

In de laatste afdeling, ‘De dagen zijn open handen die ons dragen’, ben ik weer om en ga ik weer helemaal mee. De liefde en de vergankelijkheid spelen hun eenvoudige doch diepgaande en tijdloze rollen uit tegen de achtergrond van een sfeervol landschap. Zoet en rauw gaan hier realistisch hand in hand.

jaren later kent mijn lichaam structuren
die je nooit gezien hebt, geulen
trekken over huid, van kant naar kant
als op een meer, waar vele boten varen

 In Kozijnen van Krijt  staan talloze gevoelvolle gedichten. Bijzonder vind ik dat de authenticiteit van dit werk niets af doet aan de herkenbaarheid, wat Van Eijkens werk geschikt maakt voor een groot publiek.  

***
Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met de bundel Papieren veulens, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2015 ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs.

Gedichten

Lichtval

Deze middag mag in barnsteen stollen
onze huidnerven
je wervelkolom die als jonge wilgentak buigt, je schouderbladen
als esdoornzaden op je rug gekruld

je ogen die zingen
in een taal die dieren begrijpen

de dag is de palm van een hand
die ons draagt

ik hou ons
tegen het licht en je lacht

Winter

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver
als we kunnen kijken

ik leer je breuken maken
hoe twee cijfers samen een deel van een geheel zijn
we schrijven in condens op de ruiten
je knikt aandachtig en je lijkt te begrijpen hoe
alle getallen samengaan

er is net genoeg licht voor twee mensen
het is koud, buiten
plooit een wintervacht

De adem zingt als een mechanisch vogeltje

Met een beetje geluk heb je honderdtwintig minuten tijd
om een gedicht te schrijven
als je peuter slaapt

je roept snel beelden op van steden, exotische dieren of fruit
dat te lang gelegen heeft, maar wat je hoort
is het ritme van zijn adem die zingt
als een goudversierd mechanisch vogeltje
zo’n vogeltje dat Russische tsaren gehad moeten hebben
de adem zoemt door het speakertje
je denkt aan hoe de beentjes als zachte was gevouwen liggen
armpjes in een statische juichkreet boven het hoofd
de billen parmantig in de lucht

het geluid van de adem doet ook denken aan regen, de regen
die je nog kent van toen je door Azië reisde
de regen die in transparante panelen uit de lucht komt zeilen

letters verschijnen op het scherm als vissersboten
in een baai in de ochtend, nadat de fuiken zijn leeggehaald
de smalle zonen met hun vaders op het dek staan klaar
met touwen om aan te meren
op het strand wachten moeders met manden, de tijd is een deur

die open staat en waar je door naar buiten stapt, de regen in
de loden ochtend aan een verre kust en je telt de sproeten
op je arm, letters
op een leeg vel die alleen te zien zijn in het juiste licht

Recensie van Papieren veulens - Hanneke van Eijken

Veulens in de groei

Hanneke van Eijken
Papieren veulens
Uitgever: Prometheus
2013
ISBN 9044622722
€ 17,95
48 blz.

Het overkomt mij vaak bij het lezen van debuutbundels: ik moet aan de dichter wennen. Aan de stijl, de themakeuze en vooral aan de toon. Want gedichten komen bij mij het best binnen als de dichter de juiste toon weet te vinden. Wat goede poëzie is, daarover vechten recensenten en andere critici elkaar eeuwig de tent uit. Of een gedicht raakt, blijft dus een persoonlijke kwestie. Bij het lezen van Papieren Veulens van Hanneke van Eijken loop ik in het begin nog niet echt warm. Er is niets mis met deze gedichten, maar er ontbreekt iets. Toch doet dit fragment van het tweede gedicht, ‘Constantinopel’ mij glimlachen:

een man die niet van katten houdt
is een slechte man
zo kun je een terrorist herkennen
terroristen houden niet van katten

in plaats van poortjes, dacht ik
zou je een asiel leeg kunnen halen
op elke incheckbalie een rode kater
kijken wie er aait

Een originele, zij het naïeve gedachte. Ik vind goed verbeelde melancholie in dit fragment van de sectie ‘Dit huis’ IV:

Ik vind je in overhemden
die aan kledinghangers trekken
als het tocht

Papieren veulens dreigt een wel erg lievige bundel te worden. Er moet nog wat gaan wringen, een trap van een paardenhoef als het kan. Dit fragment uit ‘Manieren’ gaat al meer die kant op:

op slechte dagen zoek ik vermiste personen
en bekijk verouderingsfoto’s op internet
ik lees interviews met rouwende familieleden

ik slaap vaak met een gevarenhamer
aan een touwtje
om mijn nek

Door ‘vloeibare dagen’ word ik echt geraakt. Dit heeft met de juiste toon te maken, een beeldend gedicht over een thema dat al gauw pijnlijk of sentimenteel zou kunnen worden. En dat wordt het niet. 

Vloeibare dagen

Kinderliedjes rollen uit haar schoot
als kauwgomballen uit een automaat
ze vallen stil tussen ons in
haar moedermelk stijgt tot mijn lippen

dagen trekken voorbij
alsof de jaren het tij zijn
van melk in een zandloper
ze leggen schuimend afstand af
in een kolkbeweging, zonder terugkeer

er slapen al zes ongeboren kindjes
in mijn schoot
soms vallen ze onhandig tegen mijn borst

Dit papieren veulen bevalt mij echt. Het is bijna jammer dat in het laatste gedicht, ‘Begin’ er toch sprake is van een zwangerschap, het begin van een leven. Het is weer heel teer en lief:

Het begint met je naam, huid
waarin je groeit, haren
zacht als veulenneusjes

Bijna jammer. Maar ik zeur. Papieren veulens is een prima bundel. En er zitten volwassen paarden tussen de gedichten. Ik ben benieuwd naar het volgende werk van Hanneke van Eijken.

Gedichten

Weerman

Een man die met grote handen een maatbeker
melk drinkt als ontbijt
een man waarmee je vast goed schepijs kunt maken
en wijde kaplaarzen
bij de deur heeft staan
zo’n man die overdag boven oceanen strekt
wolken bijeen drijft, regen maakt

thuis eet ik stukken Turks brood
uit zijn handen, zijn adem schuift
metershoge krokodillen op een hoop

later trekt hij ons
pyjama’s aan, zingt liedjes
over onweer, weet precies
hoeveel schaduworen tussen regendruppels passen

Dit huis

Na jaren waarin bedden in- en uit werden gedragen
sluit dit huis
het zwemt als een trekkervis rondjes
om me heen, het sluit me in

gesprekken hangen vol gedempte stemmen
in gordijnen en ze verbleken
alsof ze geweven zijn
van visdraad, niets meer opnemen
niet het geluid van rennende kinderen op de gang
niet de eenzame schreeuw van een moeder
niet eens het geluid van een koelkast die niet waterpas staat en huilt

het huis sluit me in
het hangt in zijn voegen als vlees
van een granaatappel tussen vlies
de vloer trekt aan mijn voeten, plakt
kniehoog aan mijn lijf

straks zullen muren als vruchtvlees
naar binnen buiken, kruipen
steen voor steen tegen mijn wangen
steeds minder mensen zullen ramen zien

Op de rug van een stier

Iemand zei dat Europa niets meer is
dan een grillige vlek op een wereldkaart
zonder te beseffen dat de wraak van goden
van alle tijden is

dat Europa vele metamorfoses kent
zij is een eiland in de Indische Oceaan
een maan bij Jupiter
zevenentwintig landen die als koorddansers
in evenwicht
proberen te blijven
er leven godenkinderen die vergeten zijn
wie hun vader is

Europa is een vrouw
met een kast vol jurken
ze houdt er niet van een vlek genoemd te worden
over wraak van goden en vrouwen
met jurken
kun je beter niet lichtzinnig doen