Recensie van Dagen van Van Putten. Deel 2 - Kees Engelhart

‘Je hebt iets verstopt dat heel waardevol is’

Kees Engelhart
Dagen van Van Putten. Deel 2
Uitgever: De Manke God
2017
ISBN 9789082585537
€ 25,00
355 blz.

Kees Engelhart is een fenomeen. Ik ken niemand die zoveel bundels produceert – veel daarvan onder heteroniemen, zoals Mila Fertek, de reeds lang overleden Jacob Peereboom, Nol Krentsch en anderen. Zelf spreekt hij niet over heteroniemen, maar autoniemen. Hij zegt niets van die fictieve personen te weten, ze dienen zich aan. En als op een gegeven moment zou blijken dat hij ook nog bundels als ‘ghostpoet’ publiceert, zou me dat niet verbazen: de ultieme romantische mystificatie. Zijn werk heeft een volstrekt eigen karakter, het is soms zeer goed en toch is hij slechts in kleine kring bekend. Hij heeft gepubliceerd in Dietsche Warande en Belfort, Deus ex Machina, De Brakke Hond, De Poëziekrant, Passionate en, zeer recent, in Het Liegend Konijn 2017/2, maar nooit is er een bundel bij een bekende uitgeverij verschenen. Hij heeft zelf een ‘uitgeefhuis’, De manke God. Ik heb me vaak verbaasd over die vreemde naam. In Dagen van Van Putten werd mijn nieuwsgierigheid bevredigd: ‘De mens is een gevallen God / die zich de hemel / herinnert’ (p. 83).
Bij nader inzien is het helemaal niet vreemd dat hij veel onbekender is dan je zou verwachten. Hij doet als uitgever niets aan publiciteit, in boekhandels zijn geen bundels te vinden, op de website van de uitgeverij vind je geen informatie. Er zou wel een webwinkel zijn, maar die kan ik nergens vinden. Navraag leert, dat je zijn bundels rechtstreeks bij de uitgeverij moet bestellen. (Om onnodig gezoek te voorkomen, vermeld ik het mailadres onderaan deze recensie.) Is Engelhart wereldvreemd of is er iets anders aan de hand? Ik denk het laatste. ‘And beyond all this, / the wish to be alone’ (Philip Larkin) luidt het eerste motto van de bundel. Als ik Engelhart was, zou ik toch wat van mijn rust opgeven en naar een gerenommeerde uitgeverij stappen – in het verleden is gebleken dat er interesse bestaat. Het zou eeuwig zonde zijn als een werk als dit in de vergetelheid zou zakken.

Dagen van Van Putten is een werk in uitvoering. Engelhart wil zesendertig jaar beschrijven in drie banden van twaalf jaar. Het epos begon in 1999 en bij leven en welzijn eindigt het in 2035 – hij is dan 78. Iedere band is onderverdeeld in vier delen van drie jaar en die bestaan weer uit boeken die ieder een seizoen beslaan. Ik bespreek het heel goed afzonderlijk te lezen deel 2 van band 1, de zomer van 2003 tot de zomer van 2006 (355 blz.). Levity Peters heeft deel 1 besproken (450 blz.).

Ik associeer dit werk natuurlijk in eerste instantie met Het Bureau van Voskuil, niet alleen door de beoogde omvang, maar ook door de inhoud: Engelhart raakt de kern van een leven. Toevallig herlas ik een brievenboek van Reve. Aan Josine Meyer schreef hij: ‘Wat men vaak mist ( … ), is het bizarre, het persoonlijke, het schijnbaar onbelangrijke maar in werkelijkheid wezenlijke’. Bij Engelhart zou hij op zijn wenken zijn bediend. Hij leidt je een geheel eigen wereld binnen, waarin verhaallijnen niet het belangrijkste zijn. Het gaat over dichten, wanhoop, klein geluk, dagelijkse beslommeringen, erotiek, weldadige rust, reflecties op het leven. En je blijft doorlezen, omdat de inhoud soms bizar en soms van een ontroerende lulligheid is; omdat de bundel licht en humoristisch is en toch een melancholieke ondertoon heeft. En niet in het minst omdat de vorm bijzonder is. Hij schrijft goed leesbare gedichten – dat moet ook wel bij een bundel met zo’n omvang – , die desondanks zo’n concentratie vergen dat je niets ontgaat: leestekens ontbreken, iedere regel begint met een hoofdletter, de woordvolgorde kan ongebruikelijk zijn. Hij is goed in lachwekkend ijzerenheinige herhalingen, die niet alleen een humoristisch effect hebben, maar, zoals ik zal laten zien, ook voor vervreemding zorgen. Een niet geringe prestatie.

Zijn werk heeft ook overeenkomsten met De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren, de meesterwerken van Louis Paul Boon. De personen die hierin figureren, zoals de Kantieke schoolmeester, Mossieu Colson van tminnesterie, de schilderes Tippetotje en de dichter/socialist Johan Janssens, vertegenwoordigen gedachten en ideeën van de schrijver Boon over een roman in wording en de versplinterde werkelijkheid waarop hij geen vat krijgt – ook niet in het  dagelijks leven. Ook bij Engelhart zie je verschillende personen die afsplitsingen zijn van hemzelf: Cornelis Van Putten, die opgevoerd wordt als schrijver van deel 2, Brumming, mevrouw Leenschat van Bodegraven, de Kleine Man en Doppertje Kid met zijn paard Fernando. Ze vertonen vele overeenkomsten: ze roken mijmerend een sigaartje of kruidensigaret, drinken daarbij een goed glas en, op Doppertje na – onze cowboy bevindt zich in Gulch City – ze genieten bij open tuindeuren van zomeravonden. Van Putten vertegenwoordigt het dagelijks leven met de liefde voor zijn aanstaande met haar kinderen,  gedoe met belastingen, geldzorgen en de nog steeds voortdurende strijd met ‘de directeur van het bos’, zijn voormalige werkgever. In Brumming zien we de dichter die gefrustreerd raakt in zijn contacten met uitgeverijen en – getuige de tekst op het achterplat – later ook uitgever zal worden. De Kleine Man is degene die zich geheel wijdt aan het dichterschap en alle literaire ruis daaromheen vermijdt. Engelharts variant op Lucky Luke en zijn paard Jolly Jumper, Doppertje Kid en Fernando, brengen zijn bundel De man die zo graag een cowboy wilde zijn in herinnering – de hang naar avontuur in de verbeelding, denk ik. En vertegenwoordigt mevrouw Leenschat van Bodegraven het vrouwelijke in Engelhart?

Dat de personages afsplitsingen van Engelhart zijn, suggereert hij ook met het gebruikte perspectief. Het merendeel van de gedichten is personaal geschreven: vanuit de ogen van de afzonderlijke verhaalfiguren, maar wel in de derde persoon. Er wordt dus tegelijkertijd over hen verteld. Je krijgt dan het effect dat Flaubert nastreefde: de schrijver die als een God boven het verhaal zweeft, overal voelbaar, nergens zichtbaar. In dit geval heet die God Engelhart, Manke God Engelhart.
Dat personale perspectief schept ook afstand, enige vervreemding, en die gaat uitstekend samen met de eerder genoemde herhalingen, want die versterken dat effect. In afzonderlijke gedichten werken ze vaak komisch: zo wordt Den Helder consequent ‘de provinciestad aan zee’ genoemd, eigennamen worden herhaald waar je verwijswoorden zou verwachten, et cetera. Maar de kracht van die herhalingen zit in het geheel: ze zorgen voor ritme, dragen bij aan het geheel eigen karakter van Engelharts poëzie en, zoals ik al schreef, veroorzaken afstand en vervreemding. Die afstand zie je ook in de volgende, schijnbaar onbeholpen strofe: ‘Plotseling merk je op dat de kleine man constateert / Hoe donker het in de / Kamer geworden is’. (p. 141). Hij wordt boeiend als je ziet dat ‘je’ een verhuld ‘ik’ is van de kleine man: hij beziet zichzelf met afstand, net zoals de lezers hem van afstand bezien.

Iedere persoon, op de beminnelijke mevrouw Leenschat van Bodegraven na, is dichter. Zij leest intensief en is in zekere zin de muze van de anderen.
Uit datgene wat de personen over het dichten zeggen, kun je een poëtica van de dichter Engelhart destilleren: poëzie moet waar zijn, ertoe doen en authentiek zijn. Het hoogste doel is schoonheid en die bereik je door een geheel eigen stijl.
We lopen zijn poëtica even na. De laatste strofe van de proloog luidt:

Hee Mingus
Dat is zoals het leven gaat
Alleen maar ware dingen Mingus
Dat zei je toch Mingus
Alleen maar ware dingen
Of niet soms

Na de proloog volgt ‘Boek 13, Kijkend over de velden’. Het eerste gedicht is van Doppertje. Hij begint met: ‘Doppertje wil een gedicht schrijven dat er toe doet / Dat willen alle dichters’. Makkelijk is het niet, hij weet niet of hij dat wel kan. Hij eindigt met: ‘Een gedicht dat waarachtig is en dat er toe doet / Eigenlijk weet Doppertje het helemaal niet meer zegt hij / En Doppertje wil van tafel opstaan en meteen naar bed’.

Schoonheid bereik je door een doelmatige stijl:

DE REST IS VERDER AAN GOD

1

Stijl is doelmatigheid meent Brumming
Onderwijl hij zich een helder glaasje inschenkt
Luisterend naar de geluiden die de avond voortbrengt

Dit in ieder geval moet de dichter weten
Dan interesseert hij zich onmiddellijk voor stijl

In ieder geval geldt dit voor de dichter die het
Hoogste in zijn kunst bereiken wil

Dan is hem duidelijk geworden dat het streven
Naar een telkens zich verbeterende stijl van
Wezenlijk belang is voor het almaar hoger
Opvoeren van zijn dichterlijke verrichtingen

Uiteindelijk stelt hij dan het nu van de stijl
Boven alles

En door dit nut in volle ernst te dienen begeeft
Hij zich langzaam maar ontegenzeggelijk naar
De schoonheid
Het allerhoogste

En ‘De stijl moet de dichter van nature liggen.’ (p. 130). Navolging is uit den boze – poëzie moet authentiek zijn. Sommigen zullen hun vraagtekens zetten bij zijn stijl. Die zit niet in ‘mooie regels’: sommige komen wat hortend en stotend over. Maar helder en effectief is die wel, neem bijvoorbeeld het effect van die herhalingen.

Mevrouw Leenschat Van Bodegraven leest het gedicht ‘Om te behouden’, waarin onder andere de regels: ‘Dag na dag loop ik te hoop om mijn verzen de kleur / Glans en klank te verlenen die ik in gedachten heb / Maar mijn arbeid vordert langzaam / En regelmatig valt het werk mij zwaar’ (p. 165). Mogelijk is het van Mila Fertek, ze las haar al in Dagen. Ze is ontroerd:

Mevrouw Leenschat van Bodegraven zucht legt de bundel
Voor zich op tafel zet haar glas bourbon neer en zucht
Nogmaals een prachtig gedicht meent zij dan rolt zij zich een
Kruidensigaret vast van plan een lange mijmering vol
Van bitterzoete overwegingen aan te vangen
Een heerlijke avond ligt voor haar

Wilt u hetzelfde ervaren? Lees dan de Dagen van Van Putten.

***
Dagen van Van Putten is te bestellen bij Uitgeefhuis De Manke God: k.engelhart@outlook.com

Poëzie Kort 2016 / 10

 

Arnold Jansen op de Haar, Het refrein van andermans leven

(Door Lennert Ras)

De bundel begint aardig en ingetogen. De vele aspecten van het leven komen voorbij als in een caleidoscoop. Ook de oorlog komt aan bod, maar mooi impliciet en niet te openlijk.
Maar met regels als ‘mijn pik is mijn god’ (p.18) en ‘beroer je roede op eenzame kamers’ (p.74) – alhoewel onanie natuurlijk ook een aspect van het leven is – haalt Arnold het niveau toch wat onderuit.
Naar het einde toe wordt de bundel warriger en springt hij van de hak op de tak. ‘Twistjurkcursussen staan lachend /aan de rand van het ijskoude / opblaasbare water // men plant zich voort via navels / buren steken hun snavels / door het gat in de heg’ (p. 79). Alsof hij net niet genoeg goed materiaal voor de bundel had, of hem heeft afgeraffeld. Ook de uitsmijter: ‘in die laatste seconde speelt opnieuw alles zich af,’ (p.80) is een beetje een gemeenplaats.

***
Arnold Jansen op de Haar (2016). Het refrein van andermans leven. Holland Park Press, 80 blz. € 12,50

 

Kees Engelhart, Trommelbrood en Crucifix

(Door Hans Puper)

Kees Engelhart is een intrigerend man. Niet alleen als dichter, maar ook als uitgever. De dichter publiceert veel – ook in tijdschriften – en gebruikt verschillende heteroniemen die schrijven in een voor hen karakteriserende stijl: Fabian de Sackenay, Mila Fertek, Nol Krentsch, Jacob Peereboom en anderen .
De uitgever Engelhart heeft nu twee bundels tegelijk uitgegeven: Trommelbrood en Crucifix onder zijn eigen naam enVlak achter roekeloze wegen onder het heteroniem Nol Krentsch. De bundels hebben banden met elkaar: zo heeft een van de gedichten uit Trommelbrood en Crucifix de titel van Krentsch’ bundel. Uitgever Engelhart is net zo’n buitenbeentje als de dichter: de bundels kosten niets en worden ook nog eens gratis verzonden. De enige vrijwillige tegensprestatie is een donatie aan Uitgeefhuis De Manke God.

In Trommelbrood en Crucifix is niets zeker. Feiten scheppen geen helderheid: ‘Onomkeerbaar lagen de feiten daar en / Voornamelijk het onweetbare / Speelde een vooraanstaande rol in elk ervan’. Deze constatering staat in de korte gedichtencyclus ‘Ongelukkigerwijs’. Ik citeer de eerste strofe als illustratie voor de manier waarop Engelhart te werk gaat om het onzekere te verbeelden:

Ongelukkigerwijs stormde even daarvoor
Een jongetje van nauwelijks vier
De brede paleistrappen op
Onbevreesd voor de naderende dood
Keken vogels toe
Een enkele marter

Wat er ‘daarvoor’ is gebeurd, komen we niet te weten en met de regel ‘Onbevreesd voor de naderende dood’ kun je verschillende kanten op. Keken vogels toe en waren zij onbevreesd voor de dood van het jongetje? Of waren zij onbevreesd voor hun eigen dood? Heeft die marter iets met de naderende dood te maken? Als je de strofe voor de eerste keer leest, gebeurt er nog iets anders: je verbindt de regel aan het jongetje en dan is hij onbevreesd. De hoofdletters helpen daarbij: je bent in eerste instantie geneigd de regels als afzonderlijke eenheden te zien. Wat na de vierde regel volgt, is bij eerste lezing nog onbekend.

Zelfs met zijn inhoudsopgave lijkt hij het onzekere te onderstrepen: de aangegeven volgorde ven twee gedichten is in de bundel omgedraaid. Maar is dat opzet of een vergissing? Je weet het niet.
Dat de dichter niets zeker weet, maakt zijn leven moeilijk, maar hij krijgt er wat voor terug, stelt hij in ‘Dichterbij kunnen we beslist niet komen’: ‘We nemen het zoals het is / We ervaren wat we kunnen / De rest is onbelangrijk / Voor ons wel te verstaan / Voor anderen kunnen andere wetten gelden’. Generaliseren doet hij niet, hij spreekt alleen voor zichzelf. Maar die anderen lopen wel de kans iets te missen: ‘Sommigen weten wat er wordt gezocht maar dansen / Nee daar kunnen ze niets van / (…)’.

Fascinatie en wanhoop. De laatste drie regels van het titelgedicht vatten beide kanten samen: ‘Allerlei dingen gedaan / Hoop gekoesterd afgrijzen soms / Veel gelachen ook.’ Laconieker kun je het niet zeggen, maar dat is schijn.

Bestellen, die bundel.

***
Kees Engelhart (2016). Trommelbrood en Crucifix. Uitgeefhuis De Manke God, 48 blz. Gratis te bestellen. (info@demankegod.nl)
Hetzelfde geldt voor: Nol Krentsch (2016). Vlak achter roekeloze wegen. Uitgeefhuis De Manke God, 49 blz.

 

Peter Handke, Gedicht aan de duur

(Door Hans Puper)

Huub Beurskens heeft Gedicht an die Dauer van Peter Handke vertaald onder de titel Gedicht aan de duur. Het stamt uit 1986, maar omdat het lange gedicht ‘filosofisch-narratief’ is, doet het eigentijds aan.

Toen Handke in 1986 onderweg was naar de post om het manuscript van de roman Die Wiederholung naar zijn uitgever te sturen, besefte hij tot zijn schrik dat hij het had laten liggen bij een marktkraam. Op hetzelfde moment hoorde hij een vrouw zijn naam roepen. Als hij naar haar toeloopt, herinnert hij zich ‘die andere stem’ die hem een kwarteeuw eerder ‘ook zo bezorgd, als van bovenaf, tegemoet kwam’. Dat was een moment dat hij de duur ervoer. (Je zou zeggen dat de titel Die Wiederholung een in het gedicht passende fictionalisering is, maar dat is niet zo: de roman is daadwerkelijk uitgegeven). Die ervaring is de aanleiding om diezelfde dag nog te beginnen met een onderzoek naar de duur. Het gedicht is daarvoor de geëigende vorm. Het begint aldus:

Al lang wil ik over de duur schrijven,
geen verhandeling, geen schets, geen verhaal –
de duur zet aan tot het gedicht.
Wil me afvragen met een gedicht,
me herinneren met een gedicht,
beweren en bewaren met een gedicht
wat de duur is.

Handke geeft een groot aantal voorbeelden waaruit je kunt opmaken wat hij onder duur verstaat, wat niet en aan welke voorwaarden een ervaring van duur moet voldoen. Aandacht bij alles wat je doet is daar de belangrijkste van: ‘bij het behoedzaam dichtdoen van een deur, / bij het zorgvuldig schillen van een appel, / bij het oplettend over een dorpel stappen, / bij het bukken naar een draad naaigaren.’ Duur kun je ervaren bij een besef van gelijktijdigheid: ‘onze lichamen ( … ) / voegden zich spelenderwijs samen, / terwijl tegen de muur van de kamer, / in het licht van de straatlantaarn, / de schaduwen van de tuinstruiken van Europa bewogen, / de schaduwen van de bomen van Amerika, / de schaduwen van de nachtvogels van overal.’ (26). Duur kan ook tijdloos zijn: ‘Bezield door de duur / ben ik ook die anderen, / die al voor mijn tijd aan het Griffener Meer stonden, / die na mij om de Porte d’Auteuil zullen lopen, / met wie ik allemaal naar de Fontaine Sainte-Marie / zal zijn geweest.’
Waarom al die moeite om duur te ervaren? Omdat je voelt dat je leeft; je raakt niet in vervoering, maar duur brengt je ‘in orde’.

Inhoudelijk is het gedicht interessant, maar poëtisch niet. De vorm doet willekeurig aan: als het een prozagedicht zou zijn, verloor het niet aan kracht.

***
Peter Handke (2016). Gedicht aan de duur. Vertaling door Huub Beurskens. Uitgeverij Koppernik, 48 blz. € 15,00

 

Carl Deseyn, De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge

(Door Hans Puper)

De Ommeloze is een mooi uitgevoerd boek met foto’s van Carl Deseyn, verrijkt met gedichten van Annie Reniers en Claude van den Berge.
‘De ommeloze’ is de naam van een minstens vierhonderd jaar oude esdoorn op een heuvel bij het Oost-Vlaamse dorpje Leupegem. ‘Om zich tegen parasitaire bedreigingen te beschermen groeit de boom in eenzaamheid’, lezen we in de inleiding. Het zal wel. De boom biedt in ieder geval een prachtige aanblik. Fotograaf Carl Deseyn heeft hem in alle seizoenen gefotografeerd, bij nacht en dag, onder alle weersomstandigheden, dichtbij en veraf. Compleet is deze opsomming niet; de foto’s zijn zonder uitzondering bijzonder, een enkele prachtig.
Bij series van vier tot zes foto’s hebben Annie Reniers en Claude van den Berge gedichten geschreven. Ik citeer er een van Annie Reniers, maar eigenlijk doe ik daarmee zowel haar als Deseyn tekort, want foto’s en gedichten zijn aan elkaar verbonden.

de esdoorn toont
in toekomstigheid
zijn oorsprong

 
bij terugkeer naar zichzelf
de bron
een oerveld in bladerval

uitgestrooide seinen
van geborgen wachten

 
vergaan verwelkt
nog niet

 
is er dit ogenblik
van feestelijk afscheid
naar herbegin

Boomsymboliek speelt een belangrijke rol in het boek. In zijn inleiding schrijft Claude van de Berge hierover onder andere: ‘Bijna alle kosmologieën zijn gebouwd op een boomsymboliek: de boom waaronder Boeddha verlichting vond, de boom waaraan Odin geketend was toen hem de runentekens werden geopenbaard, de sjamanenboom als kosmisch hologram, de boomvormige Joodse kandelaar en zelfs het kruis in het christendom.’ (Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bij de boomsymboliek van het kruis in de lach schoot.)
De bundel eindigt met twee spirituele stukken van Carl Deseyn: ‘Goden en valse platanen. Hoe de esdoorn aan zijn naam kwam’ en ‘De eeuwige’. In zijn visie moet je de levengevende bomen respecteren – geen weldenkend mens zal dit bestrijden, maar zijn wereld is mij toch vreemd. Dat de verkleuring van de bladeren in de herfst een ‘stresstoestand [is] waarbij de boom zich voorbereidt op de winter’: ok, dat kun je met enige goede wil zien een personificatie. Maar dat we dankzij bomen kunnen horen: nee. Spiritualiteit en eenvoudige, controleerbare natuurkunde verdragen elkaar niet altijd. Deseyn: ‘Bomen halen CO2 uit de lucht en pompen zuurstof in de atmosfeer. Geluid plant zich enkel voort in zuurstof. Dankzij bomen en planten kunnen we ademen, maar ook horen.’ En dat esdoorns kanker kunnen voorkomen, al is het maar bij koeien, ook daarover heb ik mijn twijfels: ‘Zieke grazers doen aan zelfmedicatie en zoeken boomknoppen en scheuten om zich te genezen. Het vezelrijke loof verteert ook veel beter dan wintervoer en voorkomt kanker.’

 
Hoe het ook zij, er valt genoeg te genieten aan dit boek.

***
Carl Deseyn (2016). De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge. Uitgeverij P, 2016. 124 blz. € 34,50

Recensie van Dagen van van Putten - Kees Engelhart

Een onbuigzame held in een wereld van willekeur

Kees Engelhart
Dagen van van Putten
Uitgever: De Manke God
2013
ISBN 9789490869069
€ 15,-
450 blz.

Mijn jongste zoon stak zijn hoofd om de deur van mijn werkkamer om te zien wat er hier te lachen viel. Ik stak Dagen van van Putten omhoog van Kees Engelhart. 450 bladzijden, maar zelden heb ik met zoveel plezier een dichtbundel gelezen.
Die pagina’s worden bevolkt door een aantal opmerkelijke personages, zoals het paard Fernando, die naast Van Putten zelf, een rol spelen in zijn soms hilarische, bizarre lijdensweg, veroorzaakt door de medewerkers, directieleden, personeelsfuctionaressen enz. van een groot instituut. Na lezing van dit boek is de geestelijke beperking van de leidinggevenden schrijnend zichtbaar. En een bron van vermaak.
Wat gebeurt er met een onkreukbare werknemer die na dertig arbeidsjaren het wanbeleid van leidinggevenden aan de kaak stelt?

Van Putten weet dat hij niet in de val zit
En toch lijkt het er een beetje op
Net als in films
Dat van Putten het meisje is
Dat in de val is gelokt
En de vriendelijke kleine vrouw
Een vileine man die haar in zijn macht heeft
En niets dan slechts in de zin heeft

Van Putten vertelt haar
Terwijl hij zich losmaakt van zijn bijgedachten
Hoe het allemaal zo gekomen is
En hoe het allemaal zit

(blz.. 200)

 
Vaak moest ik denken aan de stripverhalen over Tom Poes en Heer O.B. Bommel van Maarten Toonder. Niet in de laatste plaats door de aanwezigheid van Doppertje Kid, die in tegenstelling tot de naakte Tom Poes, gewapend is met twee ‘vijf en veertigs’:
 
 
Doppertje Kid zit aan de bar van een kleine saloon
Hij denkt aan zijn nicht van wie hij zielsveel houdt
Zijn nicht die na het overlijden van tante Mien
Haar moeder
Nu ruim een jaar niet heeft gezien

Als de bartender even opkijkt van het glazen spoelen
Wijst Doppertje losjes naar zijn lege whiskyglas
Het is een late oktoberavond hij hoort de najaarsstorm
Jagen over Mainstreet
Doppertje overweegt of hij plannen maken zal of niet
Zijn geldelijke omstandigheden baren hem geen zorgen
Maanden nog zou Doppertje in Cripple Creek
Kunnen blijven
Maar hij twijfelt

Na twee klappen vlak na elkaar van de halve klapdeuren
Staat er plotseling een rijzige vrouw in de zaak
Met in haar rechterhand een
Reiskoffertje
Doppertje staat paf
Het is mevrouw Leenschat van Bodegraven

(blz. 193)


Mevrouw Leenschat van Bodegraven drinkt niet alleen van tijd tot tijd een biertje, maar rookt ook Javaanse Jongens en draait regelmatig een kruidensigaret. Tevens houdt zij van voetbal:

Nu is het eindelijk stil op de kamer boven
Waar mevrouw Leenschat van Bodegraven
Te mijmeren zit
Zo kan het niet langer doorgaan meent ze
Ze heeft zinvollere dingen te doen des avonds
Dan aldoor te kijken naar het voetbal op
De televisie

Ze steekt een bastos op
En schenkt zich een calvados in.

(blz. 188)
 

 
Dagen van van Putten is geen bundel voor hulpzoekenden bij de A.A.
Er wordt behoorlijk wat ingenomen in dit boek. Bijna iedereen drinkt. Het wordt zo veelvuldig beschreven dat mij ondanks de laconieke toon vaak een onbehaaglijk gevoel bekroop. Als miezerregen door een zomerjasje. Soms, wanneer ik weer eens had zitten schateren vanwege een hilarische passage, schrok ik van mijn eigen reactie. Dit was toch echt niet leuk: ik krijg de afbeelding van de zeer alledaagse hel waarin iemand door allerlei instanties vermalen dreigt te worden, zich met drank en moeite staande houdt, en ik zit te schateren. Misschien is vooral het feit dat je op het verkeerde been wordt gezet, de welwillende grijns die het beschrevene oproept, die maakt dat Dagen van van Putten zo’n indringende ervaring is; je leeft mee, het raakt je in je onbevangenheid, en laat je niet los.
 
Zo langzamerhand vindt van Putten is hij
Geobsedeerd door het niet eindigende gevecht
Dat hij met zijn werkgevers voert
Er moet een einde aan komen mompelt van Putten
Voor zich uit

Hoe hij het zover heeft laten komen
Dat vraagt van Putten zich af
Van Putten voelt zich zoals hij zich zelden voelt
Uiterst gespannen zonder vastomlijnd plan
Van Putten zit in stilte
Zelfs luistert van Putten geen Bach

(blz. 282)

Even later zet hij toch Bach op: Ich Ruf Zu Dir Herr Jesu Christ.
De titels van de Bachcantates die van Putten in zijn eenzame strijd afspeelt, geven diezelfde onderlaag aan; die van zijn hulpeloosheid en het eveneens buiten zijn bewustzijn gehouden gevoel van onmacht. Nooit zit hij bij de pakken neer.
 
In zijn leven kent van Putten niet te veel woedes meer
Verbazing verwondering en van tijd tot tijd verbijstering
Hebben de overhand genomen
Een voldongen feit waar van Putten vooral het voortschrijden
Van zijn jaren dankbaar voor is.

(blz. 303)


Stoïcijnse gelatenheid, die uiterst noodzakelijk blijkt, ook, of wellicht juist wanneer hij zich uit de werksituatie heeft bevrijd:

Wederom heeft van Putten zijn arbeid naast zich
Neergelegd naar hij hoopt nu voorgoed
Het onverwachte vertrek van IJsma heeft
Van Putten niet gebaat
De blonde germaanse man die naar haar gunsten
Lonkte heeft het roer overgenomen
Een misselijk makende figuur naar van Putten zijn
Stellige overtuiging

(blz.304) 

Naast mevrouw Leenschat van Bodegraven die met regelmaat voor van Putten bidt, is het vooral Doppertje Kid die licht laat schijnen in van Puttens leven:

Doppertje Kid staat op gespt zijn riem om en vult
Zijn holsters
Dan verlaat hij zijn kamer waar hij nu al voor
Maanden geen post ontvangt en gaat de brede
Trap af naar beneden waar een pianist zijn best doet
Om met vrolijk bedoeld getingel de neerslachtigheid
Te verdrijven

(blz. 359)


Het zijn de talloze herhalingen van namen en de variaties van gebeurtenissen die, naast het risico je te irriteren, een bijna hypnotisch effect sorteren:

Gedachteloos wenkt Doppertje de barkeeper en wijst
Naar zijn lege glas
Dit is geen leven hier

(blz. 360)


Alle hoofdpersonages in de bundel, (ook de nog niet genoemde Brumming en de kleine man), luisteren Bach, roken, verdrinken hun onbehagen, en strijden op hun manier tegen het onrecht. Soms lopen hun verhalen zo in elkaar over, dat zij één en dezelfde persoon lijken te betreffen. Allemaal zijn ze van goeden wille, onbuigzaam ten opzichte van de kwaadwillenden, en vol goede hoop op de goede afloop.
Het ziende blind zijn maakt de helden. Al sinds de oudheid. Het enige waar zij zeker van lijken te zijn is, dat zelfs wanneer zij ten onder dreigen te gaan, het goed zal zijn. Zij hebben er vrede mee, want zij deden voor het goede, en tegen het onrecht, alles wat zij konden.
Er volgen nog drie kloeke delen. Ik heb er nog lang geen genoeg van.

***
Dagen van van Putten is deel 1 van band 1 van Dagen, een cyclus in wording die in totaal drie banden moet gaan tellen. Iedere band zal bestaan uit vier delen – ieder deel is een aparte bundel – die elk een periode van drie jaar omspannen. Per band wordt dus twaalf jaar beschreven. Dagen van van Putten begint in 1999 en loopt door tot in 2011. Dit eerste deel beschrijft daarvan de eerste drie jaar: dat zijn twaalf seizoenen en evenzo vele hoofdstukken, ofwel ‘boeken’.
Het voorziene einde van het totale project Dagen is 2035. Om daarvan met de twaalfde bundel het einde te halen, zal Engelhart (1957) tenminste 78 moeten worden. Hij is  vastbesloten.

Recensie van Woedende dansen kunnen niet zingen - Kees Engelhart

Op de dansvloer van de angst

Kees Engelhart
Woedende dansen kunnen niet zingen
Uitgever: De Manke God
2013
ISBN 9789490869007
€ 12,50
100 blz.

‘Snap jij de ondertitel?’, vroeg een vriend van me, na lezing van de dichtbundel Woedende dansen kunnen niet zingen.
Ik zou de ondertitel ‘Moderne Klassieken’ hebben afgedaan als een grap van de dichter, wanneer de bundel geen motto van Vergilius had gehad: Ik zing geen lied, waar men mij niet om gevraagd heeft.
Poëzie dus als het antwoord op de aloude levensvragen. Dat is geen geringe inzet.

Het eerste gedicht ‘Dat lied alleen’ begint zo:

Het is een dans
Ja het is een dans
Kan niet anders dan een dans zijn
Een draaiing
Werveling
Beweging
[…]

Angst is een merkwaardig ding
Het huppelt en schurkt
Beneemt adem soms
Verzorgt steken in de maagstreek
Danst op gloeiend houtskool
Maar danst
Net als de dans zelf

Hier probeert een dichter zo exact mogelijk angst te omschrijven. Je weet wat angst is, maar vind er maar eens de woorden voor. Hij vervolgt::

We waren er nog niet uit
Konden er ook nog niet uit zijn
Daarvoor was het veel te vroeg
Er was nog geen einde aangekomen
Geen verlof
Geen snipperdagen meer
Vooralsnog bleven we de dagen tellen
Eenmaal dansen per week
Als er mogelijkheid toe was

Aangezien alles wat bestaat eindig is, kan het einde er alleen maar ‘aankomen’. Dit is geen filosofische poëzie, maar ze dwingt je middels zijn vreemde kronkels na te denken: de levensdans getransformeerd tot paardans, getransponeerd naar de danszaal, waar we ons zo graag ontspannen dat we de dagen aftellen die ons scheiden van de mogelijkheid om onze levensangst te kunnen verroezen.

De slotstrofe van het gedicht: ‘Even hiervoor nog was hij een van ons 1’.

Het zwijgen duurde voort
Het liep tegen half drie
Taal noch teken vernamen we verder
Van het ons toebedeelde fenomeen

Wanneer ik zo’n strofe lees schiet ik in de lach. De bundel kent er vele.
Een mengeling van sardonische en Engelse humor, grimmig en licht tezelfdertijd. Een ernstige humor, geworteld in het niet al te serieus naar de wereld kijken, zodat je er de ongerijmdheden van kunt waarderen, de soms onthutsend overheersende futiliteiten. Futiel omdat alles van voorbijgaande aard is; weinig werkelijk de moeite waard om je over op te winden. Vergankelijkheid blijkt de uiterst betrouwbare grond van ons bestaan, alles continu in beweging, verandering onze solide basis.

Toen ik de drie gedichten onder de titel ‘Geweest’ las, vond ik het jammer dat de bundel geen uitklapblad had: ze zouden naast elkaar te lezen moeten zijn:

‘Kom/ Laat mij nog eenmaal zien waar het begon’, begint het eerste gedicht.
‘Kom/ Laat mij zien dan/ Waar ik nu aanwezig ben’, het tweede.
‘Kom/ Laat mij zien waar het naartoe gaat’, het derde, en dat eindigt met:

Want
Als er geen waarheid is
Wat doet mij dan hunkeren nog
Hier
Waar ik waarschijnlijk aanwezig was

Het gedicht doet meer dan elke denkbare levensvraag smoren in onzekerheid. Het biedt drie manieren waarop je de werkelijkheid van zowel jezelf als van de ander kunt benaderen, en doet dat op zo’n losse manier, dat je de indruk krijgt dat er waarschijnlijk nog meer mogelijkheden zijn, die de dichter aan de lezer over laat. Hij zet de zaken op een zo stevige manier op losse schroeven, dat je bijna niet durft te denken dat dit het hele verhaal is.
Elk mens zoekt op zijn of haar manier naar de zin van het bestaan. Of doet dat, om het even, niet. Op je eigen manier moet je in het reine zien te komen met het soms al te banale dagelijkse leven. En met alle aangrijpende vormen van verlies.

Wat ik indrukwekkend vind is de manier waarop de dichter de hele bundel door de lezer met de neus op de onzekerheid van het bestaan drukt als mogelijkheid tot creativiteit, en op de noodzaak daarvan: onnadrukkelijk en stellig; vastberaden en strijdvaardig, maar ogenschijnlijk achteloos en elegant.

Op verschillende plaatsen wijst hij op willekeur, zoals in ‘men kiest een vorm’:

Men kiest een vorm
Een ei
Spiraal
Ordening

Dat is iets
Om mee te beginnen
Daar kan van alles en nog wat
Mee aangevangen worden
[…]

Om te eindigen met:

Gelijk alle fenomenen
Hun bestaansrecht ontlenend
Aan lust en macht

Het zij zo

Het gedicht lijkt te verwijzen naar iets groters dat zich via de mens uitdrukt. Je kiest wel, maar kent je drijfveren niet. Je denkt wel dat je ‘iets’ bent, maar veel meer dan een radertje in een groter geheel lijk je niet te zijn; Onderworpen aan iets boven – of buitenmenselijks? Geen idee. Lust en macht drijven ons en we zijn afhankelijk van anderen. Ter troost: wat je ook kiest; het is het juiste, want jouw verantwoordelijkheid.

Het geluk moest gevonden worden
Drie dagen heen
Acht dagen terug

Zie hem
Die achteloos zijn overhemden strijkt
Zijn mateloos begeren
De avonden die hij slijt
Al heeft hij nooit een hemd gestreken
Nooit iets verlangd
Dat behangen was met ijdelheid
Of honger stillen kon
[..]
(uit: ‘Dat weet het 2’)

Het was de Duitse expressionistische schilder Max Beckman die beweerde dat kennis de kwintessens is van kunst. Ik moest daar telkens aan denken nadat ik deze bundel van Kees Engelhart las. Dit is geen literatuur om de literatuur, geen spielerei met woorden, niet alleen maar amusement.
Hier is iemand aan het woord die met plezier dicht, met liefde voor de taal, maar die het over belangrijkere zaken heeft: het aangrijpen van je verantwoordelijkheid. En over het bewustzijn van de kracht van een aanvaard lot: Dit is wat mij te doen staat. Dus doe ik dat in volle overgave. En met de grootst mogelijke perfectie. En met de ruimst mogelijke visie. De angst die nergens afwezig is, de diepste menselijke emotie, als de noodzakelijke weerstand om vrijheid te zoeken, en als discipline te nemen:

      Men zoekt een vorm…

Kees Engelhart is de zijne meester. Een met anderen onverwisselbare stem.
Met Woedende dansen kunnen niet zingen heeft hij een intrigerende bundel geschreven, die, wanneer je door hebt op hoeveel manieren je hem kunt lezen, niet alleen onopvallend een complete levensfilosofie levert, maar ook het bij tijden hilarische beeld van een man die zijn levensangst aangrijpt om tot levenskunst te komen.

Recensie van De verloofde van meester - Kees Engelhart

Verhalen met enters

Kees Engelhart
De verloofde van meester
Uitgever: De Manke God
2011
ISBN 9789490869045
€ 12,50
54 blz.

Een (goed) prozagedicht is een korte tekst met vrijwel alle stijlkenmerken van poëzie (metrum, binnenrijm, metaforen), waarvan alleen de regels doorlopen zoals bij proza. Gedichten van Kees Engelhart zijn echter lang, met vrijwel geen stijlkenmerken van poëzie, waarvan de regels dan weer niet prozaïsch doorlopen, maar bewust zijn aangebracht. Hij schrijft dus het omgekeerde van prozagedichten. Verhalen met enters.

Zijn nieuwe bundel De verloofde van meester lijkt een woud van woorden om in te verdwalen. Dat vooruitzicht kan positief zijn: prikkelende associaties, een soort woorddronkenschap, nieuwe inzichten die uit elkaar voortkomen.
Gebeurt dat ook in De verloofde van meester?

De bundel is een soort ‘verhaal in gedichten’, over een meester en een verloofde. En er is een ‘jij’. De ‘jij’ zit op school, een middelbare school denk ik, en hij drinkt nogal, getuige de eerste regels ‘sterke drank is heerlijk / vooral nu de dag op school lang is geweest’. De ‘jij’ heeft gezien dat meester en verloofde problemen, ruzie hebben. De ‘jij’ geniet intussen van de lente. In het tweede deel van het openingsgedicht ligt de ‘jij’ wat te dromen onder een kastanje, drinkt kirsch en bezingt wat dat allemaal wel niet doet met zijn lichaam. ‘Dan sluit je de ogen / en opnieuw denk je aan de meester’ – en dan is het tweeluik als een nachtkaars uitgegaan.
Het kan effectieve ironie zijn: moedwillig je best doen triviale dingen de ruimte te geven, om iets urgents níét te benoemen. Maar het werkt pas als je op z’n minst urgentie suggereert.

Geen van de 42 gedichten uit De verloofde van meester wekt enige urgentie. Het zijn op z’n tijd mooie vondsten die Engelhart schrijft. Het zijn verhalen. Verhalen die, nou ja, net niet irriteren, verhalen als lentebeekjes die kalm voortkabbelen. Maar wekken ze ook maar een moment de schijn van urgentie? Nee.
Wat me opvalt is een schrijnend gebrek aan inhoud. Waar gaan deze gedichten over?, bleef ik me afvragen. Een meester en een verloofde die allebei geen moment interessant worden en een ‘jij’ die je van de weeromstuit een klap voor zijn smoel wilt geven. Het gebrek aan inhoud wordt niet gecompenseerd door, bijvoorbeeld, autonome taalspelletjes of hermetische gedichten. De bundel bevat niets – nu ja, het bevat formuleringen, en beschrijvingen, en situaties, heel veel situaties waarin iemand zich zoal kan bevinden. Die zijn bijvoorbeeld zo beschreven:

Meester en zijn verloofde gaan trouwen
Het staat met grote letters geschreven
Op het mededelingenbord in de aula
Na de kerstvakantie keert meester terug
Op school het schijnt werkelijk
Ondanks je lichte vreugde vraag je je in
Gemoede af of het onheil dat onlosmakelijk
Met meester en zijn verloofde verbonden
Lijkt te zijn voorgoed geweken is

En dat gaat maar door! En als Engelhart geen situaties beschrijft, die vaak zo plat als een dubbeltje blijven, dan legt hij situaties uit. In ‘Jullie hebt een half uur precies’, bijvoorbeeld: ‘de vitrage die ragfijn en onbeweeglijk neerhangt / er staat geen zuchtje wind’. Of: ‘de stem van de meester is zacht en voortgaand / monotoon als zachte muziek op de achtergrond’. Dat is uitleg, uitleg ván de uitleg, en zelfs uitleg dáár weer van! En intussen smeken de regels om tot leven te komen, en tja, dat gebeurt dus niet.
Daar komt het overdadige gebruik van kille woorden en formuleringen bij, ook als Engelhart eens niet uitlegt. Formuleringen die regelrecht uit een memo van een zakelijk bedrijf lijken te komen. In ‘Over zijn blozende appelwangen’ blijkt het bijvoorbeeld ‘totaal duister waarom een en ander op deze wijze in elkaar gestoken is’. Wat an sich niet erg is. Maar suggeréér dan iets, in het bestwil van je bundel, zodat er tenminste íéts gebeurt!
Maar verder niets dan zakelijke zinsconstructies en vooral heel, heel veel clichés, in alle 42 gedichten van de bundel. Liefde, eenzaamheid, twijfel, puberale vermoeidheid. Een cliché verdraaien, vervormen, zou nog leuk zijn – maar nee. ‘In gedachten verzonken fiets je naar huis / je denkt na over de grote tragische liefde / de liefde die nooit opgelost kan worden’. Zucht. Hoort u ook die zwoele aanzwellende violen?

De verloofde van meester lijkt in het prozastijl van de gedichten iets te hebben van diverse gedichten uit Kees ’t Harts Nu weet je alles weer. Maar Kees ’t Harts poëzie is wél gelaagd en urgent, en hij praat intussen tegen de lezer alsof hij hem langzaam en geniepig dronken voert met mooie beelden en, soms, aangename mafkezerij. Je wilt meer. Engelhart wekt dat gevoel niet op.
In de meest keuvelende poëzie kom je vaak wel verborgen spanningen tegen. Bij Engelhart niet. Zijn werk is een hap slagroom: het heeft niets om het lijf, het is zoet en behaagziek, je proeft het nog zolang je het in je mond houdt, maar daarna is het weg. Maar wil je meer na 42 happen slagroom?

****
Kees Engelhart (1957) schreef eerder Wereldsuccessen (2006), Niet voor kinderen (2008) en Fantastische Gedichten (2010).
Als Milla Fertek Het fijne leven dat mij wacht (2006), als Fabian de Sackenay Blanke Verzen (2010) en als Nol Krentsch Dagen met Moeder (2011).
De bundels zijn verkrijgbaar via BOL en de site van zijn uitgeverij De Manke God.
Zie hier en hier voor eerdere besprekingen van zijn werk in Meander.