Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek’:

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II’: ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.

Gedichten

Aarde

Aardappelen gepoot langs strakke lijnen
De pootstok hangt naast de schoffel in rust
De schop is schoon

Tot laat in de avond wacht mij
het tuingerei
verwacht dat ik een graf
zal graven voor de vogel
die onderweg zijn poot verloor

Ik weet niet wanneer ze vertrok
Wel dat het lachen verdween
’s Nachts zijn er dromen van zomers
met teilen vol water en zon op haar hoofd

Wat stukgeslagen werd op het oppervlak
bleef achteloos achter op de weerloze bleek
Ze is een zwemster die slagen beheerst,
onder water kan zien. ’s Morgens

kan ze naar de rivier. Daar op
de bandijk ziet ze vogels vertrekken
en water stromen. Onopgemerkt
zet ze er grond onder haar voeten.

Klimop

slingert zich omhoog 
tot in de goot waar duiven broeden

De buurman jaagt ze op
met een waterpistool
klimt op een ladder, leegt de nesten
en knipt het blad tot de grond toe af

In november is hij verhuisd
Op de muren bleef hechting achter

Ik zou duiven kunnen voeren

Verhuizen

van wit naar zwart
vliegen zij over het meer

eilanden toppen als heuvels
boven water uit

takken reiken in de lucht 
jij wordt gered en ik dan
hoor ik hen zeggen
in mijn verdronken dorp
waar hoven achterbleven

het heldere water stroomt
hoogtevrees heb ik verleerd

misschien leer ik een taal 
te mooi om waar te zijn

Recensie van Bots - Dinie Sophie Fintelman

Een versluierde openhartigheid

Dinie Sophie Fintelman
Bots
Uitgever: Liverse
2014
ISBN 9789491034367
€ 14,95
80 blz.

‘Bots’. Je kunt het lezen als een programma, dus als ‘Bots!’ Maar ook als de klanknabootsing van een voldongen feit, waarna de bij de botsing betrokken entiteiten tot stilstand komen. Bots is de intrigerende titel van de volumineuze debuutbundel van Dinie Sophie Fintelman.

Die titel bleef mij vasthouden tijdens het lezen van de gedichten. Ik ging bijna automatisch in tegenstellingen denken, en de gedichten zien als een moment van verwachtingsvolle stilte.

Bestemming

Ze nam een bad om zich te warmen
in vruchtbaar water
Dat bleek niet te doen,
de douche dan maar

In de kleine ruimte kreeg ze
het benauwd, de douche was koud

Alsof ze in een kanaal ging zwemmen
in een kantelende slag

en op de punt voelde
de anima, de illusieverwekkende
en ze wist: ik ben hot

En ze droogde zich door en door
droog voor het oog van het lot

Het eerste dat mij opviel in dit eerste gedicht van de bundel, was het ontbreken van de punten waar je ze zou verwachten. Alsof er niets tot stilstand komen mag!
Het tweede dat me opviel was het contrast tussen de min of meer alledaagse handelingen als een bad en een douche nemen met ‘vruchtbaar water’ en ‘de anima’.
Nu is de anima, de vrouwelijke kant van de psyche van de man, zoals de animus dat is bij de vrouw. Wat de dichteres er precies mee bedoelde is mij een raadsel: ‘en op de punt voelde/ de anima, de illusie verwekkende’. Doelde zij op het punt waar de slag waarmee zij in gedachten zwom kantelde? Voelde zij zich juist mannelijk, en drong op dat moment in dat gevoel haar vrouwelijkheid pas echt tot haar door? In de laatste regel schreef zij: (..) ‘voor het oog van het lot’. Betekent dat oog van het lot voor haar zoveel als het spreekwoordelijke oog van de naald? Uit het volgende gedicht blijkt haar ambivalente houding ten opzichte van het leven:

De kamer hiernaast

In de kamer hiernaast is het donker
bij mij brandt het licht
scherp als zonnestralen

Het schroeit

Ach, zou ik in die kamer kunnen vertoeven
en het donker mogen proeven op mijn tong,
op mijn huid, tot in de poriën van mijn wezen

en weten hoe warm de nacht kan zijn

In dit tweede gedicht blijkt het ontbreken van de punten een constante, die bevestigt dat de dichteres dingen niet als voldongen feit kan accepteren. Staat zij in het licht, dan ervaart zij dat als pijnlijk. Van het donker verwacht zij de warmte die haar in de onthullende scherpte van het licht ontbreekt. Zichtbaarheid als onveiligheid. Het kan het versluierende van haar poëzie verklaren, de twee botsende tendensen: gezien willen worden, maar ongezien wensen te blijven. Zichzelf blootgeven en tezelfdertijd versluieren…

Dat de neiging om te versluieren ook negatieve invloed op haar poëzie heeft blijkt bijvoorbeeld in het gedicht ‘Zoethout’:

Zittend zoethout kauwen achter
zerken op het kerkhof
en denken dat je onsterfelijk bent
(..)

Het gedicht gaat over een meisje dat in een eigen wereldje leeft. Maar het is ook de projectie van de vrouw die zij werd, zich in dat persoontje inleeft, en haar protagonistje aan het eind van het gedicht de duisternis tegemoet laat fietsen, ‘Je koffer achterop’. Dat de symboliek er dik op ligt, daar heb ik wel vrede mee, maar niet met de onnauwkeurigheid van haar beschrijving van het kind op het kerkhof ‘achter zerken’. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat een kind denkt onsterfelijk te zijn. Eerder is een kind geschokt door het idee van sterfelijkheid.

Dat de onderliggende gevoelslading soms te sterk is voor een afgewogen gedicht, blijkt o.a. uit:

Bobby

Als ik over een hond schrijf
zal het over Bobby zijn,
de witte keeshond
vooral wit

Hij, die mij straalbezopen
verliet

Ik begreep niet
wat pilsbier met
een hond kan doen

wat het voor een kind
betekent

Later kwam hij terug
op de brommer
– hij moet zestien zijn geweest –

toen was ik blauw
vooral
blauw

Ik moest sterk aan de poëzie van Charles Bukowsky denken toen ik dit las. Aan zijn wereldje van drank en misbruik, maar eigenlijk hier nog gruwelijker, omdat het een kind betreft. Maar wat jammer, van dat ‘vooral wit’ en dat ‘vooral blauw’. Die kunnen weg, evenals dat: ‘als ik over een hond schrijf’. Het gedicht wordt erdoor verzwakt. Wat Bukowsky een soms bar slechte, maar echte dichter maakte, is dat hij zich volkomen verzoend leek te hebben met zijn loserschap. Hij maakte zich niet meer druk om conventies, om literaire nog het minst. In de manier waarop hij zijn werkelijkheid zichtbaar maakte toonde hij zich de meester die om de ellende die hij ervoer kon lachen en daarmee zijn lezers vrolijk maakte.

Wat mij gedurende de lezing van haar bundel steeds meer opviel, was de kwetsbaarheid van Fintelman. Buitenliterair. Maar wat is ook de zin van literatuur wanneer zij niet relevant is voor de werkelijkheid waarin wij leven? Daarmee bedoel ik niet dat ze altijd ernstig moet zijn, of altijd ergens over moet gaan. Ook los van een duidelijk te omschrijven inhoud kan poëzie invloed op ons leven uitoefenen. ‘Poetry makes nothing happen’. Voor veel literatuurliefhebbers zijn die woorden van Auden een credo geworden, waartegen ik mij nogal eens verzet. De Belgische opstand begon nota bene met een opera en dat was niet vanwege de muziek.

Fintelman schrijft poëzie die een man niet zou kunnen, niet zou durven schrijven:

Appelwangen

Ik schaamde me
dat ik bloosde, bloosde
als een rijpe appel
toen ik je tegenkwam

Ik zou je willen behoeden
voor die foltering, die samenging
met mijn hunkering naar jou

Verlangen en de schaamte ervoor. Ik ken die kwetsbaarheid. Het woord ‘foltering’ lijkt hier erg zwaar, maar zo voelt het wel. Schaamte om zich bloot te geven, maar Fintelman doet het. Zo lost ze de botsing op tussen die tegengestelde gevoelens, de naar binnen gerichte schaamte, en de naar buiten gerichte hunkering; dat is niet zomaar verlangen, maar intens.
Het is het botsen van haar gevoelens dat zij ‘de verlangde’ zou willen besparen. Al weet zij dat het onmogelijk is. Alleen tegenstellingen maken ontwikkeling mogelijk, zij dwingen om keuzes te maken die ons lot verder bepalen:

Najaar

Najaar is heimwee
elk jaar weer
als ik noten raap
in mijn tuin
en niet weet
waar ik het zoeken
moet

Noten zoeken in je eigen tuin, bij je eigen huis, en toch heimwee hebben.
Waarnaar? Niet weten waar ze het zoeken moet, maar noten rapen, omdat
ze er voor liggen. Je kunt ze toch niet weg laten rotten? Betekenis aan het leven geven, omdat het erom vraagt. Dat probeert Fintelman ook met haar poëzie.

***
Dinie Sophie Fintelman (1951) studeerde Nederlands aan de Nutsacademie in Middelburg. Bots is haar debuut.