Recensie van Sociale zekerheid en andere gedichten - Geert van Istendael

Binnen zijn beperking toont zich een Meester

Geert van Istendael
Sociale zekerheid en andere gedichten
Uitgever: Atlas
2010
ISBN 9789045017372
€ 16,90
88 blz.

Deze nogal forse bundel van 46 gedichten heeft (Spaanstalig) als motto gekregen ‘….mijn lied houdt me overeind als een rimpelige boomstam, met bepaalde littekens’ van Pablo Neruda. De bundel is opgedragen aan de twee kleinkinderen van de dichter.
Het motto is absoluut goed gekozen: de hele bundel is een ode aan de poëzie en over de positie van de dichter, de zanger of de bard. Helaas is de bundel géén ode aan een dichter die in opdracht dicht: van het Brusselse Dichterscollectief, de Vlaamse zender Klara, weekblad Knack, de katholieke Arbeidersbeweging ACW, CVO Lethas (aanbieder van taalcursussen Nederlands), de gemeente Maastricht en zelfs het Agentschap voor Natuur en Bos.
De bundel is in vijf afdelingen verdeeld: ‘De Dingen’, ‘Van de Europese Grondwet in Verzen’, ‘De dienaar van de stilte’, ‘Sociale Zekerheid’ en ‘De Gebruikswaarde van Poëzie’. Dit maakt de bundel tot een lappendeken.

‘Zijn eisen zijn eenvoudig. Stap voor stap
zal hij zich geven. Wie niet horen wil,
die trapt hij van zich af. De stilte na de gil.’

Uit: Ladder’, het openingsgedicht.

De eerste afdeling telt negen gedichten over voorwerpen. Het zijn ietwat gedragen, mooie gedichten, alle van 5 plus 3 regels, met op het eind een duidelijke pointe, vaak een harde waarheid. Alle gedichten gaan eigenlijk over de kracht van de poëzie en de macht van de verbeelding.

‘Het groot verlangen dat naar de verte vroeg
heeft aan een smalle doorgang ruim genoeg.’

uit: ‘Hekje’

Vooral het gedicht ‘Schaar’ bezit brille en taallenigheid. Ik neem het daarom in zijn geheel over.

Schaar

Wij hebben één punt, één, gemeen, scharnier,
de onbewogen kern van dagelijks werk,
één doel gemeen, wij weten niet van sier,
karton of zijde, blad papier of spier,
er is geen weefsel dat wij niet bedreigen.

Een groter ik bestaat, een harde hand
Die ons steeds weer naar elkaars snede drijft.
Vereniging brengt scheiding. Scheiding blijft.

Alle voorwerpengedichten zijn uiterst vakbekwaam, soms wat traditioneel. Maar de dingen worden waarlijk bezield, het is goed dichtwerk, in de ware zin van het woord. Hierna wordt het broodschrijverij: te veel opsommingen, triest gehamer op de noodzaak van poëzie met voorspelbare vergelijkingen, zoals dat het Europese Bestuur, c.q. de dichter moet zijn als ‘opa, de bij, de tuinman en de kok’! Alle scheppende beroepen, maar de opa-dichter wordt oud.

Na de mooie eerste afdeling verzandt de bundel (zelfs het motto kan het niet meer dragen) in voorspelbaarheid, gezochtheid en nóg meer opsommingen als stijlmiddel, en dat gaat al snel storen. Maar dan staat er ineens de ‘Hymne aan de sneeuw’ met deze mooie zinnen: ‘Vlok jij bent de traagste.// Jouw volle neef, de regendruppel,/ valt tweeëntwintig keren sneller/ dan jij. Jij slentert uit de wolken,/ […]’ om te eindigen met ‘[…]/ jij moffelt werk dat niet kan wachten weg.// Vlok, jij/ vederlichte averij’. En dat is prachtig!

Van Istendael is op zijn sterkst in het kleine, het anekdotische; dan is hij een taaldier, dan spat het plezier in dichten er vanaf. De lange gedichten zijn zwak en flauw, worden gauw saai, zijn te programmatisch. In veel gedichten komt omwille van metrumzucht gezochtheid en zwakke dictie voor, sluipt er wijdlopige prekerigheid in met haast vooroorlogs sociaal-democratisch jargon. Ik zal de uitglijders niet opnemen.

De vijf sonnetten in de afdeling ‘Sociale zekerheid’ komen op mij qua zegging wat gedateerd over en lijken mij eerder proeven van bekwaamheid, dan geïnspireerde gevoelvolle zegging. Vanaf hier wordt de bundel pamfletterig, SDAP-poëzie, een verliespost t.o.v. de eerste gedichten. De hele bundel glijdt op den duur weg. Vooral als er vanuit de actualiteit wordt gedicht en bij de gelegenheidspoëzie vind ik dat de dichter zijn woordtalent opportunistisch verspeelt. Een gemiste kans omwille van publicatiedrang – of -dwang. Jammer!
De bundel besluit met vijf pagina’s ‘Aantekeningen’. Meerwaarde bieden die niet.

****

Eerder werd in Meander geschreven over de bundel Berichten, bezweringen (2006).
Voor Meander Klassiekers besprak Wilma van den Akker uit de bundel Taalmachine het gedicht ‘Spade’.

Recensie van Anatomie van het slik - Onno Kosters en Dick Groot

Gedichten bij foto's

Onno Kosters en Dick Groot
Anatomie van het slik
Uitgever: De Weideblik
2010
ISBN 9789077767160
€ 17,90
44 blz.

Deze bundel van twaalf gedichten/teksten naast evenzoveel foto’s is prachtig vormgegeven. Zelfs het formaat is ‘arty’. De bundel bestaat uit witte en grijze pagina’s; de witte voor de gedichten, de grijze voor de foto’s. Op de cover staat een welhaast klassieke landschapsfoto: in schuine diagonaal een kust, met voorgrond, middenpartij en achtergrond in atmosferisch perspectief en een vlucht vogels in de lucht. Erg veel grijstonen, weinig contrast. Het achterplat toont een detailfoto van helmgras met dwars erop verdroogde stengeltjes; evenals de coverfoto een gulden snede-compositie, waarbij de beide diagonalen zich kruisen.

Laat ik beginnen over de foto’s: De foto’s van Groot zijn foto’s die U en ik ook wel eens maken: je staat op een hoog punt uit te kijken op een kust en er zwermen vogels voorbij en je klikt. Je loopt over het strand en ziet een steen die lijkt op de achterkant van het menselijk lichaam en je klikt. Je ziet een aangespoelde boomstronk die lijkt op een alien en je klikt.
Alle foto’s zijn wat saaie traditionele verstilde landschappen op één na: een vollopende mui. Bijna alle foto’s zijn vierkant, wat erg esthetisch werkt, vooral als de foto’s, genomen aan de kust van Nova Scotia in Canada, stilliggende zaken afbeelden. Ik vind ze nogal voor de hand liggend, niet hemelbestormend. Gewoon mooi, en je bladert door omdat de foto’s lijken op zovele foto’s die je eerder al zag of zelf nam.
Ik mis onder de foto’s een tijd- en locatieverwijzing.

Getuige het motto op pagina drie veronderstelt de dichter argeloze lezers. Hij noteert: ‘Deze afbeelding is een sterke vereenvoudiging van de complexe werkelijkheid.’ Het gedicht? De foto? Het aanzicht van het brein? De bundel als een soort ‘totaalkunstwerk’?
Dit motto is een cliché om mogelijke uitglijders te verantwoorden. Achteraf blijkt dat deze zin overgenomen is van een site waarop een document staat van de Hersenstichting! Hierna moet er kennelijk iets met de lezer/toeschouwer gebeuren.

De bundel telt zes pagina’s ondersteunende informatie om het poëtische en fotografische plaatje helder te krijgen. Na het motto, een pagina ‘prelude’ (mijn term) met Engelse teksten, met verschillen in lettergrootte om de tekst van achter naar voren te laten reiken. Achteraf blijken die preludes van Nick Cave en J.F. Herbin (schrijver/dichter uit Nova Scotia) te zijn.
Na veel onderling inwisselbare gedichten met wat flauwe foto’s kom ik op een ‘Nawoord’ uit van de fotograaf. Er wordt gesproken van een ‘gezamenlijk project’ waarbij ‘foto’s en gedichten een samenhangend geheel vormen’, maar ‘ze kunnen ook als op zichzelf staande werken gezien worden’.
‘De tijd speelt een spel met de verbeelding in het landschap van….’ Ik zie het niet terug in de foto’s. Nova Scotia zal best uit ‘overdonderende landschappen’ bestaan, maar de foto’s tonen dat nu net niet.
Ik citeer de zich verantwoordende dichter: ‘Ik koos uit de collectie ‘Tidescapes’ van Dick Groot twaalf foto’s die in de afgebeelde volgorde in mijn ogen een – mij vooralsnog onbekend – verhaal vormden. Dat verhaal ontstond vervolgens naast de foto’s. De foto’s (-) duiken op hun beurt weer op in de gedichten: de gedichten in de foto’s.’

Een aantekening op pag. 43 spreekt van ‘De visuele overeenkomsten tussen het slik en het menselijke brein’ waarin – het thema van dit werk – ‘de zetel der liefde heerst’. Een koeienflodder in de vorst vertoont hetzelfde aanzicht. Opgedroogd slik vertoont morfologisch hetzelfde als verdroogde aarde, onze dode hersenen zijn net zo als het aangezicht van de ouderdom.
De meest voor de hand liggende zaken worden in deze bundel als kunstzinnige vondsten gepresenteerd! Je kunt mindere poëzie niet verdoezelen door in je nawoord de volgende namen op te nemen: Nick Cave, J. F. Herbin, G. Achterberg, S. Smith, S. Beckett, Wikipedia, Radiohead en geraadpleegde woordenboeken. Een kwestie van per se interessant willen zijn?

Alle wat experimentele gedichten gaan over het verlies van een geliefde (‘De gedichten zijn voor S. ‘Nicest Thing” ), fotografie en eruditie: is poëzie met variaties in de lay-out met foto’s nu een breinkraker geworden?
Pag. 43 stelt mijn kritiek nu op scherp: ‘De visuele overeenkomsten tussen het slik en het menselijk brein – en het brein als zetel der liefde’ brachten de dichter ertoe om de anatomische namen van hersenonderdelen te gebruiken.
Te veel denkwerk dus en te weinig poëzie. Maar soms is er een mooie combinatie, een sfeerovereenkomst tussen woord en beeld, want Kosters kan wel dichten, er staan mooie zinnen in de teksten, zoals:

Meer of je een brief schrijft
waar je weken over doet,

brief als poging tot dagboek, dezelfde devotie;

brief waarin je terugkomt
op eerder ingenomen standpunten
en deze dan opnieuw inneemt;

kiezels die je ophoest en weer doorslikt.

Uit: Ik droomde dat ik dood was, pag.20

Het is lovenswaardig dat de dichter risico’s durft te nemen om zoveel zaken bijeen te brengen, maar ik ervaar geen meerwaarde, al komt de dichter wel op mij over als een belezen Icarus. De bundel blijft voor mij een vlakke lijn met soms, na puzzelen, een leuke top, zoals het openingsgedicht ‘Vis Nacht’: een gedicht, dan een grafische dubbele punt met eronder tekst lopend van groot corps via klein naar groot, met daarin ‘En een krabbetje’, met ernaast de foto van een vlokkerige zeebodem (de hersenen!) met een klein krabbetje in defensieve houding.

Los van de gegeven kritiek: de grafisch vormgever van deze uitgeverij verdient een lintje.