Recensie van Finisterre - Eugenio Montale

Naar het einde der taal

Eugenio Montale
Finisterre
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313362
€ 21,50
156 blz.

Het vertalen van poëzie behoort tot het moeilijkste dat een vertaler kan ondernemen. Een tekst, lyrisch of bezwerend, geworteld in een andere cultuur met eigen linguïstische wetten en literaire codes overbrengen naar een andere taal met volstrekt andere taalkundige voorschriften, culturele codes en poëtische tradities, met behoud van de schoonheid en inhoud van het gedicht, is bijkans onmogelijk, tenzij de vertaler volledig in de huid en het hoofd van de dichter kruipt en diens tekst poëtisch herschept. Slaagt een vertaler daarin dan bereikt hij of zij twee belangrijke resultaten. Allereerst: de lezer kan kennis maken met een auteur uit een ander cultuurgebied, maar terzelfder tijd voegt de vertaling iets toe aan de poëtische schatkamer van het  eigen taalgebied. Je moet letten op betekenissen, dubbele bodems, kleur, specifieke gebruiken, aantal lettergrepen, versvormen et cetera. Je moet de taal door-en-door kennen en met die kennis gewapend je verplaatsen in de gedachtenwereld van de dichter. Vooruitlopend op de conclusie: ik denk dat Liesje Schreuders dat gedaan heeft: de 15 gedichten die tezamen de cyclus Finisterre van de Italiaanse dichter Eugenio Montale (Genua 1896 – Milaan 1981) vormen, zijn in het Nederlands goed leesbaar en leveren op zich heldere poëzie op. Als we kennisnemen van de inleiding die Cees Nooteboom geschreven heeft in dit boek, dan blijkt deze prestatie niet te onderschatten. Nooteboom noemt het werk : ‘een weerbarstig eiland, geheimzinnig, duister, moeilijk in door te dringen …. een gesloten denksysteem, dat zich verborgen heeft in schoonheid, dat betekenis suggereert’. Nooteboom stelt: ‘Er zijn codes die je niet kent, literaire citaten en toespelingen waar je je als niet-Italiaan niet van bewust bent’. Ik zou zeggen: ga er maar aan staan.

Mijn eigen ervaringen met de Italiaanse poëzie en vertalingen uit het Nederlands waar ik bij betrokken was leerden mij hoe moeilijk en zwaar vertalen is. Samen met een filoloog maakte ik mijn gedichten af in ‘echt’ Italiaans, mijn vertaling was bijna letterlijk, ik had het grote voorrecht met de vertaler mee te werken. Na een sessie waarin we zes regels deden waren we aan het einde van ons (neo)Latijn. Vertalen vanuit het Italiaans is misschien nog moeilijker omdat de taal synthetischer is dan het Nederlands, het klanksysteem anders. Het Nederlands is iets soepeler in zijn vormen en biedt vaak meer modale vrijheid, die je overigens niet altijd wilt, kunt of mag gebruiken.

Eugenio Montale werkte in de jaren dertig in Florence. Zonder zich expliciet uit te spreken in pamfletten weerspiegelen zijn gedichten de sombere tijd van voor de wereldoorlog. Hij behoorde tot de groep rondom het tijdschrift ‘Solaria’. Hij ontdekte Italo Svevo en werkte samen met Carlo Levi en Mario Praz. Hij was dichter, schrijver en muziekcriticus. Zijn eerste bundel, Ossi di seppia (Zeeschuim), verscheen in 1925, een maand na de publicatie van het Manifesto degli intellettuali antifascisti, opgesteld door Benedetto Crose, mede door Montale ondertekend. De tijden verhardden nadat Mussolini zich meer en meer op Hitler richtte. Montale ontwikkelde zich tot een der toonaangevende figuren in de antifascistische literaire wereld. Benoemd in Florence als archivaris, werd hij  in 1938 uit die functie ontslagen, juist ook omdat hij geen fascist was. Daarna werkte hij o.a. als vertaler van Shakespeare. Diens taal, met name de Elisabethaanse sonnetten, heeft grote invloed op zijn werk gehad.

Van belang voor het begrijpen van de poëzie van Montale is zijn relatie met de Amerikaanse mediëviste en Italianiste Irma Brandeis, aan wie zijn bundel uit 1939, Le occasioni, is opgedragen; zij is ook de aangesproken figuur, de ‘tu’, in de gedichten uit de hier behandelde bundel. Finisterre verscheen in 1943 in Zwitserland, in Lugano, waar de tekst door een vriend naartoe was gesmokkeld. Later werd Finisterre een onderdeel van zijn derde bundel La bufera é altro, genoemd naar het eerste gedicht uit Finisterre. Montale noemt deze bundel ‘…de meest authentieke uitdrukking van zijn stem’ en tegelijkertijd, zoals opgemerkt door William Jay Smith in een artikel in ‘The new Criterion’ : ‘..het moeilijkste werk’.

Liesje Schreuders gaat in haar voorbeeldige en grondige inleiding in op die moeilijkheidsgraad.  Elke Italiaanse dichter, stelt ze, dient zich op de een of andere manier te verhouden tot de Italiaanse lyrische traditie (Dante, Petrarca, Leopardi, Foscolo, Pascoli, d’Annunzio). Montales verhouding met de Italiaanse cultuurtaal was, dat hij ‘de eloquentie van onze oude literaire taal de nek om wil draaien’, met daarbij vooral een wil tot muzikale expressie. 

Er is, en ik neem over uit de onmisbare inleiding, ‘een rijke woordenschat, vol archaïsmen, vreemde varianten, dialect’. De taal ‘klinkt niet meer zoetvloeiend, maar hoekig en onvoorspelbaar, vol knelpunten, breekpunten en valkuilen, vol expressief geweld’, met een ‘extreme tekstuele geslotenheid’. Het is gespannen en moeizame taal, tot op de grenzen van de poëzie. Verwijst de titel daarnaar: Finisterre, het einde van de wereld, metafoor voor het einde der taal? Of is het een verwijzing naar het einde der wereld, de sombere tijden van fascisme en oorlog? Enerzijds ‘vol verwijzing naar voorgangers, tegelijk modern en modernistisch’ vanwege het geven van een ‘nieuwe lading aan traditionele thema’s’. Montale is zowel ‘traditionalist’ als ‘metafysicus’. Kernpunt van zijn poëzie is volgens de dichter zelf : ‘Het onderwerp van mijn poëzie (en ik geloof van elke mogelijke poëzie) is de menselijke toestand op zichzelf beschouwd, niet de een of andere historische gebeurtenis, i.e. het recht van de poëzie om als poëzie gelezen te worden, niet als commentaar of voetnoot bij de wereldgeschiedenis’ (p. 34).

Naast deze inhoudelijke problemen, die niet gering zijn, zijn er ook nog typische vormproblemen. Montale gebruikt vaak de traditionele Italiaanse versvorm, de endecasyllabo (Nederlands: elflettergrepig vers of hendecasyllabe), een versvorm die teruggrijpt op de versvoeten van de Provencaalse troubadours. Italiaanse  versvoeten worden niet naar de versvoeten genoemd, maar naar het aantal lettergrepen. Het is zoals de naam al zegt, een vers van elf lettergrepen, waarbij de laatste lettergreep onbeklemtoond is en het belangrijkste metrische accent op de tiende lettergreep ligt. In de gedichten vindt men echter ook fonetische herhalingen, eindrijm, binnenrijm, halfrijm, imperfecte rijmen, rijmen met verschillende accenten. De vertaalster: ‘Montales metriek bestaat uit een nieuwe volgehouden regelmatigheid, die zinspeelt op klassieke regelmatigheid zonder haar na te bootsen en eigen normen creëert’. 

Al deze vormvoorschriften en –verschijnselen verzwaren het proces van vertalen. Het is dan ook logisch dat Liesje Schreuders een uitvoerige annotatie en verantwoording van keuzes aan de tweetalige teksten toevoegt. Ze geeft op de pagina’s 40 en 41 aan wat ze zich als doel had gesteld: ze wilde zoveel mogelijk Montale in de Nederlandse taal vatten. ‘Ik heb de Nederlandse taal dus in zekere zin getracht te veritaliaansen. Concreet betekent dat, dat ik ervoor heb gekozen om metrisch en rijmend te (proberen te) vertalen waar Montale metrisch en rijmend te werk ging, dus met behoud van het typisch Italiaanse hendecasyllabische vers en zelfs – als dat kon – met een bestudeerde weergave van klankcombinaties; om niet alleen de inhoud zo letterlijk mogelijk weer te geven, maar ook de vorm die immers met de inhoud samenhangt op de bijzondere wijze die hier boven besproken werd. Dat ik me hiermee een nogal onmogelijke taak heb gesteld, spreekt voor zich. Vooral wat de klanknabootsing betreft was ik grotendeels van het toeval afhankelijk’.

Eigenlijk zou ik nu de gedichten moeten bespreken, en het liefst allemaal, het zijn schatkamers voor close-readers, maar dan zou deze recensie te lang worden. Ik neem er een (kort) gedicht uit en sla de langere en de sonnetten over. Ik zal het gedicht tweetalig opnemen, dan doe ik zowel Montale als Liesje Schreuders recht.

LUNGOMARE

Il soffio cresce, il buio è rotto a squarci, 
e l’ombra che tu mandi sulla fragile 
palizzata s’arricicia. Troppo tardi

se vuoi esser te stessa! Dalla palma 
tonfa il sorcio, il baleno è sulla miccia 
sui lunghissimi cigli del tuo sguardo

LANGS DE ZEE

De wind steekt op, het donker scheurt aan flarden 
en de schaduw die jij over de wankele 
rij palen werpt, trekt krom. Te laat, te laat

als je jezelf wilt zijn! Vanuit de palmboom 
ploft de muis, de lichtflits likt aan de lont, 
aan de eindeloze wimpers van je gelaat.

Volgens Montale is Clizia er niet. ‘Het is allemaal realistisch, de palissade en de rest. Klein madrigaal van secundair belang’.  Liesje Schreuder merkt nog op, dat in de Italiaanse tekst elk vers bestaat uit een endecasillabo en eindigt met een ‘piana’, een trochee, behalve het tweede vers van de eerste strofe. Het gedicht wordt door het vele gebruik van binnen- en halfrijm een ‘compact hortend en geheimzinnig beladen gedicht’. Ze merkt ook nog op, dat sommige endecasillabi, als dat het ritme ten goede kwam, vertaald zijn ‘met negen in plaats van tien of elf lettergrepen’. Er zijn meer opmerkingen van de vertaalster. Koos ik in eerste instantie voor een vertaling van ’palma’ als ‘handpalm’, zij vertaalt  het woord, op grond van haar grondige kennis van zijn werk (‘op grond van vergelijking met ander werk van Montale’) als ‘palmboom’. Ook de laatste regel licht zij toe, waarbij de traditie te hulp wordt geroepen. Het woord ‘sguardo’ betekent eigenlijk ‘blik’, maar het is een woord dat aan Petrarca doet denken. Daarom heeft zij het woord als ‘gelaat’ vertaald en niet als ‘wimpers’. Het geeft aan met hoeveel zorg, kennis en creativiteit zij met de vertaling is bezig geweest. Het is met recht een herschepping van moeilijke poëzie, waarbij zij, door haar grote kennis van de taal en het oeuvre van de dichter, Finisterre tot een prachtig wetenschappelijk en literair verantwoorde vertaling heeft gemaakt die een plaats heeft verdiend in bloemlezingen en boekenkasten van mensen die meer van Italië willen weten dan cappuccino en spaghetti.

***

Liesje Schreuders (1979) is literatuurwetenschapper en docent literatuurgeschiedenis, gespecialiseerd in het Modernisme en de Italiaanse poëzie. Ze geeft in die hoedanigheid cursussen op de Amsterdamse Vrije Academie. Ze debuteerde op haar zestiende jaar met de roman  Aan de wilde kant. In 2001 volgde nog De zondagsleraar. Ze studeerde af op een scriptie met een lange naam: A spurious gentleman – en ook nog een Italiaan; representatie van het Italiaanse karkater in Daisy Miller van Henry James en in ‘Langs lijnen der geleidelijkheid’ van Louis Couperus. Ze is een groot bewonderaar van Louis Couperus.

Recensie van Stilte heeft het laatste woord - Jan Paul Bresser

Stijlvol en altijd beschaafd

Jan Paul Bresser
Stilte heeft het laatste woord
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519061
€ 24,50
189 blz.

Jan Paul Bresser (1941 – 2015) was voor mij de cultuur in eigen persoon. Als Hagenaar ontmoette je hem op de plekken waar cultuur over het voetlicht kwam. (De Koninklijke schouwburg betitelde hij als ‘zijn tweede huis’). Je zag hem in het Hofkwartier en op bijeenkomsten waar het altijd om stijlvolle zaken ging. De laatste keer dat ik hem ontmoette was tijdens een Couperusherdenking, georganiseerd door het literair tijdschrift Extaze (hoofdredacteur Cor Gout) in Pulchri Studio waarop ik een kleine inleiding mocht geven over de verschillende plekken waar Couperus had verbleven in Italië; ik had ze bezocht en gefotografeerd. Jan Paul Bresser vertelde over de stijlvolheid van de kledingkeuze van Couperus. We liepen na afloop samen over het mooie Voorhout en praatten over de waarde van de cultuur en de beschaving.

Jan Paul Bresser was altijd stijlvol en beschaafd. Als journalist werkte hij voor kranten en tijdschriften. Hij was vooral bekend om zijn columns en interviews. Als creatief non-fictieauteur debuteerde hij laat. Zijn werk Het verdriet van Eline uit 2011 – hij was toen dus zeventig jaar – bevat een reeks verhalen waarin hij observeert zonder er zelf in aanwezig te zijn. Zijn tweede boek, de roman Sarah@Berkenhart.nl, – de titel suggereert een relatie met de beroemde briefroman van Wolff en Deken – is inderdaad ook een roman in brieven. Helaas mocht hij de presentatie van de handelseditie van dit boek niet meer meemaken: Jan Paul Bresser stierf op 21 juni 2015. Hij liet een grote leegte na; mensen die zo veel stijl, culturele kennis en kunde hebben zijn dun gezaaid.

Veel gedichten heeft Jan Paul Bresser tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Hier en daar (o.a. in Tij) verscheen wat werk van hem. In 1972 verschenen er vijf gedichten onder de titel: Ongelooflijk. In eigen beheer kwam in 2011 de bundel De doorloop van de tijd uit. De poëziepublicaties tijdens zijn leven zijn dus gering. De vraag rijst daarom bij mij of hij wel echt de ambitie had om als dichter erkend te worden. Wil niet elke dichter gelezen worden?

Cor Gout deelt in de inleiding van het hier besproken boek mee, dat na de dood van Jan Paul de gedachte rijpte zijn verzamelde gedichten te doen publiceren, waarover hij reeds met  hem had gesproken, een idee dat sterk werd gesteund door zijn vrouw Ineke. Ik citeer: ’De zoektocht naar Jan Pauls gedichten begon. Ineke vond ze in kleine blauwe schriftjes, vroege gedichten waarin de thematiek van zijn latere  dichtwerk al doorschemerde, in knipsels van kranten en tijdschriften, in verzamelingen van vroegere partners, vrienden en familieleden, in mappen, in boeken, in gaten, in hoeken’. Ze gingen ‘dwars door Jan Pauls gedachtewereld, zijn fantasieën, zijn twijfels, zijn zekerheden, zijn loves en hates en vooral ook door het gebouw van zijn taal’. Al dat zoekwerk leverde een boek op van bijna 200 bladzijden poëzie onder de titel: Stilte heeft het laatste woord.

De opgenomen en door Cor Gout geselecteerde poëzie is verdeeld in drie gedeelten. De eerste groep wordt gevormd door gedichten geschreven tussen 1958 en 1966, de tweede bundeling betreft de jaren 1984 tot 2013, de laatste verzameling  betreft werk uit het jaar 2014. Het is niet duidelijk wat er gebeurde tussen 1966 en 1984; het zou interessant zijn te weten of er geen poëzie is geschreven in die jaren of dat er niets gevonden kon worden. Nu gaapt er een hiaat dat intrigeert, zeker als er zoveel gedichten in deze verzameling zijn opgenomen.

Wat mij in het algemeen opvalt is de groei van de dichter. De eerste gedichten zijn nog conventioneel, staan in de traditie. Het is optimistische poëzie vol kleuren en bloemen. Veel gedichten hebben geen titel, wat soms de indruk geeft dat ze nog niet aan hun eindredactie toe waren. Soms zijn er kleine invloeden herkenbaar van de vitalisten, soms van Kouwenaar en Hans Andreus, een enkele keer van Vasalis en Nijhoff. Een gedicht als ‘Maria Lichtmis’ op pagina 37 verwijst ook naar de religieuze gevoeligheid van de dichter, die later nog sterker terugkomt.

Maria Lichtmis

globaal genomen 
zijn er altijd witte vogels 
die uit de nacht 
met de zon naar beneden komen 
een rozenkrans van nachtegalen 
gaat door de handen van de hemel 
terwijl vingerwolken bidden 
nooit heb ik het licht gemist 
wel eens dit gebed

Het gedicht: ‘En daar waar dromend Golgotha’ op pagina 38/39 is opgedragen aan Hendrik Marsman. Aanvankelijk denkend dat het om een opdracht aan Henk Bernlef ging (Bernlef was het pseudoniem van Henk Marsman), lijkt het mij toch gezien de thematiek en de woordkeus een opdracht te zijn aan de grote vitalist Hendrik Marsman die in 1940 op een schip vol vluchtelingen ten onder ging. De beginregel ‘Ik draag de stem van deze tijd / en roep van Sont tot Hellespont’ lijkt te verwijzen, evenals de laatste regel ‘want deze echte wereldboot / vaart verder nog voorbij de dood’ naar Marsmans Tempel en Kruis, waarin Marsman de grote eenheid van de beschavingen rond de Middellandse Zee bezingt. Geleidelijk aan worden gedichten lyrischer, de dichter (woord zowel als persoon) komt in de poëzie binnen:

ik heb je naam 
in het natte zand 
geschreven 
tussen de voetsporen 
van wandelaars 
misschien is de vloed 
erover gedreven

morgen zal ik weer gaan 
om opnieuw je naam te schrijven 
en al verdwijnt hij keer op keer 
in gedachten zal hij er blijven

Heb je het nog zien staan?

Het lijkt alsof het gedicht ‘Klein Kredo’ (p. 100) een eerste stap is op weg naar poëzie, waarin het woord, het gedicht, de dichter nog duidelijker en bepalender hun intrede doen. Jan Paul Bresser bezint zich waarover, waarom en voor wie hij schrijft. Na 1984 zet deze trend zich voort, het lijkt alsof er een nieuwe poëtische wind waait: er ontstaat  een nieuwe stroom gedichten die rijper, voller en soms intenser zijn. Weliswaar begint deze nieuwe periode nog met een traditioneel sonnet, maar de zeventien korte liefdesliedjes zijn lyrisch en intens. Er staan prachtige regels in. De gedichten gaan over vrouw, kind, over de vreugden van het dagelijks leven. In het gedicht ‘Holland’ (p. 187) loopt hij met kind of kleinkind langs de zee. Het kind stelt nieuwsgierige kindervragen, schijnbaar niet existentieel, maar vragend naar de omgeving. Het leidt tot een bezinning bij de dichter: ‘…Elf jaar en al die vragen / Over dood en over leven / Sta maar stil en kijk maar even / En we zwegen en we zagen / Hoe het was en is gebleven / Waar we onze sporen vonden / Grasduinen en geestgronden.’

Jan Paul Bresser is geworden tot een dichter die niet anders kan. Als hij heeft rondgekeken en stilgestaan bij een boom, waar de lichtval hem aan opgedroogde tranen deed denken, schrijft hij een van zijn laatste gedichten.

Dan maar poëzie

Vergeet het maar. 
Hoe heet de boom ook weer 
waarop de huid zo onvoorstelbaar 
weerbarstig is op haar lichtval van 
opgedroogde tranen? 
Ik raad er niet meer naar 
zij komt altijd weer overal vandaan. 
Ik schrijf haar op, 
ik kan van haar op aan, 
dichterbij haar staan 
in de schaduw 
van o ja: een plataan.

Het zijn met name de rijpe gedichten uit zijn laatste productieve jaar, die mij tot de slotgedachte leiden, dat – met alle groot respect voor de samensteller Cor Gout, die met dit overvolle boek een liefdevol monument oprichtte voor Jan Paul Bresser – wanneer ik  een herdenkingsbundel van deze innemende, erudiete en stijlvolle schrijver zou hebben mogen samenstellen, ik voornamelijk de laatste gedichten gebundeld zou hebben in een mooi boekje dat ook typografisch van een grote schoonheid zou zijn. Ik zou daarbij zeker ook beeldend materiaal als illustratie, al of niet in contrapunt, hebben opgenomen dat door Jan Paul, die ook als beeldend kunstenaar actief was, gemaakt is, een stijlvol boekje voor een stijlvol, cultureel gevoelig mens.

Ik zou wel hetzelfde motto gebruikt hebben waarin de levenskunstenaar die Jan Paul ook was zichzelf typeert: ‘Leven moet helemaal zijn / de druppel / die de kan doet overlopen’.

Recensie van Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk - Hans Plomp

Letteroefeningen van een romantische backbencher

Hans Plomp
Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659159
€ 17,50
172 blz.

Het voor mij liggende boek, waarin niet alleen een bloemlezing te vinden is van 50 jaar dichtarbeid van Hans Plomp, maar ook een door Peter de Rijk op basis van gesprekken met de auteur geschreven levensschets, ziet er fris en zonnig uit. Op het goudgele omslag springen twee van het leven genietende naakte mensen in psychedelische kleuren elkaar in de armen tegen de achtergrond van een wereldkaart. Op de achterkant van het omslag staat een zonnige foto van een breed lachende Hans Plomp (een foto van Iris Freije) in een soort gewaad met oosterse motieven, een afbeelding van een erotische Indiase godin waaronder een krans doodkoppen hangt: eigenlijk geeft het omslag alles weer wat er in de poëzie en de levensbeschrijving te vinden is: leven, dood, liefde, erotiek, levensvreugde en oosterse mystiek. De achtergrond met de wereldkaart, in aquarelachtige tinten, sluit daarbij aan door de in de bundel opgenomen vertalingen, niet alleen uit de ‘westerse’ culturele sfeer, maar ook uit Indiase en Iraanse poëzie.

Of de levensschets nu een begeleiding is bij de poëzie of de poëzie bij de levensschets weet ik niet. Er is een grote samenhang in thematiek: wat in de schets genoemd wordt, is in de gedichten te vinden. Het is alleen jammer dat bij de gedichten geen jaartallen vermeld zijn, waardoor de op het omslag vermelde ‘terugreis in de tijd’ niet te volgen is. Ik heb allereerst de levensschets gelezen en zag wie Hans Plomp was, een alom aanwezige persoonlijkheid in de poëtische en maatschappelijk-culturele stromingen van na de Vijftigers als provo, hippie (make love not war), de neo—romantiek en de terugkeer tot een spirituele levenshouding waarbij ook een modernere visie op de dood een rol speelt. De betekenis van Hans Plomp die met Gerben Hellinga en Heere Heeresma als kunstzinnige actievoerders erin slaagden om de sloop van polderdorp Ruigoord een halt toe te roepen en de ontwikkeling van deze kunstenaarskolonie te bevorderen, ligt in ieder geval in zijn participatie aan de stromingen die het land, de kunst en de bestuurlijke cultuur veranderden. Of hij als dichter bekend zal blijven dan wel als inspirator of chroniqueur van de woelige jaren zestig en zeventig, ligt in de schoot van de tijd verborgen. Hij was in ieder geval, zeker als belangstellende backbencher, overal bij.

De poëzie van Hans Plomp is uiterst helder, zijn taalgebruik eenvoudig, zijn woordkeus alledaags, wat ook logisch is gezien zijn bijdrage aan het ’Manifest van de jaren zeventig’, waarin de uitdrukking ‘nieuwe wartaal’ voorkomt, waarmee deze groep schrijvers zich tegen de Vijftigers afzette. Zijn rijmen zijn soms aan de platvloerse kant (ik wil / niets meer willen, / inslapen / tegen jouw billen, (p.91) / (…. ) in mijn mond / telkens lieve engel / moet ik denken / aan je goddelijke kont, /neem niet kwalijk, / aan je goddelijke vonk (p. 92), maar zijn thema’s zijn duidelijk: liefde, bezinning, levensvreugde, erotiek. En zijn meest recente poëzie ene bezinning op de dood. Dat levert poëzie op die plezierig is om te lezen, zoals een eenvoudig liefdesliedje (p. 94) :

MIDDAGDUTJE

Zit ik aan de oever
van mijn stille binnenzee
komt een scheepje langs gevaren
met aan boord mijn liefste fee
roept de stralende gestalte
van de kleine boot mij aan:
loopt het tegen hoogtij, vraagt ze,
anders moet ik verder gaan.

Gooi het roer om lieve dame
vaar in godsnaam niet voorbij
ik heb hier de dood gevonden
hem net huid en haar verslonden
en mijn leven dat ben jij.

Het liedje, want dat is het, zou een negentiende-eeuwse romanticus niet misstaan.

Soms zoekt Plomp naar spiritualiteit. Een fragment uit een gedicht zonder titel (p. 70):

Doe open
er zit een engel
in mijn diepste kelder
opgesloten.

De sjamaan krimpt
in openbaringsweeën.
Tussen beide oevers
van de ondergrondse vloed
is hij de brug.

Doe open dichter.

Eenvoudige taal, simpele beeldspraken, het lijkt wat onuitgewerkt, dit gedicht. En er zijn meer van dit type, die voortkomen uit emotionele momenten.

Soms lijken regels te verwijzen naar een trip: ‘Diep, diep, zo diep ben ik nog nooit gevallen / duizenden jaren diep! / Nog nooit zo zacht geland / op een onbekend strand, / Een stralend wezen streelt mijn ballen’.

Er is geen moeilijk woord te vinden in de gedichten, er zijn amper dubbele bodems. Hans Plomp is overigens goed thuis is in zijn klassieken: Pluto, Venus, Orpheus komen voorbij. De laatste inspireerde Plomp tot een fraai, zij het naar mijn gevoel ritmisch wat stroef lopend gedicht, waarvan, en ook dat gebeurt regelmatig, de titel deel uitmaakt van het gedicht:

TOEN ORPHEUS STIERF

Ontwaarde hij
links naast de woning van Pluto
een bron
onder een sierlijke cipres

Drink daar niet,
het is vergetelheid
waarin je wegzinkt,

Ga op zoek
naar het meer van herinneringen
daar is nog een bron
bewaakt door wezens.

Zeg hun
dat de aarde je genoeg is,
dat je terug wilt naar de oersprong.

Zeg hun: ‘Ik ben uitgedroogd
en wil alles weten,
geef me water
uit de bron van de herinnering’.

Ze geven je te drinken
en je zal ontwaken
als een god onder de goden.

Een trip of een verzuchting? Zelfs een moeilijk stoïcijns begrip als Apokastasis levert een gedicht op (p. 32 ). Opdrachten aan Gust Gils, Simon Vinkenoog, Gerben Hellinga, Allen Ginsberg bewijzen zijn plaats in het netwerk, waarin hij als ‘dichtend backbencher’ of ‘vooraanstaand maatschappelijk actievoerder’ alles meemaakte. Op gevorderde leeftijd is hij met de dood bezig, die hij kennelijk niet vreest. Hij praat er met zijn vriend Simon Vinkenoog over die reeds de grens overging. Onder invloed van ayahuasca of soms zonder geestverruimend middel ( ayahuasca is een Zuid-Amerikaanse hallucinogene drank) communiceren beide dichters. Het biedt hoopgevende inzichten. Vele collega’s, zegt Plomp, lijden aan de tijd en proberen zich van het leven te beroven. Maar de communicaties bieden Plomp de mogelijkheid deze tijd toch te zien als ‘de beste aller tijden’, waarmee, met dank aan Simon Vinkenoog, de titel van de bloemlezing verklaard is ( p. 170).

Een deel van deze bloemlezing is gewijd aan vertalingen die Plomp maakte. Het taalgebruik van zowel de Europese als de exotische gedichten was prachtig. Ik heb een paar gedichten in de oorspronkelijke taal nagezocht en geconstateerd dat de vertalingen niet alleen mooi taalgebruik opleveren, maar ook goed zijn. Wat mij stoorde was, en ik verwees er eerder naar, het ontbreken van titels. Zo moest ik langs zoeken naar het gedicht van Marceline Desbordes – Valmore (1786 – 1859) ‘Les roses de Saadi’, maar het loonde de moeite: het is een sierlijke vertaling (p. 102). Ook zocht ik wat Engelse en Duitse teksten na: zeer de moeite waard. Vooral die van een tweetal Frans-Duitse dichters die ik niet kende, maar wel mijn aandacht hebben getrokken: Yvan en Claire Goll, beiden rond 1890 geboren, beiden rond de helft van de 20ste eeuw overleden.

De levensschets, opgeschreven door Peter de Rijk, is als een monoloog van Hans Plomp zelf. Lees eerst de levensschets. Daarna de poëzie en dan nog eens de levensschets.

Samenvattend: een zeer leesbare bundel met goed te begrijpen poëzie van een duidelijk romantisch karakter. Vandaar dat ik, en het is als compliment bedoeld voor het lid van het ‘neo-romanties genootschap’, het woord ‘Letteroefeningen’ heb gebruikt. Wel stoorde mij soms het platvloers taalgebruik; ik denk niet dat Hans Plomp dat nodig heeft. Het feit dat er geen jaartallen bij de gedichten vermeld staan ontneemt een lezer de mogelijkheid het gedicht maatschappelijk in te passen. Ik zou Hans Plomp graag chronologisch hebben gelezen, omdat zijn wereld ook de mijne was. De levensschets is verhelderend. Wie kennis wil nemen van poëtische reacties op grote maatschappelijke bewegingen, moet deze bloemlezing zeker aanschaffen en meerdere malen lezen.

***
Hans Plomp, geboren in 1944 in Amsterdam. Hij studeerde Nederlands en was enige tijd leraar. Hij ontmoette veel schrijvers. Zijn debuutroman ‘Ondertrouw’ uit 1968 vertelt over de contacten met Reve en Johan Polak. Groot gebruiker van geestverruimende middelen., werd actief in Provo en schreef met toneelschrijver Gerben Hellinga een drugshandleiding ‘Uit je bol’ . Werd vooral bekend als actievoerder die de sloop van Ruigoord tegenhield, nu een bloeiend kunstenaarsdorp. Op het festival ‘Vurige tongen’ werd de hierboven besproken bundel gepresenteerd. Als lid / stimulator van het Amsterdams ballonnengezelschap organiseert hij in Paradiso het ‘ballonnenfeest’.

Recensie van Zingend naar huis - R.A. Basart

Lekkere poëzie met bittere nasmaak

R.A. Basart
Zingend naar huis
Uitgever: Lebowski
2017
ISBN 9789048832132
€ 17,50
80 blz.

De hier te bespreken bundel vind ik er niet mooi uitzien: een  blauw omslag, zwarte strepen, afwisselend witte en zwarte letters en behalve titel en auteur (een ondertitel is haast niet te vinden) ook nog een citaat van Adriaan van Dis: ‘Dat er nog niveau en hoop is voor ons taalgebied bewijst R.A. Basart met zijn lichtvoetige proza en poëzie, waarin een vrolijke slechtheid overheerst’. Ik vraag me af of de grafische ontwerpers , ‘Dog and Pony’, de teksten gelezen hebben en wellicht ervan uitgingen dat bij een bundel ‘light verse’  een wat licht aandoend omslag hoort. Jammer, want deze bundel is zo veel meer dan een verzameling ‘light verse’,  namelijk een bundel poëzie die met veel vakmanschap is geschreven, soms zelfs met bijna sierlijke  virtuositeit waaruit eveneens een voorname literaire eruditie blijkt met als overheersend gevoel een relativerende ironie, die in de ‘laatste gedichten’ de kracht lijkt om de melancholie meester te worden. De titel Zingend naar huis krijgt dan een diepere betekenis. Niet dat ik niet gelachen heb, soms zelf geschaterd, maar het geheel is meer dan een geheel van poëtische grappen.

De bundel bevat gedichten uit Basarts eerste veelbelovende bundel Oranjebal (1975), uit De gezonde apotheek (1977) en ook een afdeling ‘Laatste gedichten’, die, als ik het goed lees, wat ernstiger van toon zijn. Is de dichter met deze soms venijnige poëzie zingend op weg naar dat huis waar we allemaal naar op weg gaan als de eindigheid van het bestaan zich aankondigt?

Basart moet poëzie uit onze en internationale literatuur kennen en verwerken: hij geeft er ironisch commentaar op, zonder dat het direct pastiches zijn. Zo vinden we op p. 12 een gedicht ‘Dood van een heer’ (uit: Oranjebal), dat de moeite waard is om in zijn geheel te citeren:

Zoals een scheepje in een fles 
(wel op je plaats maar toch niet 
thuis) zo zit je roerloos in de 
recreatiezaal. Het late licht valt op 
de rooshof, waar d’Iraanse tuin- 
man, loten snoeiend, opschrikt 
van de bel voor ’t avondbrood.

En voor je denkt: het is zover 
staat hij er al, precies op plaats 
en tijd. Glimlachend duwt hij 
je rolstoel voort, je kunt 
net de witgeworden tuinman 
groeten; je laatste haar 
omhoog gekamd over het dorre 
schedelveld, wuift mee.

Ik denk dat P.N. van Eijck dit commentaar op ‘De tuinman en de dood’ met veel plezier zou lezen, mede door de melancholieke ondertoon van het gedicht. Dat het gedicht ‘Schuim en Asch’ naar Slauerhoff verwijst is logisch. Slauerhoff sluit zijn nostalgische gedicht ‘Het einde’ (hij heeft gevaren ‘Waar zelfs de Cunha en Sint-Heleen / Niet boren door de kimmen heen) af door over het trekken van het verlangen (het ‘onstilbaar wee’) te schrijven ‘..voel ik het trekken als een eb /naar het verre, vaste bruine land…./ Nu weet ik: nergens vind ik vree, / Op aarde niet en niet op zee, / Pas aan die laatste smalle ree / Van hout in zand.’ Tot zover onze poète maudit. Basart  moet veel van dit gedicht houden, misschien wekte het emoties bij hem op, die je dan kunt beheersen door ze te relativeren. ‘Geen verre, vaste, bruine kroeg, / Geen houten vloer met zand… // Maar nu gestopt met varen, / Trekt een onstilbaar wee / Hem als een eb naar het café / En aan die laatste smalle ree / Verzuipt hij inde klare’. 
In ‘Een nieuwe dag’ (p. 20) passeren regels van Jan Hanlo; in ‘De vreemdeling zeker’ komt Kloos voorbij met deze regels : ‘Nauw zichtbaar valt een meeuw horizontaal / mijn raam voorbij..’, terwijl een man aanbelt en met een oude schooltas in de hand vraagt of de dichter belang stelt in de bijbel. In ‘Samen oud’ op p. 43 passeert de 17e eeuwse Van Focquenbroch, de tragische dichter die zelfs met zijn ironie niet overleefde, terwijl ik bij ‘Jan kwam thuis’ (p. 64) onweerstaanbaar aan ‘Het kind en ik’ van Nijhoff moest denken, een dichter met wie Basart zijn gebruik van het gewone ‘ondichterlijke’ woord deelt. Het is een leuk intellectueel spelletje te herkennen welke dichter wordt becommentarieerd; eigenlijk zou de uitgeverij een prijs moeten uitloven voor diegene die elke verwijzing goed heeft.

Ik herken toch in deze bundel een diepe melancholie die angsten verhult door ironie en relativering en dat op een zeer subtiele manier. Lees dit gedichtje eens

Omne animal

Wat meer beangstigt dan: 
ik zal er niet meer zijn, is 
de gedachte: alles gaat dood- 
gewoon door, zei zij, droogde 
haar navel, gaapte, wond 
de wekker op.

Er is sprake van een gedachte die ‘beangstigt’;  door een enjambement te gebruiken bij dood-gewoon, krijgt het woord ‘dood’ weliswaar een klein accent, maar wordt het toch niet benadrukt. In het ‘triviale’ slot wordt de tijd weer verlengd, maar de boodschap is duidelijk. 
In het gedicht ‘De kamer’ op p. 63 is dat gevoel nog explicieter: ‘De vrienden buigen zich. / U ziet uw vrienden over u // gebogen. U sluit uw ogen voor de / dood in hun ogen /.’  Ook hier werkt het enjambement. Er zijn talloze voorbeelden van dit soort zuchten.

Ik heb geprobeerd de gedichten van Dante Alighieri,  Guido Mainardi en Guido Cavalcanti op te zoeken om een oordeel over de vertalingen te kunnen geven, maar had te weinig aanwijzingen. Daar Basart onder zijn vertalingen aangeeft dat ze ‘naar’ een auteur zijn,  vermoed ik dat deze teksten niet een getrouwe vertaling bieden, maar dat  het ook hier om commentaar op de inhoud  zou kunnen gaan.

Samenvattend: gedichten die op ‘light verse’ lijken maar voortkomen uit een relativerende levenshouding en getuigen van een perfect meesterschap over de taal. De dichter geeft blijk van een gevoel voor ironie dat wellicht angsten verkleint. Het is een erudiete bundel waaraan ook veel intellectueel plezier te beleven valt. Het zijn ‘Snikken en grimlachjes’ als bij de 19e eeuwse met zijn romantisch gevoel worstelende Piet Paaltjens.  
Ik hoop dat Basart geen ‘worgengel’ heeft (zie de studie van Rob Nieuwenhuijs over de angsten van Francois Haverschmidt = Piet Paaltjens), maar dat hij nog veel van deze verrukkelijke poëzie mag schrijven.

***
R.A. Basart  werd geboren in 1946. Hij schreef dichtbundels en prozawerken. Voor zijn eerste bundel, Oranjebal (1975), kreeg hij een aanmoedigingsprijs. De jury zag een grote belofte in hem, maar hij wilde zijn leraarschap (Basart was leraar Nederlands) niet opgeven. Verder verschenen de bundels De gezonde apotheek (1977) en Zingend naar huis. Voorts werden twee romans van hem gepubliceerd: ‘De laatste lach’ uit 1997 en ‘De verzoening’ uit 2016 die door L.H. Wiener werd gepresenteerd met een mooie, analyserende toespraak.

Recensie van Wat we achterlieten / What we left behind - Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.

Weemoed en bezinning verbeeld en verwoord

Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.
Wat we achterlieten / What we left behind
Uitgever: De zwarte els
2017
ISBN 9789080442122
€ 17,50
103 blz.

Voor mij is een mooi boek belangrijk: als de inhoud op een fraaie manier wordt vormgegeven vind ik het product in zijn geheel mooier. Toen ik pas leraar was, een jong gezin had, kocht ik wel eens Bulkboeken, literaire producten als krant vormgegeven. Ze kostten weinig. Weliswaar werden boeken en gedichten zeer toegankelijk, maar schoonheid in de vorm van een krant van papier dat snel geel wordt en scheurt, wordt voor mij minder kostbaar. Hoewel de Bulkboeken nog steeds op een stapel ergens op een plank liggen, kijk ik ze nog nauwelijks in.

De tweetalige, op foto’s gebaseerde dichtbundel Wat we achterlieten / What we left behind is een buitengewoon mooi boek. Ik sla het vaak open, kijk naar de afbeeldingen, lees een gedicht en geniet elke keer. De foto’s en het omslag van dichter/fotograaf Mariet Lems zijn mooi en melancholiek (en druktechnisch prachtig). Gemaakt in Ierland zijn ze, lijkt het, gemaakt in verlaten huizen: er staat een paraplu tegen een door vocht uitgeslagen muur, er hangt een jas, een heiligenprent, er staat een paar roeispanen, een boot drijft in het water. Het zijn deze foto’s die voor de uit vijf dichters bestaande groep Divers de aanleiding zijn geweest de gedichten te schrijven die dit boek vullen en door Wim Tigges in het Engels vertaald zijn.
Ik ben geen anglist, maar weet wel iets van het vertalen van Nederlandse teksten. Zelf heb ik een door mij geschreven gedichtencyclus over de getijden in Umbrië in het Italiaans vertaald, waarbij ik behoefte kreeg aan een moedertaalspreker. Ik heb de indruk dat mede door de samenwerking met een Italiaanse filoloog/filosoof mijn vertaalde gedichten het in Italië beter doen dan in Nederland vanwege de sociaal-linguïstische context. Deze vertaler heeft het alleen gedaan. Ik hoop dat zijn Engelstalige teksten in Ierland met even veel waardering worden ontvangen als de mijne hier in het zuiden: het is, hoe dan ook, een knappe prestatie. Ik verwacht het wel, het beeld wordt verwoord en draagt eraan bij dat de Ieren ervan kunnen genieten. Ik gun het hun en de dichters.
Peter van de Kamp heeft een Engelstalige inleiding geschreven, waarin hij onder meer van elk van de dichters een gedicht behandelt. Ook dat verhoogt de aantrekkelijkheid, net als het feit dat Mariet Lems veel in Ierland komt: ze kreeg zelfs een Ierse boer aan de poëzie.

De groep Divers, bestaande uit Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems, Wim Hartog en Wout Joling, komt eens in de zes weken bij elkaar. Zij bespreken dan een nieuw gedicht over een van te voren afgesproken thema, waarvan de tekst bekend is. Het gedicht wordt dan volgens een vast stramien besproken. Eerst leest degene die links naast de schrijver van het aan de orde zijnde gedicht zit de tekst voor; dit kan onduidelijkheden aan het licht brengen. Dan leest de maker het voor. Vervolgens gaat men rechtsom en mogen er opmerkingen worden gemaakt die over de wezenlijke zaken gaan. Naar eigen inzicht verwerkt de ‘maker’, de poëet (dat komt van poietes, wat maker betekent), deze opmerkingen. Dan wordt het gedicht nogmaals aan de groep voorgelegd.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van gedichten waarbij de foto’s aanleiding tot dichten waren: men was vrij om te reageren zoals men reageerde.
Het boek kent  vier afdelingen: ‘Binnen’, ‘Buiten’, ‘Landschap’, ‘Water’. Elke dichter reageerde op de beelden die deze thema’s illustreren. Opmerkelijk is de grote variëteit van de gedichten. Het eerste gedicht van Edith de Gilde is een inleidingsgedicht. Het heet ‘Scheppers’. Een citaat: ‘Op een dag hadden we er genoeg van. / We gingen na wat we zeker wisten / en pakten het in een rugzak. // Die was niet zwaar. We sjorden hem om / en verlieten het huis. Dat we opnieuw / ballast zouden vergaren was op dit ogenblik // van geen belang…’.
Het is onmogelijk om zoveel te citeren als ik zou willen. Elke dichter zou aan zijn of haar trekken moeten komen, maar omdat dit het werk is van een groep, neem ik aan dat men zich ook kan identificeren met een gedicht dat in de groep is behandeld.
In het onderdeel ‘Landschap’ schrijft Mariet Lems bij een wonderlijk mooie serene foto: ‘Wie er woonde heeft misschien toch wel / het nakijken. Dat ik vastleg wat / los wil, meeneem wat vergaat / opteken wat gezegd wilde / Hoe ik de gastvrijheid ontvlucht / omkijk, de deur sluit, een braam pluk / groet…..’. De sfeer is melancholiek, de vorm van het gedicht is mooi, er klinkt een resignatie in de taalmuziek. Ook Wim Hartog reflecteert over een foto op zijn manier, waarin hij verwijst naar het orthodox-katholicisme, dat grote gezinnen stimuleerde. Dan moest ‘het geslacht / wel eerst met wijwater gewassen. / Er kwamen goddelijke kinderen.’ Ook hij eindigt in een soort resignatie: ‘Nachtdiep zicht verliest / de witte sluiter aan zalige prikkels.’
In de afdeling  ‘Water’ werd ik gecharmeerd door het gedicht ‘Rustgebied’ van Wout Joling:

Ik wacht niet tot het laatste
woord is verouderd
zoals het meer in een poel
en de lucht
van grijze lei

Het paard
dat niet meer galoppeert
van wie alleen het malend
grazen aan de stilte
van het beemdgras schurkt

De bomen onveranderlijk
groen door de seizoenen
herfst blijft zomer
in winters smelt niets
dat van natuur is

Snor en rietgors
verwijlen in het onderriet
waar nergens nog
een woord verschrikt
van plek verschiet

Kortom, voor wie van fraaie, milde en melancholieke poëzie houdt, gebaseerd op mooie foto’s, fraai vormgegeven, is dit boek een aanrader. Edith de Gilde en Mariet Lems speelden de belangrijkste rol bij de totstandkoming ervan. Het is ook een mooi cadeau. Dat de Ierlandkenner Ruud Hisgen de fraaie Nederlandstalige inleiding schreef, waarbij hij deze poëzie verbindt met de hartenkreten van een middeleeuwse monnik, draagt bij aan de ongelooflijk hoge kwaliteit.  Het boek roept bij mij een soort heimwee-achtig verlangen op om eens naar het groene Ierland toe te gaan, wat ook bij  lezers het geval zal zijn.

***
De uit vijf dichters bestaande groep Divers, met de klemtoon op de tweede lettergreep, komt regelmatig bij elkaar. De dichters zijn bijna allen zeventigers. Doordat ze in een groep werken, ontstaat er zeer zorgvuldige poëzie. Edith de Gilde is bestuurslid van Meander en evenals Mariet Lems werkend lid van de Haagse Kunstkring.
De bundels zijn te bestellen bij De zwarte els (de.zwarte.els@outlook.com)