Recensie van Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee - Edwin de Groot

Een krachtig, aards geluid

Edwin de Groot
Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 978906265985
€ 16,50
63 blz.

In mijn kleine Italiaanse woonplaats (400 inwoners) bestaat een ‘internationale’ bibliotheek, die tot stand is gekomen doordat een organisatie ‘INTRA’ zich inspant om boeken die dreigen vernietigd te worden, te redden. Ze worden georganiseerd in een dertigtal thematisch georganiseerde bibliotheken. Daar mijn Etruskische stadje ooit een ‘kolonie’ van 40 Nederlandse gezinnen had, mochten alle boeken in enige vreemde taal bij ons geordend worden. Daaronder is één Fries boek, een geromantiseerde biografie van renaissancedichter Gysbert Japicx uit Bolsward door Pieter Terpstra: ‘De dei is fôroun’, een boek dat, zover ik weet, hier nooit gelezen is noch uitgeleend, maar door mij al vele malen getoond is aan nieuwsgierige journalisten en televisieploegen. Bijna elke bezoeker wil het even zien. Men begrijpt er niets van dat in Nederland een taal wordt gesproken, die oeroud is, en die ik niet begrijp: ik kan zelfs geen stukje voorlezen om de klank te laten horen.

Waarom schrijf ik dit? Na een recensie waarin ik mocht schrijven over een Surinaams dichter die o.a. in Sranantongo schreef, vind ik het fascinerend om nu de eerste bundel in het Nederlands van een Friese dichter te recenseren, overigens geen oorspronkelijke gedichten maar een vertaling van een eerdere Friese bundel. Het betreft hier de bundel: Sels in Tibetaan belânet op it lêst yn see, in het Nederlands Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee, naar het gelijknamige mystieke gedicht (pag.22), waarin de dichter een zondag beschrijft langs een (Friese?) dijk, waarbij ‘de ziel wordt uitgelaten’ en een mantelmeeuw die is gevallen bij de vuilstort weer verteert en ‘alles wat zij bezit / wordt weer zee’.

De dichter presenteert zich uitdrukkelijk als bewoner van Friesland, o.a. in het gedicht op pag. 40 ‘Hoog op zolder’. Citaat: ‘ik gelijk het nuchtere land waar ik uit ontsproten ben’. In zijn woordkeus zit een grote authenticiteit, die verwijst naar het vlakke Friese land. Hij presenteert zich ook duidelijk als kwetsbare dichter, al of niet belaagd door analyserende critici. Ik geef dit gedicht weer, zowel in het Fries als in het Nederlands; een gedicht in twee talen publiceren geeft een meerwaarde. Het zal wel een bewuste keuze zijn van dichter en uitgever om alleen in het Nederlands te publiceren, maar de bundel had nog rijker geweest als ook de Friese teksten weergegeven waren.

WYNSMYT

Dichters binne hege skoatige skepsels
Dy’t mei houtenklazerige krunen
as folfallen seilen de wyn fange

Mei net oan te ûntkommen it lotgefal
dwers oer it paad smiten te wurden
sa ta keninkriken ferfalle oan kordate kappers
mei bilen en kachels

De fynfielende fingers teannen en ynhouten
yn in flok en in sucht as foechsume blokjes
optaaste kreas en gelyk
mei-al is de treast skriel en symbolyk-
de tatiding fan in soarte fan termyk

Uit: Sels in Tibetaan belânet op it lêst in see (2016)
(met dank aan Hermien van der Meer die het gedicht voor mij overtypte en opzond)

Of in het Nederlands:

Windworp

Dichters zijn grote hoge schepsels
die met voelbaar klunzige kruinen
als volle ruisende zeilen de wind vangen

met onontkoombaar het lotgeval
dwars over het pad geworpen te worden
zo tot koninkrijken vervallen aan kordate
kappers met bijlen en kachels

de fijnvoelende vingers, tenen en binnenwerk
in een vloek en een zucht tot ordentelijke blokjes
gekloofd, gepast, gestapeld in kubiek met
– al is de troost schraal en symboliek –
de aanzegging van een soort van thermiek

De verwijzing naar de ‘kordate kappers’ die met ‘bijlen en kachels’ komen verwijst, mijns inziens, naar het werk van de recensent. Kappers knippen het kapsel kort en deze doen het bovendien nog met bijlen. Ik gaf als kordate criticus wat warmte door het prachtige Fries te citeren.
Ook inhoudelijk verwijst veel poëzie naar Friesland. Het vierluik: ‘Er was eens een vrouw met een gitzwart doodstil hart’, waarmee de bundel begint, verwijst in zijn ondertitel naar een ruig landschap ‘Ondergaan in De Deelen’, een moeraslandschap in de buurt van Heerenveen, waar ooit turfstekers hun harde werk verrichtten. De dichter spreekt het gebied toe: de turfstekers die ‘voor nipt / een appel en een ei het donkere merg / diep uit je botten zwoegden’. Of in het gedicht ‘De langste dag’ waarin hij beschrijft hoe toeristische vrouwen, staande op de voorplecht van de boot geld gooien in het klompje van de brugwachter. Een herinnering aan zijn oom Jan in: ‘Het loopvermogen van een onopgeloste kwestie’ doet hem aan koeien melken denken wat hij deed als ‘menneke van zes’ aan de oevers van het IJsselmeer, waarna hij in de keuken tussen Vapona vliegenstrips een ‘melksnor’ krijgt en, heel aards, zich herinnert ‘als ik echte stront ruik / stop voor een stonde / alle klokken, vergezicht / ballonnen, rauwe melk proeven’.
Toch is de dichter geen enge provincialist, hij schrijft over de Ardennen, vaak laadt hij zijn gedichten met een filosofie, hij schrijft over Poolse vrienden, over Alpe d’Huez en geeft een variatie op een gedicht van Emily Dickinson (pag.43), waarin prachtige regels voorkomen: ’Klief de prikklokklokkende doodbidder / open, dan vind je de gebeten grijze / muizen één voor één, als vitrinefabeldiertjes / gewikkeld in zilveren kwijl’.
De dichter komt mij voor als iemand die dicht bij de natuur leeft, hij schrijft over zijn huisdieren, over vogels, over andere dieren, over de sfeer in het lage land. De poëzie is stevig, vaak forse beeldspraken, onderwerpen die aards zijn, dicht bij het gras en het water, dicht bij de bloemen.

Samenvattend: een authentiek geluid in beeldend Nederlands, waardoorheen ‘it Heitelân’ verbeeld en verklankt wordt: aardse poëzie van grote kracht, mede door de soms heel bijzondere woordkeus, vaak met neologismen die eveneens iets authentieks hebben. De bundel getuigt ook van de hoge kwaliteit van de Friese poëzie, een bijzonder stukje literatuur in ons Nederlandse taalgebied. Alleen daarom al is deze ‘cross over’ van belang. Van harte aanbevolen.

***

Edwin de Groot (1963) werd geboren in Heerenveen. Hij dicht zowel in het Nederlands als het Fries en is redacteur van het Friese literaire online tijdschrift ‘ensafh’. De hierboven gerecenseerde bundel was zijn vierde Friestalige. Hij publiceerde in diverse tijdschriften en won verschillende prijzen, o.a. viermaal de Rely Jorritsmaprijs. Hij droeg bij aan de hommagebundel voor Rogi Wieg, de dichter die zo aan het leven leed, met het gedicht ‘In een kring van menselijke warmte’.

Recensie van Alsof men alles loslaat - Michaël Slory

Alles wordt poëzie

Michaël Slory
Alsof men alles loslaat
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659937
€ 17,50
93 blz.

In de periode dat ik voor Meander recensies schrijf mocht ik al vertalingen vanuit het Italiaans en Frans beoordelen, terwijl ik (met erg veel plezier overigens) een Zuid-Afrikaanse bundel recenseerde. De hier te bespreken bundel, de bloemlezing Alsof men alles loslaat van Michaël Slory, maakt deze recensent enerzijds verward, maar anderzijds toch wel trots op de verzameling poëzie en proza die in deze 93 bladzijden zijn samengebracht. Tegelijkertijd voel ik een klein beetje onmacht. Michaël Slory (1935, Coronie, Suriname) schrijft in het Nederlands, Spaans, Engels en Sranantongo.
Spaans beheers ik niet zoals ik Frans of Italiaans beheers, ik kan er weinig van zeggen. Doordat ik in mijn diensttijd toevallig als administrateur werkte voor de Surinamecompagnie, ben ik in contact gekomen met wat toen nog Negerengels of zelfs, hoe discriminerend, takkietakkie werd genoemd, waarbij ‘takkie’ een bastaardwoord was, dat kwam van het Engelse ‘to talk’. Ik had een klein grammaticaatje, samengesteld door een erudiete officier, dat als handleiding diende voor de uit te zenden troepen als er geen Surinaamse Nederlanders (ik praat over 1962) waren. Ik vind de term Sranantongo volwaardiger, het is ook een taal die veel rijker is dan ik toen vermoedde, kleurrijk, muzikaal en ritmisch. Hoewel ik veel van de gedichten begrijp, voel ik mij niet competent die in de taalkundige werkelijkheid van de eigen taal van de dichter te beoordelen: ik moet mijn oordeel dus baseren op de vertalingen van Ed Hart en Michiel van Kempen. Dank zij dichters als Michaël Slory hebben wij de mogelijkheid kennis te nemen  van mooie poëzie in die taal uit een land waar nog zoveel Nederlands leeft: het maakt de bundel interessant en belangrijk; een ‘must’ voor diegenen die geïnteresseerd zijn in poëzie in het algemeen en de culturele ontwikkeling in de republiek Suriname in het bijzonder. En uiteraard voor diegenen die van fraaie boekjes houden, want het is mooi uitgegeven.

Ik zal hieronder een klein stukje poëzie in Sranantongo weergeven met een klein stukje vertaling eronder, waarbij opvalt dat de Nederlandse vertalers geprobeerd hebben de klank van het gedicht weer te geven’: ‘sidon’ en ‘lobi’ (‘zitten’ en ‘liefde’) worden dan ‘zitten’ en ‘minnekozen’, maar verder zijn het twee klankwerelden. De ‘faja lobi’ (de vurige liefde) vindt niet zijn weergave in het Nederlands. Ga er eens voor zitten.

Den sidon e meki lobi.
Neleki den wani go na ini makandra,
so ppètpè den sidon?
Neleki den wani gi densrefi abra
na makanda, so den e poti atènsi.

Ze zitten te minnekozen.
Alsof ze op willen gaan in elkaar,
geplakt aan elkaar zoals ze zitten?
Alsof ze zichzelf willen overgeven
Aan mekaar, zo toegewijd.

De dichter is iemand voor wie alles taal wordt. Sommige mensen die ik ken maken constant tekeningetjes van alles wat ze zien, waar soms heel rake, meesterlijke bij zijn; ik krijg de indruk dat alles wat Michaël Slory ziet bijna vanzelf tot een gedicht leidt. Er is niet één alles doordringend poëtisch thema dat de bundel bepaalt, maar het is de hele wereld, inclusief de talen die er gesproken worden. In de verhelderende Verantwoording achterin de bundel merkt Michiel van Kempen niet voor niets op dat er maar weinig dichters zijn ‘voor wie leven, werkelijkheid en taal zo’n naadloos continuüm vormen’. Of Slory nu schrijft over Ruth Jacott en Coronie (‘Dati yu wortu / ben kan tyari mi / kon na ini paradeysi / fu lobi’ : dat jouw woorden / mij konden leiden / het paradijs van liefde / in te gaan….’) of over de grote Anton de Kom (‘Yu di den fringi na ini seboto / fu go dede te yana / na ini heri wan tra kondre / na ini a Gran Feti di seki Grontapu’: U die met geweld verscheept werd / om ver weg in een vreemd land / te gaan sterven/ tijdens de Wereldoorlog die een ieder schokte), het leidt tot poëzie. Het kan ook een palmboompje zijn dat aan een kreek staat of de jacht- en visvogel die in het Nederlands officieel ‘de grote Kiskade’ heet maar in Suriname een ‘Grietjebie’ wordt genoemd; beide worden met een gedicht vereerd, een gedicht waarbij het in het Nederlands geschreven ‘De vele Grietjebies’ de branding van de zee verbeeldt waarbij de bamboe en de wind een dialoog aangaan.

De vele grietjebies

In de branding zijn ze nu
die grietjebies
met die kreten uit hun kelen.
In de branding zijn ze nu.

‘Iets bijzonders?’
vraagt de wind.

‘Niks bijzonders’
zegt de bamboe.

Intussen vlamt de zon
steeds meer als uit een eeuwigheid.
O, hoe de toppen van het groen
statig groeten en lofprijzen

deze morgen, deze dag!

Of het Engelstalige ‘Black woman’:

I
And in her hair,
her smile,
her body,
beauty is a common thing.

Even in her footsteps
lies the birth of a song.

Wat ik opmerkte over de veelheid van aanleidingen tot het schrijven van gedichten, kan ik ook zeggen over de vormen: er zijn er evenzovele. Herkennen we in het gedicht over de grietjebies nog een soort wereldmuziek, iets wat typisch Surinaams zou kunnen zijn, er zijn verder zoveel vormen dat het onmogelijk is erop in te gaan. Er zijn ook gedichten in het Spaans, die laat ik terzijde. De liefhebbers hebben de polyglot Slory al herkend; het is aan hen om de bundel aan te schaffen en verder te lezen en van de kleurrijke internationale taaloefeningen te genieten.

Slory heeft weinig proza geschreven. In deze bundel zijn ook een paar fragmenten opgenomen uit De Ware Tijd, een Surinaams dagblad, waarin Slory sinds 1987 schrijft. Voor mij had dit niet gehoeven, ik had liever wat meer poëzie gelezen. Dat neemt niet weg dat ik de bundel van harte aanbeveel.

***
Michaël Slory werd in 1935 geboren in het district  Coronie in Suriname. Hij was in Nederland voor studies, maar woont nu al vele jaren in Paramaribo. Hij publiceerde in het Spaans Poemas contra las agonias (1988) en enkele Nederlandstalige bundels: En nu voorgoed voor vriendschap (1996) en Waar wordt de lucht gemolken (2003).
Alsof men alles loslaat is de derde bloemlezing die bij In de Knipscheer verschijnt. Eerder verschenen Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012).

Recensie van De zwarte trilogie - Emile Verhaeren

Symbolisme aan de Schelde

Emile Verhaeren
Vertaler: Stefaan van den Bremt
De zwarte trilogie
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339324
€ 21
89 blz.

De Frans schrijvende Vlaming Emile Verhaeren werd geboren in 1855 in Sint-Amand aan de Schelde, vlakbij Antwerpen. Hij studeerde weliswaar in Leuven, maar zijn Franstalige opvoeding bracht hem naar Parijs, waar hij contacten had met veel schilders en schrijvers. Hij overleed in 1917 in Rouen. Hij moet een inspirerend man geweest zijn, die zijn werken liet illustreren door George Minne, Theo van Rijsselberghe en Odilon Redon. Hij liet zich onderdompelen in de sfeer van het fin-de-siècle, de decadentie, het doods- en lijdensverlangen en de zelfkwelling, zoals onder andere door Baudelaire was uitgedragen. Ook voelde hij zich thuis bij het symbolisme van Verlaine. Zijn poëzie is soms somber en hermetisch.
Veel Frans schrijvende Vlamingen schreven en leefden weliswaar in het Frans maar hielden van het soms sombere Vlaamse land. Ondanks zijn roem in Parijs, heeft Verhaeren nooit Vlaanderen verloochend. Zijn eerste gedichten verschenen onder de naam Les Flamandes. Diegene die gevoelig is voor de nuances van de Franse taal, herkent soms in de woordkeus en beschrijvingen van Verhaeren de donkerte van Permeke en de harde figuren van het Vlaamse expressionisme. Verhaeren is niet de enige die zijn Vlaamse land soms overdreven verheerlijkt (een oude Franse literatuurgeschiedenis zegt ’il exalte la terre natale’), ook de chansons van Frans-Vlaming Jacques Brel zijn ondenkbaar zonder zijn liefde voor ‘le plat pays’; het kan bijna geen toeval zijn dat hij een chanson schreef en zong dat ‘Les Flamandes’ heet.
Tussen 1888 en 1891 schrijft Verhaeren De zwarte trilogie die bestaat uit: Les Soirs, Les Débâcles en Les Flambeaux noirs (Avonden, Aftochten, Zwarte fakkels), waarin met name de filosofie van Schopenhauer en de poëtica van Baudelaire gevolgd worden over het lijden ‘dat net zo goed als het ascetisme, een weg was naar zelfkennis’ (citaat uit het nawoord van de hier besproken uitgave door em. prof. dr. Christian Berg).
Ik vermoed dat er niet veel lezers in Nederland zijn die nog gevoel hebben voor deze loodzware symboliek, hoe dat in Vlaanderen ligt weet ik niet. Nog onlangs viel mij op, toen ik de biografie van Vasalis las, dat Victor van Vriesland en zij gedichten in feilloos Frans uitwisselden, zoals het nu waarschijnlijk in het Engels gebeurt. Ik vind het jammer, dat wij zicht op de Franse cultuur verloren lijken te hebben. Gelukkig zijn er de ijverige en veel producerende uitgeverij P uit Leuven en Stefaan van den Bremt, die Verhaeren onder de aandacht blijven brengen. Van den Bremt is al aan zijn derde vertaling van Verhaeren bezig na Les Heures claires (De heldere uren) en Les Villages illusoires (Dorpen van zinsbedrog). De huidige uitgave lijkt een kroon op het werk. Ik vind deze vertalingen, waarnaast de oorspronkelijke Franse tekst klein is afgedrukt, een belangrijke culturele daad. Nog afgezien van de literaire, herscheppende kwaliteiten van de vertaler, is het een belangrijk feit dat we in het Nederlands kennis kunnen nemen van een stroming als het symbolisme, die ondanks Verwey, Leopold, Boutens en Van Eijk niet die grote bloei lijkt te hebben doorgemaakt in de Nederlandse literatuur als in de Franse. Ook voor de Nederlandse beeldende kunst uit het begin van de 20ste eeuw is Verhaeren van belang. Met name een schilder als Jan Toorop werd door hem geïnspireerd.
Over het proces van vertalen heb ik al eerder geschreven. Er is een inhoud die wel te begrijpen is als je de taal spreekt. Het belangrijkst is echter de vorm te vinden: de lengte van de regels, het ritme, de accenten, de muzikaliteit van het vers, de plaatsing van de woorden in de zin, het rijm, de enjambementen. Stefaan van den Bremt verdient voor dit monnikenwerk een groot compliment, al ervaar ik soms een beetje rijmdwang, maar dat is met deze veelheid aan sombere, symbolistische poëzie bijna niet te vermijden als je als vertaler getrouw de vorm wilt volgen. Als voorbeeld de laatste strofe van het gedicht ‘Sous les porches’ (‘Onder kerkportalen’), waarbij de vertaling van ‘cerveaux’ als ‘bovenkamer’ een beetje moeizaam is.

On entendait les lourds et tragiques marteaux
Heurter, comme des blocs, les bourdons taciturnes
Et les coups, s’abattaient, les douze coups nocturnes,
    Avec l’éternité, sur nos cerveaux.

Van den Bremt vertaalt deze strofe als volgt:

Men hoorde alleen een zwaar, tragisch gehamer
Met mokerslagen op zwijgzame klokken slaan;
En uit hun slaap zijn twaalf slagen opgestaan
    In eeuwigheid in onze bovenkamer.

Maar er zijn andere prachtige voorbeelden: het gedicht ‘Départ’ (pag.62) kent een aantal klanknabootsingen die de somberheid benadrukken en die Van den Bremt prachtig weergeeft.

DÉPART

La mer choque ses block de flots contre les rocs
Et les granits du quai, la mer démente,
Tonnante et gémissante, en la tourmente
De ses houles montantes.

De assonanties op de -o- in de eerste regel, de prachtige tweede regel, de onvoltooide deelwoorden in de 3e regel, die zo mooi combineren, zijn als volgt vertaald:

AFVAART

De zee botst met geklots en brekers op de rots
En het graniet van kaden, zinneloos, de zee
Die buldert, beukt en kreunt in het noodweer
Met dolle deining op en neer.

Het is geen letterlijke vertaling, maar een vertaling van een dichter. De lezer mag uitmaken wat beter is.
Wat erg mooi is in deze fraai verzorgde uitgave is dat de oorspronkelijke illustraties van Odilon Redon zijn opgenomen. Bovendien is er een zeer verhelderend nawoord van dr. Christian Berg, die op een heldere en beknopte manier ingaat op de trilogie en deze in de literatuur plaatst. Alles bij elkaar: een belangrijke bundel voor diegenen die kennis willen nemen van een meester die in kleuren van een Vlaams expressionist Franse poëzie schrijft. Ik ben niet ingegaan op de vertaling van meerdere Franse gedichten, ik ben geen gallicist (of Romaans filoloog, zoals dat in Leuven heette) maar Frans is mijn favoriete buitenlandse taal die ik nog goed heb leren spreken en schrijven. Jammer, dat Verhaeren slechts op zijn lagere school iets met Nederlands gedaan heeft, anders hadden we een symbolist van wereldklasse in onze Nederlandse literatuur gehad.

***
Stefaan van den Bremt (1941) is dichter, essayist en vertaler. Hij debuteerde als Stevi Braam met zijn dichtbundel Sextant. Hij schreef in het ts. ‘Kreatief’ en kreeg voor zijn gehele oeuvre, waaronder de vertalingen van Verhaeren, de Louis Paul Boonprijs. Zie ook de recensie op Meander van Dorpen van zinsbedrog, Van den Bremts vertaling van Les villages illusoires.

Recensie van Gedurig nader - Huub Beurskens

Veel poëtisch plezier met Jan Luyken en Huub Beurskens

Huub Beurskens
Gedurig nader
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313461
€ 16,50
53 blz.

Het singen, ’t springen,         
’t fluyten, ’t tuyten,
En ’t swieren….

Beeldend kunstenaar Huub Beurskens ontwierp zelf de lay-out van zijn nieuwste bundel. Een tekening van Goya van een schommelende wat karikaturale figuur, onder de in wit uitgevoerde titel ‘Gedurig nader’ op grijs perkamentachtig papier afgedrukt, geeft de bundel een bijzondere uitstraling. De titel is afkomstig van dichter/mysticus/emblematicus/graficus Jan Luyken uit 1711. Degene die afgaande op deze stichtelijke titel zou denken dat het om religieuze gedichten gaat, geschreven vanuit een diep mystiek gevoel, komt bedrogen uit. Integendeel: de bundel staat in het volle leven. De bundel lezend en bestuderend moest ik voortdurend denken aan het woord ‘speelplezier’, dat muzikanten gebruiken wanneer ze, met elkaar samenspelend, een hoogte bereiken en alles lukt in een perfect samenspel: ik heb de laatste tijd zelden een bundel gelezen, waarin binnenrijmen, assonanties, klankverwantschappen, vrije en gebonden vormen, beschouwingen over beeldende kunst van toen en nu en jeugdherinneringen in een grote beheersing van de techniek samenkomen. Het lijkt alsof de dichter een mateloos plezier had in het schrijven van deze gedichten. Niet alleen een veelheid van vormen maar ook van onderwerpen. Beeldende kunstenaars spelen een rol – wat voor een beeldend kunstenaar als Beurskens niet vreemd is, maar ook componist Louis Andriessen figureert in de bundel. De dichter ziet hem in de Utrechtsestraat lopen, vermoedelijk muziek ‘makend’, wat de gedachte aan het speelplezier alleen maar versterkt. Dat hij van Louis Andriessen het prachtige minimalistische werk ‘Hoketus’ noemt, pleit voor zijn muzikale smaak. Ik heb voor mijn recensie dan ook, als een soort eerbetoon aan de keuze voor een titel van Jan Luyken, zelf een motto gekozen uit een joyeus gedicht van dezelfde dichter, hier meer als observator en minnezanger dan diep piëtistisch mysticus: ‘Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynbergs’, laat ik maar zeggen: ‘Op het mooi dichten van Huub Beurskens’. Misschien werd beeldend kunstenaar Beurskens wel geïnspireerd in het Amsterdamse Museumkwartier, schilderijen bekijkend en becommentariërend, want dwars door dat stukje Amsterdam loopt de Jan Luykenstraat. Maar dit is in zeventiende-eeuwse termen een ‘terzijde’.

Ik ben mijn foto niet

‘Ik ben geen camera,’ schreef W.H. Auden. En ik ben
mijn foto niet, hoe je er ook op ziet of ik reeds oud en
grijs word en veel weg heb van mijn vader Wim of juist
van mijn moeder Miep, misschien zelfs of er iets huist

in me van grim of griep, of ik blij ben of melancholiek.
Ik ben mijn foto niet, noch die waarop ik haast geniek
de lens in kijk, noch de kiek waarop ik mijn lijk al lijk,
geschoten in de studio van de röntgenkliniek. Want ik

zie ik zie wat jij niet ziet. Dit maakt mij veel meer uit
dan mijn snuit: dat waar ik in zelfvergetelheid naar kijk,
de zee, een berg, die eik, een mier, wat ik hoor, een lied,

die lach, verdriet, of in gedachten voor me zie, een tiet,
een ramp, een kamp, de blondine die haar lippen tuit.
Meer vertel ik niet. Zie maar of je het op mijn foto ziet.

Ik vind dit geciteerde gedicht niet het mooiste uit de bundel, maar het geeft wel aan wat ik bedoel met de bijna virtuoos gehanteerde vormaspecten. Het betreft hier een sonnet, waarin de dichter zichzelf wel en niet tentoonstelt: hij is zijn foto niet en ziet wat wij niet zien, niet de fysieke dingen van het leven als ouder worden, maar wat binnen in hem leeft, de immateriële zaken, de dromen, de voorstellingen, de innerlijke muziek, die hij vanuit een ontkenning of verrijking van het nu beleeft. Misschien heeft hij een gedicht van Jan Luyken in gedachten gehad, waarin de regels voorkomen ‘Maar in het diepst van mijn gemoed / Daar werd het liefelijk en zoet.’ Zijn ‘snuit’ is daarbij niet zo belangrijk. Hij geeft gelimiteerde informatie, want hij vertelt niet meer dan dat. Het is aan ons lezers, kijkend naar het gedicht dat een foto wordt, om te zien of het waar is.
Het gedicht begint met een beschrijving en een constatering, waarna in het eerste terzet een wending optreedt: ‘Dit maakt mij veel meer uit’. Een laatste regel, waarin hij uitnodigt naar zijn foto te kijken, lijkt het gedicht logisch af te sluiten, al blijft de lezer in het onzekere: de dichter is immers niet zijn foto. Wat betreft de vormaspecten: zo rijmt Auden als binnenrijm op ‘oud en’. In r.2 rijmt in een binnenrijm ‘niet’ op ‘ziet’. De twee enjambementen in het eerste kwatrijn verplaatsen het accent. In kwatrijn 2 rijmt ‘griep’ op ‘Miep’, waarbij ‘melancholiek’ dan een klinkerrijm is. De ie-klank kleurt de tweede strofe, terwijl er ook nog een duidelijk stafrijm te vinden is: ‘grim of griep’. Het woordgrapje van het lijken op het lijk op een röntgenfoto vindt zijn aanvulling door juist dit binnenste van de mens in die zelfde ie-klank te ontkennen, er is plaats voor dromen: ’zelfvergetelheid’. Van de vele binnenrijmen en klankovereenkomsten noem ik nog ‘tiet’ en ‘blondine’, en ‘ramp’ en kamp’. Het is een leuk tijdverdrijf voor liefhebbers van goed gebouwde poëzie om dit gedicht eens te analyseren.
Niet alle gedichten zijn zo beschouwend, hoewel in bijna allemaal een afstandelijkheid te herkennen is en een gevoel voor ironie. Dat beeldend kunstenaar Beurskens zich laat inspireren door schilderijen die hem tot constateringen en opvattingen brengen, is ook niet vreemd. Het begint al in zijn eerste gedicht, het titelgedicht ‘Gedurig nader’, waarin hij, kijkend naar een schilderij van Aelbert Cuyp, tot de volgende opmerking komt: ‘Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden / van de zeventiende eeuw het Bergachtig Landschap / met ruiter en veedrijvers geschilderd (nu te zien in / Londen) was ook ik me gaan wijden aan bidden // de rest van mijn leven’. Waarom, kun je je dan afvragen? Iets verderop geeft de dichter antwoord: ‘Kunstgeleerden suggereren // dat zodra de streng gereformeerde Cornelia Bosmans / met Cuyp was getrouwd, zij hem verbood ooit nog / iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch / Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van / na zijn veertigste geen enkel werk bekend is’. Andere schilders die passeren zijn Jan Weissenbruch, Jan Verspronck en Alfred Sisley. Ook de klassieke oudheid maakt onderwerp uit van de poëzie, evenals zijn katholieke verleden, o.a. met een vermakelijk anekdotisch gedicht over een tekening van de pater rector, die de puber tekent, waardoor er een pater erector ontstaat, waarna een weemoedig demasqué optreedt (De Vernissage, p38). Er zijn herinneringen aan geliefden.
Er staan meerdere sonnetten in de bundel, maar daarnaast ook wat vrijere verzen, soms lijken ze op prozagedichten, soms zijn het verslagen van het bekijken van kunst, soms zijn ze gewoon lyrisch en ontroerend. Altijd is de taal verzorgd, altijd is er een poëtisch moment. Er is een gedicht in deze veelzijdige, fraaie, plezierig leesbare bundel dat een algemeen gevoel van nostalgie weergeeft. Met dat mooie gedicht (ja, poëzie mag hier mooi zijn, mag lyrisch en indringend zijn) wil ik deze recensie besluiten. Het was weldadig weer eens zo bezig te kunnen zijn met poëtische momenten van mooie en goede poëzie, misschien niet groots, misschien niet bijdragend tot de verdere ontwikkeling van ons literaire besef en de poëtica der Nederlanden, maar wel een cadeautje.

Pianoklanken

Of prelude, sonate of nocturne, of Chopin,
Ravel of Liszt, uit een raam op tweehoog of uit
geopende verandadeuren – wie die onverwacht

ooit wat pianoklanken hoorde, enkele maten
slechts, in een regenachtige ochtendstad, in
populierenlaangeuren of dorpspleinschemer,

dacht niet even dat hij zou willen janken,
al wist hij niet om wat of wie? Misschien
zelfs niet vanwege die flard melodie, maar –

Wie zijn wij toch, om wat ons zo ontglippen
kan dat we het wel moeten haten, zo mooi
te willen laten klinken dat het ons zal raken?

***
Hubertus Petrus Willem Beurskens werd in 1950 geboren in Tegelen. Middelbare school bij Augustijnen in Venlo. Daarna bekwaamde hij zich als beeldend kunstenaar op de kunstacademie in Tilburg. Hij debuteerde in 1975 met Blindkap. Hij was redacteur van Het Moment en van De Gids. Hij vertaalde zelf veel uit Amerikaanse literatuur en uit het Duits, o.a. Georg Trakl. Zijn poëzie is in het Engels en Duits vertaald. Hij won veel prijzen, waaronder de Herman Gorterprijs, de VSB-poëzieprijs, de Halewijnprijs van de stad Roermond en de Jan Campertprijs. Huub Beurskens woont in Amsterdam. 

Recensie van Hosanna dagen - Bart Chabot

Danse macabre

Bart Chabot
Hosanna dagen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106403
€ 17,99
108 blz.

De twintigste bundel van Bart Chabot, Hosanna dagen, is buitengewoon fraai verzorgd: een prachtige omslag van Anton Corbijn en een heel mooi binnenwerk van Aard Bakker uit Amsterdam. Op een zeer eenvoudige manier is een landschap ontwikkeld dat een wat troosteloze sfeer uitstraalt, een streep suggereert een verre horizon, twee kale bomen staan op de voorgrond. Het enige kleurige is het woord ‘Hosanna’ waarvan de H  rood is en er derhalve uitspringt.

Bart Chabot kan niet zo maar afgedaan worden. Iemand die zo vaak zich presenteert op televisie en optreedt op vele belangrijke literaire evenementen, die de officiële biograaf is van Herman Brood en twee goed ontvangen romans publiceerde – Triggerhappy en Easy street – verdient aandacht. Niet in het minst omdat in de Haagse Bodega de Posthoorn een vloeibare versnapering  naar hem is genoemd, die mij op een koude dag soms zeer warm maakt.

Chabot schrijft in een zeer weinig poëtische taal, feitelijk in alledaagse spreektaal. Dat deed Martinus Nijhoff ook, die zijn gedichten echter vaak laadde met iets dat aan het geheel iets magisch-realistisch gaf, dat weliswaar zich in het hier en nu afspeelde, maar als een schilderij van Carel Willink of Pijke Koch geladen werd met onlustgevoelens, waardoor het gedicht iets anders weergaf dan wat er letterlijk stond geschreven. ‘Lees maar, er staat wat er niet staat’, schreef Nijhoff. Schreef Nijhoff echter in een muzikale taal die hij smeedde in goed verzorgde en opgebouwde gedichten – niets voor niets heet een bundel van hem Vormen – de taal van Chabot is niet muzikaal, nauwelijks poëtisch. Hij schrijft zoals hij praat, springend en soms zelfs houterig terwijl de vorm onregelmatig en onvoorspelbaar is. In de gedichten van Chabot, die zich ook afspelen in het hier en nu, gebeurt ook iets met die werkelijkheid. Weliswaar is het reisdoel soms duidelijk en alledaags: ‘Ik moest op pad naar Hellendoorn / maar pakte mijn spullen of ik voorgoed op reis ging…’ of op pagina 93 : ‘Ik nam de ochtendtrein naar Hengelo / bijna tweehonderd kilometer ver van huis…’, maar de afloop van de verhalen is vaak absurd, wat deze recensent soms eerder aan The Raven van Edgar Allan Poe deed denken of de Fantastische vertellingen van dezelfde schrijver, maar tezelfdertijd ligt onder de morbide verhalen een bezinning op leven en dood, die soms tot ontroerende gedichten leidt. Soms gebeurt er tijdens zo een zich in het hier en nu afspelende monoloog iets spookachtigs: tijdens een afspraak met Filiz, ‘…een vrouw om van te houden / al kon je dat beter laten / mannen stonden voor haar in de rij / en achteraan aansluiten / zat niet in mijn systeem…’, die hij zal ontmoeten ‘in café dante in amsterdam / waar ik me sinds de dood van herman / brood niet meer had vertoond-je moet de goden niet verzoeken…’, glijdt er ‘…een wolk / aan het terras voorbij / een wolk met een lengte van zo’n zes meter / en drie meter hoog…’. Als de ‘ik’ met de ober over die wolk spreekt, zegt deze: ‘herman-zei hij-komt hier regelmatig / zo’n twee drie keer per week…’. Herman Brood is dus tot een spook geworden, zich manifesterend in een wolk. Dit beeld manifesteert zich regelmatig in een hier-en-nu dat verbonden is met een ontmoeting met een levende, mooie vrouw en de schim van een vriend.

De gedichten, met meestal de ‘ik’ in de hoofdrol, worden op de achterflap ‘monologen’ genoemd. Inderdaad zijn het meestal gebeurtenissen waarin  de werkelijkheid van Bart Chabot het verhaal kleurt en het onderwerp van het gedicht uitmaakt. Het zijn lange gedichten, te lang om in hun geheel te citeren. Er komen veel kerkhoven in voor, veel graven, veel doden en gestorven mensen (Herman Brood passeerde reeds in een wolk), maar de ‘ik’ springt ook in een graf, overgiet zich met benzine en steekt zichzelf aan, gaat vanuit zijn laatste rustplaats terug naar zijn voormalige gezin op Kerstmis, laat Robert in ‘Nattevinger-werk’ (pagina 68) een luguber, misschien wel gezellig spoor bij het graf van zijn moeder ontdekken, waarin vingers aangeven dat er communicatie is tussen twee graven. Als hij zelf wordt begraven – in het gedicht Salto Mortale (pagina 100) – gaat hem dit, na gereflecteerd te hebben op zijn begrafenis, na een tijdje vervelen: hij wordt geen wolk, als Herman Brood, maar:

… na een viertal weken vond ik het welletjes
hoogste tijd om op te staan
ik verliet mijn kist via de onderkant
die daarmee de bovenkant werd
zoals ik ooit achterste voren-
het hoofd eerst, dan pas de voeten-
was geboren
het deksel op de kist was vanaf nu de bodem
ik zakte niet weg in aarde en modder
maar steeg erin op, wat
voor een sterveling een afdaling zou zijn..

De gestorvene zakt naar het binnenste van de aarde, waar het steeds warmer wordt:

… ik kwam nu, in het binnenste
van de aarde, dicht bij het vuur
waar alles samenkomt en smelt
 en vloeibaar wordt

Nog even volhouden, tanden op elkaar,
 de laatste loodjes
en voortaan kon ik met de zijkant
van mijn hand, terwijl ik achteloos
een koprol deed,
een bergwand in tweeën splijten
water uit de rotsen slaan
en spelen met vuur

Ondanks de bijkans Bijbelse verwijzingen (bergwand in tweeën, water uit de rotsen) is het een absurdistisch gegeven, waarin zelfs enige zelfironie is te herkennen.

Bepaald  komisch en ironisch, zijn de ten gevolge van pillen ontstane ruimtereizen naar de maan en de planeet Pluto: de consequent volgehouden hier-en-nu situatie werkt bijna overtuigend, al is de ironie en vooral de zelfironie sterk aanwezig.

Het laatste wat ik over deze nogal absurde, soms geestige bundel wil zeggen is dat er drie gedichten in staan waarin Bart Chabot als de wat slordige Jules Deelderachtige dichter boven zichzelf uitstijgt en mij ontroert. En dat is iets wat ik niet had verwacht, deze absurdistische, grillige, fantasierijke gedichten lezend. Het betreft de gedichten ‘De vereffening’ over het sterven van de vader van de ‘ik’, wat soms wel heel emotioneel wordt (pagina 89), ‘Zoetwatermatroos’ op pagina 97, waarin ik iets meen te proeven van nostalgie om een voorbijgegane jeugd en het gedicht ‘Carla’ op pagina 51, waar ik even wat dieper op inga gezien het feit dat ik hier een heel zachte kant van Bart Chabot ontmoet.

‘Carla’ en de ‘ík’ eten in een clubhuis op een sportcomplex waar de kaarsen op tafel branden:

… het was een dag uit het boekje geweest
met een oktoberzon en dito hemel
 nul fout…

Het lijkt zo plezierig. Juist daarom ontroert mij het vervolg van het verhaal over en van de vrouw Carla die op krukken loopt:
  

ze vertelde dat ze ziek was
en me wilde spreken, liefst snel
zodoende zaten we hier
ik vroeg haar hoe het ging
-slecht-zei ze
-hoelang heb je te gaan? –
-nog even hoop ik
maar het is onduidelijk wat de artsen
voor me kunnen doen-
zo zat ze ook tegenover me,
  eindig …

Na anderhalf uur is het gesprek afgelopen en neemt de ‘ik’ voorgoed afscheid van haar:

.. het slot van een te kort verhaal hing
aanraakbaar tussen de takken-
in dit leven zouden wij elkaar niet meer spreken

Een eenvoudige zin ’krijg ik nog een kus van je’ maakt het afscheid bijna gewoon: alledaagse en oprechte taal. De dichter treuzelt met weggaan, hij wil haar niet voor een tweede keer gedag zeggen en de dame loopt op krukken. De laatste strofe sluit het afscheid af:

… daar ging ze
naar huis verderop
een anonieme flat op de anonieme hoek
van een anonieme weg
ze kwam bij de kruising
waar het onstuimig waaide
en de bomen kaal

Samenvattend herken ik in deze bundel Hosanna dagen de Bart Chabot van de performances. Het zijn absurdistische, ironische verhalen met soms verrassend zachte kanten, waardoor de poëzie een poëtische lading krijgt door de inhoud en soms door de vorm, die in de meeste gedichten grillig is. De tekst op de achterkant heeft gelijk: het zijn monologen.

Het lijkt me trouwens erg leuk om in Bodega de Posthoorn eens een verhaal van hem zelf te horen, omdat ik meen te herkennen dat de dichter al schrijvend heel dicht bij zijn eigen manier van spreken blijft, wat misschien het gedicht een andere kleur geeft als je het hoort..

***
Bart Chabot werd geboren in 1954. Hij is dichter, columnist, performer, literaire persoonlijkheid. Hij publiceerde 19 dichtbundels. Martin Bril stelde een bloemlezing samen van zijn werk: De bril van Chabot. Hij is de biograaf van Herman Brood en schreef ook een toneelstuk in 2016 onder de titel Chez Brood. Hij publiceerde veel proza, waaronder twee romans: Triggerhappy en Easy Street. Zo hij iets is, is hij een Hagenaar die na zijn poëtische ruimtereizen regelmatig de Haagse Bodega de Posthoorn frequenteert, waar zelfs een versnapering zijn naam draagt.