Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015 - Jan Dullemond

De apologie van een recensent

Jan Dullemond
Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519184
€ 19,50
179 blz.

In de nieuwe biografie van Louis Couperus ‘Couperus een leven’ van Rémon van Gemeren gaat de schrijver buitengewoon uitvoerig in op de poëzie van deze grote romanschrijver. De poëzie is, ook voor Couperus zelf, als mislukt te beschouwen. Geprezen worden de rijkdom aan woord en de sierlijkheid, soms gekunsteldheid van de taal, maar er is iets dat er niet is. Lodewijk van Deijssel kraakt, zoals alleen van Deijssel dat kan, de poëzie. Laten we het eigentijds zeggen: er was geen emotionele klik. Het lyrisch moment dat van een taalbouwsel een gedicht maakt, was er niet. De persoonlijke emotie van de schrijver ontbrak, terwijl de Tachtigers bezig waren met de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Meerdere recensenten kraken de poëzie van Couperus af op vaak niet mis te verstane en zelfs grove wijze, daarbij vaak op de man spelend.

Toen ik de bundel van Jan Dullemond las, had ik in eerste instantie hetzelfde. Ik miste de klik van het lyrisch moment. Nu lees ik een bundel altijd eerst vluchtig door, probeer de smaak te proeven, kijk naar de vormen. Ik was niet enthousiast, de poëzie leek zelfs wat houterig. Maar, en vandaar de titel van deze recensie, ik vind dat een recensent niet is ingehuurd om het werk van een dichter met de grond gelijk te maken. De argumenten van de beoordelaar zijn vaak persoonlijk; ze zijn net zo lang als ze breed zijn. Bovendien: er ligt een werk voor me dat een schrijfperiode beslaat van 20 jaar: het gaat de kant uit van een verzamelbundel, waarin het beste van de dichter te vinden is. Ik neem aan dat de zwakke punten er dan zijn uitgehaald. Ik was niet tevreden met mijn eerste, oppervlakkige oordeel. Om de dichter recht te doen heb ik de bundel nog driemaal herlezen, steeds zorgvuldiger, aanstrepend wat  ik  van belang vond.

Hoe zit de bundel in elkaar?  ‘Om tijd te winnen’, zegt de begeleidende tekst, ‘heeft de vorm van een labyrint. In de loop van twintig jaar schrijven groeide dit labyrint naar zijn vorm, elk gedicht en elke cyclus voegt een ruimte toe om in rond te kijken, of een complex van ruimtes, gangen en trappenhuizen’.
Voor mij is een labyrint niet iets positiefs, een plaats waar het moeilijk is om de weg te vinden, je verdwaalt hopeloos. Geen plek om aangenaam te verblijven: het labyrint van koning Minos huisvestte een minotaurus, een mystiek dier dat mensen verslond. Toen Theseus zich erin waagde nam hij een gouden draad mee, hem gegeven door Ariadne opdat hij de uitgang terug kon vinden om in veiligheid te raken. De dichter was veel op Kreta, hij bezocht het labyrint dat hem kennelijk een ander  gevoel geeft. Hij  kent zijn klassieken. (Op p. 153 staat bijvoorbeeld in Griekse karakters een Homeruscitaat bij het gedicht ‘Oplettend pak ik de lente en maak het open’. Het woord ‘het’ verwijst naar ‘de lente’).

‘Beter dan water’ is een eerste ruimte om rond te kijken. Een ander rustpunt noemt de dichter ‘Het ei van Brancusi’. In dit deel van het labyrint bezoekt hij het beeldenpark Middelheim in Antwerpen  en schrijft over de kunstenaars en kunstwerken die hem inspireren. Daarna komt dit ei van Brancusi (‘In dit ei groeit een lied, geen embryo / een liefdeslied dat doorklinkt als hij zwijgt’) nog vier keer voor in de afdeling ‘Rondzingend werk’, waarin we nog eens verwijlen in de Antwerpse beeldentuin. Vraag van mijn kant is of dit de bouw van het ‘labyrint’ niet wat rommelig maakt. In ‘De tijd na de oerknal’ zijn we op reis en arriveren ter plekke in het labyrint: Griekenland en Kreta bieden ons uitzichten

Jan Dullemond was psychiatrisch verpleger. Er ligt onmiskenbaar een sterke sociale lading in sommige gedichten. In zijn ‘Prehistorisch’ bijvoorbeeld (p. 22) schetst hij een gevoelig beeld van een patiënt: ‘Weet ze wat gebeurd is, waarom ze weer/ opgesloten is voor de nacht?/ Haar rapport vermeldt niet meer / dan het feit….’. Een ander gestoord mens is wit geschminkt : ’Hij diagnosticeert zichzelf als clown… / De clown weigert de neuroleptica / die ik hem aanbied en smeekt om lachgas’. De dichter is op zijn best als hij vertelt over Griekse gezinnen, zijn hardlopende collega Ron Theunissen min of meer huldigt, of de Dordtse schrijver/dichter Jan Eijkelboom herdenkt.

Beiden zijn we verhuisd vandaag,
hij woonde bij de Oude,
ik nu aan de Nieuwe Maas.
Anders kan ik het water niet benoemen.

Jan Eijkelboom is teruggevallen
in de stroom die hij benoemde.
De zon die met zacht licht ondergaat
zal ook vandaag niet blijvend zijn,

Hij moet een man van de rivieren zijn en houdt van kunst. Een aantal kunstenaars passeert de revue, of moet ik zeggen ‘t labyrint, waaronder de beeldhouwers uit Middelheim en Rembrandt en Saskia.

Ik vind de poëzie over het algemeen weinig speels en muzikaal. Een enkele keer speelt de dichter met zijn taal: er is een verrassend gedicht dat mij zelfs aan Paul van Ostaijen deed denken (p. 36) door de herhalingen. Er zijn ook weinig verbeeldingen en metaforen in de teksten te vinden. Gedichten zijn vaak vertellingen waarin namen en feiten worden gebruikt; niet vanwege de poëtische, maar de ‘echte’ werkelijkheid. Soms gebeurt er onverwacht iets, is er ineens een Spaanse ruimte in een ‘Suite: Winter in Andalucia’, waarin de sfeer van de gedichten zo anders is, lichter, bijna witte poëzie, afwijkend van vorm, speels en klankrijk.

ARCHITECTUUR         VAN         ANDALUCIA

het                                                       het
balkon                                          portiek   
tegen                                                naar
de                                                         de
gevel                                              straat       

is                                                     neemt     
slechts                                                 mij
een                                                 ernstig
knipoog                                                 op

Het is jammer, dat de dichter zo weinig van deze lichtheid laat zien in de rest van de poëzie. Af en toe speelt de tijd een rol in de gedichten, maar het is niet echt een thema.

Als samenvatting na herhaaldelijk lezen van en mij verdiepen in de tekst: de bundel bevat integere poëzie, vooral daar waar mensen een rol spelen. De poëzie vertelt, er is weinig beeldende lyriek bij: de vertellingen zijn wat recht toe recht aan, soms zelfs aan de droge kant verwoord. Ik mis daarbij het lyrische moment. Wat ik wel opmerk is een menselijk gevoel dat als het ware op de achtergrond meespeelt, het is sterk ingehouden, er zijn momenten dat het even doorbreekt. De bundel bevat ook veel reispoëzie; de dichter houdt van Spanje en Griekenland en van kunst en kunstenaars. Hij woonde zelfs acht maanden op Kreta om het Millennium te ontlopen, zoals hij zelf stelt. De invloed van dat verblijf op de poëzie, die van mensen, gezinnen, families en gemeenschappen vertelt, is te merken. Wellicht ontstond ook daar het idee van het labyrint, een woord dat bij de dichter en de recensent verschillende associaties oproept.

***
Jan Dullemond werd in 1952 geboren te Rotterdam. Hij volgde  een opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige die hij in 1980 voltooide. Hij publiceerde o.a. in Passionate en de Tweede Ronde, gaf werk uit in eigen beheer en deed een samenwerkingsproject met fotograaf Saskia Risseeuw. Later studeerde hij Engelse taal- en letterkunde aan de UvA, waar hij geobsedeerd werd door het begrip ‘tijd’. Hij studeerde in 1992 af op het veranderend renaissancistisch tijdsbeeld in het werk van William Shakespeare.

Recensie van Sluitertijd - Stan Mooij

Groter en kleiner diafragma

Stan Mooij
Sluitertijd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411259
€ 10
88 blz.

De bundel Sluitertijd van Stan Mooij eindigt met een gedicht dat dezelfde naam draagt. De dichter vertelt hierin over zijn vader, van wie een foto op de achterflap is weergegeven. De man heeft een belichtingsmeter in de hand, waarmee hij de belichting en de lensopening van zijn camera berekent. Een lensopening is belangrijk: er komt meer of minder licht op de gevoelige plaat. Bovendien kun je de voor- of achtergrond extra aandacht geven. De vader moet erg veel geëxperimenteerd hebben met zijn camera. Er is sprake van: ‘mijn vader met zijn / eindeloze stroom van foto’s…’. Of zijn beelden boeiend waren is niet helemaal duidelijk: de dichter beschrijft een filmvertoning als stopgezet, niet boeiend leven: ‘zijn film stopgezet / in de ruisende projector / zijn dialoog met de repeterende stilte / het slapend bezoek’. Of de vader gebruikt zijn camera om zijn leven te vergroten of de mooie momenten bijna wanhopig vast te houden: ‘in zijn vergrotingskoker / heeft hij uit zijn fotoboeken / wanhopig de mooiste opnamen / alsmaar verder vergroot’. Het leverde weinig op, want: ‘onverbiddelijk sloot de sluiter, / zijn roep om aandacht / voorgoed gesmoord / in volle vuilniszakken’. Ik lees hierin dat na het overlijden van de vader, die zoveel van het leven van zijn gezin vastlegde en wanhopig de mooiste momenten vergrootte, deze vele momenten bijeengezocht werden, opgeruimd en bij het afval gezet. Dat de kaft van de bundel nog een foto van de vader weergeeft die hij maakte tijdens een vakantie in Chur, een mooie, ouderwetse, haarscherpe foto, verbeeldt ook gebeurtenis van vroeger, vergankelijkheid is een centraal thema. Misschien herdenkt Stan Mooij zijn vader, maar dat is niet duidelijk: diens werk is immers ‘gesmoord’ in volle vuilniszakken.

In deze bundel neemt Mooij nu zelf waar, en legt via zijn eigen sluitertijden indrukken, landschappen, mensen, ideeën en gedachten vast in een heldere, sfeervolle en ongecompliceerde poëzie. Of het nu om plekken in  zijn woonplaats gaat (Son en Breugel), het bekijken een film ( Les Intouchables), een herinnering aan een telefooncel, de visafslag, indrukken van Sevilla en Venetië, een inburgering  of de ramp met de MH17 (het mooie gedicht ‘PAD’ op p. 62), de dichter richt er zijn lens op. Soms beschrijft hij plekken en gebeurtenissen met groter, soms met kleiner diafragma, soms haarscherp, soms wat minder gedetailleerd en wat dromerig, soms lijkt het alsof hij een ‘sellefie’ maakt (excuseer de schrijfwijze, maar de kneuterigheid van sommige van die beelden rechtvaardigt deze schrijfwijze), maar de poëzie is altijd bevattelijk, helder en goed leesbaar. Er klinkt soms een oprecht gevoel, een plotseling doorbrekende, soms meteen weggehouden emotie door. En altijd is er de duidelijk herkenbare melancholie van de vergankelijkheid van mensen en dingen.

STROOIVELD DAHLIA

In de strooivelden 
van het bos 
draaien boeketten 
in metalen vazen 
rusteloos rond

bij grijze grond plant ik 
gele brem onder 
krakend herfstblad, 
gevallen na de zomer 
nadat jij

insecten dansen, 
de snijbloemen 
van de doden 
hangen geknakt en gevlekt 
uit vuilcontainers

een lekkende kraan 
vult langzaam 
de gescheurde gieter 
waarmee ik 
mijn verdriet begiet 

Er valt weinig negatiefs te zeggen over deze bundel met oprechte, bescheiden poëzie met een bescheiden bewogen melancholie, maar toch ook met het genieten van reizen, van vreemde steden, van herinneringen. Wat mij ook opvalt is dat godsdienstigheid als vanzelf een plaats in de gedichten inneemt: het is de vanzelfsprekendheid van de aanwezigheid van heiligen, kerken, de liefde tot Maria, wat mij als recensent weemoedig maakte: dat alles was in mijn jeugd vanzelfsprekend. Het gaf de rust en de zekerheid van een onveranderbaar diafragma waarin het leven gelijkmatig werd belicht.

Wat blijft er van de dichter over in onze herinnering? Ook de dichter ziet zich als iemand die waarneemt en zichzelf in die waarneming plaatst als iemand die voorbijgaat en opgaat in ‘leestekens in witte inkt’, en doelwit van de tijd.

DOELWIT

wat liet ik na 
wat heb ik nagelaten 
wat onthield ik anderen 
wat onthouden zij van mij

mijn woord 
geboord in de roos 
van mijn schietschijf 
omringd door wat mij raakt

mijn vingers, gekromd 
om de tralies te buigen 
het koord te spannen, te breken 
het spoor dat verdicht of ontsnapt

de stap van mijn handschrift 
ritmisch dansend of botsend 
op het stootblok van mijn kantlijn, 
omcirkeld, geschrapt

leestekens in witte inkt 
of een ingeving van vlees en bloed, 
daarheen de stenen 
de bielzen 
het verwaaide papier.

Ik wens de dichter toe dat hij nog lang vol verwondering mag reizen, waarnemen, en vastleggen met een hoog diafragma (dan is het beeld scherper) en vooral dat hij nog veel mag wandelen door zijn Brabantse land. Dan kunnen wij ervan meegenieten. Dank je voor deze mooie, heldere, lezenswaardige bundel. Zeker de moeite waard om aan te schaffen.

***
Stan Mooij werd geboren in Eindhoven in 1947. Hij begon in 2003 met dichten en won in 2008 de ‘tweejaarlijkse Literatuur Stimuleringsprijs Eindhoven’, wat voor hem een stimulans was om zijn gedichten te publiceren.’ Zijn bundel Doorlopend stilstaan beleefde drie drukken. Zijn bundel Sluitertijd bevat ook een aantal bekroonde gedichten.

Recensie van Finisterre - Eugenio Montale

Naar het einde der taal

Eugenio Montale
Finisterre
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313362
€ 21,50
156 blz.

Het vertalen van poëzie behoort tot het moeilijkste dat een vertaler kan ondernemen. Een tekst, lyrisch of bezwerend, geworteld in een andere cultuur met eigen linguïstische wetten en literaire codes overbrengen naar een andere taal met volstrekt andere taalkundige voorschriften, culturele codes en poëtische tradities, met behoud van de schoonheid en inhoud van het gedicht, is bijkans onmogelijk, tenzij de vertaler volledig in de huid en het hoofd van de dichter kruipt en diens tekst poëtisch herschept. Slaagt een vertaler daarin dan bereikt hij of zij twee belangrijke resultaten. Allereerst: de lezer kan kennis maken met een auteur uit een ander cultuurgebied, maar terzelfder tijd voegt de vertaling iets toe aan de poëtische schatkamer van het  eigen taalgebied. Je moet letten op betekenissen, dubbele bodems, kleur, specifieke gebruiken, aantal lettergrepen, versvormen et cetera. Je moet de taal door-en-door kennen en met die kennis gewapend je verplaatsen in de gedachtenwereld van de dichter. Vooruitlopend op de conclusie: ik denk dat Liesje Schreuders dat gedaan heeft: de 15 gedichten die tezamen de cyclus Finisterre van de Italiaanse dichter Eugenio Montale (Genua 1896 – Milaan 1981) vormen, zijn in het Nederlands goed leesbaar en leveren op zich heldere poëzie op. Als we kennisnemen van de inleiding die Cees Nooteboom geschreven heeft in dit boek, dan blijkt deze prestatie niet te onderschatten. Nooteboom noemt het werk : ‘een weerbarstig eiland, geheimzinnig, duister, moeilijk in door te dringen …. een gesloten denksysteem, dat zich verborgen heeft in schoonheid, dat betekenis suggereert’. Nooteboom stelt: ‘Er zijn codes die je niet kent, literaire citaten en toespelingen waar je je als niet-Italiaan niet van bewust bent’. Ik zou zeggen: ga er maar aan staan.

Mijn eigen ervaringen met de Italiaanse poëzie en vertalingen uit het Nederlands waar ik bij betrokken was leerden mij hoe moeilijk en zwaar vertalen is. Samen met een filoloog maakte ik mijn gedichten af in ‘echt’ Italiaans, mijn vertaling was bijna letterlijk, ik had het grote voorrecht met de vertaler mee te werken. Na een sessie waarin we zes regels deden waren we aan het einde van ons (neo)Latijn. Vertalen vanuit het Italiaans is misschien nog moeilijker omdat de taal synthetischer is dan het Nederlands, het klanksysteem anders. Het Nederlands is iets soepeler in zijn vormen en biedt vaak meer modale vrijheid, die je overigens niet altijd wilt, kunt of mag gebruiken.

Eugenio Montale werkte in de jaren dertig in Florence. Zonder zich expliciet uit te spreken in pamfletten weerspiegelen zijn gedichten de sombere tijd van voor de wereldoorlog. Hij behoorde tot de groep rondom het tijdschrift ‘Solaria’. Hij ontdekte Italo Svevo en werkte samen met Carlo Levi en Mario Praz. Hij was dichter, schrijver en muziekcriticus. Zijn eerste bundel, Ossi di seppia (Zeeschuim), verscheen in 1925, een maand na de publicatie van het Manifesto degli intellettuali antifascisti, opgesteld door Benedetto Crose, mede door Montale ondertekend. De tijden verhardden nadat Mussolini zich meer en meer op Hitler richtte. Montale ontwikkelde zich tot een der toonaangevende figuren in de antifascistische literaire wereld. Benoemd in Florence als archivaris, werd hij  in 1938 uit die functie ontslagen, juist ook omdat hij geen fascist was. Daarna werkte hij o.a. als vertaler van Shakespeare. Diens taal, met name de Elisabethaanse sonnetten, heeft grote invloed op zijn werk gehad.

Van belang voor het begrijpen van de poëzie van Montale is zijn relatie met de Amerikaanse mediëviste en Italianiste Irma Brandeis, aan wie zijn bundel uit 1939, Le occasioni, is opgedragen; zij is ook de aangesproken figuur, de ‘tu’, in de gedichten uit de hier behandelde bundel. Finisterre verscheen in 1943 in Zwitserland, in Lugano, waar de tekst door een vriend naartoe was gesmokkeld. Later werd Finisterre een onderdeel van zijn derde bundel La bufera é altro, genoemd naar het eerste gedicht uit Finisterre. Montale noemt deze bundel ‘…de meest authentieke uitdrukking van zijn stem’ en tegelijkertijd, zoals opgemerkt door William Jay Smith in een artikel in ‘The new Criterion’ : ‘..het moeilijkste werk’.

Liesje Schreuders gaat in haar voorbeeldige en grondige inleiding in op die moeilijkheidsgraad.  Elke Italiaanse dichter, stelt ze, dient zich op de een of andere manier te verhouden tot de Italiaanse lyrische traditie (Dante, Petrarca, Leopardi, Foscolo, Pascoli, d’Annunzio). Montales verhouding met de Italiaanse cultuurtaal was, dat hij ‘de eloquentie van onze oude literaire taal de nek om wil draaien’, met daarbij vooral een wil tot muzikale expressie. 

Er is, en ik neem over uit de onmisbare inleiding, ‘een rijke woordenschat, vol archaïsmen, vreemde varianten, dialect’. De taal ‘klinkt niet meer zoetvloeiend, maar hoekig en onvoorspelbaar, vol knelpunten, breekpunten en valkuilen, vol expressief geweld’, met een ‘extreme tekstuele geslotenheid’. Het is gespannen en moeizame taal, tot op de grenzen van de poëzie. Verwijst de titel daarnaar: Finisterre, het einde van de wereld, metafoor voor het einde der taal? Of is het een verwijzing naar het einde der wereld, de sombere tijden van fascisme en oorlog? Enerzijds ‘vol verwijzing naar voorgangers, tegelijk modern en modernistisch’ vanwege het geven van een ‘nieuwe lading aan traditionele thema’s’. Montale is zowel ‘traditionalist’ als ‘metafysicus’. Kernpunt van zijn poëzie is volgens de dichter zelf : ‘Het onderwerp van mijn poëzie (en ik geloof van elke mogelijke poëzie) is de menselijke toestand op zichzelf beschouwd, niet de een of andere historische gebeurtenis, i.e. het recht van de poëzie om als poëzie gelezen te worden, niet als commentaar of voetnoot bij de wereldgeschiedenis’ (p. 34).

Naast deze inhoudelijke problemen, die niet gering zijn, zijn er ook nog typische vormproblemen. Montale gebruikt vaak de traditionele Italiaanse versvorm, de endecasyllabo (Nederlands: elflettergrepig vers of hendecasyllabe), een versvorm die teruggrijpt op de versvoeten van de Provencaalse troubadours. Italiaanse  versvoeten worden niet naar de versvoeten genoemd, maar naar het aantal lettergrepen. Het is zoals de naam al zegt, een vers van elf lettergrepen, waarbij de laatste lettergreep onbeklemtoond is en het belangrijkste metrische accent op de tiende lettergreep ligt. In de gedichten vindt men echter ook fonetische herhalingen, eindrijm, binnenrijm, halfrijm, imperfecte rijmen, rijmen met verschillende accenten. De vertaalster: ‘Montales metriek bestaat uit een nieuwe volgehouden regelmatigheid, die zinspeelt op klassieke regelmatigheid zonder haar na te bootsen en eigen normen creëert’. 

Al deze vormvoorschriften en –verschijnselen verzwaren het proces van vertalen. Het is dan ook logisch dat Liesje Schreuders een uitvoerige annotatie en verantwoording van keuzes aan de tweetalige teksten toevoegt. Ze geeft op de pagina’s 40 en 41 aan wat ze zich als doel had gesteld: ze wilde zoveel mogelijk Montale in de Nederlandse taal vatten. ‘Ik heb de Nederlandse taal dus in zekere zin getracht te veritaliaansen. Concreet betekent dat, dat ik ervoor heb gekozen om metrisch en rijmend te (proberen te) vertalen waar Montale metrisch en rijmend te werk ging, dus met behoud van het typisch Italiaanse hendecasyllabische vers en zelfs – als dat kon – met een bestudeerde weergave van klankcombinaties; om niet alleen de inhoud zo letterlijk mogelijk weer te geven, maar ook de vorm die immers met de inhoud samenhangt op de bijzondere wijze die hier boven besproken werd. Dat ik me hiermee een nogal onmogelijke taak heb gesteld, spreekt voor zich. Vooral wat de klanknabootsing betreft was ik grotendeels van het toeval afhankelijk’.

Eigenlijk zou ik nu de gedichten moeten bespreken, en het liefst allemaal, het zijn schatkamers voor close-readers, maar dan zou deze recensie te lang worden. Ik neem er een (kort) gedicht uit en sla de langere en de sonnetten over. Ik zal het gedicht tweetalig opnemen, dan doe ik zowel Montale als Liesje Schreuders recht.

LUNGOMARE

Il soffio cresce, il buio è rotto a squarci, 
e l’ombra che tu mandi sulla fragile 
palizzata s’arricicia. Troppo tardi

se vuoi esser te stessa! Dalla palma 
tonfa il sorcio, il baleno è sulla miccia 
sui lunghissimi cigli del tuo sguardo

LANGS DE ZEE

De wind steekt op, het donker scheurt aan flarden 
en de schaduw die jij over de wankele 
rij palen werpt, trekt krom. Te laat, te laat

als je jezelf wilt zijn! Vanuit de palmboom 
ploft de muis, de lichtflits likt aan de lont, 
aan de eindeloze wimpers van je gelaat.

Volgens Montale is Clizia er niet. ‘Het is allemaal realistisch, de palissade en de rest. Klein madrigaal van secundair belang’.  Liesje Schreuder merkt nog op, dat in de Italiaanse tekst elk vers bestaat uit een endecasillabo en eindigt met een ‘piana’, een trochee, behalve het tweede vers van de eerste strofe. Het gedicht wordt door het vele gebruik van binnen- en halfrijm een ‘compact hortend en geheimzinnig beladen gedicht’. Ze merkt ook nog op, dat sommige endecasillabi, als dat het ritme ten goede kwam, vertaald zijn ‘met negen in plaats van tien of elf lettergrepen’. Er zijn meer opmerkingen van de vertaalster. Koos ik in eerste instantie voor een vertaling van ’palma’ als ‘handpalm’, zij vertaalt  het woord, op grond van haar grondige kennis van zijn werk (‘op grond van vergelijking met ander werk van Montale’) als ‘palmboom’. Ook de laatste regel licht zij toe, waarbij de traditie te hulp wordt geroepen. Het woord ‘sguardo’ betekent eigenlijk ‘blik’, maar het is een woord dat aan Petrarca doet denken. Daarom heeft zij het woord als ‘gelaat’ vertaald en niet als ‘wimpers’. Het geeft aan met hoeveel zorg, kennis en creativiteit zij met de vertaling is bezig geweest. Het is met recht een herschepping van moeilijke poëzie, waarbij zij, door haar grote kennis van de taal en het oeuvre van de dichter, Finisterre tot een prachtig wetenschappelijk en literair verantwoorde vertaling heeft gemaakt die een plaats heeft verdiend in bloemlezingen en boekenkasten van mensen die meer van Italië willen weten dan cappuccino en spaghetti.

***

Liesje Schreuders (1979) is literatuurwetenschapper en docent literatuurgeschiedenis, gespecialiseerd in het Modernisme en de Italiaanse poëzie. Ze geeft in die hoedanigheid cursussen op de Amsterdamse Vrije Academie. Ze debuteerde op haar zestiende jaar met de roman  Aan de wilde kant. In 2001 volgde nog De zondagsleraar. Ze studeerde af op een scriptie met een lange naam: A spurious gentleman – en ook nog een Italiaan; representatie van het Italiaanse karkater in Daisy Miller van Henry James en in ‘Langs lijnen der geleidelijkheid’ van Louis Couperus. Ze is een groot bewonderaar van Louis Couperus.

Recensie van Stilte heeft het laatste woord - Jan Paul Bresser

Stijlvol en altijd beschaafd

Jan Paul Bresser
Stilte heeft het laatste woord
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519061
€ 24,50
189 blz.

Jan Paul Bresser (1941 – 2015) was voor mij de cultuur in eigen persoon. Als Hagenaar ontmoette je hem op de plekken waar cultuur over het voetlicht kwam. (De Koninklijke schouwburg betitelde hij als ‘zijn tweede huis’). Je zag hem in het Hofkwartier en op bijeenkomsten waar het altijd om stijlvolle zaken ging. De laatste keer dat ik hem ontmoette was tijdens een Couperusherdenking, georganiseerd door het literair tijdschrift Extaze (hoofdredacteur Cor Gout) in Pulchri Studio waarop ik een kleine inleiding mocht geven over de verschillende plekken waar Couperus had verbleven in Italië; ik had ze bezocht en gefotografeerd. Jan Paul Bresser vertelde over de stijlvolheid van de kledingkeuze van Couperus. We liepen na afloop samen over het mooie Voorhout en praatten over de waarde van de cultuur en de beschaving.

Jan Paul Bresser was altijd stijlvol en beschaafd. Als journalist werkte hij voor kranten en tijdschriften. Hij was vooral bekend om zijn columns en interviews. Als creatief non-fictieauteur debuteerde hij laat. Zijn werk Het verdriet van Eline uit 2011 – hij was toen dus zeventig jaar – bevat een reeks verhalen waarin hij observeert zonder er zelf in aanwezig te zijn. Zijn tweede boek, de roman Sarah@Berkenhart.nl, – de titel suggereert een relatie met de beroemde briefroman van Wolff en Deken – is inderdaad ook een roman in brieven. Helaas mocht hij de presentatie van de handelseditie van dit boek niet meer meemaken: Jan Paul Bresser stierf op 21 juni 2015. Hij liet een grote leegte na; mensen die zo veel stijl, culturele kennis en kunde hebben zijn dun gezaaid.

Veel gedichten heeft Jan Paul Bresser tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Hier en daar (o.a. in Tij) verscheen wat werk van hem. In 1972 verschenen er vijf gedichten onder de titel: Ongelooflijk. In eigen beheer kwam in 2011 de bundel De doorloop van de tijd uit. De poëziepublicaties tijdens zijn leven zijn dus gering. De vraag rijst daarom bij mij of hij wel echt de ambitie had om als dichter erkend te worden. Wil niet elke dichter gelezen worden?

Cor Gout deelt in de inleiding van het hier besproken boek mee, dat na de dood van Jan Paul de gedachte rijpte zijn verzamelde gedichten te doen publiceren, waarover hij reeds met  hem had gesproken, een idee dat sterk werd gesteund door zijn vrouw Ineke. Ik citeer: ’De zoektocht naar Jan Pauls gedichten begon. Ineke vond ze in kleine blauwe schriftjes, vroege gedichten waarin de thematiek van zijn latere  dichtwerk al doorschemerde, in knipsels van kranten en tijdschriften, in verzamelingen van vroegere partners, vrienden en familieleden, in mappen, in boeken, in gaten, in hoeken’. Ze gingen ‘dwars door Jan Pauls gedachtewereld, zijn fantasieën, zijn twijfels, zijn zekerheden, zijn loves en hates en vooral ook door het gebouw van zijn taal’. Al dat zoekwerk leverde een boek op van bijna 200 bladzijden poëzie onder de titel: Stilte heeft het laatste woord.

De opgenomen en door Cor Gout geselecteerde poëzie is verdeeld in drie gedeelten. De eerste groep wordt gevormd door gedichten geschreven tussen 1958 en 1966, de tweede bundeling betreft de jaren 1984 tot 2013, de laatste verzameling  betreft werk uit het jaar 2014. Het is niet duidelijk wat er gebeurde tussen 1966 en 1984; het zou interessant zijn te weten of er geen poëzie is geschreven in die jaren of dat er niets gevonden kon worden. Nu gaapt er een hiaat dat intrigeert, zeker als er zoveel gedichten in deze verzameling zijn opgenomen.

Wat mij in het algemeen opvalt is de groei van de dichter. De eerste gedichten zijn nog conventioneel, staan in de traditie. Het is optimistische poëzie vol kleuren en bloemen. Veel gedichten hebben geen titel, wat soms de indruk geeft dat ze nog niet aan hun eindredactie toe waren. Soms zijn er kleine invloeden herkenbaar van de vitalisten, soms van Kouwenaar en Hans Andreus, een enkele keer van Vasalis en Nijhoff. Een gedicht als ‘Maria Lichtmis’ op pagina 37 verwijst ook naar de religieuze gevoeligheid van de dichter, die later nog sterker terugkomt.

Maria Lichtmis

globaal genomen 
zijn er altijd witte vogels 
die uit de nacht 
met de zon naar beneden komen 
een rozenkrans van nachtegalen 
gaat door de handen van de hemel 
terwijl vingerwolken bidden 
nooit heb ik het licht gemist 
wel eens dit gebed

Het gedicht: ‘En daar waar dromend Golgotha’ op pagina 38/39 is opgedragen aan Hendrik Marsman. Aanvankelijk denkend dat het om een opdracht aan Henk Bernlef ging (Bernlef was het pseudoniem van Henk Marsman), lijkt het mij toch gezien de thematiek en de woordkeus een opdracht te zijn aan de grote vitalist Hendrik Marsman die in 1940 op een schip vol vluchtelingen ten onder ging. De beginregel ‘Ik draag de stem van deze tijd / en roep van Sont tot Hellespont’ lijkt te verwijzen, evenals de laatste regel ‘want deze echte wereldboot / vaart verder nog voorbij de dood’ naar Marsmans Tempel en Kruis, waarin Marsman de grote eenheid van de beschavingen rond de Middellandse Zee bezingt. Geleidelijk aan worden gedichten lyrischer, de dichter (woord zowel als persoon) komt in de poëzie binnen:

ik heb je naam 
in het natte zand 
geschreven 
tussen de voetsporen 
van wandelaars 
misschien is de vloed 
erover gedreven

morgen zal ik weer gaan 
om opnieuw je naam te schrijven 
en al verdwijnt hij keer op keer 
in gedachten zal hij er blijven

Heb je het nog zien staan?

Het lijkt alsof het gedicht ‘Klein Kredo’ (p. 100) een eerste stap is op weg naar poëzie, waarin het woord, het gedicht, de dichter nog duidelijker en bepalender hun intrede doen. Jan Paul Bresser bezint zich waarover, waarom en voor wie hij schrijft. Na 1984 zet deze trend zich voort, het lijkt alsof er een nieuwe poëtische wind waait: er ontstaat  een nieuwe stroom gedichten die rijper, voller en soms intenser zijn. Weliswaar begint deze nieuwe periode nog met een traditioneel sonnet, maar de zeventien korte liefdesliedjes zijn lyrisch en intens. Er staan prachtige regels in. De gedichten gaan over vrouw, kind, over de vreugden van het dagelijks leven. In het gedicht ‘Holland’ (p. 187) loopt hij met kind of kleinkind langs de zee. Het kind stelt nieuwsgierige kindervragen, schijnbaar niet existentieel, maar vragend naar de omgeving. Het leidt tot een bezinning bij de dichter: ‘…Elf jaar en al die vragen / Over dood en over leven / Sta maar stil en kijk maar even / En we zwegen en we zagen / Hoe het was en is gebleven / Waar we onze sporen vonden / Grasduinen en geestgronden.’

Jan Paul Bresser is geworden tot een dichter die niet anders kan. Als hij heeft rondgekeken en stilgestaan bij een boom, waar de lichtval hem aan opgedroogde tranen deed denken, schrijft hij een van zijn laatste gedichten.

Dan maar poëzie

Vergeet het maar. 
Hoe heet de boom ook weer 
waarop de huid zo onvoorstelbaar 
weerbarstig is op haar lichtval van 
opgedroogde tranen? 
Ik raad er niet meer naar 
zij komt altijd weer overal vandaan. 
Ik schrijf haar op, 
ik kan van haar op aan, 
dichterbij haar staan 
in de schaduw 
van o ja: een plataan.

Het zijn met name de rijpe gedichten uit zijn laatste productieve jaar, die mij tot de slotgedachte leiden, dat – met alle groot respect voor de samensteller Cor Gout, die met dit overvolle boek een liefdevol monument oprichtte voor Jan Paul Bresser – wanneer ik  een herdenkingsbundel van deze innemende, erudiete en stijlvolle schrijver zou hebben mogen samenstellen, ik voornamelijk de laatste gedichten gebundeld zou hebben in een mooi boekje dat ook typografisch van een grote schoonheid zou zijn. Ik zou daarbij zeker ook beeldend materiaal als illustratie, al of niet in contrapunt, hebben opgenomen dat door Jan Paul, die ook als beeldend kunstenaar actief was, gemaakt is, een stijlvol boekje voor een stijlvol, cultureel gevoelig mens.

Ik zou wel hetzelfde motto gebruikt hebben waarin de levenskunstenaar die Jan Paul ook was zichzelf typeert: ‘Leven moet helemaal zijn / de druppel / die de kan doet overlopen’.