Recensie van De zwarte trilogie - Emile Verhaeren

Symbolisme aan de Schelde

Emile Verhaeren
Vertaler: Stefaan van den Bremt
De zwarte trilogie
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339324
€ 21
89 blz.

De Frans schrijvende Vlaming Emile Verhaeren werd geboren in 1855 in Sint-Amand aan de Schelde, vlakbij Antwerpen. Hij studeerde weliswaar in Leuven, maar zijn Franstalige opvoeding bracht hem naar Parijs, waar hij contacten had met veel schilders en schrijvers. Hij overleed in 1917 in Rouen. Hij moet een inspirerend man geweest zijn, die zijn werken liet illustreren door George Minne, Theo van Rijsselberghe en Odilon Redon. Hij liet zich onderdompelen in de sfeer van het fin-de-siècle, de decadentie, het doods- en lijdensverlangen en de zelfkwelling, zoals onder andere door Baudelaire was uitgedragen. Ook voelde hij zich thuis bij het symbolisme van Verlaine. Zijn poëzie is soms somber en hermetisch.
Veel Frans schrijvende Vlamingen schreven en leefden weliswaar in het Frans maar hielden van het soms sombere Vlaamse land. Ondanks zijn roem in Parijs, heeft Verhaeren nooit Vlaanderen verloochend. Zijn eerste gedichten verschenen onder de naam Les Flamandes. Diegene die gevoelig is voor de nuances van de Franse taal, herkent soms in de woordkeus en beschrijvingen van Verhaeren de donkerte van Permeke en de harde figuren van het Vlaamse expressionisme. Verhaeren is niet de enige die zijn Vlaamse land soms overdreven verheerlijkt (een oude Franse literatuurgeschiedenis zegt ’il exalte la terre natale’), ook de chansons van Frans-Vlaming Jacques Brel zijn ondenkbaar zonder zijn liefde voor ‘le plat pays’; het kan bijna geen toeval zijn dat hij een chanson schreef en zong dat ‘Les Flamandes’ heet.
Tussen 1888 en 1891 schrijft Verhaeren De zwarte trilogie die bestaat uit: Les Soirs, Les Débâcles en Les Flambeaux noirs (Avonden, Aftochten, Zwarte fakkels), waarin met name de filosofie van Schopenhauer en de poëtica van Baudelaire gevolgd worden over het lijden ‘dat net zo goed als het ascetisme, een weg was naar zelfkennis’ (citaat uit het nawoord van de hier besproken uitgave door em. prof. dr. Christian Berg).
Ik vermoed dat er niet veel lezers in Nederland zijn die nog gevoel hebben voor deze loodzware symboliek, hoe dat in Vlaanderen ligt weet ik niet. Nog onlangs viel mij op, toen ik de biografie van Vasalis las, dat Victor van Vriesland en zij gedichten in feilloos Frans uitwisselden, zoals het nu waarschijnlijk in het Engels gebeurt. Ik vind het jammer, dat wij zicht op de Franse cultuur verloren lijken te hebben. Gelukkig zijn er de ijverige en veel producerende uitgeverij P uit Leuven en Stefaan van den Bremt, die Verhaeren onder de aandacht blijven brengen. Van den Bremt is al aan zijn derde vertaling van Verhaeren bezig na Les Heures claires (De heldere uren) en Les Villages illusoires (Dorpen van zinsbedrog). De huidige uitgave lijkt een kroon op het werk. Ik vind deze vertalingen, waarnaast de oorspronkelijke Franse tekst klein is afgedrukt, een belangrijke culturele daad. Nog afgezien van de literaire, herscheppende kwaliteiten van de vertaler, is het een belangrijk feit dat we in het Nederlands kennis kunnen nemen van een stroming als het symbolisme, die ondanks Verwey, Leopold, Boutens en Van Eijk niet die grote bloei lijkt te hebben doorgemaakt in de Nederlandse literatuur als in de Franse. Ook voor de Nederlandse beeldende kunst uit het begin van de 20ste eeuw is Verhaeren van belang. Met name een schilder als Jan Toorop werd door hem geïnspireerd.
Over het proces van vertalen heb ik al eerder geschreven. Er is een inhoud die wel te begrijpen is als je de taal spreekt. Het belangrijkst is echter de vorm te vinden: de lengte van de regels, het ritme, de accenten, de muzikaliteit van het vers, de plaatsing van de woorden in de zin, het rijm, de enjambementen. Stefaan van den Bremt verdient voor dit monnikenwerk een groot compliment, al ervaar ik soms een beetje rijmdwang, maar dat is met deze veelheid aan sombere, symbolistische poëzie bijna niet te vermijden als je als vertaler getrouw de vorm wilt volgen. Als voorbeeld de laatste strofe van het gedicht ‘Sous les porches’ (‘Onder kerkportalen’), waarbij de vertaling van ‘cerveaux’ als ‘bovenkamer’ een beetje moeizaam is.

On entendait les lourds et tragiques marteaux
Heurter, comme des blocs, les bourdons taciturnes
Et les coups, s’abattaient, les douze coups nocturnes,
    Avec l’éternité, sur nos cerveaux.

Van den Bremt vertaalt deze strofe als volgt:

Men hoorde alleen een zwaar, tragisch gehamer
Met mokerslagen op zwijgzame klokken slaan;
En uit hun slaap zijn twaalf slagen opgestaan
    In eeuwigheid in onze bovenkamer.

Maar er zijn andere prachtige voorbeelden: het gedicht ‘Départ’ (pag.62) kent een aantal klanknabootsingen die de somberheid benadrukken en die Van den Bremt prachtig weergeeft.

DÉPART

La mer choque ses block de flots contre les rocs
Et les granits du quai, la mer démente,
Tonnante et gémissante, en la tourmente
De ses houles montantes.

De assonanties op de -o- in de eerste regel, de prachtige tweede regel, de onvoltooide deelwoorden in de 3e regel, die zo mooi combineren, zijn als volgt vertaald:

AFVAART

De zee botst met geklots en brekers op de rots
En het graniet van kaden, zinneloos, de zee
Die buldert, beukt en kreunt in het noodweer
Met dolle deining op en neer.

Het is geen letterlijke vertaling, maar een vertaling van een dichter. De lezer mag uitmaken wat beter is.
Wat erg mooi is in deze fraai verzorgde uitgave is dat de oorspronkelijke illustraties van Odilon Redon zijn opgenomen. Bovendien is er een zeer verhelderend nawoord van dr. Christian Berg, die op een heldere en beknopte manier ingaat op de trilogie en deze in de literatuur plaatst. Alles bij elkaar: een belangrijke bundel voor diegenen die kennis willen nemen van een meester die in kleuren van een Vlaams expressionist Franse poëzie schrijft. Ik ben niet ingegaan op de vertaling van meerdere Franse gedichten, ik ben geen gallicist (of Romaans filoloog, zoals dat in Leuven heette) maar Frans is mijn favoriete buitenlandse taal die ik nog goed heb leren spreken en schrijven. Jammer, dat Verhaeren slechts op zijn lagere school iets met Nederlands gedaan heeft, anders hadden we een symbolist van wereldklasse in onze Nederlandse literatuur gehad.

***
Stefaan van den Bremt (1941) is dichter, essayist en vertaler. Hij debuteerde als Stevi Braam met zijn dichtbundel Sextant. Hij schreef in het ts. ‘Kreatief’ en kreeg voor zijn gehele oeuvre, waaronder de vertalingen van Verhaeren, de Louis Paul Boonprijs. Zie ook de recensie op Meander van Dorpen van zinsbedrog, Van den Bremts vertaling van Les villages illusoires.

Recensie van Gedurig nader - Huub Beurskens

Veel poëtisch plezier met Jan Luyken en Huub Beurskens

Huub Beurskens
Gedurig nader
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313461
€ 16,50
53 blz.

Het singen, ’t springen,         
’t fluyten, ’t tuyten,
En ’t swieren….

Beeldend kunstenaar Huub Beurskens ontwierp zelf de lay-out van zijn nieuwste bundel. Een tekening van Goya van een schommelende wat karikaturale figuur, onder de in wit uitgevoerde titel ‘Gedurig nader’ op grijs perkamentachtig papier afgedrukt, geeft de bundel een bijzondere uitstraling. De titel is afkomstig van dichter/mysticus/emblematicus/graficus Jan Luyken uit 1711. Degene die afgaande op deze stichtelijke titel zou denken dat het om religieuze gedichten gaat, geschreven vanuit een diep mystiek gevoel, komt bedrogen uit. Integendeel: de bundel staat in het volle leven. De bundel lezend en bestuderend moest ik voortdurend denken aan het woord ‘speelplezier’, dat muzikanten gebruiken wanneer ze, met elkaar samenspelend, een hoogte bereiken en alles lukt in een perfect samenspel: ik heb de laatste tijd zelden een bundel gelezen, waarin binnenrijmen, assonanties, klankverwantschappen, vrije en gebonden vormen, beschouwingen over beeldende kunst van toen en nu en jeugdherinneringen in een grote beheersing van de techniek samenkomen. Het lijkt alsof de dichter een mateloos plezier had in het schrijven van deze gedichten. Niet alleen een veelheid van vormen maar ook van onderwerpen. Beeldende kunstenaars spelen een rol – wat voor een beeldend kunstenaar als Beurskens niet vreemd is, maar ook componist Louis Andriessen figureert in de bundel. De dichter ziet hem in de Utrechtsestraat lopen, vermoedelijk muziek ‘makend’, wat de gedachte aan het speelplezier alleen maar versterkt. Dat hij van Louis Andriessen het prachtige minimalistische werk ‘Hoketus’ noemt, pleit voor zijn muzikale smaak. Ik heb voor mijn recensie dan ook, als een soort eerbetoon aan de keuze voor een titel van Jan Luyken, zelf een motto gekozen uit een joyeus gedicht van dezelfde dichter, hier meer als observator en minnezanger dan diep piëtistisch mysticus: ‘Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynbergs’, laat ik maar zeggen: ‘Op het mooi dichten van Huub Beurskens’. Misschien werd beeldend kunstenaar Beurskens wel geïnspireerd in het Amsterdamse Museumkwartier, schilderijen bekijkend en becommentariërend, want dwars door dat stukje Amsterdam loopt de Jan Luykenstraat. Maar dit is in zeventiende-eeuwse termen een ‘terzijde’.

Ik ben mijn foto niet

‘Ik ben geen camera,’ schreef W.H. Auden. En ik ben
mijn foto niet, hoe je er ook op ziet of ik reeds oud en
grijs word en veel weg heb van mijn vader Wim of juist
van mijn moeder Miep, misschien zelfs of er iets huist

in me van grim of griep, of ik blij ben of melancholiek.
Ik ben mijn foto niet, noch die waarop ik haast geniek
de lens in kijk, noch de kiek waarop ik mijn lijk al lijk,
geschoten in de studio van de röntgenkliniek. Want ik

zie ik zie wat jij niet ziet. Dit maakt mij veel meer uit
dan mijn snuit: dat waar ik in zelfvergetelheid naar kijk,
de zee, een berg, die eik, een mier, wat ik hoor, een lied,

die lach, verdriet, of in gedachten voor me zie, een tiet,
een ramp, een kamp, de blondine die haar lippen tuit.
Meer vertel ik niet. Zie maar of je het op mijn foto ziet.

Ik vind dit geciteerde gedicht niet het mooiste uit de bundel, maar het geeft wel aan wat ik bedoel met de bijna virtuoos gehanteerde vormaspecten. Het betreft hier een sonnet, waarin de dichter zichzelf wel en niet tentoonstelt: hij is zijn foto niet en ziet wat wij niet zien, niet de fysieke dingen van het leven als ouder worden, maar wat binnen in hem leeft, de immateriële zaken, de dromen, de voorstellingen, de innerlijke muziek, die hij vanuit een ontkenning of verrijking van het nu beleeft. Misschien heeft hij een gedicht van Jan Luyken in gedachten gehad, waarin de regels voorkomen ‘Maar in het diepst van mijn gemoed / Daar werd het liefelijk en zoet.’ Zijn ‘snuit’ is daarbij niet zo belangrijk. Hij geeft gelimiteerde informatie, want hij vertelt niet meer dan dat. Het is aan ons lezers, kijkend naar het gedicht dat een foto wordt, om te zien of het waar is.
Het gedicht begint met een beschrijving en een constatering, waarna in het eerste terzet een wending optreedt: ‘Dit maakt mij veel meer uit’. Een laatste regel, waarin hij uitnodigt naar zijn foto te kijken, lijkt het gedicht logisch af te sluiten, al blijft de lezer in het onzekere: de dichter is immers niet zijn foto. Wat betreft de vormaspecten: zo rijmt Auden als binnenrijm op ‘oud en’. In r.2 rijmt in een binnenrijm ‘niet’ op ‘ziet’. De twee enjambementen in het eerste kwatrijn verplaatsen het accent. In kwatrijn 2 rijmt ‘griep’ op ‘Miep’, waarbij ‘melancholiek’ dan een klinkerrijm is. De ie-klank kleurt de tweede strofe, terwijl er ook nog een duidelijk stafrijm te vinden is: ‘grim of griep’. Het woordgrapje van het lijken op het lijk op een röntgenfoto vindt zijn aanvulling door juist dit binnenste van de mens in die zelfde ie-klank te ontkennen, er is plaats voor dromen: ’zelfvergetelheid’. Van de vele binnenrijmen en klankovereenkomsten noem ik nog ‘tiet’ en ‘blondine’, en ‘ramp’ en kamp’. Het is een leuk tijdverdrijf voor liefhebbers van goed gebouwde poëzie om dit gedicht eens te analyseren.
Niet alle gedichten zijn zo beschouwend, hoewel in bijna allemaal een afstandelijkheid te herkennen is en een gevoel voor ironie. Dat beeldend kunstenaar Beurskens zich laat inspireren door schilderijen die hem tot constateringen en opvattingen brengen, is ook niet vreemd. Het begint al in zijn eerste gedicht, het titelgedicht ‘Gedurig nader’, waarin hij, kijkend naar een schilderij van Aelbert Cuyp, tot de volgende opmerking komt: ‘Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden / van de zeventiende eeuw het Bergachtig Landschap / met ruiter en veedrijvers geschilderd (nu te zien in / Londen) was ook ik me gaan wijden aan bidden // de rest van mijn leven’. Waarom, kun je je dan afvragen? Iets verderop geeft de dichter antwoord: ‘Kunstgeleerden suggereren // dat zodra de streng gereformeerde Cornelia Bosmans / met Cuyp was getrouwd, zij hem verbood ooit nog / iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch / Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van / na zijn veertigste geen enkel werk bekend is’. Andere schilders die passeren zijn Jan Weissenbruch, Jan Verspronck en Alfred Sisley. Ook de klassieke oudheid maakt onderwerp uit van de poëzie, evenals zijn katholieke verleden, o.a. met een vermakelijk anekdotisch gedicht over een tekening van de pater rector, die de puber tekent, waardoor er een pater erector ontstaat, waarna een weemoedig demasqué optreedt (De Vernissage, p38). Er zijn herinneringen aan geliefden.
Er staan meerdere sonnetten in de bundel, maar daarnaast ook wat vrijere verzen, soms lijken ze op prozagedichten, soms zijn het verslagen van het bekijken van kunst, soms zijn ze gewoon lyrisch en ontroerend. Altijd is de taal verzorgd, altijd is er een poëtisch moment. Er is een gedicht in deze veelzijdige, fraaie, plezierig leesbare bundel dat een algemeen gevoel van nostalgie weergeeft. Met dat mooie gedicht (ja, poëzie mag hier mooi zijn, mag lyrisch en indringend zijn) wil ik deze recensie besluiten. Het was weldadig weer eens zo bezig te kunnen zijn met poëtische momenten van mooie en goede poëzie, misschien niet groots, misschien niet bijdragend tot de verdere ontwikkeling van ons literaire besef en de poëtica der Nederlanden, maar wel een cadeautje.

Pianoklanken

Of prelude, sonate of nocturne, of Chopin,
Ravel of Liszt, uit een raam op tweehoog of uit
geopende verandadeuren – wie die onverwacht

ooit wat pianoklanken hoorde, enkele maten
slechts, in een regenachtige ochtendstad, in
populierenlaangeuren of dorpspleinschemer,

dacht niet even dat hij zou willen janken,
al wist hij niet om wat of wie? Misschien
zelfs niet vanwege die flard melodie, maar –

Wie zijn wij toch, om wat ons zo ontglippen
kan dat we het wel moeten haten, zo mooi
te willen laten klinken dat het ons zal raken?

***
Hubertus Petrus Willem Beurskens werd in 1950 geboren in Tegelen. Middelbare school bij Augustijnen in Venlo. Daarna bekwaamde hij zich als beeldend kunstenaar op de kunstacademie in Tilburg. Hij debuteerde in 1975 met Blindkap. Hij was redacteur van Het Moment en van De Gids. Hij vertaalde zelf veel uit Amerikaanse literatuur en uit het Duits, o.a. Georg Trakl. Zijn poëzie is in het Engels en Duits vertaald. Hij won veel prijzen, waaronder de Herman Gorterprijs, de VSB-poëzieprijs, de Halewijnprijs van de stad Roermond en de Jan Campertprijs. Huub Beurskens woont in Amsterdam. 

Recensie van Hosanna dagen - Bart Chabot

Danse macabre

Bart Chabot
Hosanna dagen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106403
€ 17,99
108 blz.

De twintigste bundel van Bart Chabot, Hosanna dagen, is buitengewoon fraai verzorgd: een prachtige omslag van Anton Corbijn en een heel mooi binnenwerk van Aard Bakker uit Amsterdam. Op een zeer eenvoudige manier is een landschap ontwikkeld dat een wat troosteloze sfeer uitstraalt, een streep suggereert een verre horizon, twee kale bomen staan op de voorgrond. Het enige kleurige is het woord ‘Hosanna’ waarvan de H  rood is en er derhalve uitspringt.

Bart Chabot kan niet zo maar afgedaan worden. Iemand die zo vaak zich presenteert op televisie en optreedt op vele belangrijke literaire evenementen, die de officiële biograaf is van Herman Brood en twee goed ontvangen romans publiceerde – Triggerhappy en Easy street – verdient aandacht. Niet in het minst omdat in de Haagse Bodega de Posthoorn een vloeibare versnapering  naar hem is genoemd, die mij op een koude dag soms zeer warm maakt.

Chabot schrijft in een zeer weinig poëtische taal, feitelijk in alledaagse spreektaal. Dat deed Martinus Nijhoff ook, die zijn gedichten echter vaak laadde met iets dat aan het geheel iets magisch-realistisch gaf, dat weliswaar zich in het hier en nu afspeelde, maar als een schilderij van Carel Willink of Pijke Koch geladen werd met onlustgevoelens, waardoor het gedicht iets anders weergaf dan wat er letterlijk stond geschreven. ‘Lees maar, er staat wat er niet staat’, schreef Nijhoff. Schreef Nijhoff echter in een muzikale taal die hij smeedde in goed verzorgde en opgebouwde gedichten – niets voor niets heet een bundel van hem Vormen – de taal van Chabot is niet muzikaal, nauwelijks poëtisch. Hij schrijft zoals hij praat, springend en soms zelfs houterig terwijl de vorm onregelmatig en onvoorspelbaar is. In de gedichten van Chabot, die zich ook afspelen in het hier en nu, gebeurt ook iets met die werkelijkheid. Weliswaar is het reisdoel soms duidelijk en alledaags: ‘Ik moest op pad naar Hellendoorn / maar pakte mijn spullen of ik voorgoed op reis ging…’ of op pagina 93 : ‘Ik nam de ochtendtrein naar Hengelo / bijna tweehonderd kilometer ver van huis…’, maar de afloop van de verhalen is vaak absurd, wat deze recensent soms eerder aan The Raven van Edgar Allan Poe deed denken of de Fantastische vertellingen van dezelfde schrijver, maar tezelfdertijd ligt onder de morbide verhalen een bezinning op leven en dood, die soms tot ontroerende gedichten leidt. Soms gebeurt er tijdens zo een zich in het hier en nu afspelende monoloog iets spookachtigs: tijdens een afspraak met Filiz, ‘…een vrouw om van te houden / al kon je dat beter laten / mannen stonden voor haar in de rij / en achteraan aansluiten / zat niet in mijn systeem…’, die hij zal ontmoeten ‘in café dante in amsterdam / waar ik me sinds de dood van herman / brood niet meer had vertoond-je moet de goden niet verzoeken…’, glijdt er ‘…een wolk / aan het terras voorbij / een wolk met een lengte van zo’n zes meter / en drie meter hoog…’. Als de ‘ik’ met de ober over die wolk spreekt, zegt deze: ‘herman-zei hij-komt hier regelmatig / zo’n twee drie keer per week…’. Herman Brood is dus tot een spook geworden, zich manifesterend in een wolk. Dit beeld manifesteert zich regelmatig in een hier-en-nu dat verbonden is met een ontmoeting met een levende, mooie vrouw en de schim van een vriend.

De gedichten, met meestal de ‘ik’ in de hoofdrol, worden op de achterflap ‘monologen’ genoemd. Inderdaad zijn het meestal gebeurtenissen waarin  de werkelijkheid van Bart Chabot het verhaal kleurt en het onderwerp van het gedicht uitmaakt. Het zijn lange gedichten, te lang om in hun geheel te citeren. Er komen veel kerkhoven in voor, veel graven, veel doden en gestorven mensen (Herman Brood passeerde reeds in een wolk), maar de ‘ik’ springt ook in een graf, overgiet zich met benzine en steekt zichzelf aan, gaat vanuit zijn laatste rustplaats terug naar zijn voormalige gezin op Kerstmis, laat Robert in ‘Nattevinger-werk’ (pagina 68) een luguber, misschien wel gezellig spoor bij het graf van zijn moeder ontdekken, waarin vingers aangeven dat er communicatie is tussen twee graven. Als hij zelf wordt begraven – in het gedicht Salto Mortale (pagina 100) – gaat hem dit, na gereflecteerd te hebben op zijn begrafenis, na een tijdje vervelen: hij wordt geen wolk, als Herman Brood, maar:

… na een viertal weken vond ik het welletjes
hoogste tijd om op te staan
ik verliet mijn kist via de onderkant
die daarmee de bovenkant werd
zoals ik ooit achterste voren-
het hoofd eerst, dan pas de voeten-
was geboren
het deksel op de kist was vanaf nu de bodem
ik zakte niet weg in aarde en modder
maar steeg erin op, wat
voor een sterveling een afdaling zou zijn..

De gestorvene zakt naar het binnenste van de aarde, waar het steeds warmer wordt:

… ik kwam nu, in het binnenste
van de aarde, dicht bij het vuur
waar alles samenkomt en smelt
 en vloeibaar wordt

Nog even volhouden, tanden op elkaar,
 de laatste loodjes
en voortaan kon ik met de zijkant
van mijn hand, terwijl ik achteloos
een koprol deed,
een bergwand in tweeën splijten
water uit de rotsen slaan
en spelen met vuur

Ondanks de bijkans Bijbelse verwijzingen (bergwand in tweeën, water uit de rotsen) is het een absurdistisch gegeven, waarin zelfs enige zelfironie is te herkennen.

Bepaald  komisch en ironisch, zijn de ten gevolge van pillen ontstane ruimtereizen naar de maan en de planeet Pluto: de consequent volgehouden hier-en-nu situatie werkt bijna overtuigend, al is de ironie en vooral de zelfironie sterk aanwezig.

Het laatste wat ik over deze nogal absurde, soms geestige bundel wil zeggen is dat er drie gedichten in staan waarin Bart Chabot als de wat slordige Jules Deelderachtige dichter boven zichzelf uitstijgt en mij ontroert. En dat is iets wat ik niet had verwacht, deze absurdistische, grillige, fantasierijke gedichten lezend. Het betreft de gedichten ‘De vereffening’ over het sterven van de vader van de ‘ik’, wat soms wel heel emotioneel wordt (pagina 89), ‘Zoetwatermatroos’ op pagina 97, waarin ik iets meen te proeven van nostalgie om een voorbijgegane jeugd en het gedicht ‘Carla’ op pagina 51, waar ik even wat dieper op inga gezien het feit dat ik hier een heel zachte kant van Bart Chabot ontmoet.

‘Carla’ en de ‘ík’ eten in een clubhuis op een sportcomplex waar de kaarsen op tafel branden:

… het was een dag uit het boekje geweest
met een oktoberzon en dito hemel
 nul fout…

Het lijkt zo plezierig. Juist daarom ontroert mij het vervolg van het verhaal over en van de vrouw Carla die op krukken loopt:
  


ze vertelde dat ze ziek was
en me wilde spreken, liefst snel
zodoende zaten we hier
ik vroeg haar hoe het ging
-slecht-zei ze
-hoelang heb je te gaan? –
-nog even hoop ik
maar het is onduidelijk wat de artsen
voor me kunnen doen-
zo zat ze ook tegenover me,
  eindig …

Na anderhalf uur is het gesprek afgelopen en neemt de ‘ik’ voorgoed afscheid van haar:

.. het slot van een te kort verhaal hing
aanraakbaar tussen de takken-
in dit leven zouden wij elkaar niet meer spreken

Een eenvoudige zin ’krijg ik nog een kus van je’ maakt het afscheid bijna gewoon: alledaagse en oprechte taal. De dichter treuzelt met weggaan, hij wil haar niet voor een tweede keer gedag zeggen en de dame loopt op krukken. De laatste strofe sluit het afscheid af:

… daar ging ze
naar huis verderop
een anonieme flat op de anonieme hoek
van een anonieme weg
ze kwam bij de kruising
waar het onstuimig waaide
en de bomen kaal

Samenvattend herken ik in deze bundel Hosanna dagen de Bart Chabot van de performances. Het zijn absurdistische, ironische verhalen met soms verrassend zachte kanten, waardoor de poëzie een poëtische lading krijgt door de inhoud en soms door de vorm, die in de meeste gedichten grillig is. De tekst op de achterkant heeft gelijk: het zijn monologen.

Het lijkt me trouwens erg leuk om in Bodega de Posthoorn eens een verhaal van hem zelf te horen, omdat ik meen te herkennen dat de dichter al schrijvend heel dicht bij zijn eigen manier van spreken blijft, wat misschien het gedicht een andere kleur geeft als je het hoort..

***
Bart Chabot werd geboren in 1954. Hij is dichter, columnist, performer, literaire persoonlijkheid. Hij publiceerde 19 dichtbundels. Martin Bril stelde een bloemlezing samen van zijn werk: De bril van Chabot. Hij is de biograaf van Herman Brood en schreef ook een toneelstuk in 2016 onder de titel Chez Brood. Hij publiceerde veel proza, waaronder twee romans: Triggerhappy en Easy Street. Zo hij iets is, is hij een Hagenaar die na zijn poëtische ruimtereizen regelmatig de Haagse Bodega de Posthoorn frequenteert, waar zelfs een versnapering zijn naam draagt.

Poëzie Kort 2018 / 1

 

Mini-Belgium Bordelio

(door Laura Demelza Bosma)

Mini Belgium Bordelio is het kleine broertje van de grote Belgium Bordelio, een boek dat om de twee jaar Nederlandstalige en Franstalige dichters samenbrengt, vertaald naar de andere landstaal.
In het voorwoord richt Laurence Vielle (Dichter des Vaderlands van Belgïe 2016-2017) zich tot ‘Uwe Majesteit, ministers van geluk van cultuur, van onderwijs, jongeren en minder jongen, jullie met sterretjes van verlangen in de ogen,’. Als het aan Vielle ligt, mogen uwe Majesteit en de ministers er voor zorgen dat de Mini Belgium Bordelio binnenkort aan alle jongeren in België aangeboden wordt.
Deelnemende dichters zijn Joke van Leeuwen, Luc Baba, Lotte Dodion, Youness Mernissi, Stijn Vranken, Lisette Lombé, Geert de Kockere, Gioia Kayaga, Seckou Ouloguem en L’ Ami Terrien.
Mijn Frans is niet goed genoeg om te kunnen zeggen hoe goed de vertalingen zijn, maar ‘het Vertalerscollectief van Passa Porta’ klinkt in ieder geval goed en ik houd wel genoeg van het Frans om met fascinatie en blos op de wangen de Franse vertalingen of originelen te lezen. Het lijkt me voor jeugd die open staat voor poëzie zeker een fijne manier om de taal te leren. Veel van de gedichten lijken bijzonder afgestemd op de jeugd, qua thematiek maar vaak ook qua toon die regelmatig flirt met rap en poetryslam. De multiculturele samenstelling zorgt voor een afwisselingsrijk geheel. Hoewel de thematiek zoals eerder genoemd genoeg variatie biedt, overheerst toch vooral een maatschapij-kritische toon. Die drang om in directe taal de eigen stem te verheffen om een punt te maken zal veel jongeren aanspreken en poëzie hiermee voor een grote doelgroep toegankelijk maken. Sommige gedichten zouden een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een groepsgesprek over hedendaagse heikele thema’s.  Zo schrijft Youness Mernissi

Vraag me niet naar mijn naam
Ik vind dat onaangenaam
Alsof ik mijn lichaam bloot had gegeven en mijn ziel
Maar jij alleen mijn besneden piemel bleef zien

Hoogtepunt voor mij is het openingsgedicht, van Joke van Leeuwen: 

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten
dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moederlek en
kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet op zoek, we denken ons een halte.

Al met al een speelse bundel voor een kleine prijs waarin tweetalig en toegankelijk voor een jeugdig publiek poëzie gevierd wordt.

***
Laurence Vielle  (samenstelling) (2017).Mini Belgium Bordelio, 10 auteurs belges – belgische auteurs. Poëziecentrum / Uitgeverij Maelström,  55 blz.  €3,00. De bundel is hier gratis online te lezen, en hier gratis te downloaden.

 

Gerrit Vennema, Woorden van het naseizoen

(door Hans Franse)

Op het omslag van deze sympathieke bundel  zien we de dichter wandelen op een zonovergoten plein, de schaduwen zijn lang, de kleur bruin overheerst. Het is een foto (van fotograaf Frederik Linck) genomen in een zonnige late herfst: het seizoen waarin de zomer verdwijnt en de melancholie om wat weer een zomer was toeneemt. In deze poëzie overheerst een bescheiden melancholie, gekoppeld aan een even bescheiden lyriek, waar geen woord te veel in staat. Vennema schreef en componeerde songs; deze gedichten zijn onmiskenbaar muzikaal en ritmisch.

Het gaat om een subtiele verklanking van afscheid, bezinning, en gemis door een dichter die:

scharrelt door de woorden
van het naseizoen.
Drinkt wat met de zon.
Zet de zinnen uit
in zijn gedachtenstad.

Het zijn korte gedichten, waarin vaak het gemis van een geliefde doorklinkt. Vennema reflecteert op zijn eigen bestaan, misschien op zijn eigen onmacht:

ONS KLEINE VERHAAL

…is ten einde,
dit hart weer vogelvrij,
ook al vliegt het vandaag nog niet van hier,
alle duistere vragen voorbij.

Aan een onbeschreven hemel:
een vrolijke voorjaarszon.
Op de platgetrapte aarde:
stukjes zin, her en der,
uit wat nooit echt begon.

Om gevoel voor deze bundel te krijgen lijkt citeren beter dan analyseren, om de weemoed zelf te ervaren:

OVERMAND

Op dezelfde of een soortgelijke zondag
-de zon tastte onzeker de dag af-

Bij een drankje en wat jazz
(niet meer dan verdienstelijk gebracht),

Kwam hij langzaam en tegen
zijn zin tot de ontdekking
dat ook het gemiddelde
bestaan der dingen
gewogen wil worden.

Veel later kon zijn geest
de slaap niet vatten:
ergens
stond nog een gedicht open.

Deze Haagse dichter  maakt lange avondwandelingen door zijn stad, waarvan hij zich afvraagt in het gedicht ‘Nocturne nr. zoveel’: ‘hoe eigen moet een stad zijn / om er eens te kunnen sterven’:

…Geboren in een huis
uit een voorbije eeuw
en lopend door de straten,
vernoemd naar overledenen,
ooit bekend, nooit gekend.

Nieuwe steigers, lantarens oude stijl…
Het spoor tot hier al bijster,
onder vers gevallen sneeuw.

Zal deze sleutel passen
op een veilig slot?

Of: hoe eigen moet een plek zijn
om er rustig te gaan slapen.

Uiteindelijk blijft het gemis en wordt de dichter vergeten:

Nog staan zijn zinnen hier op deze treden…
Maar mocht de tijd hen verder doen vervagen,
vervallen zijn conclusies weer tot vragen
de lezer achterlatend in het heden.

Een bundel van 44 bladzijden persoonlijke, weemoedige en fraaie poëzie. De dichter is bescheiden. Ik deel dan ook niet het motto:

-Heb ik alles zo gezegd,
         had ik beter gezwegen-

***
Gerrit Vennema (2017). Woorden van het naseizoen. Uitgave in eigen beheer  (gerritmusic@gmail.com), 46 blz. € 12,00

 

Tom Driesen, Vaderhanden

(door Eric van Loo)

Vaderhanden is de tweede bundel van Tom Driesen, die in 2010 debuteerde met het in eigen beheer uitgebrachte Pizzeriaromantiek. De bundel is uitgegeven op een vrij groot, nagenoeg vierkant formaat. De uitgave bevat naast de gedichten een aantal zwart-wit foto’s van zeer uiteenlopende grootte. De relatie tussen de tekst en de foto’s is niet altijd even duidelijk. Zo zien we tegenover de eerste bladzij van ‘Deel 2: Een meisje’ een paginavullende foto van een vader en een zoon, op een soort spoorwegemplacement. Onder de titel van ‘Deel 1: Vaderhanden’ staat een kleine, onduidelijke foto, vermoedelijk van een aantal opgestapelde kratten in een gang. Impliciet wordt naar de foto’s verwezen op het achterplat: “Deze dichtbundel heeft niet de bedoeling een verhaal te vertellen. Eerder is elk gedicht een foto in een plakboek waarmee u zelf een verhaal mag samenstellen.”
Het titelgedicht opent als volgt: ‘Dat God een man van klei en handen was / en ik die dacht dat God iets als mijn vader / (god de vader) was.’ De lezer wordt niet hoog aangeslagen: de niet al te originele gedachte uit de tweede regel wordt nog eens verduidelijkt door een uitleg tussen haakjes. Het gedicht zelf is inhoudelijk aangrijpend, en vertelt over de handen van een vader, die eerst alles leken te kunnen, vervolgens handtastelijk bleken en daarna als witte handen dood op een laken lagen. Tot slot vraagt de dichter zich af, hoe zijn kind later terug zal kijken op zijn eigen schrijvershanden. Qua vorm is het ondanks de smalle lay-out grotendeels een prozagedicht, waarbij de regeleindes door de bladspiegel worden bepaald, meer dan door poëtische overwegingen.
Verspreid over de verschillende bladzijden staan mooie regels: “Wijn is gewoon sap, zegt ze / waar te lang over is nagedacht.” “Haar teller telde naar oneindig af / maar ze danste.” In zijn toelichting zegt de dichter, dat de gedichten in Vaderhanden met een half been op het podium staan: “Ze vragen om voorgedragen te worden. Dat doe ik dan ook graag en veelvuldig.” Onlangs wees Herbert Mouwen er in een recensie op Meander nog eens op, dat het uitbrengen van slamgedichten in een bundel niet altijd goed uitpakt. De lezer heeft vergeleken met de luisteraar in de zaal meer tijd om de woorden op zich in te laten werken. Naar mijn idee zijn een aantal teksten in deze bundel onvoldoende bijgeschaafd. Er wordt veel herhaald en uitgelegd, en vaak weinig aan de verbeelding overgelaten.
Het slotgedicht, ‘Epiloog: Poetry is a game’ is in een aanstekelijk mengsel van poëzie en computerjargon geschreven, en schreeuwt om te worden voorgedragen: “Wij waren bro’s als super mario / space invaders, sonic schreven we onze final fantasy / op de muren van simcity het leek wel een fable.”

***
Tom Driesen (2017). Vaderhanden. De Scriptomanen, 54 blz. € 17,00

 

Willem Tjebbe Oostenbrink, Zolt en Stof

(door Hans Puper)

Zolt en Stof is de tweede bundel van Willem Tjebbe Oostenbrink, geschreven in het Westerkwartiers, een van de varianten van het Gronings – een woordenlijst is achterin de bundel opgenomen. Het Gronings zelf behoort weer tot het Nedersaksisch, de streektaal die zowel in Nederland als Duitsland wordt gesproken. Zo’n variant kan ontstaan door een waterscheiding, zoals blijkt uit het aanstekelijke ‘Reitdiep’. Het gaat hier met name om de uitspraak van de klinkers; inhoudelijk zien we in het klein wat ook in groter verband veel ellende veroorzaakt: het ‘wij en zij-denken’. De eerste twee strofen:

Anerkaant diep,
moeten  jim goed wieten,
proaten ze overdijps.
Ales is geef mor niet te geef
doar op het Hogelaand.

Anerkaant daip,
mouten ie goud waiten,
proaten ze overdaips.
t Is haalf stront, haalf regenwotter
Doar ien t Westerkertaaier.

(De Westerkwartierders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Het zijn krenten’. De Hogelanders: ‘Aan de overkant praten ze Overdieps, dat moet je goed snappen. Ze deugen nergens voor.’)

Oostenbrink schrijft strofische gedichten: anekdoten, bespiegelingen en natuurbeschrijvingen. Hij heeft veel aandacht voor de tijdbeleving: van tijdloosheid, het onvermogen greep te krijgen op het verleden, de fictie van kalendertijd, de cycli in de natuur. Schrijnend is het perspectief van vluchtelingen dat hij beschrijft in de reeks ‘Verwachteng ien Wenk en Bewegeng’: ‘Toekomst leit veur ons / n wond die mor min helen wil.’ De tijd kan ook stilstaan. Indrukwekkend is ‘Schetsen uut de tied van de dood’, een reeks van vijf gedichten over een jong meisje dat dodelijk verongelukt. Het eerste gedicht, ‘Iezer’ (‘IJzer’) is geschreven vanuit het perspectief van de automobilist die haar aanrijdt: ’n Kruuspunt doemde op, / k heurde op e stienen / krassen van metoal as iezers van / n peerd dat zien galop òfbroken viendt.’ In het tweede gedicht, ‘Kees’ (‘Kaas’), komen staal en steen op een huiveringwekkende manier terug.

Zachter as stien
en stoal, ok
veul teerder.

n Mier onder n stevel.                                                 (stevel: laars)

Veur de leste keer leit ze
ien heur bedje, woar aans?                                       (aans: anders)

Heur tandjes stoan nog
ien e kees, ik ben n muus                                           (muus: muis)
zee ze vanmörgen.

Nooit meer
zeit heur hondje
woef woef.

En mörgen zel t weer
as vandoag wezen.

Een zeldzaam teder en wanhopig gedicht. Neem die laatste twee regels: het verdriet om een verloren kind neemt niet af, die verzuchting dat het morgen weer hetzelfde zal zijn, geldt voortaan voor elke nieuwe dag. Dat is verstening van de tijd. Gruwelijk.

Oostenbrink ontving in Duitsland de Borslaprijs en de Johann Friedrich Dirksprijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. Terecht, lijkt me.

***
Willem Tjebbe Oostenbrink (2017). Zolt en Stof. Uitgeverij Vliedorp, 96 blz. 14,95

Recensie van Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015 - Jan Dullemond

De apologie van een recensent

Jan Dullemond
Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519184
€ 19,50
179 blz.

In de nieuwe biografie van Louis Couperus ‘Couperus een leven’ van Rémon van Gemeren gaat de schrijver buitengewoon uitvoerig in op de poëzie van deze grote romanschrijver. De poëzie is, ook voor Couperus zelf, als mislukt te beschouwen. Geprezen worden de rijkdom aan woord en de sierlijkheid, soms gekunsteldheid van de taal, maar er is iets dat er niet is. Lodewijk van Deijssel kraakt, zoals alleen van Deijssel dat kan, de poëzie. Laten we het eigentijds zeggen: er was geen emotionele klik. Het lyrisch moment dat van een taalbouwsel een gedicht maakt, was er niet. De persoonlijke emotie van de schrijver ontbrak, terwijl de Tachtigers bezig waren met de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Meerdere recensenten kraken de poëzie van Couperus af op vaak niet mis te verstane en zelfs grove wijze, daarbij vaak op de man spelend.

Toen ik de bundel van Jan Dullemond las, had ik in eerste instantie hetzelfde. Ik miste de klik van het lyrisch moment. Nu lees ik een bundel altijd eerst vluchtig door, probeer de smaak te proeven, kijk naar de vormen. Ik was niet enthousiast, de poëzie leek zelfs wat houterig. Maar, en vandaar de titel van deze recensie, ik vind dat een recensent niet is ingehuurd om het werk van een dichter met de grond gelijk te maken. De argumenten van de beoordelaar zijn vaak persoonlijk; ze zijn net zo lang als ze breed zijn. Bovendien: er ligt een werk voor me dat een schrijfperiode beslaat van 20 jaar: het gaat de kant uit van een verzamelbundel, waarin het beste van de dichter te vinden is. Ik neem aan dat de zwakke punten er dan zijn uitgehaald. Ik was niet tevreden met mijn eerste, oppervlakkige oordeel. Om de dichter recht te doen heb ik de bundel nog driemaal herlezen, steeds zorgvuldiger, aanstrepend wat  ik  van belang vond.

Hoe zit de bundel in elkaar?  ‘Om tijd te winnen’, zegt de begeleidende tekst, ‘heeft de vorm van een labyrint. In de loop van twintig jaar schrijven groeide dit labyrint naar zijn vorm, elk gedicht en elke cyclus voegt een ruimte toe om in rond te kijken, of een complex van ruimtes, gangen en trappenhuizen’.
Voor mij is een labyrint niet iets positiefs, een plaats waar het moeilijk is om de weg te vinden, je verdwaalt hopeloos. Geen plek om aangenaam te verblijven: het labyrint van koning Minos huisvestte een minotaurus, een mystiek dier dat mensen verslond. Toen Theseus zich erin waagde nam hij een gouden draad mee, hem gegeven door Ariadne opdat hij de uitgang terug kon vinden om in veiligheid te raken. De dichter was veel op Kreta, hij bezocht het labyrint dat hem kennelijk een ander  gevoel geeft. Hij  kent zijn klassieken. (Op p. 153 staat bijvoorbeeld in Griekse karakters een Homeruscitaat bij het gedicht ‘Oplettend pak ik de lente en maak het open’. Het woord ‘het’ verwijst naar ‘de lente’).

‘Beter dan water’ is een eerste ruimte om rond te kijken. Een ander rustpunt noemt de dichter ‘Het ei van Brancusi’. In dit deel van het labyrint bezoekt hij het beeldenpark Middelheim in Antwerpen  en schrijft over de kunstenaars en kunstwerken die hem inspireren. Daarna komt dit ei van Brancusi (‘In dit ei groeit een lied, geen embryo / een liefdeslied dat doorklinkt als hij zwijgt’) nog vier keer voor in de afdeling ‘Rondzingend werk’, waarin we nog eens verwijlen in de Antwerpse beeldentuin. Vraag van mijn kant is of dit de bouw van het ‘labyrint’ niet wat rommelig maakt. In ‘De tijd na de oerknal’ zijn we op reis en arriveren ter plekke in het labyrint: Griekenland en Kreta bieden ons uitzichten

Jan Dullemond was psychiatrisch verpleger. Er ligt onmiskenbaar een sterke sociale lading in sommige gedichten. In zijn ‘Prehistorisch’ bijvoorbeeld (p. 22) schetst hij een gevoelig beeld van een patiënt: ‘Weet ze wat gebeurd is, waarom ze weer/ opgesloten is voor de nacht?/ Haar rapport vermeldt niet meer / dan het feit….’. Een ander gestoord mens is wit geschminkt : ’Hij diagnosticeert zichzelf als clown… / De clown weigert de neuroleptica / die ik hem aanbied en smeekt om lachgas’. De dichter is op zijn best als hij vertelt over Griekse gezinnen, zijn hardlopende collega Ron Theunissen min of meer huldigt, of de Dordtse schrijver/dichter Jan Eijkelboom herdenkt.

Beiden zijn we verhuisd vandaag,
hij woonde bij de Oude,
ik nu aan de Nieuwe Maas.
Anders kan ik het water niet benoemen.

Jan Eijkelboom is teruggevallen
in de stroom die hij benoemde.
De zon die met zacht licht ondergaat
zal ook vandaag niet blijvend zijn,

Hij moet een man van de rivieren zijn en houdt van kunst. Een aantal kunstenaars passeert de revue, of moet ik zeggen ‘t labyrint, waaronder de beeldhouwers uit Middelheim en Rembrandt en Saskia.

Ik vind de poëzie over het algemeen weinig speels en muzikaal. Een enkele keer speelt de dichter met zijn taal: er is een verrassend gedicht dat mij zelfs aan Paul van Ostaijen deed denken (p. 36) door de herhalingen. Er zijn ook weinig verbeeldingen en metaforen in de teksten te vinden. Gedichten zijn vaak vertellingen waarin namen en feiten worden gebruikt; niet vanwege de poëtische, maar de ‘echte’ werkelijkheid. Soms gebeurt er onverwacht iets, is er ineens een Spaanse ruimte in een ‘Suite: Winter in Andalucia’, waarin de sfeer van de gedichten zo anders is, lichter, bijna witte poëzie, afwijkend van vorm, speels en klankrijk.

ARCHITECTUUR         VAN         ANDALUCIA

het                                                       het
balkon                                          portiek   
tegen                                                naar
de                                                         de
gevel                                              straat       

is                                                     neemt     
slechts                                                 mij
een                                                 ernstig
knipoog                                                 op

Het is jammer, dat de dichter zo weinig van deze lichtheid laat zien in de rest van de poëzie. Af en toe speelt de tijd een rol in de gedichten, maar het is niet echt een thema.

Als samenvatting na herhaaldelijk lezen van en mij verdiepen in de tekst: de bundel bevat integere poëzie, vooral daar waar mensen een rol spelen. De poëzie vertelt, er is weinig beeldende lyriek bij: de vertellingen zijn wat recht toe recht aan, soms zelfs aan de droge kant verwoord. Ik mis daarbij het lyrische moment. Wat ik wel opmerk is een menselijk gevoel dat als het ware op de achtergrond meespeelt, het is sterk ingehouden, er zijn momenten dat het even doorbreekt. De bundel bevat ook veel reispoëzie; de dichter houdt van Spanje en Griekenland en van kunst en kunstenaars. Hij woonde zelfs acht maanden op Kreta om het Millennium te ontlopen, zoals hij zelf stelt. De invloed van dat verblijf op de poëzie, die van mensen, gezinnen, families en gemeenschappen vertelt, is te merken. Wellicht ontstond ook daar het idee van het labyrint, een woord dat bij de dichter en de recensent verschillende associaties oproept.

***
Jan Dullemond werd in 1952 geboren te Rotterdam. Hij volgde  een opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige die hij in 1980 voltooide. Hij publiceerde o.a. in Passionate en de Tweede Ronde, gaf werk uit in eigen beheer en deed een samenwerkingsproject met fotograaf Saskia Risseeuw. Later studeerde hij Engelse taal- en letterkunde aan de UvA, waar hij geobsedeerd werd door het begrip ‘tijd’. Hij studeerde in 1992 af op het veranderend renaissancistisch tijdsbeeld in het werk van William Shakespeare.