Recensie van schering en inslag - Dennis Gaens

Psychologie van de chaos

Dennis Gaens
schering en inslag
Uitgever: Van Gennep
2013
ISBN 9789461641755
€ 16,90
64 blz.

‘Dennis Gaens, niet bekend van tv maar wel heel goed’, zo wordt op de achterflap van schering en inslag de tweede bundel van Dennis Gaens aangeprezen.
Behalve het feit dat ik mij wel enigszins kan vinden in deze regel, citeer ik hem ook vanwege de associatie met de tv. Dennis Gaens schrijft poëzie die iets filmisch heeft, zowel in de beeldspraak als in de dialogen die sommige gedichten bevatten. Het zou zomaar kunnen dat deze teksten worden uitgesproken op een podium of in een film, stel ik mij voor. Maar dan wel in een film waarin van alles fout loopt, tot een storing (chaos) toe.
De bundel zelf evenwel is helder als een symfonie gecomponeerd en bestaat uit vier afdelingen: ‘draad’, ‘schering’, ‘inslag’ en ‘stof’.

In de vijf gedichten van het eerste deel worden de hoofdrolspelers aan ons voorgesteld: vier ervan hebben een naam als titel. Het allereerste gedicht heeft geen naam als titel, maar kan misschien doorgaan voor een zeer beknopt zelfportret:

HET IS DIT OF DOODGAAN

We komen namen halen.
Niet dat we onze ouders haten – we zijn
hooguit verongelijkt over onze vaders.

Onze aanval volgt op bevel van helemaal
beneden. Als u nog elektriciteit heeft
hebben we uw stad nog niet aangedaan.

We zoeken iets om op in te steken en uit te barsten.

Als we niet zo verdomd verstrooid zouden zijn,
waren we er al geweest.

Een nieuwe generatie kondigt zich aan en wil het gaan maken: ze komen namen halen. Maar ze krijgen wat ze willen niet op een presenteerblaadje en moeten er iets voor doen. En bovendien: het is dit of doodgaan. Als je geen naam haalt, heeft het leven weinig betekenis (mag het letterlijk geen naam hebben), en ben je dus eigenlijk al zo goed als dood.

Dennis Gaens heeft iets met namen. In zijn eerste bundel ik en mijn mensen zei hij er ook al iets over. Misschien omdat hij een dichter is? Voor een dichter is een naam een soort gereedschap. Zonder naam kan hij niets. En ook een dichter zoekt iets of iemand (een lezer) om op in te steken en uit te barsten. Maar terug naar het gedicht: de laatste strofe lijkt al vooruit te lopen op de plot van de bundel. Een groepje van vijf zeer verschillende jonge mensen, waaronder de ik-persoon, wil maar niet (h)echt een band vormen. De ik-persoon probeert de boel wel bij elkaar te houden, maar zijn pogingen lijken gedoemd om te falen. En als een van hen (een zekere Luuk, wiens naam niet voor niets associeert met geluk) weggaat, heeft dat niet alleen een grote impact op de anderen, maar spat de boel ook een beetje uiteen en verzandt uiteindelijk in een nostalgisch terugblikken en beseffen dat alles – jeugd en leven – voorbijgaat (vrije maar niet onmogelijke interpretatie van mij).

In een film zit altijd een plot, een wending. En die zit bij deze bundel, zoals we door de naamgeving van de afdelingen kunnen verwachten, in het derde deel. Dit gedicht heeft er ook iets mee te maken:

DAT DING HEET NIET VOOR NIKS DE EINDER

De enige jongen die ooit dichtbij kwam,
vertelde Lotte dat ze onregelmatig ademt
als ze slaapt.

Ik vroeg haar of ze hem weleens mist.
Ze zei dat dit niet meer was dan punten
die ten opzichte van elkaar zijn verschoven:

‘Alles wat dichtbij ligt lijkt sneller te gaan.
Het wordt trager naarmate je verder gaat,
totdat het langzaam aan de horizon raakt
waar alles stilstaat.’

Ze zei dat hij, met hoe ver hij was gegaan,
inmiddels zo goed als dood moest zijn.

Lotte – weer een naam die associaties oproept – is geen gemakkelijk meisje: ergens anders in de bundel vertelt de dichter dat ‘het in haar hoofd een hel is’ en ‘dat ze mensen liever niet aanraakt’. Gelukkig maar, zou ik haast zeggen. Het aanraken van Lotte – of eigenlijk het bijna aanraken van haar, door dichtbij te zijn – blijkt hier letterlijk noodlottig.
Een fraai gedicht. In de laatste strofe kan de tekst zowel letterlijk als overdrachtelijk worden opgevat. En wat dat betreft: wie wenst er niet iemand weleens dood die te ver is gegaan? Een gedicht eerder gaat het zo:

VOORDAT DINSDAG

Het is bekend dat er zo’n zeven redenen waren waarom hij is vertrokken.
Niemand kan ze alle zeven noemen, maar iedereen herinnert zich de week
waarin elke avond Luuks laatste kon zijn.

Alle meisjes op Lotte na huilden, Dani het hardst. Dave keek steeds een
andere kant op, ik dronk en probeerde te verdwijnen.

          Toen werd het ongemakkelijk, omdat iemand iets gezegd had dat
          Luuk voor het eerst in zijn leven deed zwijgen. Niemand weet wat,
          maar iedereen denkt dat het Lotte was.

Voor de rest verliep elke avond volgens een vast ritueel. Elke middag daarop
zou Luuk ons weer bellen om te vertellen dat hij dan nu echt zou vertrekken.
Pas een week later was hij echt weg.

Er was een envelop met mijn naam erop, in zijn hanenpoten stond er dat ik
reden nummer zeven was en ‘je weet wel waarom’.

Over Luuks zeven redenen en dagen kunnen we lang nadenken, maar de taal zelf lijkt hier weinig uitleg nodig te hebben.
Toch zitten er meer subtiliteiten in dit gedicht dan men na een eerste lezing zou verwachten. Wie de rest van de bundel kent, weet dat Dave er moeite mee heeft om een besluit te nemen (vgl. bijvoorbeeld zijn aarzelen bij de Waalbrug), en kijk eens hier: hij weet niets beters te doen dan steeds een andere kant op te kijken. Dani – die later in een (psychiatrische?) kliniek terecht komt en vermoedelijk de meest afhankelijke persoonlijkheid is – huilt het hardst. En de ik figuur drinkt en probeert te verdwijnen; iets wat hem als schepper-schrijver van de bundel aardig lukt door op elke pagina alomtegenwoordig, naamloos en (dus) min of meer onzichtbaar te zijn. Hoewel hij zich natuurlijk wel profileert door af en toe een karakteristieke zinsnede in te lassen. Maar wie zich daar blind op staart, dreigt de gang van het verhaal uit het oog te verliezen. Ongeveer zoals men de plek van een kwantumdeeltje vaststelt door die te meten, maar dan de kennis over zijn energetische eigenschappen verliest.

Kwantummechanische trekjes heeft ook dit gedicht, dat ik uit de afdeling ‘schering’ als laatste wil citeren:

ALS JE MAAR VAAK GENOEG SCHIET, RAAK JE WEL IETS

Op de meeste foto’s van ons vijven verdwijnt er een arm net langs de lens,
met achter ons een of ander evenement: niemand schiet platen op normale
dagen. We doen iets met onze haren, dragen onze beste kleren en staan in
poses die we van bandfoto’s hebben afgekeken: twee kijken vooruit, een naar
rechts, weer twee naar beneden. We schoten alles analoog, raakten zelden
wat we zochten.

Ik bewaar de mislukte afdrukken: waarop we vage vlekken zijn, waarop alles
over- of onderbelicht is, waarop niks vastligt. Het zijn foto’s waarvan we
slechts kunnen vermoeden wat het precies was dat we onderbraken om ze te
maken.

Ontwikkelen vergt een donkere kamer en de juiste chemicaliën.

Waarom schieten we ook geen platen op normale dagen! Het gezochte, dat misschien tóch samenvalt met het normale en natuurlijke, blijkt in elk geval voor deze groep (die zoals ik al eerder opmerkte alleen maar een band nadoet en er niet in slaagt er (h)echt een te vormen ) moeilijk te vinden. Wat dit gedicht nog extra interessant maakt is dat het ook over andere zaken lijkt te kunnen gaan. Wat is het dat we willen zeggen? Raakt onze taal dat wel? Hoeveel ervan ligt in onze woorden vast? Het is in elk geval te hopen dat zich in de donkere kamer van onze hersenen de juiste chemicaliën bevinden, zal ik maar zeggen… Juist.

Dat ik bij deze bundel over kwantumdeeltjes begon kan geen toeval wezen. De logica van de schrijver die een filosofische inslag heeft, werkt aanstekelijk en is absoluut een van de charmes van deze gedichten. Als een zwerm elementaire deeltjes ‘scheren’ de hoofdpersonen in een vreemd cyclotron langs elkaar heen, tot met één ‘inslag’ alles anders wordt. Maar het is geen koude natuurkunde die hier beschreven en bedreven wordt: het gaat over heel menselijke zaken. Aan de basis van deze teksten ligt eigenlijk de oeroude, maar nog steeds actuele vraag ten grondslag hoe dicht mensen elkaar kunnen naderen. Mensen die zichzelf bevestigd willen zien en hun eenzaamheid vergeten.

***
Dennis Gaens (1982) publiceerde eerder de voor de C. Buddingh’-prijs genomineerde bundel ik en mijn mensen (2010). Hij is voormalig stadsdichter van Nijmegen, redacteur en producent bij Literair Productiehuis Wintertuin, medeoprichter van literairzine Kutgitaar, docent creative writing aan de Artez Hogeschool voor de kunst.

Recensie van Ik en mijn mensen - Dennis Gaens

Hiphop-Beatgeneratiepoëzie met Rilkeverwijzingen

Dennis Gaens
Ik en mijn mensen
Uitgever: Van Gennep ,Van Gennep
2010
ISBN 9789055155759
€ 16,00
67 blz.

Ik blijf mij verbazen over de grote hoeveelheid poëzie die er op dit moment in Nederland uitgegeven wordt. Het aantal poëzieschrijvers overtreft verre het aantal poëzielezers. De markt lijkt overspoeld. Toch weerhoudt dat uitgevers er niet van om poëziebundels uit te blijven geven.
Een blik op het verleden leert dat het met de houdbaarheid van het leeuwendeel van die bundels slecht gesteld is. Naarmate de tijd vordert, blijft er minder van over. Totdat uiteindelijk, om redenen die ze ook in de literatuurwetenschap niet hebben weten te doorgronden, er een enkele naam en een enkel gedicht resteert.
De dichter Jos Versteegen merkte in een interview in Meander (31 mei 2008) terecht op: ‘Het maken van een gedicht is een behoorlijke klus. Al die moeite, al die zorg die in zo’n tekst gaat zitten, wil ik besteden aan iets echts, iets ontroerends, iets dat wezenlijk met mijn leven te maken heeft.’ Het zou mooi zijn als meer dichters en uitgevers er zo over dachten.
Bij de bundel Ik en mijn mensen van Dennis Gaens mis ik dat gevoel. Qua schrijfstijl is het geen slecht boek, maar er zit te weinig poëzie in. Bovendien vraag ik mij af of deze bundel wel wezenlijk genoeg is.

De achterflaptekst lijkt mij voor een ander, niet verschenen boek geschreven te zijn. Hij doet meer slecht dan goed. Zo staat er: ‘Gaens is geworteld in de skate- en hiphopcultuur. … als vanzelf nemen hij en zijn posse bezit van de stad.’
Maar de inhoud bevat weinig elementen van de skate- of hiphopcultuur. Er zitten geen spitsvondige, rijmende zinnen in die je samen met je posse tijdens een battle elkaar toe kunt roepen. Daarvoor kun je beter bij Fresku zijn, die laatst in de NRC uitgeroepen werd tot de onbetwiste erfgenaam van Martinus Nijhoff (‘Nieuwe Awater’, NRC Handelsblad, 17 november 2010.)
Verderop in de achterflaptekst staat geschreven dat ‘Gaens het levensgevoel van de beatgeneratie [vertaalt] naar de 21e eeuw.’ Omdat de beats (waar ik toevallig veel van afweet) en de hiphopcultuur weinig met elkaar gemeen hebben, ontstaat bij mij de indruk dat ik vlees noch vis voor de kiezen zal krijgen. In de inhoud lees ik ook weinig van de beats terug.
Wanneer er dan nog staat dat ‘als je even niet oplet, [je] zomaar een verwijzing naar Rilke [kunt] missen’, begint het mij echt te duizelen. De beatgeneratie werd gevormd door blanke jongemannen uit Amerika, vaak met een hoge opleiding en een grote belezenheid, die op zoek waren naar de verruiming van het bewustzijn en zich bezighielden met Oosterse religies en levensfilosofieën. Dit wordt gecombineerd met het groepsgevoel en de typisch masculiene slang van de hiphopcultuur, en dat vervolgens gelardeerd met Rilke-verwijzingen. Ik zou, al was het alleen maar uit pure nieuwsgierigheid, graag eens zo’n tekst willen lezen!

Wat je wel krijgt, is niet mijn ding. Ik kan het geen poëzie noemen omdat ik teveel poëtische stijlmiddelen mis. Zo wordt er weinig gebruik gemaakt van muzikale taalmiddelen als rijm, metrum, herhaling en woordklank. De teksten zijn korte observaties ondersteund door cryptische beschrijvingen. Er is hoogstwaarschijnlijk over nagedacht (aldus de achterflap, maar die geloof ik niet meer) en de beschrijvingen zullen coherent zijn, maar ze nodigen mij nergens uit om ze te gaan lezen. Ze prikkelen mij bovendien te weinig om met de teksten mee te gaan of om mijn verstand en verbeelding in te zetten om de cryptische beschrijvingen te doorgronden.
In plaats daarvan ploeg ik bladzijde na bladzijde door de teksten heen op zoek naar leuke zinsneden en geslaagde gedichten. Her en der kom ik wel een leuk beschreven observatie tegen, maar nergens wordt het meer dan dat. Pas op bladzijde vierenveertig kom ik het eerste goede gedicht tegen:

Lamento voor de meisjes die mijn straat hebben verlaten

I
De meisjes die het meest van alles
op dieren leken, doen het nu met
kunstenaars en wonen op boten of
in zolderkamers, die ze ‘ateliers’ noemen.

De mooiste meisjes gingen, kwamen
terug en trouwden met Harry, Henk of
Leo, namen een labrador en kregen
om de haverklap kinderen die op voetbal
of ballet moesten.

Ze lieten alleen de plekken achter waar
we zaten en zoenden; de speeltuin,
het fietsenrek en de overkapping bij
de parkeerplaats. De telefooncellen
zijn al jaren geleden weggehaald.

Er zit herhaling in, alliteratie, en het heeft een zekere cadans. Wel vind ik de nostalgische tendens jammer, waardoor het eigenlijk te ouwelijk is voor iemand geboren in 1982. Zo iemand heeft vast spannendere en betere dingen meegemaakt, of droomt van nog grootsere zaken. Helaas zijn die niet in deze bundel terechtgekomen.
Tegen het einde vind ik de tweede en laatste goede tekst, getiteld: ‘het is druk, hier in de ontwenningskliniek’. Ook dat is een uitgesponnen observatie maar, verrassend genoeg, met een einde dat je weet te raken.

Wat je krijgt als je deze bundel leest, is veel van hetzelfde. Het zijn observaties, al dan niet nostalgisch, van een blanke jongen uit de Nederlandse middenklasse die vaardige prozateksten weet te schrijven, maar van wie je meer zou mogen verwachten. Hij heeft duidelijk veel over de teksten nagedacht. Desondanks schrijft hij bij tijd en wijle met een bombast die de tenen kromt.
Om een handvol leuke observaties en twee geslaagde gedichten tot bundel te maken, ik had het niet gedaan. Dennis Gaens en Uitgeverij Van Gennep wel.

De keuze van Frouke Arns

Dennis Gaens

DEZE REGELS

Ik had niet verwacht jou hier aan te treffen, maar: gezellig, wees welkom.
Drinken staat in de koelkast, bier ligt in de groentela. Daar is de doos met foto’s.
Je bandjes heb ik ook nog ergens, maar het ontbreekt hier aan een manier om ze
af te spelen.

Zaten we vroeger niet dichter op elkaar? In auto’s van ouders onderweg naar iets
anders? Ik herinner me dat we veel hebben gepraat. Over later, over nu.

Er was die keer dat we Sebastiaan in de greppel langs het park hebben gegooid.
Er lagen stenen in. Sebastiaan had vel los hangen in zijn gezicht. Het zag er
niet uit. We dronken veel.

Is dat park er nog?

Hoe dan ook. De dingen lopen.
Je wil niet vechten, maar je moet.

Je moet of je verdwijnt.

Gedichten

bezet gebied

onze benen over de rand van het perron geklemd
kijken we langs het spoor dat van elke bestemming
een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt

kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede
van steden die als kralen aan het spoor
worden geregen totdat de knoop compleet is

komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton
spiegels voor wolkenkrabbers en kranen
een enkele helikopter en een blauwdruk voor later

leven in steden gegijzeld door morgen
elke bouwgrond bezet gebied
prikkeldraad de rode lijn

lopen over ruitjespapier en rijden over
steeds nog niet gesleten asfalt
eeuwig onslijtbaar asfalt

en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron
zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn
en praten van bestemming
 

de overburen leunen

de overburen leunen langzaam
mijn studentenkamer naar binnen
elke avond iets verder voorover

het fatsoen om verrekijkers of telescopen
te gebruiken is hen vreemd

ze rennen tegen de ruiten
totdat de muren zich uitrekken
richting mijn raam
– zelfs hun kat klauwt mee –
hun ogen op groot
en een bouwlamp in de aanslag

in hun badjassen rennen ze
met hun oren hard tegen het glas gedrukt
soms rennen ze zo hard
dat ze hun gezichten pletten
en ik me afvraag of ze er blijvende schade
aan overhouden

niet lang meer
dan slaat hun adem
condens op de buitenkant
van mijn raam

ik moet gordijnen kopen
en een baksteen klaarleggen
 

veertig graden

als we de kou hierbinnen
de ruimte geven
en onze koorts buiten
op straat laten spelen

ons zweet tussen
de groeven van klinkers
en door blaren in het asfalt
omhoog laten komen
de straat overstromen

lantaarnpalen laten smelten
dwars over de weg alleen
de stoep begaanbaar houden

met onze ruggengraat
door drempels breken
het bestemmingsplan
laten getuigen van
de onrust in onze botten

als we onze koorts
in straten laten razen
zijn we 38, 39, 40
dichterbij de zon