December 2015

Poëzie kort

 

Nicole Teunissen, En als je dan

 En als je dan is het debuut van Nicole Teunissen. Op het eerste gezicht doet hij luchtig aan: speels, humoristisch, gevarieerd. Ze relativeert daarmee de elementen die een hoofdrol spelen: het besef van vergankelijkheid, de dood, verloren liefdes en een enkele keer een schijn van doodsverlangen. De bundel bevat gedichten en daarnaast zeer korte verhalen of, zo je wilt, prozagedichten: ze staan in een dichtbundel en daarom lees je ze in ieder geval zeer aandachtig. De dichter hanteert daarin regelmatig een vermakelijke logica waar geen speld tussen te krijgen is. Zo vertelt ze wat haar juf in haar laatste kleuterrapport schreef: “ ‘Ze kan lezen en schrijven’. Het klonk alsof ik dat niet mocht lezen, maar ook weer wel, omdat er stond dat ik dat kon en dat was ook zo, maar ze schreef het niet aan mij en dat hoefde ook niet, want ik wist het al.”

 Het gedicht ‘Ik zal nog eens ergens een punt achter zetten’ is representatief voor haar werkwijze:

Ik kwam niet meer buiten. Omdat alles troebel was,
waren komma’s kikkervisjes en het ging toch al meer
over sloten dan over wat ik besloten had.

Iemand die niet wist dat ik op een flat woonde,
deed mij een boek over vijvers cadeau.
Er stond in hoe je een natuurlijke omgeving
kon scheppen. In het drassige gebied tussen
beschermd en bedreigd voelde dat natuurlijk
heel anders.

Aan de hand van bepaalde bronnen bepaalde ik
dat niet gescheiden, niet alleen
voor land en water steeds de beste optie was,
zodat je ten slotte opnieuw kon beginnen

De titel kun je lezen als een verzuchting of een boze uitroep: ‘Ik zal nog eens een keer zo gek zijn om een eind te maken aan mijn relatie, wat een ellende.’ Of: ‘Ik zal opnieuw ergens mee stoppen.’ Of: ‘Het zal er wel eens van komen dat ik …’. Maar het kan ook een technische overweging zijn: de laatste regel van het gedicht kan misschien ook nog wel een punt gebruiken.
Ze speelt met water: tranen maken dat komma’s eruitzien als kikkervisjes, sloten zijn grote hoeveelheden tranen, er zijn vijvers en bronnen, er is drassig gebied en water.

Mooi allemaal, maar ze gaat over het randje met: ‘het ging toch al meer / over sloten dan over wat ik besloten had.’ Ze laat zich te vaak verleiden tot taalspelletjes; op een gegeven moment zijn die uitgewerkt. Een paar voorbeelden: ‘( … ) Toch is er geen grond voor / angst, wij staan erop.’ ‘ik zou vooral bang geweest zijn, ben ik bang’. En, in het gedicht met de titel ‘Spreekstaljuffrouw’, waarin een ‘jij’ besluit met de ‘ik’ mee te gaan: ‘Je hebt het hele circus je rug toegekeerd. ( … ) Ik heb je uit de tent gelokt. ( … ) ‘En je zegt: ‘Ironisch dat mijn maag / vandaag besluit om acrobaat te worden.’ ( … ) Je trekt je jas uit en zegt: ‘Ach, wij hebben allen zaagsel in ons hoofd.’ ’

Het zij haar vergeven. Teunissen heeft de beschikking over een groot taalregister, dat zij met een aanstekelijk plezier hanteert. Ik kijk uit naar haar volgende bundels.

Nicole Teunissen (2015). En als je dan. Voetnoot, 47 blz. € 16,-

 

Martín Gambarotta, Punctum

Martín Gambarotta zet in zijn bundel Punctum hoog in. De flaptekst: ‘Corruptie, economische ongelijkheid en een vuile oorlog die zo snel mogelijk moet worden vergeten: Martín Gambarotta schetst in negenendertig fragmenten een rauw beeld van het Argentinië van na de dictatuur (1976 – 1983). In deze underground-klassieker van de Argentijnse literatuur zoekt hij op de ruïnes van de geschiedenis naar een taal die het verleden recht kan doen. Punctum is een mengsel van persoonlijke herinneringen, popliedjes en politieke leuzen dat de lezer een gebroken maatschappelijke spiegel voorhoudt.’
Die fragmenten noemt hij regelmatig scènes – het lijkt alsof er een film speelt op tv, er wordt in ieder geval regelmatig naar verwezen; soms is er niets meer te zien: het scherm is ‘besneeuwd’ en de geest ook. Een tv als oog op de wereld: tot de werkelijkheid dring je nauwelijks door. Alleen een nieuwe taal biedt die mogelijkheid; in Europa zagen we dezelfde behoefte na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De nood is hoog:

Drooglegging
in een bezopen land. Gelatineuze
vrede in een bankroet land.
Drooglegging in een bezopen land, naast het bed
de resten, de schubben op het bord, graten
in de keel, het vlies
dat de executiemachine bedekt
die werkt in een taal zonder ruggengraat.

Hoe ziet zo’n taal er dan uit? Die moet in ieder geval vuur aanwakkeren, licht geven in de duisternis. Het bliksemt en dondert vaak in de bundel: de taal en haar effect. De dichter laat in een ironische context terloops de naam Heraclitus vallen. Vuur is bij hem de oerenergie, waaruit alles voortkomt en ook weer terugkeert. Dat is de taal die Gambarotta zoekt.
Ook het bovenstaande gedicht krijgt met Heraclitus in het achterhoofd meer betekenis: edel is het vuur, onedel het water. Een bezopen land is een nat land.

Of de dichter slaagt in zijn pogingen laat hij in het midden. Terecht: laat de lezer dat maar bepalen, the proof of the pudding is the eating. Neem die bundel tot u; u zult dan tevens ervaren hoe natuurlijk de vertaling van Bodil Kok aandoet.

 Martín Gambarotta (2015). Punctum. Vert. Bodil Kok. Uitgeverij Perdu, ca. 120 blz. € 19,95

 

 Geert Jan Beeckman, Bloedgroepen

Beeckman is een van de vele dichters die schrijven over het verglijden van de tijd. Goede poëzie kan een middel zijn om dat te overwinnen, alleen met een goed gedicht kan er iets bewaard blijven ‘dat niet sterft op papier’, ‘voor de dichter / die zijn ziel ruilt voor wat eeuwigheid.’
Maar hoe doe je dat? Je hebt er in ieder geval woorden buiten ‘de gewone zegbaarheid’ voor nodig. Dat lukt vaak niet: de taal schiet tekort, het is een gebrekkig instrument – ook een veelbeschreven thema.

Het onzegbare kun je benaderen met symboliek. Beeckman maakt het de lezers daar niet te moeilijk mee, want de belangrijkste interne – dus zelfgeschapen – symbolen die hij gebruikt legt hij uit: ‘Een huis is een geheel van een mens / opgevat als wonen is de inboedel / van een oog een eigen dak boven het hoofd.’ Ook symboolwoorden als, ‘huid’ en ‘sneeuw’ en ‘straat’ – eenrichtingsverkeer met aan het einde de dood – zijn makkelijk op te maken uit het zinsverband. Hij gebruikt die symbolen echter zo vaak, dat ze hun werking verliezen en soms zelfs irritatie opwekken.
Datzelfde geldt voor het weglaten van leestekens zoals in het bovenstaande citaat. Dat is functioneel als een zin of strofe daardoor meerdere betekenissen krijgt of als de aandacht naar de taal zelf wordt getrokken – in verschillende gedichten gebeurt dat ook. In het bovenstaande citaat levert het echter alleen wat puzzelen op, een toegevoegde waarde heeft het niet. Dat gebeurt te vaak.
Daarnaast gebruikt Beeckman soms eigenaardige beelden: ‘En kijk je goed wij hebben de jaren / tot waar wij dan zijn met de ingang / van een deur die groeit uit ons lijf.’ Een ingang die uit je lijf groeit?

Jammer allemaal, want sommige gedichten zijn de moeite waard, zoals dat voor de schilder Schiele. Helaas zijn ze in de minderheid.

 ‘Endraum

 Voor Egon Schiele

Het is de vraag waar de ogen
de stem en het hart naartoe gaan
maar toch vooral de ogen

die blijven nauwer als iemand verdwijnt.
Het geloof zegt aan wit word je gelijk
het raam werpt zich van de overkant
en het wordt zo koud dat alle warmte afvalt.

Daar lig je dan zo oud als de stilte zelf
en soms of het lijkt dat er vol dood
nog gekeken wordt.’

 Geert Jan Beeckman (2015). Bloedgroepen. Uitgeverij P, 61 blz. € 16, –

 

Peter M. van der Linden, Brommers zongen onder spijkergoed

Het voorplat van de bundel Brommers zongen onder spijkergoed doet sterk denken aan de stoere, iconische foto op het voorplat van de ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer: Cremer zit op een Harley Davidson met pet, motorbril, leren handschoenen en het juiste spijkerjack (dat luistert heel nauw), Van der Linden op een wat lullige buikschuiver zonder Cremers attributen en in een spijkerjack van onduidelijke herkomst. Van der Linden is niet gespeend van zelfspot en dat pleit voor hem.
Hij noemt zich de officieuze stadsdichter van Dordrecht en doet daarmee denken aan die andere dichter met een officieuze functie: Jules Deelder, nachtburgemeester van Rotterdam. Ook hun passie voor voetbal delen zij: respectievelijk voor Sparta en F.C. Dordrecht.
Met die verwijzingen is niets mis, zolang je jezelf maar niet te serieus neemt en dat doet Van der Linden niet. De verwantschap met Cremer zie je in zijn bravoure en vrouwenverhalen. Een zweem van Deelders absurdisme ontbreekt ook niet: in ‘Kalm worden’ voert de dichter vogels, nodigt hij een mooi meisje uit en, om indruk op haar te maken, roept hij: ‘kijk knapperd al die dieren zijn mijn vrienden! // kijk daar vliegt Pietje de schele meeuw!’ Het meisje kan gevaarlijk zijn, niet alleen voor de vogels, maar ook voor de dichter. Ze heeft iets van een kat: ‘mocht het meisje een gevaarlijke gek met groene ogen zijn / die het op je hart heeft voorzien dan moet je schreeuwen // dat je Elvis zag drijven met een dooie paling in zijn bek / als ze dan nog blijft staan, dan is zij de ware.’
Ondanks de humor, het aantrekkelijke vitalisme en de variatie in de vorm is Brommers zongen onder spijkergoed geen sterke bundel. Er komen teveel zinnen in voor waarin hij het zich verstechnisch wel erg makkelijk maakt: ‘Op de ranke bank schreeuwt de licht getinte sprinter’ of: ‘Dordrecht heeft van verre een sterk kenmerk / en dat is natuurlijk de ongelooflijk Grote Kerk’. Dat is Sinterklaaspoëzie, hoe lollig ook bedoeld. En soms bestaat zijn humor uit hopeloze woordspelletjes. In een eerbetoon aan Buddingh’ – qua opzet heel aardig – geeft hij drie pagina’s lang mogelijkheden om de naam van Buddingh’ te behouden. Je zou die bijvoorbeeld kunnen verbinden aan ‘een But-dingh’ / dit is geen But-dingh’ dit is een Puddingh’ ’. Maar Van der Linden is ook een gewaardeerd slammer; op een podium komt dit soort poëzie waarschijnlijk beter tot zijn recht.

Ondanks de tekortkomingen is de bundel niet vervelend. Van der Linden mag dan de officieuze stadsdichter van Dordrecht zijn, maar hij stijgt wel boven zijn stad uit, waardoor de bundel ook in Leeuwarden, Maastricht of Antwerpen kan worden gelezen. Dat is een pluspunt.

Peter M. van der Linden (2015). Brommers zongen onder spijkergoed. Liverse, 78 blz. € 21,95

Gedichten

Er zijn geen, er komen geen, er waren geen,
er waren geen, nee, er zijn geen, er komen geen,
en er zouden geen als; er waren geen
er zijn geen, er komen geen, nee,
er waren, nooit, en er zijn geen, en er kunnen
geen, er zijn geen, en er mochten
geen, er zijn geen, er waren geen,
en er komen geen lijnfouten
in de schedel, de perfecte kromming
van het voorhoofdsbeen
er was geen, er is geen betere serie dan Kojak,
en geen masker concreter
dan deze laskap
om de snoeitijd te korten
van de neutrale nacht, er was geen
nacht, neutraal noch helder, er is geen hamer
neutraal noch zwaar, nee, die hamert,
de hamer bij de steel vat
om met de hamer te hameren
op het hout van de feiten, er was geen,
er is geen: Kojak verkocht zijn auto met lekke band
aan de jakhalzen, gaf schild en zwaard
aan de Griekse Kapitein, paupers dreigen
een kiosk in de fik te steken maar doen het niet;
er komen, Cadáver, geen echte
aardkleurige ochtenden
om de trekker over te halen, een moeizame,
gespannen trekker, die zich niet zomaar laat overhalen
tegen een of ander vijandig doel,
en er is geen, er was geen, en er kon geen
krijt zijn om de contouren af te krijten
van het slachtoffer dat voorover
op de harde grond is neergesmakt;
er komen geen houtskoollijnen
in de lucht,
lijnen van grove, ontplofte korrel,
zwarte lijnen die andere lijnen snijden, onder een schuine hoek,
en zich door lijnen slingeren
waaruit andere lijnen voortspruiten
die opgaan in een decor
doorkruist met kromme lijnen, en er was geen
noch is er, er was geen, nee, er komt geen, er was geen,
en er moest geen, er is geen, nee.

(Uit Punctum. Vertaling Bodil Kok.)

Om te beginnen
is een elektricien geen elektricien
maar een man die werkt als elektricien
ook al denkt hij ’s avonds
dat zijn aderen kabels zijn
die overtollige watts geleiden
van zijn dagelijks werk.

(Uit Seudo. Vertaling Bodil Kok.)

Dit is al (eerder) gezegd
het is zelfs in popliedjes gezegd;
dat de nacht crasht is eerder
gezegd, wordt al langer gezegd,
er is gezegd dat het gesedeerde dier
ijsbeerde door het huis en eerder
is gezegd dat er geen verwarde zenuwen waren
in het gespannen organisme, dat vlees
zonder zenuwen irriteert is gezegd
en er is ook gezegd dat er niet
op het bed gesprongen mag worden
en dit is terzijde gezegd
en van de plek waar dat gezegd is
komt dit vandaan: ik kan niet lezen.
De alinea die ik begin en opnieuw begin
loopt vast, ik struikel als ik bij de eerste e aankom.
De eerste e is de telefoongids-
bezorgerskinhead die maakt dat ik stop met lezen.
Door de swastikatatoeëerderskinhead
begrijp ik alles wat ik tot nu toe heb geleerd
en dat het nergens toe dient.
Vóór het verwijderen van
deze alinea is het nutteloos,
vruchteloos bovendien, in deze zwarte grond,
verder te gaan met een andere alinea
waar het struikelblok bij het lezen,
bijvoorbeeld, een komma zou kunnen zijn.
De woorden in het boek betekenen niets,
als je ze leest staan ze onder spanning, springen van het papier
maar ze zeggen helemaal niets. Dit probeer ik op te lossen door
iets te nemen, oogdruppels te gebruiken,
die me het zicht belemmeren,
het beeld verwateren. Met een druppel
medicijn in het oog
zie je kleuren geen vormen, plaats ik
volgens de aanwijzingen in de bijsluiter
een druppel in het traanpunt, dat dus eigenlijk
de ooghoek is,
dan zie ik kleuren en geen vormen,
precies wat ik eerder zei en voordien,
denk ik, (eerder) al veel vaker zal zijn gezegd.
Ik knipper, sluit ze zodat ze drogen,
zodat ze weer wit worden, de bloeddoorlopen ogen,
en wacht tot de waterige beweging die ik zie,
de zwarte vlekken, witte blokken
en iets wat op een dikke vis lijkt
die zonder schaduw in de diepzee zwemt
weer worden wat ze in werkelijkheid zijn:
een herdershond vastgebonden aan een wasmachine.

……………………………………

Het bloed: gepacificeerd
eigenlijk meer serum dan bloed.
Vredig serum maal bloed
is gelijk aan gepacificeerd bloed;
bloed met serum dat echt bloed
uitschakelt. De lucht-
wegen: gepacificeerd;
de vissen: gepacificeerd; het achterhoofdsbeen,
ook gepacificeerd. Het harde cement,
dat per definitie hard is, van de overheids-
gebouwen: gepacificeerd. Gepacificeerd bovendien
de door een oogdruppel
verwijde pupil.
Het knipperen in de sluimering
bevordert het algehele pacificatieproces
van het lichaam. De longen:
vredig. Water en zand om cement te maken:
gepacificeerd, de gezichtsspieren:
gepacificeerd. De ijzersmelterijen:
gepacificeerd; de Zapla Hoogovens:
gepacificeerd; in vrede rusten de sloophamers
met speciale steenbeitel,
de elektrische lasapparaten, de slijptollen
en overige gereedschappen.

(Uit Punctum. Vertaling Bodil Kok.)

Het is niet dat ze willen dat je stopt met draaien in een draaistoel op een snelheid
die afwijkt van de afstandelijke wereld, ze hebben er geen bezwaar tegen dat je je,
tollend rond je eigen as, in een eigen baan waant, of dat je vervolgens
bedachtzaam een cilindrisch blik paté opent en laat draaien in je hand, ook zij
laten hun wereldbollen wel eens draaien en zetten ze stil met hun wijsvinger
om even te peinzen over het gebied dat ze per toeval aanwezen
ze hebben geen enkel probleem met jouw geprevelde desiderata over
wat er nu draait het blik paté is of de opener, over het gekartelde schijfje
dat zich losmaakt van de rest van het geopende blik, ze zijn niet benieuwd
naar jouw plannen als er weer eens een geëtiketteerde lente aanbreekt, en ze zien geen noodzaak
om een satellietzender bij je in te planten om je bij elke stap te kunnen volgen
langs de boulevards van Atlantische badplaatsen waar ooit
videobars, platenzaken en belwinkels zaten, en ze weten niets
van die auto’s met 360-graden-camera’s op hun dak
die zoekmachines laten rondrijden om alles te fotograferen, ze willen niet weten
welke liedjes er op jouw apparaatje van verchroomd metaal en wit plastic staan,
ze zijn niet per se op de hoogte van de diagnose die veronderstelt dat de afwijking
niet schuilt in gebrek aan contact maar, op macroniveau, juist in te veel contact
met de werkelijkheid, noch verwachten ze dat we de werkelijkheid zien als een torpedoboot
die traag een soort Mesopotamië binnendringt, dat we de werkelijkheid zien als
door de wind opgezweepte Japanse rozen, de werkelijkheid als een groepje Ethiopische jongens
die doen alsof ze op de bus wachten bij een bepaalde ringweg en de weg
volledig kwijt zijn, in hun kapotte parka’s, en die een sigaret laten rondgaan terwijl ze
de tandjes van de kroonkurk van een pas geopende fles in hun vingertoppen zetten,
ze twijfelen niet aan de broze nachtelijke kameraadschap die ze zojuist hebben gekweekt
terwijl ze kippenhartjes aten aan houten spiesjes, ze voorzien dat manifest
niet van context, ze theoretiseren niet over de verstarring, ze lezen niet alles
wat de vicepresident van Bolivia zegt, ze zijn geen toonbeeld van volharding, ze bivakkeren niet
voor de poorten van Abessinië, en ze hitsen geen halftamme luipaarden op met getrommel
op tamboerijnen, ze verbranden geen roddelbladen, ze vallen niet met op hun borst gevouwen handen
in slaap bij reclamespotjes, en ze vinden het niet erg dat je nu
in alle rust, met de afdruk van het kussen nog in je gezicht door de gangen
van een supermarkt sloft op zoek naar dat ene merk
Japanse instant noodlesoep, en het is ook niet zo dat ze willen voorkomen dat je,
met het temperament van een ijsschots, die soep bereidt voordat je
een handboek over perfecte ontwijkingmanoeuvres openslaat, of wat dan ook
nee, nee, nee, niets van dat alles, nee
ze willen gewoon dat je doodgaat.

(Uit Para un plan primavera. Vertaling Bodil Kok.)

*

No hay, no va a haber, no hubo
no hubo, no, no hay, no va a haber
ni hubiese habido si; no hubo,
no hay, no va a haber, no,
hubo, nunca, ni hay, ni puede
haber, no hay, ni debe haber
habido, no hay, no hubo,
ni va a haber errores de línea
en el cráneo, la curva perfecta
de los huesos frontales,
no hubo, no hay, mejor serie que Kojak,
ni máscara más concreta
que estas antiparras de soldador
para pasar la poda de la noche
neutra, no hubo, noche
neutra ni clara, no hay martillo
neutro ni pesado, no, que martille
agarrando el mango del martillo
para martillar con el martillo
la madera de los hechos, no hubo,
no hay: Kojak vendió su coche en llanta
a los chacales, entregó el escudo y arma
al Capitán Griego, los negros amagan
con quemar un kiosko y no lo queman;
no va a haber, Cadáver, mañanas
reales de color tierra
para usar el gatillo, un gatillo difícil,
tenso, que se resiste a ser gatillado
contra algún objetivo enemigo,
ni hay, no hubo, ni hubo de haber,
tiza para delinear con tiza
el contorno de la víctima tirada
boca abajo en el suelo duro;
no va a haber, líneas
de carbonilla en el cielo,
líneas de grano tieso y reventado,
líneas negras que cruzan otras líneas, en ángulo oblicuo
formando enredaderas con líneas
que se despuntan en líneas
que se pierden hacia un fondo
rayado por otras líneas curvas, ni hubo,
ni hay, no hubo no, no va a haber, no hubo,
ni hubo de haber habido, no hay, no.

(de Punctum)

Por empezar
un electricista no es un electricista
sino un hombre que trabaja de electricista
aunque por la noche piense
que sus venas son cables
que transmiten watt residuales
del trabajo diario.

(de Seudo)

Esto se dijo antes (ya)
se dijo, incluso, en canciones pop;
que la noche hace crash se dijo
antes, está dicho desde antes,
se dijo que el animal sedado
daba vueltas por la casa y antes
se dijo que no había nervios trastocados
en el organismo ansioso, que la carne
sin nervios molesta se dijo
y también se dijo que no hay
que saltar en la cama
y aparte se dijo esto
y del lugar en que se dijo
está sacado esto: no puedo leer.
El párrafo que empiezo y reempiezo
se detiene, me trabo al llegar a la primera e.
La primera e es el cabeza rapada partidor-
de guías-de-teléfono que me hace no seguir leyendo.
Por el cabeza rapada tatuador-de-esvásticas
entiendo todo lo aprendido hasta ahora
y que no sirve.
Antes de aniquilar
este párrafo es inútil,
estéril además, en esta tierra negra,
seguir con otro párrafo
donde la traba para leer
sería, por ejemplo, una coma.
Las palabras en el libro no significan nada,
al leerlas están cargadas de electricidad, saltan de la hoja
pero no quieren decir nada. A esto trato de solucionarlo
tomando algo, poniéndome gotas para los ojos,
que obnubilan la vista,
dejan la visión acuosa. Con una gota
de medicamento en el ojo
se ven colores no formas, al colocar
siguiendo las indicaciones en el prospecto
una gota en el lagrimal, que vendría a ser
la esquina del ojo
veo colores y no formas,
eso mismo que dije antes y anteriormente
se habrá, creo, dicho muchas veces antes (ya).
Parpadeo, los cierro para que sequen,
para que los ojos en sangre vuelvan a blanco,
esperando que el movimiento líquido que veo,
los manchones negros, cubos blancos
y lo que parece ser un pez gordo
nadando sin sombra en el fondo del mar
vuelvan a ser los que en realidad, son:
un ovejero atado a un lavarropas.

……………………………………

La sangre: pacificada
más suero, en realidad, que sangre.
Suero pacífico por sangre
igual a sangre pacificada;
sangre con suero que anula
la sangre real. Las vías
respiratorias: pacificadas;
los peces: pacificados; los huesos occipitales,
también, pacificados. El cemento duro,
que por definición es duro, de las edificaciones
del estado: pacificado. Pacificada, además,
la pupila dilatada a causa
de una gota para los ojos.
El parpadeo en el sopor
ayuda al proceso de pacificación
general del cuerpo. Los pulmones:
pacíficos. Agua y arena para hacer cemento:
pacificados, los músculos de la cara:
pacificados. Las fundiciones de acero:
pacificadas; los Altos Hornos Zapla:
pacificados; en paz descansan las perforadoras
con mecha especial para talar piedra,
las soldadoras eléctricas, las pulidoras de metal
y otras herramientas.

(de Punctum)

No es que quieran que dejes de rotar en una silla giratoria a una velocidad
distinta que el mundo distante, no presentan objeciones a que te sientas
en una órbita original al girar sobre un eje propio, ni que después abras
pensativo una lata cilíndrica de paté haciéndola rotar en tu mano, ellos
también a veces hacen girar sus globos terráqueos y los detienen con el índice
para elucubrar un rato acerca de la región que señalaron al azar
no tienen problema alguno con tu murmurante desiderata sobre
si lo que gira es la lata de paté o el abrelatas, sobre el pequeño disco dentado
que se desprende del resto de esa lata cuando abierta, no quieren ver
tus planes a la hora de otra primavera adjetivada, ni tienen especial interés
en plantarte un dispositivo de rastreo satelital para seguir tus pasos
por ramblas de balnearios atlánticos donde supo haber
videobares, disquerías, locutorios, ni ubican
a esos automóviles contratados por los motores de búsqueda que salen con cámaras
de trescientos sesenta grados en el techo a fotografiarlo todo, no quieren saber
las canciones que almacena tu pequeño reproductor de acero cromado y plástico
blanco, no están necesariamente al tanto del diagnóstico que dice que lo anómalo
no es estar desconectado de la realidad sino, a un nivel macro, estar demasiado conectado, ni esperan que se entienda por realidad un lanchón de asalto adentrándose lentamente en una mesopotamia, que se entienda por realidad camelias sobreexcitadas por el viento, por realidad a un grupo de hijos etíopes haciendo
que esperan un micro en una circunvalación específica habiendo perdido toda noción
de especificidad, con sus parkas estropeadas, pasándose un cigarro, clavándose
en la yema de los dedos los dientes de la tapita redonda de una botella recién
abierta, no ponen en duda la frágil camaradería nocturna que tejieron hace un rato comiendo corazones de pollo ensartados en palillos de madera, no contextualizan
ese manifiesto, no teorizan sobre el entumecimiento, no leen todo lo que dice
el vicepresidente de Bolivia, no sintetizan la tenacidad, no acampan a las puertas
de Abisinia, ni azuzan leopardos semidomesticados con el tamborileo de
sus panderetas, no queman tabloides, no se duermen con las manos entrelazadas
sobre el pecho mirando propaganda, ni les preocupa que ahora te pasees
con dulce parsimonia, la almohada todavía marcada en la cara, arrastrando los talones por los pasillos de un supermercado buscando una marca específica de sopa
de fideos instantánea japonesa, y tampoco es que quieran evitar
que prepares, el temperamento hecho un témpano, esa sopa antes de ponerte
a leer un manual para perfeccionar maniobras de evasión, lo que sea
no, no, no, nada de eso, no
simplemente quieren que te mueras.

(de Para un plan primavera)