Recensie van Vuurmakers - Johanna Geels

De hunkering naar overstemmende gevoelens

Johanna Geels
Vuurmakers
Uitgever: Marmer
2015
ISBN 9789460682704
€ 15,00
80 blz.

Na lezing van de dichtbundel ‘Vuurmakers’ van Johanna Geels is er iets wat ik mij regelmatig afvraag, iets wat niets te maken heeft met het literaire gehalte van de bundel: hoe komt iemand tot SM? Dat is mijzelf namelijk compleet vreemd. Dat er zeer velen zijn die die tendens wel kennen en volgen, blijkt uit het wereldwijde succes van ’50 tinten grijs’. Een vriendin van mij bezwoer mij dat het iets heel moois is, dat je als partners compleet vertrouwen moet hebben in elkaar, en dat het liefdesspel enorm wordt geïntensiveerd door de rollen die worden gespeeld.
Spel? Ik denk dat je het beter ‘ritueel’ kunt noemen, dat het feitelijk een herhaling is van een oergebeuren dat zich in de vroege kindertijd heeft afgespeeld, en dat het de ervaringen die als  klein kind zijn ondergaan poogt te integreren in het bestaan. Een herhalingsdrang dus, wellicht herhalingsdwang.
Voor mij blijft het vreemd, dat pijn, die normaliter wordt vermeden, omdat ze signaal is van gevaar, omdat er een schending plaatsvindt van de lichamelijke integriteit, en omdat die gevoelens van angst en vernedering met zich meebrengt, wordt gezocht om lust te beleven. Niet alleen de rol van horige is mij vreemd, ook die van meester. Toen mij daar ooit om werd gevraagd, bezorgde het mij, terwijl ik mij de rol probeerde in te leven, lachstuipen. Ik voelde mij volslagen debiel. Tot grote ergernis van mijn beoogde slachtoffer.
Dan hebben we het nog niet over bondage gehad. Vanuit welke behoefte voed je jezelf met onmacht?

Natuurlijk mogen al die vormen van seksualiteitsbeleving bestaan. Ieder zijn vrijheid om naar eigen behoeften te leven. Maar wanneer we het over literatuur hebben, dan is er niet alleen sprake van een tekst, maar ook van een ervaringswereld waar die tekst op betrokken is. Dan komen ook persoonlijke smaak en opvattingen aan de orde. Ik geef dus respons vanuit mijn persoonlijk gevoels- en ervaringswereld. Zo zijn we dan weer terug bij Johanna Geels.

1

We werden wakker
nadat de dood was ingehaald
jij, met je gelijmde kop
fluisterde in mijn oor
wat je allemaal met mij ging doen
ik hoorde mijn mignonmondje terugflemen
terwijl je mijn haren strak bijeenbond
in je hand

je siste dat ik van jou was
en ja ik ben van jou ik was van jou, lief
ik ben nooit niet van jou geweest

doop je penseel
in naar amber ruikende inkt
klem het strak tussen mijn tanden
want er rest niets dan zwijgen
wanneer jouw hand
de opgestapelde winterkou
dwingendzacht
uit mijn borsten jaagt

Ik krijg de indruk dat de dichteres zo dicht mogelijk bij een reële ervaring wilde blijven. Dat het gedicht in een roes geschreven is. Hoe bestaat het anders dat de derde regel van de derde strofe:
‘(..) klem het strak tussen mijn tanden/’, niet aansluit op wat daar direct aan vooraf gaat, maar wel op de strak bijeengebonden haren uit de eerste strofe?
Het gedicht is beslist unheimisch: ‘nadat de dood was ingehaald/ jij, met je gelijmde kop/’ – was de ‘hij’ door haar opengekrabd? Of was het een masker?
Dit is nog een opvallend feit: we worden op de hoogte gesteld van de handelingen van de minnaar, maar over haar acties en gevoelens lezen we niets. Haar mignonmondje mag flemen, (mignon is Frans voor ‘lief’) maar we lezen niet wat. Van zijn gevoelens kennen we alleen zijn behoefte aan macht… Wat mij opnieuw tot de overtuiging brengt dat dit gedicht in een roes geschreven moet zijn, en daarna niet goed meer herlezen. Het riep alleen die ervaring weer voor haar op. Want alleen zijzelf kan het haar tussen haar tanden klemmen, waarop alleen maar had kunnen volgen: want ik moet zwijgen. Wat beter past in de context.

Het is de dynamiek van haar gedichten, die je zo gemakkelijk meeneemt, dat je snel vergeet wat en waarover en hoe zij werkelijk schrijft:

XX

Natuurlijk gaat iedereen dood
die en die en die
terwijl jij mij zorgvuldig inbakert
met lasso’s en boeien
voor de nacht
waarin de kelnervogels, de sjacheraars
hijgerig vanuit het koperwerk toekijken
met hun bladen vol wit poeder en dollarbriefjes

hoor je me kreunen, zo netjes gedempt achter je hand
die zojuist nog ziltig geil tussen mijn benen
en hoe je door me heen stort
voluit
door huid harses bloed spieren botten harses huid
zo hou ik van je
om dat grenzeloze reizen
niet van dat plichtmatige vertrekken
dat zouteloze arriveren
nee, reizen
dwars door alle waarschuwingsborden, helverlichte gangen
zompige zuigwanden en elektrisch geladen wolkenmuien heen

De eerste twee regels hebben ogenschijnlijk niets te maken met de rest van het gedicht, waarin, blijkbaar in een nachtclub, publiekelijk, met haar een bondage-act wordt opgevoerd.
Wat mij in de negatie van haar gevoelsleven het meeste opvalt is het verlangen om helemaal niets te zijn: ‘(..) en hoe je door mij heen stort/(..)’, schrijft Johanna Geels. Dit gaat verder dan de gewone dood, dit is de wens onkwetsbaar en onsterfelijk te zijn. Weg van alles wat je juist menselijk maakt, emotioneel, sensitief, kwetsbaar.
Ik bedoel hiermee niet dat Johanna Geels dat niet allemaal zou zijn. Integendeel. Zonder die ingrediënten geen poëzie. Ik zie alleen haar hunkering om weg te komen uit de beperktheid en lauwheid van het menselijk bestaan. Zij wil juist meer voelen, of juist anders voelen dan in een alledaags menselijk leven. Zij wil geïntensiveerde machteloosheid, een via onderwerping verhevigd bestaan. Zelfs de seks, (toch de drug bij uitstek) die wordt gezien als: ‘/dat plichtmatige vertrekken/ dat zouteloze arriveren/’, moet grenzeloos reizen worden. Haar grenzen dienen overschreden te worden. Zij wil grenzeloos zijn. Waarbij zij gemakshalve vergeet dat ook de SM die zij ondergaat aan rituele handelingen gebonden is: de mogelijkheden van een lichaam en wat er met een lichaam mogelijk is te doen, zijn beperkt. Vanuit je verlangen wensen om gedood te worden is wel erg radicaal…
Maar het is dat verlangen naar onvernietigbare kracht, die zij ervaart bij alles wat er met haar wordt uitgehaald, dat het leven voor haar aanvaardbaar en draaglijk maakt.
In het laatste gedicht van de bundel krijgt de onderwerping een plaats in een alledaagse setting. Ook hier weer leemtes in de tekst die het bijna onmogelijk maken om je voor te stellen wat zij precies beschrijft:

XXII

Niemand slaat alarm vandaag
niemand die jouw hand tussen mijn benen voelt gaan
de vinger die zacht bij me naar binnen glijdt
hier op het hard verbrande veld
waar we bijna niet kunnen bestaan
gedachten als dwingende kleuters door elkaar heen gillen
tot jij je met een luie grijns omdraait
je warmzoute hand om mijn hals legt
mij je vingers laat aflikken
mijn rok recht trekt
opstaat
zegt, dat we verder gaan

Zit hij voor haar op de grond, met zijn hand onder haar rok? Waarom schrijft zij dan dat hij zich omdraait? Bedoelt zij dat hij kenbaar wordt, zich blootgeeft met zijn lauwe grijns?
‘Niemand slaat alarm vandaag/’ schrijft Johanna, ‘niemand die jouw hand tussen mijn benen voelt gaan/ de vinger die zacht bij me naar binnen glijdt/ hier op het hard verbrande veld/ waar we bijna niet kunnen bestaan/(..)’.
Johanna zelf is blijkbaar al afwezig. Als van buitenaf neemt zij waar wat er met haar gebeurt. Ze is het blijkbaar gewoon dat er door niemand (die zij zelf is!) alarm wordt geslagen, waar blijkbaar wel reden voor is.
Het heeft iets droomachtigs, zoals haar schrijven iets wegheeft van het automatische schrift van de surrealisten.
De logica van dit schrijven is een meer innerlijke, wat door het vaak dwingende ritme van haar gedichten wordt geaccentueerd. Maar de sfeer van de gedichten is echt, die maakt de noodzaak voor haar van het schrijven van de gedichten invoelbaar. Of dat sterke literatuur oplevert is iets anders. Dat zij schrijven, goed schrijven kan is duidelijk, maar ook dat zij teveel door haar existentiële nood wordt gedicteerd. Door meer van een afstand naar haar teksten te kijken, niet slechts of het grammaticaal klopt, maar ook beeldend; niet afgeleid door haar verlangens en erotische behoeften, en niet in verwarring gebracht door de strijd tussen wens en werkelijkheid, zou Johanna Geels haar poëzie op een hoger niveau kunnen brengen.

***

Johanna Geels publiceerde vier dichtbundels: Tuig (2008), Detox (2010) Wildberichten (2014) . In mei 2015 verscheen Ongearticuleerd gorgelen, een verzameling literaire columns waarvan een deel eerder werd gepubliceerd bij HP/DeTijd. Haar debuut Tuig werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs.

Recensie van Wildberichten - Johanna Geels

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn

Johanna Geels
Wildberichten
Uitgever: Marmer
2014
ISBN 9789460681738
€ 12,50
64 blz.

Met toenemend plezier lezend in Wildberichten van Johanna Geels zocht ik een woord om de gedichten mee te typeren. Op blz. 26 vond ik ‘bravoure’, het gedicht ‘Polderhazen’ opent ermee. Gaandeweg noteerde ik meer steekwoorden: onderkoeld, afwerend, brutaal, illusieloos, maar ook betrokken en persoonlijk; realistisch, maar door allerlei onverwachte vertekeningen ook vaak bizar. Het werk lijkt niet op andere poëzie die ik ken. Geels heeft een originele stem.

Tegen het einde van de 48 gedichten tellende bundel staat een als zelfportret te lezen gedicht waarin die kwalificaties zo ongeveer samenkomen:

Vang me dan

Ik kom hier niet om mooi te zijn
al draag ik de ketting van mijn oma
bloedkoraal en Joegaslavisch filigrein
loodzwaar om mijn nek.

[…]

Ik ben hier niet om naam te dragen, nu bijvoorbeeld
ben ik dichter met een haak door mijn lip
vannacht was ik pijpkoningin, vanavond
weer moeder met kapucijners in een pan.
(vang me dan)

Mijn haar groeit wild en groter, mijn lippen
mijn bloem roder, strakgetrokken huid
waar de haak door mijn wang prikt en het
laatste staartje nachtelijk zaad als over een bowlingbaan
langs mijn huig de diepe donkerte in glijdt als ik slik.
(ik wil ‘m vangen, kom terug mijn lief, kom terug)

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn
sterk moet ik zijn, als visvrouwen in het zicht
van de haven, uitgebeten, tanig, leverrauw
ik draag godverdomme niet voor niks drie kinderen
op mijn nek, boet palingnetten met mijn tong
tussen de tanden.

Vanuit het open raam komt alweer nieuwe lente aan
met nog meer bloemen, kinderen, palingen en filigrein.
(ergens buiten loop jij zoekend rond)

In Wildberichten passeert er geen gedicht zonder dat er op de een of andere manier een verwijzing naar de natuur in voorkomt. Naar de seizoenen, naar gras, kruid, weilanden, hei, bos, mos, sneeuw, augustuszon. En er is vooral heel veel fauna. Vanaf het ‘het wild’ uit het openingsgedicht verschijnt een bonte stoet aan dieren: vossen, vogels, vissen, herten, kevers, kikkers, kuikens, hazen, konijnen, luizen, honden, padden, kraaien, vlinders, krekels, knaagdieren, ongedierte. En specifieker: Rottweiler, Duitse staande (niet ‘staander’), zwaan, reiger, winterkoninkje, gier, Vlaamse gaai, eend, dodo en daarmee is de lijst nog lang niet compleet. Alsof de kaartenbak van Midas Dekkers is leeggekieperd.
Die overvloed aan natuur, met name aan dierlijk leven, geeft de bundel nochtans niet eens een zweem van natuurlyriek. Integendeel zelfs. Van zoetsappige harmonie is nergens sprake, het is weerbarstigheid troef.
Al dat ‘wild’, gedomesticeerd of niet, en steeds min of meer terloops vermeld, lijkt me een metafoor voor de plaats van de ik in de buitenwereld, waarin je jager en prooi bent, vangt door te worden gevangen, een wereld die even vanzelfsprekend als onbegrijpelijk is.
‘Verlaat nooit het pad.// Hier rust het wild.’ luidt de als motto te lezen waarschuwing aan het begin en in het vervolg doet Geels niet anders dan rusteloos van gebaande paden afwijken om zo haar eigen revier af te bakenen:

Beschermd gebied

Gezichten en gebaren
kleven aan mijn jas,
mijn haren.

Onder het onverharde pad
knaagt kabouter Nr.068 zachtjes
aan de randen van mijn geest.

In huis alles rustig.

Buiten vreten de vossen
elkaar onafgebroken op.

In Geels’ wereld is het vaak niet pluis. Hoe kun je op een plek als deze iets anders dan aangeschoten wild zijn?

Suburbia

Onder het dak van nummer zes ligt al dagen
een geplukte eend op een verlaten kookeiland.

In het huis aan de overkant gluurt ‘s nachts
een meisje door het raam.

Uit het hoofd van de man op de hoek groeit een
huisconcert. Op één sterft een hond.

Buitenwijken liegen niet.

[…]

Er is veel meer wat in Geels bundel opvalt. Haar soms bijna baldadige taalgebruik bijvoorbeeld. Het zit heel sterk in gedichten als ‘Berichten uit de kosmos’ en ‘Geschichten aus der Kogel- Mogel- Kinder-Kloep, maar ook in een gedicht als ‘Murw’, waarin ze uitdagend schrijft ‘Zal ik eens een mooi meisje maken?/ Zo’n eentje van antroposofisch vilt?/ Met een ongebleekte Barbieverzameling?/ En tuitlipjes om te zoenen?// Daar loopt er eentje, kom dan, meiiiiiiisje…’

Voorts is er beslist een filosofische inslag. Zo stelt ‘Vluchtinformatie’: ‘Hier volgt een bericht voor mensen/ die het ook niet weten/ ‘s avonds hun gezicht afleggen in de spiegel/ boven de wc, / het doorspoelen als een goudvis:// Alles om ons heen is bedacht’.
In ‘Plaag’ weet zij: ‘Sommige dingen komen nooit goed. / Hypochondrische huisdieren, manisch-/ depressieve klaar-over-ouders.’

Een van de mooiste gedichten, zeker het menselijkste, en eigenlijk a-typisch voor de bundel, is ‘Eindtijd’.

Eindtijd

We wisten dat hij zou komen, terwijl we de tijd doodden
ver van huis die dag.

Eerst was er een grijper, zo een van de kermis die ons bij
het hoofd greep en honderd kilometer terug een ziekenhuis
in smeet.

Daar stond alles klaar, een bed, een man, zijn kinderen
en een koffiekar vol onuitgesproken spijt.

Hij kwam nog best snel. Ineens voelden we hoe de lucht in
de kamer inhield voordat hij als een sluier over het gezicht
van de man heen trok die als een vogeltje in dat veel te grote
bed lag.

Een bed dat vroeger te klein zou zijn geweest voor al zijn venijn,
maar het nu met kussen en al opslokte, tot het eind klauwde hij
zich aan de lakens vast.

Eerst ging zijn kin dood, toen zijn mond die, nu hij eindelijk niets
meer hoefde, uitgeblust openhing, en op het laatst de beademings-
apparatuur naast het bed.

Toen kwam er een mevrouw zeggen dat de dood was ingetreden.
Maar dat wisten wij al een leven lang.

Iedere regel is juist in deze afrekening met een belast verleden. Zelden werd een man zo dodelijk trefzeker zijn vaderschap ontzegd.
Een formidabele bundel, zonder ook maar één zwak gedicht.

***
Johanna Geels (1968) schrijft gedichten, proza en columns voor onder meer HP/De Tijd. Ze debuteerde in 2008 met Tuig, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2010 verscheen Detox.

Gedichten

Bij geloof, leven en korsakov

Toen Weslie met het frambozenhoofd
dood bleek te zijn
wij hem nog niet hadden gemist.

(Weslie man, hoe kon dat nou gebeuren man…)

De hond niet tegen het raam op jankte
of dronken van verdriet van zich af had gepist.

Oma niet naar het westen had gespuugd
tijdens het gebed
de luiken nooit gesloten waren geweest.

(Weslie, jongen, waar woont je geest nou…)

Iemand fuck riep tegen niemand in het bijzonder
zodat de klinker krachteloos boven het erf bleef hangen.

Later tijdens glaasje draaien de tafel rilde
en we opgelucht waren bij dit teken van leven
terwijl we allemaal wel wisten dat het opa’s been was
dat trilde.

We wilden het zo graag geloven.

‘t Was het licht zeker
in de ruimte dat wegviel zeker
zodat het donker ons dwong.
 

(Uit: Detox, 2010, Uitgeverij Atlas)
 

Detox

In het grote blauwe varkensbos
vangen we gifkabouters
koud zo koud

ik zoek je hand maar je staat
aan de andere kant van de stolp
met je neus tegen het glas gedrukt
ik trek mijn armen in

fluister gedempt over houden van
durf niet goed hardop want het bos
schrikt zo snel vandaag zijn de bomen
alweer wat kaler en vallen er bladeren
op je getormenteerde hoofd

(je klotshoofd, waar het troebele water dagen
scheef in je ogen stond, vissen schuin doorheen
zwommen, me aankeken of ze eruit wilden)

hoe moeilijk van je af te blijven
als alles vraagt om lief
er staan entiteiten tussen

laten we slapen, vissen bevrijden
kabouters vangen, slapen, voor altijd
wakker worden.
 

(Uit: Detox, 2010, Uitgeverij Atlas)
 

In Antwerpen

Daar, op dat bankje werd ik ooit bedrogen,
in dit museum waar nog geen afdruk van
ons aan de wanden kleeft.

Een Vlaamse gaai doorboort een hoedje
van een vrouw die gezichtloos door de
ruimte zweeft. Foto’s zijn verboden.

Ik draag negen gedichten voor en niemand
weet dat ik van de tiende een hoedje heb
gevouwen dat sindsdien altijd in mijn tas woont.

Altijd lijkt lang voor een hoedje van nog geen dag
oud maar de seconden schijnen hem jaren toe.
Een dichter noemt je mijn vader.

De lens in je hand lonkt naar het bankje maar bedrog
laat zich niet makkelijk vangen. Maak geen foto,
bid ik stilletjes tot de tijd. Ik wil mijn ziel niet kwijt.
 

(ongepubliceerd)

 

Recensie van Detox - Johanna Geels

Ontwenningsverschijnselen van een meisje

Johanna Geels
Detox
Uitgever: Atlas
2010
ISBN 9789045085685
€ 22,95
64 blz.


Met mierzoete meisjesachtigheid moet je bij mij niet aankomen. Daarvan vallen de gaten in mijn kiezen. In de gedichten van Johanna Geels (1968) wonen heel veel meisjes. Bleke meisjes met roze pony’s, kleine hartenmeisjes met strikken en poppen. Maar in deze bundel met een titel die aan een afkickcentrum doet denken, is meer aan de hand. In het titelgedicht worden gifkabouters gevangen en vallen er bladeren op een getormenteerd hoofd.
Er is niets zoetsappigs aan de zinsnede:

‘En als wij dan de kinderen hebben uitgeperst van moerasmannen
met zompige handen die ons ‘s nachts bezoeken in hoofden van latex,
ons achterlaten met volgespoten bekkies, […] ‘

Uit: ‘Alles draait om J., pag. 18

Bij het lezen van deze bundel vallen er geen gaten in mijn kiezen. Er gaat eerder een grote dreiging van uit. Dat Geels dicht over de kwetsbaarheid van lieve meisjes, is zachtjes uitgedrukt. Ze bloeden, worden in tweeën gescheurd en uit al hun gaten druipt zaad. Niets blijft hen bespaard.
In ‘Naar het licht’ (pag.17) staat zo’n meisje aan de rand van een gat en wordt aangemoedigd erin te springen, als Alice in Wonderland.

Naar het licht

In het bos staat een meisje
met een dichtgeslagen hoofd
boven een gat te turen

Ik neurie, meisje, meisje,
maar ze reageert niet.

Wat wou je nou, meisje,
met die bleekblauwe bloedbaan
op je veels te roze slapen.

Wat wou je nou.

Je rode regenjas, uitgewist.
Als vanzelf druipt hij langs
je hakjes de grond in.

Toe dan, spring dan.

Vergeet je pijpenkrullen niet,
je vlinderknipje, je ponnieplaatjes.

Het is al bijna licht.

Dit meisje heeft wel een bleekblauwe bloedbaan en veels te roze slapen, maar ook een dichtgeslagen hoofd en een rode regenjas die oplost en langs haar benen druipt. Het meisje zou gewond kunnen zijn, maar dit beeld doet ook sterk aan menstruatie denken. Vanaf haar eerste menstruatie is ze meisje-af, een vrouw. Het lijkt erop dat zij zich verzet tegen het verliezen van haar onschuld, maar er is een ‘ik’ die haar de baas is en intimiderend toespreekt: ‘wat wou je nou, meisje.’ Het meisje ontkomt er niet aan om af te zien van haar zoete wereldbeeld, de wereld van my little pony en blonde pijpenkrullen. Dan pas ziet ze ‘het licht’. Wat in dit geval niet op een zonnige sfeer duidt, maar op een wrede reality check

‘Naar het licht’ geeft voor mij de essentie van de bundel weer, waardoor ook de titel, Detox, betekenis krijgt. Het opgeven van de onschuld, van een lieve sprookjeswereld, is een pijnlijk proces, met de erbij komende ontwenningsverschijnselen. Arm meisje.

Niet alleen met meisjes gebeuren gruwelijke dingen. De cyclus ‘Berichten uit Mölköl’ eindigt met:

IV

Niets wordt vergeten in dit dorp. Men sloeg de man dood en hing
zijn tong aan een tak. Op een vrijdagochtend en als eerste die dag.
Te laat te laat zongen de mannen en de vrouwen schudden de laatste
verzinsels uit hun mouw, ik ving er eentje op. Ik sla je blind las ik
dus kon weer zien. Ik zag hoe de moeder werd gezocht, hoe de
verzinsels glad en nat doorregend raakten, opgehangen werden
ter afschrikking, ik zag de baar en de dode man.

Men vroeg mij te helpen, de man was zwaar en ze zochten in zijn
zakken naar wat overgebleven tijd. Ze vonden niets, ik had niet
anders verwacht. Hoe til je een zware volle man, dood, over palen
van een meter hoog. Gewoon gooien, smijten, met dicht toegeknepen
ogen en een groot vergeten achter de hand? Toch schrijf ik dit op,
want wie zich niets herinnert wordt uiteindelijk gevonden in de bossen
rondom Mölköl. Er wordt namelijk niets vergeten in dit dorp. 

De laatste mededeling is niet minder dan een dreigement. Op vergeten staan zware straffen: verminking, de dood. Het fictieve Mölköl is zo’n dorp waar de mensen met hooivorken achter je aankomen als je je niet aan de regels houdt. Detox beweegt zich tussen de polen mierzoet en inktzwart. Er worden perverse sprookjes verteld; lieve meisjes worden met veel genoegen aan stukken gescheurd. Je gaat je wel afvragen of er ergens nog een middenweg is. Zou Geels hier in een volgende bundel een antwoord op hebben?

Recensie van Tuig - Johanna Geels

Dichten met haken en ogen

Johanna Geels
Tuig
Uitgever: Atlas
2008
ISBN 9789045005904
€ 16,90
51 blz.

Tuig heet de nieuwe bundel van Johanna Geels, die is uitgegeven bij Atlas. Een titel die veel associaties teelt en als zodanig een van de betere die ik ben tegengekomen. Tuig, scheepstuig, langharig tuig (zoals in het gelijknamige gedicht), laat zich prima vastknopen aan gedachten, die men over een dergelijke titel en van alles en nog wat kan hebben. Ook letters en woorden kunnen als tuig worden gezien: kleine haakjes waaraan blijkens deze uitgave een hele bundel kan worden opgehangen. Het omslagontwerp volgt die gedachtegang. Met groot weergegeven vishaakjes probeert Tuig letterlijk de aandacht van de lezer aan de haak te slaan. Misschien maakte dát een flaptekst overbodig? Ach, de lezer krijgt zo de kans om het alleen te doen met de gedichten. Eindelijk een bundel puur met poëzie! (Niet te verwarren met poésie pure). En wie meer wil weten over de dichteres hoeft niet te klagen, ze geeft zich in haar bundel bloot genoeg:

Woelgeest

ik was acht en barones
belde met een oranje
telefoontje naar god

mijn vader stond in de tuin
te schreeuwen naar de wolken
ik tikte op het raam en riep
dat god verdomme niet thuis was

later die dag ging mijn opa dood
hij had één ijzeren tand
daar begroeven ze hem mee

zijn handen mocht ik houden
trokken me plagerig op schoot
woelden onbeholpen door mijn haar

wanneer ik hem ’s nachts zie zitten
en klets om niet te hoeven praten
hoor ik hem zachtjes zingen

kun je dansen Johanna laat zien wat je kan…
 

De handen van opa hebben blijkbaar erg veel indruk gemaakt, dat ze als een ‘woelgeest’ in de gedachten van de dichteres blijven voortleven. En ‘kletsen om niet te hoeven praten’ doe je niet voor niets, vaak zelfs uit angst. Het meest opvallend is misschien nog die ene ‘ijzeren tand’. Een schop? Een mes? Iets anders? Dat opa met die ijzeren tand begraven werd helpt ons niet veel verder, want dat kan ook gewoon betekenen dat hij ‘het ding’ heeft meegenomen in zijn graf. Is er sprake geweest van bedreiging? Geweld? Incest? De laatste regel van het gedicht kan in dit verband niet als een onschuldige aanmoediging van een kind worden gelezen, maar doet vermoeden dat er onder dwang iets heel naars is gebeurd. Voer voor psychologen dit gedicht… (Of wil ik er teveel in lezen?)
Toch ben ik er niet van overtuigd dat dit gedicht als gedicht helemaal geslaagd is. Daarvoor lijkt de inhoud me te particulier, te persoonsgebonden. Iemand aan wie ik vroeg wat zij van dit gedicht vond merkte op: ‘Je krijgt een bol wol maar je moet zelf de trui breien, zoiets’. Ook daar zit wat in als kritiek. Het lijkt strijdig met mijn eigen kritische opmerking, maar is dat niet echt. Twee verschillende lezers constateren eenvoudigweg dat er in dit gedicht aan de ene kant vitale informatie ontbreekt (omdat de dichteres die té persoonlijk vond?) en aan de andere kant te weinig verbeeldingsruimte voor de lezer overblijft om er veel mee te kunnen.
Natuurlijk is ‘dichten’ niet in de laatste plaats een proces van ‘open’laten, maar het gaat erom wát. In het kader van de gebezigde vergelijking zou ik zeggen dat er wel een trui is gebreid, maar met gaten die op de verkeerde plaats zitten om hem helemaal goed te kunnen dragen. Het volgende gedicht laat wat dat betreft zien hoe het wel moet:

Woekervlees

Je klonk zo dapper
terwijl paniek als een echo
in je slokdarm hing

maar zij mocht er niet uit
van jou en mij

wat moeten we nu
nog even genieten zeg je
naar het strand

en de dood vraag ik
gaat die dan mee
en past hij in de auto

en waarom vandaag
net nou iedereen leeft
leer ik je pas kennen
 

Oók raadselachtig, maar minder particulier. Kijk, hier zit het gat in de trui tenminste op de goede plaats: elke lezer kan er zijn kop in steken. En voor wie zijn hoofd nog niet helemaal UIT de trui kan krijgen: dit gedicht kan men lezen als een variatie op het algemene thema dat ‘niemand zo leeft als zij die weten dat ze moeten sterven’. Vooral de laatste strofe mag wat dit betreft geslaagd worden genoemd. Daarmee stijgt dit gedicht toch wel duidelijk uit boven een gedicht als ‘Woelgeest’.
Betekent dit nu dat een dichter zich in zijn poëzie nooit echt mag blootgeven? Eeh… nee:

Betonrot

de muur is al te lang te koud
ik ga hem strelen
ik kleed mij langzaam uit
de muur zal niet weten wat ie ziet

daar sta ik dan in volle pracht
waar zal ik eens beginnen
mijn tong ontrolt zich en teder
lik ik de kleine gaatjes in het beton
vul ze met mijn speeksel

dan glijden mijn handen
over het ruwe oppervlak
ik kneed de muur ik zal die muur
ik wil die muur
de muur geeft niet mee
maar dat geeft niet
de muur wil wel
hij durft gewoon niet ik moet
de muur een handje helpen

kom maar schatje
fluister ik hees in zijn beton-oor
toe maar voel mijn warmte
mijn kolkende lijf
hoe het weelderig tegen je aan
schuurt en freest

en ik voel de muur trillen
voel ’m schuiven
verdomd ik zet hem in beweging
de muur
hij houdt van mij
lijkt bewogen
geraakt
van zijn stuk zelfs
muur wat doe je
pas op
au!

muur?
 

Niemand is zo koel-gesloten of hij heeft wel kleine gaatjes, toch? Lekker gek, deze amourette met een muur als partner: potsierlijk met een snuifje zelfspot. En nog begrijpelijk ook. De dichteres heeft pit. Toegegeven: ze is een tikje exhibitionistisch, maar welke dichter is dat niet? Dichten is toch ook iets van jezelf blootgeven, al is het maar een gedachte. En aan de andere kant (van de muur): moet een lezer niet een beetje door een gedicht worden verleid? Eigenlijk zoekt de dichteres via haar gedicht een gaatje bij ons. Ze charmeert en betovert ons, tot we – als een muur met betonrot – vallen voor haar poëzie. En ze kan dat veilig doen, want haar naaktheid is maar schijn: hoe naakt ze zichzelf ook beschrijft, ze gaat steeds in haar woord gekleed…
Maar dit gedicht kan ook als een uiting van frustratie worden opgevat. De dichteres zoekt contact, een contact dat volgens haar blijkbaar (te) vaak achterwege blijft. Ook het volgende gedicht geTUIGt daarvan:

Alles wacht op antwoord

De schelpen die met hun opening
naar de afslag liggen te turen
de zee die af en aan rent
als een jonge hond
zich telkens nieuwsgierig opricht
bij de vloedlijn
hoe zandkorrels bij elkaar kruipen
Zand worden

ik wil verbinding maken
maar het komt ons niet toe vandaag
en niet alleen ons hoor
ook ons niet en ons niet en ons

en jij bent zo rustig
je moet me leren hoe je dat doet
zo tevreden de natuur in staren
terwijl die je vanbinnen leeg eet

mij troosten omdat om halfzes
een traan in mijn koffie valt
en niet eens om jou

en je zegt dat alles goed komt
noemt Hadewychs visioenen
terwijl jij niet kan weten dat

nee, ik wil niet weg
ik wacht op antwoorden
maar misschien liggen ze thuis

Heel mooi dat ‘Zand worden’, na ‘hoe zandkorrels bij elkaar kruipen’. Het individu (de zandkorrel) wordt pas zand als er een verbinding met andere individuen (zandkorrels) tot stand komt. Maar elk individu moet ook sterven, en dan is dat ‘Zand worden’ (met een hoofdletter) een echo van ‘tot stof zult gij wederkeren’. Kijk, daar zit een oogje waar een haakje in kan, een taalravijntje, zoals sommigen het graag noemen. Mooi is ook de laatste regel van de tweede strofe, waarin naast het telkens opnieuw (tevergeefs) zoeken van een verbinding zich het eeuwige herhalen van de golfslag van de zee terug laat herkennen.
Ja, wie op antwoorden wacht zoekt contact. Maar misschien zijn die antwoorden alleen thuis, in jezelf te vinden, lijkt dit gedicht te willen zeggen. Hoe dan ook, antwoorden zoeken is net als vissen: het vereist tuig. Vraagtekens zijn niet voor niets haakjes…