Recensie van regen kosmos kamerplant - Anne Broeksma

Zolang er geschiedenis ligt…

Anne Broeksma
regen kosmos kamerplant
Uitgever: Atlas Contact
2014
ISBN 9789025443801
€ 17,99
58 blz.

Op negentienjarige leeftijd schreef dichter Hendrik Marsman (1899-1940) zijn klassiek geworden vers ‘Verhevene’.

VERHEVENE

Eeuwen wentelden hun volheid samen:
zijn fundament;
nauw kon hun denkgedrocht omvamen
zijn schedeltent.
 
haren sloegen hun vlag langs den hemel:
bepantsering;
scherp was zijn lijf, geel en vermetel,
dat dansen ging.
 
maar hij, blonde boorling der zwellende jaren,
hij tartte nacht
en vlocht het ruige duister samen met zijn haren
tot veilge vacht.
 
zo, schragend geleund in de nis der kimmen,
zuigende schacht,
zag hij ellende den hemel beklimmen:
zijn eerste wacht.

 
Marsmans gedrevenheid en zijn levensdrift, ze worden bijna voelbaar. Ondanks (of misschien wel dankzij) zijn leeftijd weet hij in het bestek van zestien regels een geheel eigen sfeer op te roepen. Een gedicht dat zindert van creativiteit, wilskracht en bezieling. Ik moest hieraan denken toen ik regen, kosmos, kamerplant bestudeerde.
 
Anne Broeksma, nu 27 jaar, schreef en verzamelde de poëzie voor haar debuutbundel gedurende de laatste vijf jaar. Hoewel ze eerder publiceerde in literaire tijdschriften ligt er nu een compleet werk en dat is mooi, want Broeksma is duidelijk niet iemand van de losse verzen. Ze weet in regen, kosmos, kamerplant een eenduidige gedachte – beter is misschien zelfs wel om te zeggen: een eigen levensvisie – op schrift te stellen.  
 
Niettemin is er bij Broeksma bij voortduring sprake van tegenstellingen, waaruit rake kritiek voortkomt: kind versus volwassene, het zich niet kunnen (of willen) conformeren tegenover de dwang van een wereld die eist dit toch vooral wèl te doen. In het gedicht ‘Het kleine giraffepaard’, opponeren oprechtheid en huichelarij. 
 

Het kleine giraffepaard
 
kleine giraffepaarden zweven nieuwsgierig door de stad
met vleugels als bladeren en goedmoedige snoeten
er zijn gevlekte exemplaren bij en albino’s
 
praten kunnen ze, over verkeersborden en over de regen
soms slingeren ze een aanmoediging in elkaars gezicht
en kijken daarbij heel oprecht
 
als je aandachtig zou luisteren naar een exemplaar
zou het je laten schrikken met zijn verhalen
je zou het in een handdoek willen wikkelen
de vleugels stevig dichtgebonden

 
De nieuwsgierigheid van de kleine giraffepaarden, hun drang om te leven en te ontdekken is aandoenlijk en vertederend. Maar die ontroering wordt onmiddellijk opgeheven door de ontnuchterende vaststelling dat zelfs deze jonge beesten al gedronken hebben uit de bron van de onoprechtheid. Je zou ze zo graag zuiver willen houden, ze ervoor behoeden door ze dicht bij je houden ‘in een handdoek stevig dichtgebonden’.
 
De bundel kent vier afdelingen: ‘Paarse heuvels en nomaden’, ‘Feestelijke vlaggetjes voor mijn tijdbalk, mijn wereldbol’, Een blaf achter de huizen’ en ‘Je zat op de grond en vroeg om een servetje’. Uit het tweede deel komt ‘Lege fotolijsten’. Ook hier staat weer zaken tegenover elkaar.  
 

Lege fotolijsten
 
In een chic restaurant hangen fotolijsten zonder foto.
Dat is decoratie.
Ze representeren de lulligheid van de kunstgeschiedenis.
 
Vroeger zei men: kijk wat er in de lijst hangt.
Nu zegt men: kijk wat er niet in de lijst hangt.
We weten niet meer waar het kunstwerk begint en eindigt.
Wie zegt dat ik niet in de lijst hoor te hangen?
 
Je wordt geacht decoratie op de verkeerde manier te gebruiken.
Het beste kun je veel vrienden hebben die in de lijsten willen hangen
en er dan niemand in hangen.
 
Ik wil de lege stukjes muur kussen die door de fotolijsten
worden begrensd en vertellen hoeveel geluk ze hebben gehad.
Mijn zus noemt mij een steen
maar lege fotolijsten kunnen mij diep raken.

 
Vroeger en nu. Decoratie/ lifestyle of een meer traditionele kunstopvatting. Wat is heden ten dage de hoogste vorm van kunst? Wie zich buiten de geëigende paden begeeft, krijgt kilte en harteloosheid naar het hoofd gesmeten (‘Mijn zus noemt mij een steen’). Terwijl de ‘ik’ hartstochtelijk op zoek is naar schoonheid die trilt van spanning en bezieling. Dat schoonheid alles met eindigheid te maken, laat het magistrale slotvers zien.
 

Er zijn lichten die niet doven
 
ik weet dat er bollen zweven
bliksem, helium, monaziet
het geel is zo teer dat het gloeit
 
ik weet dat er lichtjes zijn
maar ik moet stotteren
en op slot gaan
met een masker op
door gangen lopen
 
in dromen zit ik op de fiets naar huis
trap ik kille instituten
weg langs weilanden
de paarden
de paarden
er is ook een witte
de geur van aardappel
en vers gemaaid gras
 
je zit tegenover me in de trein
achter ons wacht men tot de lichten doven
de plaats waar we heen gaan
zal een plein hebben
van waaruit cirkels groter worden
zolang er geschiedenis ligt
hebben we een kans
 
weet dat ik nooit gewild heb
te praten over natte kleding
het vrolijke falen van iedere dag
weet dat er lichtjes zijn
helium zweeft onzichtbaar
boven de stad

 
Hoop en wanhoop zijn hier in elkaars nabijheid. De ‘kille instituten’ en ‘de bollen’ benemen de mens zijn levensadem. En erger nog, de ontvankelijkheid om te genieten van de omgeving en de natuur. Er gloort echter hoop wanneer het ‘Zolang er geschiedenis ligt/ hebben we een kans’ klinkt. Deze verwachting wordt nog eens versterkt door de lichtjes, de lichtjes van hoop die er altijd lijken te zijn. En dan slaat alles een tweede keer volkomen om, want ‘helium zweeft onzichtbaar boven de stad’. Afbreuk en eindigheid liggen op de loer. Ongemerkt. En dat is misschien nog wel grimmiger dan iets wat je langzaam aanziet komen. Zou werkelijke duurzaamheid, ultiem verzet tegen de eindigheid en het ware leven, zoals Marsman meende, dan alleen maar gevonden kunnen worden in en door poëzie?   

***
Anne Broeksma (Almelo, 1987) studeerde in Utrecht Nederlandse literatuur en werkte voor Greenpeace. Zij treedt regelmatig op met haar poëzie op festivals als Mooie woorden en Lowlands. Ze schreef gedichten voor ‘Dit is de dag’ op Radio 1 en publiceerde in onder meer de tijdschriften Het liegend konijn, Kluger Hans en Tirade. Daarnaast organiseert en presenteert ze literaire programma’s.
Zij werd liefst twee keer door Meander geïnterviewd. In april 2011 door Sylvie Marie en recent (juni 2014) door Loren Brouwers.

Recensie van De beloofde dinsdag - Martijn den Ouden

Kom wissel je tanden…

Martijn den Ouden
De beloofde dinsdag
Uitgever: Querido
2013
ISBN 9789021450100
€ 17,95
96 blz.

De Amsterdamse dichter-predikant J.J.L. ten Kate schreef in 1866 zijn beroemde leerdicht De schepping. Ten Kate was daarmee niet de eerste die over de schepping reflecteert en hij zal zeker niet de laatste zijn. Ook Martijn den Ouden heeft de handschoen opgepakt. In zijn nieuwe bundel De beloofde dinsdag gaat hij eigenzinnig te werk. Lees het vers ‘in den beginne schiep hond de god en het bot’ maar eens.

in den beginne schiep hond de god en het bot
de god speelde in veld zee en hemel

moeder de god stak met kop en schoft uit boven de velden
zag dat alles vlak was
vlak en goed

van links kwam de god
drukte zijn neus in moeder de god
verloor een tand

kom wissel je tanden op een dinsdag
geef ons de namen van de god
het bot en moeder de god

Waar Ten Kate met zijn poëzie trachtte nieuwe negentiende-eeuwse (vaak natuurwetenschappelijke) ontwikkelingen te integreren in vertrouwde bijbelse kaders, doet De beloofde dinsdag dat, tot op zekere hoogte, net zo goed. Klassieke, bijbelse beelden (‘in den beginne…’) klinken ook hier. Den Ouden verbindt ze op zijn beurt met eigentijdse begrippen als ‘de beloofde dinsdag’. Dinsdag, de dag die heden ten dage bekend is komen te staan vanwege de onvermijdelijke dip. ‘Na een wild weekend met pillen en andere vormen van drugs hakt de kater er dinsdag hard in,’ schreef iemand eerder.

‘Kom wissel je tanden op een dinsdag’. Hiermee wordt expliciet gerefereerd aan Den Oudens debuut, Melktanden uit 2010. De dinsdag is het begin van nieuw leven, van een volgende stap in de schepping. Tanden worden gewisseld. De kindertijd is definitief voorbij en volwassenheid ligt meedogenloos op de loer. Dit alles gaat hand in hand met de zo kenmerkende stijl van de dichter: robuust, confronterend en altijd ambivalent. Maar dat wisten we al door Melktanden.

De beloofde dinsdag zit sowieso vol tegenstellingen: niet alleen staat het kind tegenover de volwassene, ook thema’s als heiligheid en onheiligheid (of hier: ‘onreinheid’) worden aan de orde gesteld.

rond dit bed
ruist een zee van honing
van bloed en wijn

ik was mijn handen in bloed
in bloed melk en honing
ik was mijn handen in heilig water
in rivieren in zeeën
ik was mijn handen in olie en zand
ik was mijn handen in de vrouw en de dieren die over het land kruipen
ik was mijn handen in de slang
ik was mijn handen in de longen van mijn grootvader
ik was mijn handen in het luipaardjong

heilig is het luipaardjong
heilig is het veulen

in de adem van het veulen was ik mijn handen
en ik ben rein

Opnieuw valt het grote aantal bijbelse referenties op: ‘[het land van] melk en honing’ (Ezechiël 20:6) en ‘ik was mijn handen in…’. Deze laatste uitdrukking is onder andere terug te vinden in het Nieuwtestamentische bijbelboek Matthéüs. Matthéüs 27 vertelt het verhaal van Jezus die bij stadhouder Pilatus wordt gebracht. Wanneer Pilatus de opdracht heeft gegeven om Jezus te kruisigen, wast hij ten overstaan van het hele volk zijn handen en zegt: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen.’ Het ‘je handen wassen in onschuld’ is een oud ritueel, maar Den Ouden geeft er een nieuwe vorm aan. De inhoud blijft echter bestaan. De menselijke drang ‘rein’ te zijn en het (beloofde!) land van melk en honing te vinden en te betreden lijkt een existentiële waarde.

Opvallend verder is de aandacht voor kleur in de bundel. Het zal alles te maken hebben met de achtergrond van de auteur. Den Ouden studeerde af aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam. Met name de kleur ‘blauw’ springt eruit. Ter illustratie een fragment uit een proza-achtig aandoend stukje uit De beloofde dinsdag.

denk maar aan iets blauws, aan een zwembad met aan de rand rustende
vrouwen in blauwe badpakken die met blauwe rietjes van blauwe
cocktails drinken en boeken lezen met een blauwe kaft en soms kijken ze
even op naar de hemel om zich ervan te vergewissen of het uitspansel
nog helder en strak is, of er niet ergens een wolkje drijft, en nee,
de lucht is kraakhelder, hemelsblauw, en de vrouwen leggen hun boeken op hun
benen, met de blauwe kaft naar boven, bekijken hun blauwgelakte nagels,
nemen een slok met het blauwe rietje van hun blauwe cocktails…

‘Blauw’ is de kleur van het hemelse, het betrouwbare, het geestelijke. Dat alles wordt hier verbonden met bij uitstek aardse zaken: zonnende vrouwen, luierend en nippend aan een drankje, bakkend in de zon. Juist de contrastwerking is het sterke aan dit vers. Als lezer wordt je blik bijna ongemerkt afgewend van deze platte, leeghoofdige dames en getrokken naar meer verheven zaken.

Uiteindelijk blijkt de schepper echter ook maar een mens van vlees en bloed. In de trant van ‘En dan komt er een olifant met een grote snuit en die blaast het hele verhaaltje uit…’ besluit de dichter zijn bundel. Aan het einde van het laatste gedicht roept hij bijna laconiek uit:

hé!
ons grafiet is op

De schepper is afhankelijk van zijn schrijfwaar. Zonder potlood is ie niets. Dat getuigt van een gevoel voor ironie, maar ook van zelfinzicht. Toch is deze bescheidenheid niet op z’n plaats. Want Den Ouden is zonder twijfel nog niet in staat om te stoppen met scheppen. En dat is maar goed ook.

***
Martijn den Ouden (1983) studeerde in 2009 af aan de Gerrit Rietveld Academie, afdeling Beeld en Taal. Naast schrijver van gedichten en korte verhalen is hij beeldend kunstenaar: hij maakt collages en schilderijen. Zijn bundel Melktanden werd door De Poëzieclub ‘Het boeiendste debuut uit 2010’ genoemd.

Recensie van Bewaakt ogenblik - Marjet Cliteur

Kleine zaken, grote inzichten

Marjet Cliteur
Bewaakt ogenblik
Uitgever: Kleinood & Grootzeer
2013
ISBN 9789076644615
€ 16,-
48 blz.

In 1940 verscheen bij uitgeverij G.A. van Oorschot de dichtbundel Parken en woestijnen van M. Vasalis (pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, 1909 -1998). Een van de beschouwers typeerde dit werk met de woorden: ‘Een schijnbaar banaal gegeven leidt tot een flits van inzicht’.
Opmerkelijk is de parallel met de poëzie van Marjet Cliteur meer dan zestig jaar later. In het begeleidend schrijven achterin Bewaakt ogenblik valt te lezen: ‘De gedichten […] beschrijven min of meer kleine, dagelijkse, onopmerkelijke gebeurtenissen. Met dien verstande dat er iets onder, boven, achter of naast het gebeuren in het oog valt. De dichter wil zulke momenten, die zoals bekend haast voorbij zijn voor ze beseft worden, vangen.’ Cliteur voert haar lezer van -zo lijkt het- kleine, haast triviale zaken naar grote, blijvende inzichten. Een voorbeeld.

Park en vergezicht

‘Dat zijn kleine probleempjes. Stap eroverheen.
Blijf naar dat park gaan,’ zegt mijn therapeut.
Maar nu zie ik een konijn
en in dat konijn de konijnenlijkjes
die ik vroeger in de duinen zag.
Het echte konijn steekt er vaal bij af
en loopt veraf door bleek gras.
Ik voel geen wind meer.
Mijn kippenvel zit op vreemde benen.

Alleen het diepste punt van het park,
waar je opkijkt naar drie snelwegen
en de Zuidas erachter,
meestal overvlogen door een vliegtuig:
dat komt binnen.

De overeenkomst met Vasalis is alleen wat de titel betreft al niet onverholen. Deze reikt verder. De kleine problemen blijken voor de ‘ik’ levensgroot te zijn. En onoverkomelijk. De onmacht en het onvermogen stijgt boven het personage uit: ‘mijn kippenvel zit op vreemde benen.’

Ter vergelijking een gedicht uit de bundel Parken en woestijnen.

ANGST

Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed,
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw.
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.

Nagenoeg dezelfde aanpak en een identiek spectrum aan emoties als bij Cliteur worden hier tentoongesteld: de tegenstelling tussen heden en verleden, hoop, vrees, paniek.

Er is echter (in ieder geval één/een) opvallend verschil tussen beide dichters. Bij Vasalis wordt de lezer impliciet aangesproken door herkenbare gedachten en gevoelens. De binding met het publiek in het geval van Cliteur is sterker, meer uitgesproken. De bundel staat vol tips en handreikingen aan het adres van de diegene die het werk leest. Zeer dikwijls spreekt Cliteur in imperatieven aan het einde van haar gedichten. ‘Doe dit!’ en ‘Laat dat!’ klinkt het.

Louter vulsel

Twee balkjes vullen een gat
in de witte muur.
Provisorisch gemaakt.
Toevallig voorhanden.
Door het dichten, raken ze
elkaar, passen ze.

Gooi ze eruit! Poer erin
tot ze lullig en scheef
in uitgemergeld gips
hangen en er net zo goed
uit kunnen.
Hou het open.

Ook in ‘Louter vulsel’ wordt de lezer betrokken en vermaand. Waarom zou je alle gaten in je (levens)huis vullen? Laat ze ongemoeid. Niet alles hoeft dichtgesmeerd. Want hoe houd je anders ruimte voor de verbeelding, voor het ‘onbewaakte ogenblik’? De dichter verklaart zelf in het eerder aangehaalde nawoord dat ‘het bewustzijn […] opgerekt [moet] worden. Zo luidt haar missie. Dit idee wordt ook mooi zichtbaar in ‘de magie van het vogelschilderijtje’.

De magie van het vogelschilderijtje
Waarom blijf ik haken aan dit vogeltje
met de lichtblauwe cirkel om hem heen?
Het rondje lijkt op een vergrootglas,
maar het vogeltje wordt er niet scherper door.
Toch zit hij in het middelpunt
met zijn staartje omhoog in de boom.

O, dat vanzelfsprekende vogeltje,
zo losgezongen van tak, boom, bosje.
Hij staat in de schijnwerpers. Het is niet erg.
Niet elke lelijke veer wordt uitvergroot.
Hij hoeft niet in een donker hoekje
met zijn ruggetje naar de wereld.

Het gedicht is geënt op het (onderstaande) schilderij ‘Magnify’ van Fionna Murray. ‘Magnify’ wil zoveel zeggen als ‘groot maken’. Het vogeltje wordt grootgemaakt (‘staat in de schijnwerpers’) en ook weer niet, omdat de cirkel niet werkelijk als loep dienstdoet. De betovering of de paradox van dit vers (en van het doek) is de notie van het klein zijn en toch gezien – mogen – worden. Opnieuw gaat het hier van het kleine naar het grote. Treffend is in dit verband ook de afbeelding op de voorzijde van Bewaakt ogenblik. De illustratie, vervaardigd door Cliteur – zelf beeldend kunstenaar -, toont een mens liggend op knieën en ellebogen. Hij heeft iets nietigs in handen wat hij aandachtig bestudeert en beschermt, bewaakt.


‘Magnify’ van Fionna Murray (Oil on canvas, 40 x 50 cm)

Cliteurs zoektocht van onbewaakte naar bewaakte tijden, van klein naar groot is een indrukwekkend en leerzaam proces. Het is bovenal een associatieve en creatieve reis die nooit eindigt. Als je er maar voor openstaat. Of om met Vasalis te spreken: ‘ik heb geen lichaam en geen zwaarte meer/ mijn geest is rustig en ik luister…’

***
Marjet Cliteur (1960) studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam en beeldende kunst aan de Gerrit Rietveld Academie. Een aantal van de gedichten uit Bewaakt ogenblik is eerder in literaire tijdschriften als Tirade en Optima verschenen.
De bundel verscheen in een oplage van honderd genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren en is te bestellen via e-mail of de website van de uitgeverij.

Recensie van Manifest voor de poëzie - Philip Meersman

Een eigentijdse reliek

Philip Meersman
Manifest voor de poëzie
Uitgever: De Contrabas ,De Contrabas ,De Contrabas
2012
ISBN 9789079432639
€ 15,-
60 blz.

Zie ze gaan, een rijtje bruine gestalten gehuld in habijten. Zwijgend, dan weer stamelend, lopen ze over de Antwerpse keien. Mensen blijven staan, slaan ze gade. Het lijkt een processie zoals die in vroeger tijden wel passeerde.
Niets is minder waar. Want het zijn geen geestelijken of mystici. Wie goed kijkt, herkent dichter Philip Meersman (1971). En in zijn handen niet het Evangelieboek, maar zijn nieuwe felgekleurde dichtbundel Manifest voor de poëzie.

Meersman presenteerde zijn Manifest voor de poëzie op 7 oktober 2012 tijdens een ‘dadaïstische boekprocessie’ in Antwerpen. De bundel werd daarbij plechtig de stad rondgedragen, als een eigentijdse reliek. Het werk bevat Meersmans ‘geloofsbrieven’ met daarin zijn standpunten en ideeën over poëzie. Niet voor niets draagt het boek de titel Manifest voor de poëzie.
De dichter behandelt ‘grote’ thema’s als angst – met name voor de dood of voor oorlog -, de drang naar de vrede, naar God of het Heilige. De bundel bezoekt hoogten en diepten, gaat ‘van miserie tot geluk’, zoals een van de verzen kernachtig luidt. Het snijdt onderwerpen aan die ‘er toe doen’, in ieder geval voor Meersman en zijn beoogde lezers.

Tijdens de processie reciteerde Meersman bovendien het werk van zijn grote literaire Vlaamse voorbeelden als Guido Gezelle, Paul Van Ostayen, Tom Lanoye, Antoon van Wilderode, Hugo Claus en Herman De Coninck. Dat de dichter zich door hen heeft laten inspireren, is overduidelijk. Een voorbeeld.

‘k Heb veel geleerd, Pa !

‘k Heb veel geleerd vandaag, Pa !
Hoe te sterven bijvoorbeeld
waardig
meelijwekkend
gewelddadig
’t Was interessant
Maar wel griezelig
We hebben veel gelachen
Het werd ons voorgedaan
en daarna
was het onze beurt.
Heel leuk!

En mag ik nu een ijsje pa?

Het vers, en niet alleen dit, is grafisch sterk. Het ‘wit’ dat het gedicht omringt, de spreiding van de woorden over het papier, is veelzeggend. Wendingen, stiltemomenten worden op die manier duidelijk gemarkeerd. Maar de visuele vorm ondersteunt ook de inhoud van het gedicht. De ironie, de eenvoud en de over grenzen heen schrijdende metafysica zijn overweldigend en prachtig.

‘‘k Heb veel geleerd, Pa !’ vormt de opmaat naar een van de centrale verzen in Manifest voor de poëzie, ‘Num 14, 29’:

Num 14, 29

(Uit het boek “Numeri”: Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van
allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd,
omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben.)

Troepen roepen roepen ROEPEN
krijsend in de woestijn
goeie strijders tegen ’t kwaad
niet meer
niet weer
kwaad bloed
stroomt
– daar zijn ze weer –
ik kan niet meer
niet weer

ik wil ogen sluiten zonder
branden
bloeden
breken
makkers
maten
stukken
’t hoofd dat daarnet nog lachte
en chocolade at

ik wil geen chocolade meer
niet meer
niet weer

Het Oudtestamentische Bijbelboek Numeri vertelt over het joodse volk dat door God onder het juk van de farao is bevrijd, uit Egypte is geleid en op weg is naar het beloofde land Israël. Maar het duurt ze te lang, de inspanningen zijn te groot en het vertrouwen in God raakt zoek. Ze beklagen zich over hun lot en trekken Gods leiding in twijfel. Mozes ziet het geweeklaag van zijn mensen en vraagt God om recht en vergeving. God belooft het te geven, maar zweert dat Hij velen straffen zal voor hun ongehoorzaamheid: ze zullen 40 jaar in de woestijn ronddolen om te boeten voor de ontrouw, tot hun lichamen in de woestijn vergaan zijn.

De ‘ik’ in dit gedicht lijkt een personage van alle tijden en plaatsen. Hij kan niet meer, de (oorlogs)situatie heeft hem lamgeslagen, machteloosheid overheerst. En dan klinkt er een oerkreet. Een moderne Mozes is aan het woord, een stem die roept om recht. Maar die gerechtigheid komt niet. Nog niet. ‘Kwaad bloed blijft maar stromen.’ Schrijnend is het en het geheel wordt nog eens onderstreept door het ritme van het vers. De woorden dreunen en slaan in als raketten.

In het gedicht ‘Dichtbij’ overheerst een romantisch levensgevoel.

DICHTBIJ

lezen doe je met gretige ogen
je drinkt de woorden van het blad
absorbeert de letters in je geheugen
schikt ze
als een bruidsboeket
vliegend door de lucht

Het boeket denkt
aan de tijden van ongebondenheid
aan het frisgroen bloeien
aan de het eenzame buigen
met de wind mee

De wind lacht
glooiend in de ondergaande zon

Jij straalt
En ik
ik schrijf

En ook hier weer die aandacht voor verlies en teloorgang.

Manifest voor de poëzie wordt tenslotte besloten met een gregoriaans kyrië à la Meersman. Hier lijkt een priester, een mysticus aan het woord. Het ‘Kyrie eleison, Christe eleison, Kyrie eleison’ (Heer ontferm u over ons, Christus ontferm u over ons, Heer ontferm u over ons) mag dan wel niet letterlijk klinken, de lezer herkent de gelijkenis onmiddellijk.

Zie hem gaan, een bruine gestalte gehuld in een habijt. Zwijgend, dan weer stamelend, loopt hij over de Antwerpse keien. Mensen blijven staan, slaan hem gade. Het lijkt op een processie zoals die in vroeger tijden wel passeerde. Niets is minder waar. Want het is geen mysticus. Of misschien toch wel?

***
Philip Meersman (Sint-Niklaas, 1971) heeft al een behoorlijk aantal dichtbundels op zijn naam staan. Een deel van zijn werk is bovendien vertaald in het Bulgaars, Roemeens, Russisch, Spaans, Italiaans, Hebreeuws, Arabisch, Frans en Engels.
Meersman, die archeologie en kunstwetenschappen studeerde, heeft ook zijn sporen verdiend op het gebied van theater, poëzie en beeldende kunst. Hij is volgens eigen zeggen ‘voortdurend op zoek naar nieuwe kunstvormen en creatieve mensen’.

Recensie van Melktanden - Martijn den Ouden

Volwassen gebit gevraagd

Martijn den Ouden
Melktanden
Uitgever: Querido
2010
ISBN 9789021438450
€ 17,95
80 blz.

Melktanden lijkt op het eerste gezicht te bestaan uit onschuldige jeugdherinneringen van een jong kind. Een bundeling vergezichten over kinderlijke vriendschap, dieren, kwajongensstreken en klein plezier. Niets is echter minder waar. De bundel zit niet alleen zeer geraffineerd in elkaar, de inhoud komt ook uiterst bedreigend op de lezer af.
Eerst die vorm maar eens. Melktanden bestaat uit vier afdelingen: ‘Het uit papier gevouwen dier’, ‘Kan iemand dit koord vasthouden’, ‘Een ijzeren regen’, en ‘Straten die we overslaan’.
De zinnen zijn kort, op het oog eenvoudig. De versvormen zijn vrij, variëren sterk, doen weinig consistent aan. Alles in de bundel springt van de hak op de tak, zoals een kind dat eerst met lego bouwt, vervolgens naar zijn autotootjes rent, om even later te gaan zitten kleuren. Achter die simpelheid gaat echter een hele wereld schuil. Het gaat hier niet om zomaar wat jeugdherinneringen, maar om een volwassen kijk op het leven. Met zulke opmerkingen ben ik echter al bij de inhoud aangekomen.

Een aantal begrippen wil ik uit deze bundel lichten, dit ter ondersteuning van de stelling: ‘niets is wat het lijkt in Melktanden.’ Allereerst de rol van de dieren. Er is iets mee, met de dieren, iets treurigs. Kijk maar naar ‘van de honderd ramen’:

van de honderd ramen
gedraagt zich er een
als een uit papier
gevouwen dier

er brandt nooit licht

achter het uit papier
gevouwen dier
brandt nooit licht

alleen vandaag
stoft een tengere vrouw
de vleugels

dat hoor je gebeuren
de vleugels van dit dier

Is het uit papier gevouwen dier nog de enige optie? Omdat alle levende dieren weg of dood zijn? Tezelfdertijd spreekt uit de verzen nog een diepere, duistere kant als het over dieren gaat. Iets mysterieus. Zelfs mishandeling, al dan niet door de dichter, wordt niet geschuwd! (‘een naar gezicht/ nu de mens het dier doodslaat’) Kracht van de mens en kracht van dieren, ze staan tegenover elkaar.

Uit deel II, ‘Kan iemand dit koort vasthouden’, wil ik het volgende korte gedicht citeren, met het oog op de rol van de mens in Melktanden:

huil niet zo moeder
je sjaal zit zo strak
losjes zei de dokter
LOSJES

Zie hier een maatschappij- en menskritisch vers à la Loesje. Eenvoudig en direct, maar ook dit keer is het anders dan anders. Het gaat niet om een uiting waarin op een Loesje-achtige manier naar de dingen om ons heen wordt gekeken, maar om de moeder (en een kind), de dokter en de sjaal. Er is letterlijk en figuurlijk geen touw aan vast te knopen.

In het derde deel, ‘Een ijzeren regen’, komen begrippen als schuld, onschuld en waarheid ter sprake. De ruwe werkelijkheid van oorlog, verderf en dood is aan de orde. Dode soldaten uit Afghanistan en de ‘ik’ die meedoet, meeleeft en meeschiet. Alle kinderlijkheid is hier verdwenen. Of toch niet? Tekenend is het gedicht ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Het gaat zo:

ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin
ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin

En dit gaat anderhalve pagina onafgebroken door. Een rijtje strafregels, zoals ieder kind die op school wel eens heeft moeten schrijven. Maar met een gruwelijke inhoud. Als eerder opgemerkt: vorm en inhoud gaan in deze dichtbundel niet samen.

‘Straten die we overslaan’ tenslotte. Deze vierde afdeling herbergt een scala aan vergezichten en is voornamelijk nostalgisch van toon (zie: ‘het speelkwartier van mijn jeugd’). Maar ook hier wordt men een serieuze ondertoon gewaar. In ‘straten die we overslaan’ gaat het erom de narigheid te ontlopen, om kind te blijven, tegen beter weten in.

straten die we overslaan:

-de Lindelaan
-de Ketenlaan
-de Dorpstraat
om de brandende autobanden, hoeren en gokgarages

vanuit mijn raam zie je een mooie dag

de supermarkt
de clochard met zijn gitaar
-there is a house
in het watergeklater van de fontein

daar varen kinderen in gasballonnen door de lucht

dat zijn de deugdelijke straten
in het licht van een mooie dag

Is Melktanden een bundeling jeugdherinneringen? Zeker. Maar de lezer behoeft wel een volwassen gebit. Om af en toe even door te kunnen bijten.
***
Martijn den Ouden (1983) studeerde in 2009 af aan de Rietveld Academie, afdeling Beeld en Taal.