Recensie van Wat we achterlieten / What we left behind - Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.

Weemoed en bezinning verbeeld en verwoord

Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.
Wat we achterlieten / What we left behind
Uitgever: De zwarte els
2017
ISBN 9789080442122
€ 17,50
103 blz.

Voor mij is een mooi boek belangrijk: als de inhoud op een fraaie manier wordt vormgegeven vind ik het product in zijn geheel mooier. Toen ik pas leraar was, een jong gezin had, kocht ik wel eens Bulkboeken, literaire producten als krant vormgegeven. Ze kostten weinig. Weliswaar werden boeken en gedichten zeer toegankelijk, maar schoonheid in de vorm van een krant van papier dat snel geel wordt en scheurt, wordt voor mij minder kostbaar. Hoewel de Bulkboeken nog steeds op een stapel ergens op een plank liggen, kijk ik ze nog nauwelijks in.

De tweetalige, op foto’s gebaseerde dichtbundel Wat we achterlieten / What we left behind is een buitengewoon mooi boek. Ik sla het vaak open, kijk naar de afbeeldingen, lees een gedicht en geniet elke keer. De foto’s en het omslag van dichter/fotograaf Mariet Lems zijn mooi en melancholiek (en druktechnisch prachtig). Gemaakt in Ierland zijn ze, lijkt het, gemaakt in verlaten huizen: er staat een paraplu tegen een door vocht uitgeslagen muur, er hangt een jas, een heiligenprent, er staat een paar roeispanen, een boot drijft in het water. Het zijn deze foto’s die voor de uit vijf dichters bestaande groep Divers de aanleiding zijn geweest de gedichten te schrijven die dit boek vullen en door Wim Tigges in het Engels vertaald zijn.
Ik ben geen anglist, maar weet wel iets van het vertalen van Nederlandse teksten. Zelf heb ik een door mij geschreven gedichtencyclus over de getijden in Umbrië in het Italiaans vertaald, waarbij ik behoefte kreeg aan een moedertaalspreker. Ik heb de indruk dat mede door de samenwerking met een Italiaanse filoloog/filosoof mijn vertaalde gedichten het in Italië beter doen dan in Nederland vanwege de sociaal-linguïstische context. Deze vertaler heeft het alleen gedaan. Ik hoop dat zijn Engelstalige teksten in Ierland met even veel waardering worden ontvangen als de mijne hier in het zuiden: het is, hoe dan ook, een knappe prestatie. Ik verwacht het wel, het beeld wordt verwoord en draagt eraan bij dat de Ieren ervan kunnen genieten. Ik gun het hun en de dichters.
Peter van de Kamp heeft een Engelstalige inleiding geschreven, waarin hij onder meer van elk van de dichters een gedicht behandelt. Ook dat verhoogt de aantrekkelijkheid, net als het feit dat Mariet Lems veel in Ierland komt: ze kreeg zelfs een Ierse boer aan de poëzie.

De groep Divers, bestaande uit Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems, Wim Hartog en Wout Joling, komt eens in de zes weken bij elkaar. Zij bespreken dan een nieuw gedicht over een van te voren afgesproken thema, waarvan de tekst bekend is. Het gedicht wordt dan volgens een vast stramien besproken. Eerst leest degene die links naast de schrijver van het aan de orde zijnde gedicht zit de tekst voor; dit kan onduidelijkheden aan het licht brengen. Dan leest de maker het voor. Vervolgens gaat men rechtsom en mogen er opmerkingen worden gemaakt die over de wezenlijke zaken gaan. Naar eigen inzicht verwerkt de ‘maker’, de poëet (dat komt van poietes, wat maker betekent), deze opmerkingen. Dan wordt het gedicht nogmaals aan de groep voorgelegd.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van gedichten waarbij de foto’s aanleiding tot dichten waren: men was vrij om te reageren zoals men reageerde.
Het boek kent  vier afdelingen: ‘Binnen’, ‘Buiten’, ‘Landschap’, ‘Water’. Elke dichter reageerde op de beelden die deze thema’s illustreren. Opmerkelijk is de grote variëteit van de gedichten. Het eerste gedicht van Edith de Gilde is een inleidingsgedicht. Het heet ‘Scheppers’. Een citaat: ‘Op een dag hadden we er genoeg van. / We gingen na wat we zeker wisten / en pakten het in een rugzak. // Die was niet zwaar. We sjorden hem om / en verlieten het huis. Dat we opnieuw / ballast zouden vergaren was op dit ogenblik // van geen belang…’.
Het is onmogelijk om zoveel te citeren als ik zou willen. Elke dichter zou aan zijn of haar trekken moeten komen, maar omdat dit het werk is van een groep, neem ik aan dat men zich ook kan identificeren met een gedicht dat in de groep is behandeld.
In het onderdeel ‘Landschap’ schrijft Mariet Lems bij een wonderlijk mooie serene foto: ‘Wie er woonde heeft misschien toch wel / het nakijken. Dat ik vastleg wat / los wil, meeneem wat vergaat / opteken wat gezegd wilde / Hoe ik de gastvrijheid ontvlucht / omkijk, de deur sluit, een braam pluk / groet…..’. De sfeer is melancholiek, de vorm van het gedicht is mooi, er klinkt een resignatie in de taalmuziek. Ook Wim Hartog reflecteert over een foto op zijn manier, waarin hij verwijst naar het orthodox-katholicisme, dat grote gezinnen stimuleerde. Dan moest ‘het geslacht / wel eerst met wijwater gewassen. / Er kwamen goddelijke kinderen.’ Ook hij eindigt in een soort resignatie: ‘Nachtdiep zicht verliest / de witte sluiter aan zalige prikkels.’
In de afdeling  ‘Water’ werd ik gecharmeerd door het gedicht ‘Rustgebied’ van Wout Joling:

Ik wacht niet tot het laatste
woord is verouderd
zoals het meer in een poel
en de lucht
van grijze lei

Het paard
dat niet meer galoppeert
van wie alleen het malend
grazen aan de stilte
van het beemdgras schurkt

De bomen onveranderlijk
groen door de seizoenen
herfst blijft zomer
in winters smelt niets
dat van natuur is

Snor en rietgors
verwijlen in het onderriet
waar nergens nog
een woord verschrikt
van plek verschiet

Kortom, voor wie van fraaie, milde en melancholieke poëzie houdt, gebaseerd op mooie foto’s, fraai vormgegeven, is dit boek een aanrader. Edith de Gilde en Mariet Lems speelden de belangrijkste rol bij de totstandkoming ervan. Het is ook een mooi cadeau. Dat de Ierlandkenner Ruud Hisgen de fraaie Nederlandstalige inleiding schreef, waarbij hij deze poëzie verbindt met de hartenkreten van een middeleeuwse monnik, draagt bij aan de ongelooflijk hoge kwaliteit.  Het boek roept bij mij een soort heimwee-achtig verlangen op om eens naar het groene Ierland toe te gaan, wat ook bij  lezers het geval zal zijn.

***
De uit vijf dichters bestaande groep Divers, met de klemtoon op de tweede lettergreep, komt regelmatig bij elkaar. De dichters zijn bijna allen zeventigers. Doordat ze in een groep werken, ontstaat er zeer zorgvuldige poëzie. Edith de Gilde is bestuurslid van Meander en evenals Mariet Lems werkend lid van de Haagse Kunstkring.
De bundels zijn te bestellen bij De zwarte els (de.zwarte.els@outlook.com)

Op ooghoogte

Gedichten kan je gewoonlijk lezen in een boek, een tijdschrift of op een scherm. Maar tegenwoordig ook op veel andere plaatsen. Edith de Gilde vertelt op welke openbare plekken haar gedichten zoal te zien waren.

Een gedicht gaat pas leven als het gelezen wordt. Soms doet iemand na het lezen nog iets meer met een gedicht, maakt het zichtbaar voor andere ogen. Dat is geluk. Soms had ik geluk.

De eigenares van een feestartikelenwinkel in Sint-Niklaas, bijvoorbeeld, kalligrafeerde ‘Ik stelde in gedachten’ en hing het in haar etalage, als onderdeel van ‘De Min’, een manifestatie van Philip Meersman c.s. in 2003.

ik stelde in gedachten
uit de minnaars van mijn leven
de ideale minnaar samen

van een nam ik de warmte in zijn ogen
het welkom in zijn armen
en van jou…

van een de lust waarmee hij vrijde
zijn lijf, zijn geur, zijn stem
en van jou…

van een de troost als ik die nodig had
de ruimte om te ademen
en van jou…

van een nam ik zijn fantasie
het altijd onverwachte
en van jou…

van jou neem ik alles
en alles en alles
en meer en meer en meer

‘Bakterion’ reisde in 2006 door het land als onderdeel van een tentoonstelling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
‘Hoe het was begonnen’ hing in hetzelfde jaar in het kader van de tweejaarlijkse poëzieprijs  van Oostende in de bibliotheek Kris Lambert, vergezeld door een prachtige foto van Michel Maes.

hoe het was begonnen wisten we niet
de woensdagen bleven maar komen
vaker en vaker en niemand begreep het
al deed de minister alsof maar ook hij
wist niet waar de knop zat

en de woensdagen raakten losser en losser
dinsdagen hadden er niets mee van doen en
donderdag wist zich geen raad
treinen bevroren vliegtuigen ontspoorden
er kwamen nog wolkjes uit monden
maar geen enkel goed woord

kinderen kenden de waarheid als altijd
maar ook zij willen warmte en warmte was weg
en plotseling bleven de woensdagen weg
en toen pas, toen pas

Voor de PoëzieLeesRoute in Amersfoort in 2009 plakten bewoners van de Muurhuizen gedichten op hun ruiten.

 

‘Cirkel’ lag, ook in 2009, in een lezenaar op de Groeneplaats in Den Burg, Texel.

Een van de mooiste voorbeelden dateert uit 2012,  toen Octavia van Horik voor de tentoonstelling ‘Tableau Turkije’ in de bibliotheek aan het Haagse Spui een gedicht van Necip Fazil Kizakürek met mijn ‘Eerste gastarbeider’ samenbracht in één indrukwekkend beeld.

/

EERSTE GASTARBEIDER, 1965

ik zag hem vaak in de Stationsstraat,
schouders opgetrokken, winterjas
als opgezette veren om zich heen.

hij keek niet op of om. gesloten deuren
links en rechts. ook als de zon scheen
liep hij in de regen.

ik zag hem, maar ik wist niets van
de open huizen in het land
achter zijn ogen, van de verre vrouw.

het grauwe waas dat hem omringde
verried de kleuren van Turkije niet,
hield de verloren warmte binnen.

Er waren tentoonstellingen in Assen, Scheveningen, Vught, nog eens Oostende en nog eens Den Haag. Er waren beschilderde deuren in Haarlem, er was een beschilderde kamermuur in Soest. Henk Dillerop maakte een gedichtenboom in Leeuwarden.Van dit alles resten brochures, catalogi en foto’s. Dat geeft niet; ik houd van het tijdelijke. En er is één uitzondering, al bevindt die zich in zekere zin meer in de ‘private’ dan in de publieke ruimte. In 2014 maakte Carlijn van Vlijmen uit werk van haar medeleden van de Haagse Kunstkring collages in de beide wc’s van het HKK-huis aan de Denneweg 64. Voor die van de dames koos zij,  onder veel meer, de eerste strofe van ‘Cirkel’. Een fragment werd onderdeel van een nieuw kunstwerk, dat per definitie alleen gezien wordt door bezoeksters van de Haagse Kunstkring. Maar voor wie op de daartoe bestemde plaats zit, wel mooi op ooghoogte.
Recensie van Vleugels van cement - Edith de Gilde

We hebben geen idee

Edith de Gilde
Vleugels van cement
Uitgever: De Witte Uitgeverij
2012
ISBN 9789461071385
€ 10,00
78 blz.

In ‘Heesterbuurt’, een van de gedichten uit de korte ‘Haagse’ afdeling van Vleugels van cement van Edith de Gilde, laat een ongenoemd gebleven waarnemer zijn fantasie de vrije loop bij een aantal dingen die hij ziet bij de huizen waar hij langs loopt: een lampenkap wordt een losbrekend luipaard, een lavalampje een uitbarstende vulkaan, een cementen adelaar verlaat een voortuin voor een hoge vlucht. Drie keer wordt dat ingeleid met ‘als’: als dát, dát en dát zou gebeuren, dan zou de verbeelding de werkelijkheid volstrekt veranderen. Dat het niet gebeurt, blijft impliciet, maar is natuurlijk evident – de onmogelijkheid zit in de materie van de vleugels al opgesloten, cement is niet de stof van onze dromen.

In een ander gedicht, ‘Passage’, staat de ik-figuur voor de deur waarachter zich de tuin bevond waar Alice Liddell, de kleine muze van Lewis Carroll, ooit speelde. Het is, zou je kunnen stellen, de plek van de ultieme verbeelding, maar de wonderwereld blijft gesloten, want Ofwel je drinkt en krimpt en kunt niet bij de sleutel/ of eet en groeit en kunt niet door de deur/ Hoe dan ook, je gaat maar door met leven.

Die discrepantie tussen verbeelding en werkelijkheid en vooral de nuchtere vaststelling dat het leven je geen andere keus laat dan dit te accepteren, is een belangrijk thema van deze bundel. Het komt meteen al in het eerste gedicht aan de orde:

VERBRANDE TURF

Was ik nog kind, mijn moeder
hield me thuis vandaag.
Veilig ziek onder de dekens
zou ik haar bezig horen in het huis.

Er ligt sneeuw op mijn nieren, alles wat ik aanraak
is koud of veel te heet. Ik wil mijn moeders
warme chocolademelk, haar koele hand.

As is verbrande turf – zij zou de eerste zijn geweest
om dat te zeggen, groot geworden in een harde tijd.

As is mijn moeder.

‘Als’-vragen zijn zinloos, de realiteit is zoals zij is, de gewenste of gedroomde werkelijkheid kan nooit anders zijn dan illusoir.
Het is niet alleen qua inhoud een kenmerkend gedicht. Er is mooi aan te demonstreren hoe in dit vrije vers vormaspecten op een onnadrukkelijke manier de samenhang bepalen. Allereerst is er het klankpatroon, dat gedomineerd wordt door de liefst twaalf a‘s van as en het daarin verborgen als, en de zes klagende aa‘s; daarnaast is er acht keer de ei-klank, die mijn koppelt aan veilig en tijd en valt nog op hoe sterk hield, ziek en nieren in klank verbonden zijn.
Naast al die assonanties zijn er de alliteraties, die zich evenmin opdringen, maar wel voor een subtiel verband zorgen, zoals mijn – moeder, vandaag – Veilig, koud – chocolademelk – koele.
Er is meer. Let op het mooie chiasme in de tweede strofe, zie hoe het lyrisch ik met ik, me en mijn de overhand heeft over haar, zij, moeder. En let vooral op de aflopende lengte van de strofen: na de vierde, na de As, kan er niet anders dan niets zijn.

In vrijwel al haar gedichten (het zijn er 54, onderverdeeld in vijf afdelingen) toont Edith de Gilde eenzelfde beheersing van haar materiaal. Taal is dienstbaar, maar wordt nooit ondergeschikt. Blijkens een aantekening achterin werden de gedichten geschreven in de periode 1998-2011; opvallend is dan de consistentie van de bundel, die een duidelijke eenheid vormt en geen moment de indruk vestigt van een soort grabbelton.

De Gilde heeft het talent haar gedichten als volkomen vanzelfsprekend te laten overkomen. Zij is nooit cynisch of bitter of zelfs maar onverschillig, al brengt haar nuchterheid wel een zekere distantie mee die aan een haast klassieke gemoedsrust doet denken.
Neem het experiment dat in het gelijknamige gedicht wordt uitgevoerd: Men zou me open kunnen snijden en op zoek/ gaan naar wat mij tot mij maakt. Mijn vermogen/ vinden om mijn schouders op te halen. Als het weggenomen gen bij een ander wordt ingeplant, zouden diens voeten ineens de aarde raken. En dan vervolgt het gedicht: Men zou zich opblazen van trots. Naar mij/ zou dan al maanden niemand hebben omgekeken./ Vraag is of het me zou deren. Vraag is of het ertoe doet.

Of neem het ‘experiment’ dat zij zelf doet in ‘Geen idee’. In de eerste strofe is op haar raam een vlieg geland en dan vervolgt het gedicht zo:

Ik pak een liniaal. Vier millimeter lang
ben je, vlieg. Er zit glas tussen ons, maar
je merkt iets, loopt weg, vliegt op.

Ik meet doorgaans geen vliegen. Waarom nu?
Iemand trof me. Daarna deed ik het. Zo gaat dat.
Wat er omgaat in een hoofd, wat we elkaar
aandoen, vliegje, vliegje, we hebben geen idee.

Geen idee van wat er in eigen hoofd of in dat van anderen omgaat? Geloof de dichters niet, want juist als zij zeggen het niet te weten, zijn zij het duidelijkst; ‘geen idee’ blijft lang nazeuren, bijvoorbeeld in een latere regel als In het verdwaalhoofd dat het mijne is, of in ‘Verloop’ (een heel zuiver lamento): iets was er/ iets was er altijd/ altijd was er/ iets waar je niet bij kon// […] // en je zat en je wachtte/ en jij was het wachten/ je zat en je wachtte/ je wachtte op iets.

Vleugels van cement is een rijke bundel. Ook een wijze. ‘Omtrekkende beweging’, met acht terzinen niet alleen het langste gedicht uit de bundel, maar ook het onbetwistbare hoogtepunt, bewijst het. De openingsregel is: Niemand had de goden verteld dat ze niet bestonden. En dan luidt het slot:

[…] Of je nou mens of god bent,
iets wat zich aan je greep onttrekt, terwijl je weet
dat het je nodig heeft, daar kan je gek van worden.

Misschien maar beter niet zo hard te jagen, de vragen
te omarmen, de woorden te vergeven, die dwaalgeesten
waar we niet buiten kunnen. Vraag het de dichters maar.

Het is jammer dat Edith de Gilde niet veel eerder veel meer gepubliceerd heeft. Als ze op jongere leeftijd bundels had laten verschijnen, had zij wellicht een grote naam in de Nederlandse poëzie kunnen worden. Het kan natuurlijk nog altijd. Als… Maar we weten inmiddels in welk perspectief we dat woord moeten plaatsen.

***
Edith de Gilde (Den Haag, 1945) studeerde Nederlands in Leiden en was daarna enige jaren lerares Nederlands. Ze werkte vervolgens bij Oxfam Novib en had een yogastudio. Zij was van 2000 tot 2005 redactrice van Meander en is nu bestuurslid van de Haagse Kunstkring. Ze publiceerde in 1998 in eigen beheer de bundel Zeilschip Zondag en was in 2001 medeauteur van Mogen we éven @frekenen? De tweetalige bundel Verloop / Verlauf met vertalingen in het Duits van Hans v.d. Veen is uit 2011. 
Weblog: http://edithdegilde.blogspot.com
In 2008 had Elly Woltjes voor Meander een interview met haar.

Gedichten

EERSTE LIEFDE

met hem wil ik spelen
dacht ik maar ik deed het niet

zat stil en wist
dat er iets kapot moest

dat al mijn meisjesboeken
me hadden voorgelogen

dat ik prinsen zou beminnen
met butsen en builen

die dag was ik zo oud
als ik jong was

mijn in zichzelf verzonken prins
ontging het

JEU DE PAUME

jij die je duimen vertrouwt
met jou wil ik kaatsen

met jou de regels buigen
tot ze ons passen als een huid

jij kaatskoning ik ben
je teamgenoot je tegenspeler

ik ben de bal het gras ik geef
de grenzen aan

als je het goed speelt volg ik je
tot ver buiten de lijnen

tot lang voorbij het scorebord

DE TAAL KOMT HUN TE HULP

de kier in de gordijnen
verraadt zodra het licht wordt
welke kant het op gaat

hoe dan ook wordt koffie gezet
ontbijt gemaakt
een was gedraaid

maar wat de kier laat zien
bepaalt de geur, de smaak
en of er wordt gezongen

vandaag geen noot te horen

blauwe druifjes, probeert ze
hij proeft, knikt
zegt: boterbloemen