Recensie van Verse helden - Gerry van der Linden

Winnen van de zwaartekracht

Gerry van der Linden
Verse helden
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822579
€ 19,99
64 blz.

Verse helden van Gerry van der Linden is haar elfde dichtbundel. Op de flaptekst staat dat zij ‘de absurde wereld van nu en de schijnbaar onschuldige van vroeger’ ontrafelt. Het woord ‘schijnbaar’ gekoppeld aan de ‘onschuldige [wereld]  van vroeger’ intrigeert me, roept voor mij als lezer spanning op, zeker in relatie met de titel Verse helden. Wie zijn voor deze dichter de verse helden?   

Na een eerste lezing confronteert de derde afdeling ‘Wij, pendule’ me met de poëzie over enkele familieleden van de dichter; ze zijn te zien zijn op een 8mm-film. Op film kun je het heden vastleggen en dat later op elk gewenst ogenblik terughalen. Film laat de tijd ook als een voortgaande beweging zien. Manipulatie met de tijd is mogelijk: je kunt de film herhaald afdraaien en dat biedt mogelijkheden voor de dichteres. Het gedicht doet me denken aan het bekende ‘Oom Karel: een familiefilmpje’ van J. Bernlef, waarin een film versneld, vertraagd afgedraaid en zelfs teruggedraaid wordt. De helden in ‘Wij, pendule’ zijn de vader, de moeder, de zoon en de ik-figuur die in enkele gedichten optreedt. Omdat zij in de gedichten de personen zijn over wie wordt geschreven, worden zij de nieuwe, verse helden. Het verleden, die de dichter door middel van poëzie terughaalt en wil vasthouden, wordt een nieuwe werkelijkheid, zoals in het gedicht ‘In het diepe was de zee naakt’, waarin de ik-figuur de hand van de vader vast heeft: ‘zijn vingers / ik kon ze niet vinden / ze klemden mij vast’. Wat me opvalt in deze afdeling is het gebruik van het relativerende woord ‘nogal’ in enkele titels, zoals in ‘Nogal late brief aan mijn vader’ en ‘Twee nogal vliegende gedichten voor mijn zoon’. Na het lezen van de desbetreffende gedichten krijgt dit relativerende woord het effect van een verontschuldiging, alsof de dichter eerder deze herinneringen had moeten verbeelden. De afdeling sluit af met volgende ontroerende, titelloze gedicht over het verstrijken van de tijd, dat terug te zien is in de generaties. Het gedicht heeft alles in zich om een klassiek moedergedicht te worden:

Moeder, de tijd ligt brak
onder je huid.
Je ogen wijzen naar een einder
die bijna van jou is.

Je kinderen hebben grijze haren.
In hun lijf lopen jouw bloed, sporen
glimlach en vernieling, het gaat
niet als vanzelf.

Hun kinderen buigen licht, zoveel
lichter gaat vanzelf.
Ze bloeien als rozen in het zand

drinken als de regen voorbij is.
En ooit op het erf van vroeger
staan ze in jouw voren.

In de tweede afdeling van de bundel ‘Dansen in de zon’ wordt in het openingsgedicht duidelijk wie de dansers zijn: ‘o de doden zijn dansers / hun gebaren en stem stompen in de wind’. In deze afdeling staan twee titelloze gedichten die respectievelijk zijn opgedragen aan de dichters Wim Brands en Rogi Wieg. Het aan Rogi Wieg opgedragen gedicht eindigt aldus:

Poëzie is vallende ziekte, die wint
van zwaartekracht

waar je niet gaat, blijf
waar je niet blijft, ga

vederlicht, o ja

Deze minipoëtica voert naar een ander opvallend aspect van deze bundel: de paradox als toegepast stijlmiddel, waarmee in dit fragment gezegd wordt dat de dichtkunst krachtiger is dan de aardse zwaartekracht. En meer dan dat: de dichter moet blijven op de plaats, waar hij niet naar toegaat, en naar de plaats toegaan waar hij niet blijft of van plan is te blijven. Kortom, een dichter beweegt zich op andere wijze in de werkelijkheid dan de niet-dichtende mens. De dichter legt andere routes af en komt op plaatsen waar anderen niet komen, maar via het gedicht mag de lezer er kennis van nemen. Het gedicht is een routekaart, Van der Lindens poëzie is een andere realiteit, een verbeelde herinnering van vroeger, een moment uit het heden, ‘zoals / herschikken van adressenbestand / jij erin, jij eruit, levend, dood’. Wellicht ten overvloede, ik realiseer me dat dit fragment met zijn paradoxen op een aantal andere manieren te lezen is en dat leidt tot andere interpretaties.

De vierde afdeling ‘Een boterham eten met Brodsky’ gaat over het verblijf van deze Russische dichter op Poetry International in 1989. Hij had twee jaar daarvoor de Nobelprijs voor Literatuur gekregen. De poëtica van de vorige afdeling komt in concrete vorm terug in het slotgedicht ‘In het vliegtuig  naar Wenen, verbannen, 1972’. Uitgangspunt is het opgooien van een munt. In de eerste strofe lezen we: ‘Hij gooit een munt, slaat / die neer op de rug van zijn hand / belofte, zwaartekracht’. Weer die zwaartekracht, nu verbonden aan het toeval en het lot dat Joseph Brodsky te wachten staat. Wat heeft de toekomst voor hem in petto? In de slotstrofen krijgen de werkwoorden ‘uitvliegt’ en ‘openbarst’ een opmerkelijke betekenis.

Het is een dag als alle andere
dat hij zijn land uitvliegt

zijn koffer openbarst van vrijheid
de jassen zwaaien niet

hij gooit een munt
de lucht blijft leeg.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Wat voortbeweegt’ koppelt de dichter het (voort)bewegen aan het aspect tijd. In een van de laatste gedichten wordt de ik-figuur losgemaakt van de dichter: ‘De dichter die op onverwachte tijden / bij mij inwoont / doet de boodschappen’. Dit gedicht eindigt met de persoon van de dichter die in een supermarkt rondloopt en bij ‘een zwart wimpermeisje’ afrekent, de ‘daklozenkrantenman’ ontloopt en de muzikant geen muntje kan geven, omdat ze de handen niet vrij heeft. Weer ‘in eigen huis’ gekomen propt ze de koelkast vol: aardser kan het niet. De dichter is weer thuis, maar wat is thuis? De dichter gaat na het boodschappen doen ogenblikkelijk aan het werk, ‘pakt de stofzuiger en begint’, want ‘overal ligt taal’. Juist ja, die betekenis heeft het woord ‘stofzuiger’ ook.

Vader, moeder, haar zoon en de dichter Joseph Brodsky zijn de verse helden. Helden van vroeger die ook nu nog vereerd worden, helden van nu die een verleden en nog een toekomst hebben. De bundel Verse helden geeft kriskras lezend zijn geheimen geleidelijk prijs: de grote die je het eerst ziet en herkent, daarna is het zoeken naar de kleine verborgenheden. Die zijn er volop, maar een aantal blijft in eerste instantie onzichtbaar. Ik blijf zoeken en lezen, geef het niet op, want deze ‘Verse helden vertellen verhalen / grote gebaren en kleine nuances’. Gerry van de Linden sluit de bundel af met het gedicht ‘Nogal leugenachtig lied van de dichter’, waarin ze zich in de slotstrofe afvraagt: ‘Wie zal treuren om de leugen / die ik ben als ik niet meer ben / maar in de aarde opgegaan’. Als je als dichter een waarachtige leugen bent, dan ben je nooit betreurenswaardig.

***
Gerry van der Linden publiceerde elf dichtbundels, een novelle en twee romans. Ze werd in 1975 ontdekt door Remco Campert en debuteerde met de dichtbundel De aantekening (1978). Ze ontving in 2007 de International Poetry Reward of Izmir (Turkije) en haar bundel Glazen jas werd in 2009 genomineerd voor de Brabantse Prijs der Letteren. Gerry van der Linden is docent aan de Schrijversvakschool te Amsterdam, daarnaast is ze beeldend kunstenaar.

 

Recensie van Stadswild - Gerry van der Linden

Niks mis met Stadswild

Gerry van der Linden
Stadswild
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046817223
€ 17,50
64 blz.


Stadswild
is de tiende dichtbundel van Gerry van der Linden. Ook publiceerde zij een novelle en een roman. De tekst op de achterkant vertelt dat zij is ontdekt door Remco Campert en dat ze poëzie doceert aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Alles bij elkaar is dit een indrukwekkende staat van dienst. Een geniepig stemmetje in mij zegt dan: ‘Dat wil ik weleens zien.’ Dat zou zomaar afgunst kunnen zijn. Maar ik heb ook sterk de behoefte om mijn eigen oordeel te vellen en me niet te laten intimideren door obligate loftuitingen. Zelf lezen, met een zo open mogelijke mind en dan mijn bevindingen verwoorden.

Laat ik eerst opmerken dat een poëzierecensent een lezer is met een eigen smaak en een eigen beleving van gedichten. En dat ik een welwillende poëzierecensent ben, die zich bij het lezen van dichtbundels graag laat verleiden. Daarbij gebeurt het vaak dat ik er even in moet komen. Van iedere dichter die ik lees moeten de unieke geest, blik en taal op mij groeien. Natuurlijk heb ik daarbij mijn eigen voorkeuren voor thema’s en stijl. Daarvan heb ik echter geen schema, waarbij ik kan aanvinken of de gedichten aan mijn eisen voldoen. Nee zeg, zo zou ik elke verrassing uitsluiten.

Ik groeide in deze bundel, maar ik groeide er ook weer uit. Van der Linden observeert, beschrijft met weinig woorden en weet in sommige gedichten een beklemmende sfeer op te roepen. Pas bij het zevende gedicht word ik geraakt door een jongetje op een plein met een zak chips:

 

(fragment)

de wind aait
zijn verwoeste oogopslag
zijn wimpers trillen

hij wacht op de genadeslag

Het hele gedicht is hier te lezen, in de rubriek Dichters.

Het kan zijn dat dit gedicht iets minder kaal is dan de meeste van haar gedichten, dat de dichteres hier toch iets meer gevoel toelaat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben verzot op kale gedichten, maar dan luistert het des te nauwer of de dichter de juiste woorden vindt. Daarin ben ik een zeer kritische lezer. Hier vind ik het wel werken:

 

De straat is niet van haar
overal vormen en de lucht
glijdt ertussen

een voetganger zoekt
een weggestopte hand
de regen ruist door
[ … ]

de straat is niet van haar
de stenen blazen hitte af
het asfalt bolt op

wegdek scheurt open
erin valt zij
boven op de anderen
 

Hier gebeurt meer dan alleen waarnemen en beschrijven. De ‘zij’ uit het gedicht maakt iets mee, al is het maar in haar verbeelding.
Het lijkt me dat van der Linden vaak in de derde persoon schrijft om afstand te scheppen tussen zichzelf en het onderwerp. Maar ik geloof het niet altijd, het komt soms over als een trucje.
 

SOCIAL MEDIA

Ze wil een brief schrijven aan het universum
of anders een kattebelletje

misschien krijgt ze antwoord op een briefje

hoe je van een tot op de draad versleten geluid
luchtige opmerkingen kunt maken

je met iedereen kunt praten als je wilt

Ik begrijp hier de frustratie van de afstand en ik waardeer de fraaie omschrijving van het cliché, maar ik zou het echt eerder geloven als het gedicht in de ik-vorm was geschreven en niet in de ze- en zelfs de je-vorm. Ik proef eenzaamheid, maar ook de huiver om die onder woorden te brengen. Niet eenvoudig misschien, maar wel een uitdaging om te overtuigen. En dat kan met veel woorden, maar zeker ook kaal.

Het minst onder de indruk ben ik van de afdeling met Portugese gedichten. Ik neem ze tot me als een reeks stillevens, mooie ansichtkaarten, maar ze raken me niet.

Er is niks mis met de bundel Stadswild van Gerry van der Linden en dat is misschien nou juist het probleem. Volgens mij heeft ze net iets teveel geschrapt, of de verkeerde woorden. Daardoor worden de meeste gedichten net iets te kaal, of zelfs kil.

 

Gedichten

Op het plein zweeft een kind
zwiept met zijn hoofd
eet chips uit een zak

achter haar schouder duikt hij op
wil je tikkertje spelen, mevrouw
waar zijn je vriendjes, vraagt ze

dingen doen, zegt het jongetje
hij heeft lichtrood haar, witte knokkels
een blikje cola

heel wit kijkt hij weg

de wind aait
zijn verwoeste oogopslag
zijn wimpers trillen

hij wacht op de genadeslag

aqueduto da esperança

De kleine werkers in het aquaduct
veegden met hun grote vegers
modder en ratten uit de watergeul

veegden elkaar op de hoop
van Aqueduto da Esperança
dronken van zuurstoftekort

bovengronds nuttigde de bourgeoisie
thee met een smaakje –

Ode aan het tapijt

Op het Perzisch tapijt van moeder
vlechten wij elkaars tenen
bouwen ruggengraat
klein en angstaanjagend horden wij

op de smalle baan
van het tapijt dat niet wil geven
wat wij willen: kleurig geknoopt leven
in onze eigen voetafdruk

vader en moeder en ander getouw
hebben ons gemaakt van garen
vroeg gekiemde mazen
in het nokhoge trapezetapijt

springen we vooruit en duwen
vallen af en spuwen
de een haakt de ander nu
vader allang uitgerangeerd en dood

ooit moeders man en judas jazeker
hitste hij ons modderige kinderen op
het is: moeders Perzisch tapijt bezweren
en alle dingen daarop kapot

niet gemakkelijk wegpoetsen

Recensie van Wat een geluk - Gerry van der Linden

De zon een schommel

Gerry van der Linden
Wat een geluk
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2012
ISBN 9789046813225
€ 17,50
64 blz.

‘Wat een geluk’.
Wat verwacht je van een dichtbundel met deze titel? Is het cynisch bedoeld, of is het de uitroep van iemand die eensklaps het licht heeft gezien? Het duurde een aantal gedichten voor ik het door had, om precies te zijn vier. Toen had ik de ervaring gevangen te zijn in een caleidoscopische wereld.
Hoe vang je waarneming en gevoelservaring in één beeld? In dat vierde gedicht van de bundel doet Gerry van der Linden dat zo:

De zon een schommel
waarop ze zit
achter een luik gespeelde slaap

Een naamloos gedicht waarin elke strofe verder van het kind op de schommel af gaat, over de slingerende grindpaden met kinderfietsen in het park, naar de rozenbottel. De bloei van de roos is voorbij, maar de bottel is glanzend rood en zoet. Dan raakt het nog even aan de nacht, voor het met nadruk verklaart:

Het is wit het is dag.

Negen korte regels. Het is bijna verbazingwekkend wat er in zo’n kort bestek kan gebeuren. Pril geluk en verval gaan hand in hand, en ondanks de schemering (afgeroomde nacht!) die zichtbaar wordt achter de oogleden van het kind, weet ze dat het dag is, en licht.
Wat een kaal gedicht! Heerlijk.
Hoe is het mogelijk met zulke karige middelen zoveel bijna tastbare werkelijkheid op te roepen. Hoe is het mogelijk dacht ik, dat ik mij zo thuis voel in een aantal van haar gedichten. Dit is het zevende gedicht:

Al het land dat ze heeft
rond haar kleren
de vermomde zon

ze zwaait haar armen
pulkt aan een kwaaie vrucht
petst de schil terug

de bodems waarop ze slaapt
jongens willen op haar staan
in een bed in haar lichaam

broer en zus en de dieren
die haar observeren
in hun torens van stampei

en de vogels waaruit ze springt
alle bomen opeens
is het land dat achterblijft.

Die wereld ken ik. Het gevoel gevangen en niet te vangen te zijn, bekeken te worden zonder gezien te zijn, te ontsnappen zonder weg te komen, en onveranderlijk, het land dat ze heeft, het land dat achterblijft, een bodem.

De titel van deze negende bundel van Gerry van der Linden dekt de lading op wonderlijke wijze. Wat zij vooral beoogt weer te geven, lijkt mij de veelzijdigheid van elke ervaring, hoe er van alles tegelijkertijd plaats kan vinden en aanwezig kan zijn. Heden en verleden vallen samen, licht en schaduw lopen in elkaar over, liefde en pijn zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoe elk onderdeel van de werkelijkheid andere delen kleurt.
De complexiteit van de werkelijkheid compenseert ogenschijnlijk de gebreken, en de gebreken accentueren lichtere zaken.

Wat dankzij de geslaagde gedichten niet opvalt is, hoe moeilijk het is om met autobiografisch materiaal te werken. Vooral wanneer gedichten over dierbaren gaan, al dan niet in leven, en de dichter(es) het gevoel heeft trouw te moeten blijven aan de geschiedenis. De feiten beperken de verbeelding, de anekdote overheerst al snel, en daarmee verliest de taal haar spankracht. Gedichten zijn dan niet in staat om te betoveren.
Bij Gerry van der Linden ontbreken dan prompt de pakkende meerdimensionale beelden, zoals blijkt in:

VISSER

Nog zijn er draden
overzichtelijk vroeger
weg was wat ik wilde weg
van hoe ze mijn naam noemden
zonder proeven wie er achter klonk
zonder stompen wie ben jij
niet gewoon een kind
natuurlijk gewoon een kind
aan een droomloze oever

[…]

Hier wordt vooral een oprechte poging gedaan om gevoelens van een kind op te roepen, terwijl zij als volwassene in gedachten met haar overleden vader praat. En dat mislukt. Het gedicht boeit niet, blijft steken in goede bedoelingen, houdt de aandacht niet vast.
In het volgende gedicht lijkt de dichteres wel te slagen:

VADER

IJsbloemen blauwgeaderde hand
geribbelde deken gebroken wit

hart zonder ophef hart ja nee
dingen gedaan wilde hij niet
o nee
dingen die hij wilde niet gedaan nee

vader is een ingepakte uitvinding

zichtbaar oud en ziek
(spijt niet zichtbaar genoeg)

een machine van losse grepen

de dochter een lopende band.

Het begint mooi met beelden van in de kou een bedlegerige oude man. Ik zie direct zo’n ouderwetse witte sprei over dat bed. Geen deken. Dan is de betovering ineens weg. De tweede strofe is onbeholpen, geeft nergens houvast, loopt niet. Jammer dacht ik, had het nog een jaartje laten liggen, die nauwelijks zichtbare spijt eruit gehaald, en dat ‘zichtbaar oud en ziek’. Het is de belofte van een prachtig gedicht, geen werk dat al af is.
Gedichten over jezelf en je familie blijken poëtische mijnenvelden. Zo komt het gedicht ‘Moeder’ dat erop volgt, niet verder dan een anekdote. Geestelijke afstand is een noodzaak om goede poëzie te schrijven.

Gelukkig zijn er gedichten waar de taal het uitgangspunt was, en dan blijkt Gerry van der Linden een sterke dichteres.
Wat een geluk !

***
Gerry van der Linden (1952) is dichter, schrijver, schrijfcoach en docent Schrijftraining & Poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam. In 1978 debuteerde ze met de dichtbundel De Aantekening. Daarna volgden Val op de rand (1990), Aan mijn veren hand (1993), Zandloper (1997), Lila en de Tekens (1999), Uitweg (2001), Goed volk (2004) en Glazen jas (2007). Daarnaast schreef Van der Linden een novelle en twee romans. Zie ook het interview eerder in Meander.

Gedichten

morgen valt de zee achterstevoren
drinkt eb vloed
vaart zonder aankondiging
de hemel los

blijven we achter op het zand
engelen zonder draad
engelen zonder passe-partout
andersdenkend

morgen draait de wind
zonder mededogen
kapseist drijfhout
niets grandioos voor de boeg

blijven we achter op het zand
met geschilde lijven
dijen bezoedeld
monden gedregd

In de familie zitten grote neuzen

we hebben thee gedronken
uit gifgele aardewerken koppen
onze koppen gebroken, neuzen erin

we hebben hart op buik gelegd
neuzen ernaast, ogen oren
ledematen

losjes de tafel afgeruimd
neuzen geplakt in familieboek
oren gewassen

huis beduimeld
de toegang ontzegd
akte opgesteld, geparafeerd

kleren verscheurd
neuzen gefatsoeneerd
het volle leven omarmd

opnieuw akte opgesteld
liefde op naam gezet
thee gedronken

uit gifgele aardewerken koppen


King Ear

De jongen met oren, ha, ha
als koolbladeren eet niet
hij beziet het schimmenrijk

schaart zich om
een hoeveelheid koninklijke schaduw
hij vangt en eet het op

het wast tot in zijn oren
zijn hoofd troont ermee weg
hij denkt niet meer

aan wat hij voorstelt hij groeit
tot een man met een glazen muil
een man met fonkelende oren


King Clear

Op een avond komt ze aan
in het huis van de bewoner
alles is van glas

de deur de tafel
zijn hoofd is van glas zijn voeten
rinkelende karkas

hij wil drinken uit een glas
ziet mij niet komen
ik draag een glazen jas

love you tintelt hij
ping!

Uit: Glazen jas, 2007, Nieuw Amsterdam