Poëzie Kort, april 2016

Turing Foundation, Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015 –

door Lennert Ras

Een toon die in de stilte zoemt heeft een rijk palet. Omdat het een bloemlezing is, komen heel veel verschillende onderwerpen aan bod. Zo komt het vreemdelingenvraagstuk voorbij, en is er een soort apostolisch gedicht over een gorilla, de dood komt voorbij, soms iets over psychiatrie. Er is zelfs een enkel prozagedicht opgenomen, zoals van David Nolens en ook het gedicht van Milou Voskuilen doet prozaïsch aan. Een enkel gedicht is in de vorm van een dialoog opgeschreven. In hoeverre kun je dan nog spreken van een gedicht? Het zijn vooral veel vrije verzen. Er wordt wel eens van Turing gezegd, dat ze niet van vaste vormen houdt. Dat dat niet vernieuwend genoeg is. Het niveau is best hoog. Alhoewel je af en toe ook een wollige bombastische zin tegenkomt, waarvan je je afvraagt, wat die nu weer doet in een verzameling van 100 beste gedichten. Het zijn gedichten met een geheim, of een aparte draai op het eind, gedichten met een dissonant erin. Zoals in het winnende gedicht dat eindigt met de prachtige uitsmijter dat lopen in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft, afhankelijk of men een bestemming heeft of niet. Of het gedicht ‘Appeltaart op zee’, dat inderdaad over appeltaart gaat, maar ook eindigt in een heel andere richting. Hemingway komt voorbij met zijn kortste verhaal: ‘for sale: baby shoes never worn’, dat gelogen zou zijn en eindigt met een mooie uitspraak dat de kunst van het liegen bestaat in het ontwijken van details. Al met al een lezenswaardige bundel. Volgens mij heeft de jury haar werk goed gedaan.

***

Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015. Samenstelling Turing Foundation (2016). Van Gennep, 128 blz. € 14,95

Charles Ducal en Roel Richelieu van Londersele, Het gezeefde gedicht

door Hans Puper

Het gezeefde gedicht is een bloemlezing uit de gedichten die verschenen op de gelijknamige site: www.hetgezeefdegedicht.be. In de inleiding van de bloemlezing zeggen de samenstellers dat deze site ‘een vrij unieke plek [is] in het huidige literaire veld’. Het is hun bedoeling ‘een alternatief te bieden voor enerzijds de geslonken ruimte voor nieuw talent in literaire tijdschriften en anderzijds poëziewebsites die debutanten opnemen zonder kwalitatieve literaire eisen.’ Zij willen ‘beginnende dichters in de zeef leggen en dan schudden.’

Het overgrote deel van de gedichten kun je karakteriseren als ‘rechttoe-rechtaan’, zowel wat de vorm als de inhoud betreft. Een aantal gedichten is daardoor oninteressant. Dat geldt niet voor Gerard Scharn (1946): hij laat voldoende over aan de lezer. Bovendien werkt zijn taalplezier aanstekelijk.

ijstijden

is een vrouw bang als ze met
haar man op reis is en de honden
weigeren de slee te trekken?

Inuit hebben mooie namen
ik denk aan Navarana Mequpaluk
die twee kinderen baarde
Mequsaq Avataq en Pipaluk Jette
voor zij aan de spaanse griep bezweek

nooit proefde zij de smaak
van jonge sla komkommer of radijs

Van de jonge dichters vielen Dorien de Vylder (1988) en Aloys Vonckx (1992) als eerste door mijn zeef. De Vylder heeft weinig woorden nodig om een situatie te schetsen: ‘Lakens had je niet, / wel mooie woorden en een deken / bevlekt met gemorste minnaressen.’

Vonckx is al redelijk bekend. Hij publiceerde in verschillende tijdschriften en won de Poëzieprijs Melopee Laarne 2015 met zijn gedicht ‘Kamer 832’. In 2014 gaf hij een interview aan Meander, waarin hij in soms vermakelijke bewoordingen zijn poëtica en de positie van de dichter uitlegde. https://meandermagazine.net/wp/2014/07/een-dichter-is-een-heilige-parasiet/ , Hij was toen nog ex-student Kunstwetenschappen in Leuven. Inmiddels lijkt hij zich een nieuwe identiteit aangemeten te hebben. In de aantekeningen achterin de bloemlezing valt te lezen dat hij theologie studeerde in Leiden. En dan volgt een humoristische zinnetje: ‘Heeft geen ambitie’. Het komt wel goed met die jongen.
In de twee gedichten die in de bundel zijn opgenomen doet Vonckx zich kennen als een verre nazaat van de illustere Piet Paaltjens, eveneens student theologie te Leiden en voor het laatst gezien aan de voet van ‘den onmetelijken oceaan’ – de Waddenzee. Het gedicht ‘Vuurwerk’:

we hebben ons best gedaan
alles staat zoals het staat op p. 35
de orchidee past perfect in zijn pot
geluk heeft genoeg aan een vorm

parels barsten in de glazen
in onze ogen krijgt leegte een blik
en onder onze drogen tongen
planten kakkerlakken zich voort.

we tellen af, dat is hier mode
we overladen elkaar met kussen
en als wij onze wensen afsteken
ruikt het heelal naar plastiek

Ik verwacht dat Vonckx niet lang bij Paaltjens zal verwijlen; daar is hij te levendig voor.

Het is jammer dat uitgeverij P nauwelijks informatie over de mooi uitgegeven bundel verstrekt. Achter het ISBN-nummer kom je alleen als je de bundel in handen hebt, de prijs is niet te vinden en bij de bekende webshops vind je hem niet terug.

 ***

Het gezeefde gedicht. Samenstelling Charles Ducal en Richelieu van Londersele (2016). Uitgeverij P, 149 blz.

Kees Godefrooij, Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets

door Hans Puper

Afscheid is de negende bloemlezing in de serie ‘dichters voor bijna niets’. Hij is laagdrempelig: veel dichters die nog niet eerder hadden gepubliceerd – niet bij een uitgeverij, tenminste – krijgen hier een kans.

Schrijven over afscheid blijkt voor velen een valkuil. Het is een zwaarbeladen onderwerp dat kan leiden tot particuliere gevoelsexpressies in heftige bewoordingen – dat is geen spotternij van mijn kant, het is volkomen begrijpelijk. Alleen: het komt niet over, vooral als er ook metaforen in een gedicht voorkomen die mank gaan, grammaticale afwijkingen niet functioneel zijn, er sprake is van dik aangezet rijm et cetera.
Hoe breng je gevoelens over? Hier speelt bekende paradox van de pianist die zijn publiek tot tranen toe wil ontroeren en zijn stuk heel weloverwogen moet spelen om dat voor elkaar te krijgen. Hij moet alert zijn; als hij ook zelf ontroerd is, lukt dat niet. Datzelfde geldt voor een dichter. De aanleiding kan zwaar zijn, verdrietig, ontroerend, maar hij moet iets vormgeven in taal. Die is weerbarstig en vraagt om een heldere, kritische aandacht; is het niet tijdens het schrijven, dan toch achteraf.
Het is mooi om deze gedichten te vergelijken met die van dichters met meer ervaring, zoals Antoinette Sisto, Alja Spaan, Mattie Goedegebuur en Ton Huizer. De onderwerpen verschillen niet, maar het verschil zit hem in de behandeling daarvan. En dat is grotendeels een kwestie van vorm: die ondersteunt de inhoud en omgekeerd.
Ook een dichter als Hiltsje Jongsma is interessant, omdat je haar Friese gedichten kunt vergelijken met haar eigen vertalingen. Hoe doet zij dat? Welke keuzes heeft zij gemaakt?

Niet alles is even zwaar – of lijkt niet zwaar. ‘Tante T’ van Mattie Goedegebuur is grappig, maar kijk eens naar de tegenstelling tussen de eenzame tante en de druk twitterende ‘ik’:

zeker 1x per jaar
was ik haar lieveling
#koudetanteTruusthee

bezocht ik haar
ze zat met mokkataart
#verwachtingsvolopgedirkt

tante is weduwe
eenzaam kinderloos
#kruiswoordpuzzeldagen

haar slechtziende blik
herkende mijn stem
#gezelschapsblijdschap

ook vroeg ze me
drie keer hetzelfde
#zestigjaargeleden

Wat moet je als lezer nu met ‘haar slechtziende blik / herkende mijn stem’? En waarom staat dit gedicht in een bloemlezing over afscheid? Het is aan u.

 Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets. Samenstelling Kees Godefrooij (2016). Uitgeverij Spleen, 125 blz. € 8,-. Te bestellen bij boekhandel Perdu Amsterdam.

Anton Ent, Hoe het licht valt

door Lennert Ras

Als je de achterflap van de bundel leest met het stukje over het werk van Ent door Jaap Goedegebuure (en Tom van Deel schreef een kort voorstukje, ook niet de minste), dan heeft de bundel tamelijk veel pretenties. Het werk zou op en neer pendelen tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling. De hartstochtelijk beleden obsessie herken ik niet zo in de bundel. Berusting en verstilling wel.

In het gedicht ‘Vakmanschap’ wordt de taal geschuurd, geschaafd en gezaagd zonder waarom .. en dat vind ik een aantal keer terug in de bundel. De eerste gedichten vind ik te rustig .. Het gedicht ‘Aan het strand’ dat dan volgt is wel sterk. Met een goede uitsmijter: de vuist van oma voor ze verdronk. Ook het einde van het gedicht ‘Rammelende hazen’: ‘angst was het, ook wel liefde genoemd’, is sterk. Maar bij ‘Uitvaagsel’, een einde als ‘op weg naar het licht’ .. vind ik dan weer niet zo sterk. En ook het einde van ‘Uitgang’ is hol.

Bij het gedicht ‘Eenkennig’ is het dan wel weer grappig, dat het laatste woord er niet uit komt door haar gehijg. Maar een vreemde draai als in ‘Gekweld’: ‘Ze was verbijsterd toen ze Spinoza las,’ of ‘en rits mijn windjack open’ in ‘Wandeling in het bos’. Ik kan er niks mee en vind die gedichten een beetje wegkwijnen.

Goedegebuure noemt Ents poezie ook Achterbergiaans. Inderdaad is in het gedicht ‘Zeven brieven aan dove M’ wel iets Achterbergiaans te herkennen en ook de laatste zin in ‘Verlangend’ (‘kan hij mijn hoofd afhakken?’) kun je misschien zo betitelen. Goedegebuure verwijst ook naar Luceberts ‘Ik draai een kleine revolutie af.’ Misschien is in de zin ‘marineblauwe mannen zien’ in het gedicht ‘Villa Bethel’ iets te herkennen van dit fameuze Lucebert gedicht, maar goed.

De oorlogsgedichten ‘Baby Bibi’ en Anekdote zijn weer wel heel sterk. De poëtica van Ent is volgens Van Deel het onzichtbare zichtbaar maken. Dit herken ik niet zo. In het gedicht ‘HR’ opent de vrouw haar benen wijd en weigert de ik te komen .. is dat nu zo het onzichtbare zichtbaar maken? Het zou kunnen natuurlijk ..

Al met al vergelijk ik de bundel met een flakkerend vlammetje. Soms licht het erg sterk op, dan weer is het zo goed als uitgedoofd.

***

Anton Ent (2016). Hoe het licht valt. Uitgeverij Kleine Uil, 64 blz. € 15,-

Poëzie Kort februari 2016

 

Jane Leusink, Een grazende streep in de lucht

door Lennert Ras

Een grazende streep in de lucht is een goed doordachte bundel, een coherent geheel, bijna prozaïsch. Ze neemt je mee door de tijd, een grazende streep door de lucht, liefde, geboorte en vooral dood.

We worden meegenomen in het verhaal van de Shoa, maar de dichteres laat ook zien, dat er andere rampen zijn, die los staan van een onmenselijk regime. De dood krijgt ook de gedaante van een lijkhuisje en hoe heden ten dage mensen zich inspannen om dat te behouden, opdat de doden niet twee keer sterven.

Het is poëzie, maar er zijn duidelijke personages. Een vader, beeldhouwer en rokkenjager (maar ook vrouwen zijn jagers), een moeder, een kind. Joodse mensen met een naam. Liefde ontbreekt niet, soms in het kleine, en kort wordt scheiding aangestipt. In het leven en door de dood.

De bundel is een ode aan het leven in al haar facetten en ook een vanitas. Ze geeft je een gevoel van melancholie. Soms zie je de dichteres lijfelijk zitten achter de pc of het toetsenbord. De taal hapert nergens en is soms heel plastisch. Zoals in het gedicht ‘Tot het af is’ waarin het proces van beeldhouwen wordt geschetst: ‘Doordat de houwer zijn beeld bouwt uit een / vierkant blok, dat als eenheid beschouwt en / daar omheen werkt.’

De bundel springt van Sobibor naar Sneek en naar het Starkenborchkanaal. Een hond moet een geliefde vervangen. De stijl is rond en nergens schurend. Opeens staat ergens een stukje proza en er is zelfs een gedicht opgenomen in een gedicht.

De besproken thematiek zet aan het denken. Een grazende streep geeft een aangename leeservaring, die niet schuwt ook de hardheid van het bestaan onder woorden te brengen. Een caleidoscopische kijk op het leven, waarin ook de dood onderdeel is.

***

Jane Leusink (2015). Een grazende streep in de lucht. Uitgeverij Kleine Uil, 72 blz. € 15,-


Bart Chabot,
Bananenrepubliek

door Lennert Ras

Bananenrepubliek is een heel toegankelijke bundel en leest als een trein. Het is licht. Zelfs de dood is licht, een lolletje. De hoofdpersoon Richard, een arts met trekjes van God, heeft niet eens in de gaten dat hij dood is. De dood is licht. Behalve als de geliefde Tim zichzelf ophangt vanwege psychotische klachten, dan doet de dood even pijn.

Richard haalde naast Tim wel vaker jongens in huis. Pleegde hij daar ontucht mee? Je denkt van wel. Maar het wordt nergens uitgesproken. Zijn gezin schijnt te verzuipen, maar Richard blijft netjes op de spulletjes op het strand passen. Begraafplaatsen komen voorbij en er wordt overlegd of die moeten worden aangeharkt. De doden moeten zich nog maar rustig houden, want het is nog geen tijd. Uiteindelijk wast de zee het begraafplaatszand weg van Richards schoenen. Gaat hij zijn familie achterna.

Veel drama eigenlijk … maar spottend .. We doen er niet veel mee. Nederland, een bananenrepubliek.

***

Bart Chabot (2016). Bananenrepubliek. De Bezige Bij, 48 blz. € 16,90


Maarten Buser,
Club Brancuzzi

door Hans Puper

In zijn debuut Club Brancuzzi presenteert Buser een samenhangende reeks gedichten over drie jonge mensen: de ik-verteller, de kunstenaar Claude en het meisje Sybille. ‘Onze driehoek is een triangel’, zegt de ‘ik’ in het gedicht ‘Verdeling’. Een wensgedachte, want gaandeweg blijken de verhoudingen minder idyllisch te zijn: als een Judas – de titel van het betrokken gedicht is ‘Zilverlingen’ – verraadt Sybille hun vriend Claude door de ik-verteller mee uit te nemen; later is de ‘ik’ degene die geschokt is, doordat hij haar jas aan de kapstok van Claude ziet hangen. (‘Chez Claude’).

De gedichten vormen een hecht gestructureerd verhaal, wat niet betekent dat de lezer bij de hand wordt genomen: hij moet dat zelf herscheppen. De structuur zit hem in de vorm: Buser werkt met opvallend veel interne verwijzingen. Een paar voorbeelden uit zo’n reeks: Claude zegt in ‘Voorstudie’ een houten Christus te willen maken die ‘lijkt te trillen alsof / / Hij in- en uitademt, zoals jij en ik dat doen’. De ik-figuur haalt in ‘Dit lichaam’ een splinter (‘een stukje hout’) uit Sybilles nek en houdt het vast alsof hij communie heeft gedaan. In ‘Kalmerend groen’, als hij trekjes heeft gekregen van een lijdende Christus, zegt Claude echt niet te kunnen ademhalen. Het gedicht ‘Het zalven’ moet dan nog komen.

De dichter werkt ook met externe verwijzingen die – hoe kan het anders – samenhangen met de interne: veel bijbelverwijzingen en muziektitels die in hetzelfde betekenisveld liggen. Het motto is van de rapper Kendrick Lamar: ‘Halle Berry or Hallelujah’. ‘Radicaal kiezen voor het wereldse of juist het religieuze leven bieden beide geen oplossing’, schrijft Buser over dit citaat in een stuk over zijn favoriete songtekst. (http://passionateplatform.nl/2015/03/20/de-favoriete-songtekst-van-maarten-buser/)

Maar waar vind je die oplossing dan wel? In ‘Club Brancuzzi’? Dat kan een heilige plaats zijn die voor ieder van hen iets anders betekent. Kunstenaar Claude beweert in het gedicht ‘De uitnodiging (le commencement)’ dat de naam van de club verkeerd is gespeld. Wat zou de juiste spelling zijn? Brâncuși, de naam van de kunstenaar die net als hij een liefde voor hout had?
De ‘ik’ stelt zich in ‘Daar zijn’ voor dat er door de luiken van de club een ‘zacht gezoem’ ontsnapt, of een ‘vage geur van hogere / hitte’. Een verwijzing naar Nijhoff. Zoekt de ‘ik’ zijn bestemming in de poëzie? Niet voortdurend in ieder geval. Hij zal weer buitengesloten worden, maar ‘hoe dan ook / zal ik zeggen: Club Brancuzzi was subliem.’
Ze vinden de oplossing niet. Na ‘uitgebreid tegen de uitsmijter te hebben getierd’ omdat de naam van de club verkeerd is gespeld, wil Claude niet meer naar binnen en beent hij weg als een boze zenmonnik. In hetzelfde gedicht (‘Hier zijn’) zegt Sybille dat ook zij niet naar binnen wil: ze is bang voor de massa. ‘We besluiten dat naar huis lopen ook ascese is.’ Een nieuwe zoektocht?
Ze komen er niet uit. ‘Er is geen kerk in de wildernis’ luidt de titel van een van de gedichten, opnieuw een verwijzing, nu naar ‘No church in the wild’ van Frank Ocean – hij is te vinden in hetzelfde stuk over de favoriete songtekst.

Het moge duidelijk zijn dat Buser een veelbelovend dichter is. Toch stoort me iets: hij heeft het in Club Brancuzzi mijns inziens te mooi willen doen, waardoor de bundel enigszins lijdt aan overconstructie. Hij zou zijn gedichten meer lucht moeten geven, zonder bang te zijn dat er een paar ontsporen. De ik-verteller zegt in ‘Helletjes’ dat in een van zijn lievelingsliedjes een valse noot zit en dat hij daar steeds weer van schrikt. Die schrik heb ik in zijn bundel gemist.

***

Maarten Buser (2016). Club Brancuzzi. Koppernik, 64 blz. € 15,-


Kees Godefrooij,
Amoureuze mechanieken

door Hans Puper

De bundel Amoureuze mechanieken bevat vrije verzen, prozagedichten en voor het overgrote merendeel sonnetten.
Uit de sonnetten blijkt de fascinatie van Kees Godefrooij voor de 19e-eeuwse zwarte romantiek. ‘La belle dame sans merci’, vampirisme, het scheppen van schoonheid uit lijden, satanisme, l’ennui: al deze motieven zie je terug in Amoureuze mechanieken. Op het achterplat lezen we onder andere: ‘De zwarte Romantiek. Toen ( … ) gedichten en romans werden geschreven met het bloed uit de wonden van de ongelukkigen; men schreef ze met een gloeiende kool die nog stamde uit de brandstapel van de heilige inquisitie.’ Die heilige inquisitie komt niet uit de lucht vallen. Religie, en met name het katholicisme, was een dankbaar onderwerp in de zwarte romantiek. De nadruk lag op mystiek, pracht en praal, decadentie, vaak uitlopend in satanisme. In het sonnet ‘De twee zusters van liefde II’ klinkt op de achtergrond een duivelse behandeling van Jezus mee door de beide Maria’s:

Je wreedheid wakkert de levensdrift aan
liefje, dus bijt in z’n tepels terwijl
je vriendin hem aftrekt. Tja, zijn bestaan
krijgt pas betekenis wanneer jouw stijl

van liefkozen geest en lijf doen vergaan
de pijn die je hem schenkt trekt als een pijl
dwars door zijn vlees pal in het kruis, voortaan
zoekt hij bij jullie Maria’s zijn heil

jullie feeërieke boosaardigheid
tonen hem de duistere kanten van
de liefde van vóór zijn opstanding. Tijd

is de ware maîtresse van een man
liefje, alleen in het uur dat hij lijdt
is hij als mens waarachtig, alleen dan.

De sonnetten worden eentonig doordat ze zonder uitzondering het rijmschema abab/abab/cdc/dcd hebben, met daaraan gekoppeld de afwisseling van mannelijk en vrouwelijk volrijm. Dit keurslijf leidt nog wel eens tot rijmdwang. ‘Demonen’: ‘hij weet een listenvlechtster aan zijn zij / met offervaardigen die voor hem strijden // hij ziet hun tranen als een hete brij’. ‘Brij’ lijkt mij geen adequate omschrijving van tranen, ook niet vanuit het perspectief een vampier.

De sonnetten hebben iets geforceerds. Beter vind ik Godefrooij als hij de zwarte romantiek achter zich laat en een persoonlijk en direct geluid van weemoed en verval laat horen. Het prozagedicht ‘Pa’, een brief:
‘een biertje in de kroeg kost tegenwoordig € 2,50. Je hoort het goed, de euro is sinds 10 jaar het betaalmiddel in Nederland en grote delen van Europa. Naar guldens omgerekend is dat dus Fl. 5,50. Ja pa, ik wist dat je zo zou reageren, je draait je om in je graf en ik zal je maar niet vertellen wat een pakje shag kost. Regen en onweer gaan steeds vaker samen, dat komt door de klimaatopwarming
zeggen ze. Zoals jij vroeger al zag dat er geen kikkervisjes meer in de sloot zaten. Ik heb inmiddels de leeftijd bereikt waarop jij vier jaar moest ploeteren voor je pensionering en het gaat me goed. Mis alleen weleens onze zondagse wandelingen door het park naar Schiedam als we bij tante Grada op de thee gingen. Terug dan altijd met de bus. Je kleindochters zijn groot geworden. O ja, ma heeft haar laatste levensjaar doorgebracht in een verzorgingshuis bij mij op de hoek.’

***

Kees Godefrooij (2015). Amoureuze mechanieken. Uitgeverij Kontrast, 78 blz. € 15,00

Een lezer maakte mij er terecht op attent dat ik twee grammaticale fouten in het geciteerde gedicht niet heb benoemd. Het onderwerp van de bijzin ‘wanneer jouw stijl // van liefkozen geest en lijf doen vergaan’ (r. 4 en 5 ) is ‘jouw stijl van liefkozen’. De persoonsvorm ‘doen’ moet daarom zijn ‘doet.’ In de derde strofe gebeurt hetzelfde: ‘jullie feeërieke boosaardigheid / tonen hem de duistere kanten van / de liefde van vóór zijn opstanding’ . Onderwerp is het enkelvoudige ‘jullie feeërieke boosaardigheid’; de congruente persoonsvorm moet daarom ook hier in het enkelvoud staan: ‘toont’.

 


Ofran Badakhshani,
De banneling

door Hans Puper

De banneling is de eerste bundel van Ofran Badakhshani in het Nederlands. Een debutant is hij niet: in het Perzisch publiceerde hij reeds vijf bundels. Sander de Vaan publiceerde op 28 januari jongstleden een interview met hem in Meander. ( https://meandermagazine.net/wp/2016/01/alsof-brood-ergens-groeit/). Het wordt gevolgd door een keuze uit de gedichten van deze bundel.

De titel Een banneling is opvallend. Dat is niet zozeer een vluchteling, maar een uitgestotene. Door wie? Het land van herkomst, van aankomst of beide? De taal? Cultuur? De dichter verwoordt het verdriet van velen: ‘Ik ben een uiteengerukte ziel / die door vernedering en verdriet / beroofd is van rust ( … ) ik vlucht / om in het hart van het onbekende / uit te schreeuwen: / ik ben een banneling!’

De gedichten zijn voor het merendeel kort, maar dat betekent niet dat ze eenvoudig zijn. Een gedicht als ‘Herfst aanbid ik’ roept vragen op die niet makkelijk zijn te beantwoorden. Juist dat maakt het interessant:

Lente heb ik lief
maar herfst aanbid ik
herfst
de verlosser van bladeren
uit verbondenheid.

De ‘ik’ – die ik voor het gemak even de dichter noem – heeft de lente lief: de lente waarin nieuw leven ontstaat, bladeren groeien. In de herfst sterft het leven af: die vallende bladeren zijn dood of bijna dood. Kun je de dood aanbidden en tegelijkertijd het leven liefhebben? Sterker nog: die dood als een verlossing zien? En hoe zit het met die verbondenheid? Moet je die koppelen aan de herfst of aan de bladeren? In het laatste geval: is het een verlossing als bladeren hun onderlinge verbondenheid kwijtraken doordat de boom hen loslaat? Net als bij mensen die losraken van – bijvoorbeeld – hun geboorteland? Kun je dat als dood zien?

Jammer is, dat de bundel storende fouten bevat die bij een aandachtige redactie makkelijk vermeden hadden kunnen worden. De cursiveringen zijn van mij: ‘Ik vond haar / tussen een mist van uiteenlopende ideeën’ (‘Het leven’), Alleen / bewandel ik het pad der leven (‘De weg’), ‘beschaamd reikt hij de hand / om ons te bevrijden / van die ene euro / waarmee we niets kunt kopen’. (‘Levensliederen’). Ik gun Badakhshani een foutloze tweede druk.

***

Ofran Badakhshani (2015). De banneling. Uitgeverij Kontrast, 48 blz. € 15,-

Gedichten

Aan de muze

Mijn god, je weet dat ik me kan vervelen
dat het me dwars zit als een scheet
dat ik je bovendien nimmer wil delen
vertel dus hoe die Fransman heet!

Je kunt de knoflook uit mijn pasta stelen
met al wat jij van dichtkunst weet
in jouw genade, vrouw, ontstaan juwelen
al eist het schrijfproces een eed

aan welke dode grootheid mag ik denken
een Mallarmé, Verlaine of die vandaal
heb geen idee, toe geef me nog wat wenken

voor alle loze woorden in mijn taal
zal ik je dan terstond vergeving schenken
aha, de dichter van Les fleurs du mal!

Kind van Eros

Je schaamte en het schuldgevoel
na onze onbezonnen daad
doen jou belanden in een poel
van droef genot en zoet verraad

ik smelt als ik je zie, zo zwoel…
alsof de zonde nog bestaat
omfloerst laat je de boel de boel
een claxon penetreert de straat

we doen het ditmaal op een stoel
die zalig in het zonlicht baadt
de stofjes zweven zonder doel

terwijl ik zachtjes met je praat
een stem zegt ‘morgen wordt het koel’
als kind van Eros golft mijn zaad

Sneuvelland

Sneuvelland is de uitgelezen bestemming om triest te zijn
en de melancholie te koesteren, om je onder te dompelen
in een roes van intens verdriet om wat de wereld je aandoet
waar je de debacles van de mensheid betreurt en rouwt
om alles wat ooit ten grave is gedragen. Ja Sneuvelland,
beste lezer, daar likt de ongelukkige zijn of haar wonden
en werkt er aan herstel

Hypnos & Thanatos

Ze rusten in de armen
van de Nacht

zo staat het te boek
zo wordt er gedacht

want Slaap
draagt zijn papaverbloem

en Dood
een grondgerichte toorts

waar Slaap
gewekt wordt door gezoem

bezwijkt zijn broer
aan hoge koorts

Recensie van Erotica! - Kees Godefrooij (sam.)

Aan de top

Kees Godefrooij (sam.)
Erotica!
Uitgever: Spleen
2015
ISBN 5800109275058
€ 10,-
172 blz.

Voor Erotica! 150 erotische gedichten voor bijna niets wist samensteller Kees Godefrooij ruim vijftig dichters bijeen te brengen; daaronder verrassend veel vrouwen (de man-vrouwverhouding is drie staat tot twee), die zich met minstens evenveel gretigheid op het onderwerp stortten als hun mannelijke collega’s en soms in onverbloemdheid niet voor hen onderdoen.

‘Wellicht is dit de meest uitgebreide bloemlezing op het gebied van erotische poëzie in de Nederlandse letteren’, schrijft Godefrooij in zijn inleiding. Ik neem aan dat hij bedoelt een bloemlezing met nieuw werk, want verzamelingen met gedichten over liefde en seksualiteit uit de Nederlandse literatuur zijn er genoeg. Jacob Groot verzamelde ze in De Liefste (De Harmonie, 1980), Willem Wilmink in Ik heb de liefde lief (Prometheus, 1993), Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze in Seks de daad in 69 gedichten (521, 2001), Henk van Zuiden in Alles voor de liefde (521, 2004) en Tsead Bruinja in de bundels Kutgedichten en Klotengedichten (Passage, 2004/2005). Er zal vast nog meer zijn, want het onderwerp is onuitputtelijk.

Het verschil tussen de genoemde bloemlezingen en de voor bijna niets-bundel is duidelijk. Bij de eerste had in de meeste gevallen de zeef van de tijd zijn werk al gedaan en was er een redacteur aan het werk die zelf keuzes maakte, in het tweede geval schreven voor het merendeel onbekende dichters op open uitnodiging drie gedichten, plaatsing verzekerd. Dat maakt nogal een verschil, en dat merk je.

Op een enkele uitzondering na (met name de bijdrage van Adriaan Krabbendam, met wie de bundel terecht opent) valt er zuiver poëtisch gezien aan de meeste gedichten niet zo heel veel te beleven, maar het is aardig om te zien hoe verschillend ieder met het onderwerp omgaat en de grenzen van de vrijmoedigheid bepaalt. In feite zijn er helemaal geen grenzen en daarbij: wat seksueel expliciet is, hoeft nog niet pornografisch te zijn, zoals een romantische invalshoek directe taal niet in de weg hoeft te staan. ‘Hoe schrijf je eigenlijk over lust?’ vraagt Tonny Hollanders zich af, wáár denk je eraan, en wát doe je ermee? Er is een breed scala aan antwoorden, van de anti-erotiek van Ton Huizer tot de prikkelende verzen van Muriël Kasmin

Het is in het algemeen een ‘nette’ bundel geworden – hoewel regelrechte porno (Bert Deben!) niet ontbreekt -, met een spaarzaam gebruik van schuttingwoorden; het in deze context toch eigenlijk onvermijdelijke woord ‘geil’ komt bijvoorbeeld slechts acht keer voor. Een fatsoenlijke score!

De gedichten die me het meest bevallen zijn die met een humoristische invalshoek (van Daan de Ligt o.a.) en waarin een niet al te serieus genomen literair spel gespeeld wordt, zoals in dit gedicht van Gerda Posthumus. Staat het al pontificaal aan de voet van de toren?

Vuurtoren Vlieland 
 
 aan de top
 staat hij strak
 – van staal
 zijn pantser –
 in gelid
 geen torso
 hart dat buigen
 doet en wacht
 tot puls hem
 vult, de schacht
 vanbinnen warmt
 hij richt
 
 zijn eenzaam vuur
 
 hult het met helm
 begroeide land
 ritmisch golvend
 kort haast stotend
 in een zee
 
 van licht

Een verrassing vormen voor mij de gedichten van Marije Hendrikx; in ‘Iets blijft’ is warempel sprake van een zekere vorm van sublimatie: ‘want er is iets dat altijd blijft/ in de adem van de nacht/ en in het trillen van de dingen’.

In de bundel ontbreekt iedere informatie over de auteurs, zelfs geboortedata blijven onvermeld. Jammer, want je wilt toch wel iets weten van die in het algemeen zo openhartige dichters!
Het is het voornemen van Godefrooij van ‘Erotica!’ een drieluik te maken. Wie aan komende bundels wil meewerken kan contact met hem zoeken (de letters X uit het adres verwijderen).

Recensie van Voor bijna niets - Kees Godefrooij

Signalering

Kees Godefrooij
Voor bijna niets
Uitgever: Spleen
2014
ISBN 5800104259657
€ 3,00
32 / 34 blz.

Een alleraardigst initiatief van Kees Godefrooij verdient aandacht: poëzie voor bijna niets. Beneden de kostprijs van de bundels wil hij, zoals hij schrijft, ‘poëzie onder de mensheid verspreiden’ en hij doet dat via de door hem in het leven geroepen uitgeverij Spleen; www.lulu.com maakt het mogelijk.
Godefrooij (1951), bekend van zijn belangstelling voor de Zwarte Romantiek (in 2011 verscheen zijn bundel Rouge Noir bij De Witte Uitgeverij te Leiden), startte bij wijze van kennismaking met zijn poëzie met een zeer bescheiden bundeltje met twaalf eigen gedichten. Dit moet nieuwsgierig maken naar meer:

Eens

– het moet op Vlieland geweest zijn
stak mijn liefje
haar voetje
in zee
waar weet ik
niet meer precies
maar
nooit heb ik sindsdien
zulke verliefde golven
gezien

13 Amsterdamse dichters voor bijna niets bundelt 27 gedichten van J.C. Aachenende, Loes Essen, Kees Godefrooij zelf, Aurora Guds, Gerdin Linthorst, Simon Mulder, Ronald M. Offerman, Gerda Posthumus, Paul Roelofsen, Joop Scholten, Frans Terken, Martin van de Vijfeijke en Jos Zuijderwijk. Het zijn voor een deel bekende namen uit wat je – zonder dat in die aanduiding ook maar iets denigrerends zit – het tweede circuit zou kunnen noemen. Het zijn niet allemaal Amsterdammers, maar ze hebben wel hun betrokkenheid op de stad gemeen. Loes Essen, een nieuwe naam voor mij, schreef dit aansprekende gedicht:

Oudezijds bij nacht

Van alle neon overheerst het rood
weerspiegeld in de gracht

een menigte aan achterhoofd loopt
langs de halfvergane boot, voorbij
het zwanenpaar dat bij elkaar
rust in de luwte van de nacht

het vrouwtje op één poot,
één weggevouwen onder dons
de hals, zo ingetogen rond
gebogen, bijna pijnlijk teer

hij, groot en wakend achter haar
vleugels iets van het lijf
een oog op mij gericht

zo dicht op onverdraaglijk licht
heb ik nog nooit gestaan

De dertien dichters presenteren hun bundel op zaterdag 18 oktober om 15.00 uur in café Eijlders. Spleen kondigt ook nieuw werk aan: 21 OBA-dichters en 40 Eijlders- dichters staan op stapel.
Voor bijna niets dus te koop bij o.a. Perdu, en anders via keesgodefrooij@hotmail.com. Reken dan op €2,- verzendkosten.