Recensie van niets = iets - Wouter Godijn

Kletsmajoor exerceert

Wouter Godijn
niets = iets
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025451967
€ 21,99
78 blz.

‘Vanaf het eerste gedicht  bevinden we ons in het instabiele universum van Wouter Godijn, waarin altijd wel iets aan de hand is, zelfs als dat niet zo is. […] En het ongemak wordt echt voelbaar in een reeks gedichten waarin een seriemoordenaar verslag doet van zijn executie. Zoiets hebben we nog nooit gelezen. En Wouter Godijn heeft het wéér voor elkaar.’

In hedendaagse poëzie spelen de muzikale eigenschappen van de taal niet bepaald een hoofdrol. Slechts zelden worden gedichten vervaardigd door middel van variatie in klank en ritme en zijn ze gegrond op een spel met betekenis. Veel vaker wordt de lezer ondergedompeld in een hitsige afwisseling van surrealistische beelden. Bladzijde na bladzijde gilt de aandachttrekkerij in je oren en priemt de opzichtigheid je ogen in. Wellicht is dit een bewijs voor de toenemende invloed van het podium, waar je de aandacht van een snel afgeleid publiek alleen kunt winnen en vasthouden met een snelle aaneenrijging van woorden-bling-bling en waar een zorgvuldig opgebouwd taalverhaal al snel leidt tot gegaap en verveeld gedraai.

Het valt een uitgever niet kwalijk te nemen dat hij de achterzijde van een nieuwe bundel gebruikt om de loftrompet te steken over de auteur die de bundel heeft vervaardigd. Vervolgens moet de lezer maar zien of de geschapen verwachtingen kunnen worden waargemaakt.
Dat valt niet mee. Zoals zoveel hedendaagse bundels is ook de bundel niets = iets van Wouter Godijn een aaneenrijging van kabbelend en babbelend parlando:

Een gedicht schrijven is niet moeilijk

je begint met: ik loop door de straat
dan iets over het weer
hoe heerlijk de zon schijnt
de kille blik waarmee de ramen op je neerkijken
de tapir die aan een tuinkabouter snuffelt
de vrouw die een jurk heeft gemaakt van een rood-wit geblokt tafelkleed
haar gelukkige lach, de kersenachtige kralen van haar ketting
inmiddels zijn er drie blonde wolkjes
verschenen in de blauwe lucht
waardoor je op zeven regels komt – als zeven brandende kaarsjes op een verjaardagstaart
je onderbreekt het schrijven om een plas te doen
je dochter roept je
je roept dat je moet dichten
en door de straat paradeert een emoe
die je zou kunnen schrappen: en door de straat paradeert een emoe
waardoor een geheimzinnige leegte oplaait
je bent nu op drie plaatsen
(het getal drie komt je op een verrukkelijke manier
vaag bekend voor als een verwijzing
die halverwege
plotseling oplost in niets – niets
mooier dan dat)
vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
op je bed, dichtregels schrijvend
in de straat, dicht bij de plek waar daarnet een emoe was
als je nu ook schrapt: vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
en: op je bed, dichtregels schrijvend
ben je alleen nog in de straat
de zon
blonde wolkjes
de blauwe, blauwe lucht

(p. 28)

Bovenstaand gedicht is helaas kenmerkend voor de bundel. Muzikaliteit ontbreekt geheel en pagina na pagina gaat het voort in gedachtenexercities die nergens noodzakelijk zijn: in plaats van de emoe had op die plek evengoed een hangbuikzwijn, een oeros of een giraffe kunnen figureren.
Uiteraard zou je kunnen aanvoeren dat het bovenstaand gedicht ironisch bedoeld is, als commentaar op de ‘hoge’ verwachtingen die ‘men’ van een gedicht heeft. Maar wat wordt hiermee op het spel gezet? Welke innerlijke noodzaak dwingt de auteur om deze poëzie te schrijven? Wie schrijft over wolkjes, een plas doen en het roepen van een dochter zit middenin wat Potgieter ooit smalend de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ noemde. Uiteraard kun je aanvoeren dat je de kunst op de hak neemt en tevens het op de hak nemen zelf nog een keer, maar na een of twee keer heeft de lezer dat wel gezien.
Een gedicht moet de lezer onraad laten ruiken, hem terug lokken naar de taal om de bron van de verdenking op het spoor te komen en bij herlezen nieuwe raadsels scheppen. Daarvoor is muzikale taal nodig, het verschuiven van de betekenis door klank en ritme, zodat er nooit staat wat er staat en niet staan zal wat er stond.
In eerdere besprekingen van Godijn’s poëzie wordt gesteld dat hij, door het laten zien van wat hij wegstreept, iets unieks doet. Ik vrees dat het niet meer dan een maniertje is: wie werkelijk wil laten zien wat er ooit geschreven stond en nu nog geschreven staat, toont de ware chaos van doorgestreepte, vervangen en alternatieve woorden en passages, zoals bijvoorbeeld te zien is wanneer je de historisch-kritische uitgave van het werk van Leopold bekijkt. Door hier en daar een doorhaling te plaatsen laat de auteur niet het werkelijke proces zien, maar koketteert hij slechts met het beeld van een dichter die voor de ogen van de lezer ‘durft’ te schrappen.
Op een aantal plaatsen heeft de auteur bovendien een aantal woorden in een brugklashandschrift onder de tekst gekalkt. Als dat de indruk van een spontane toevoeging moet wekken, werkt dat bij deze lezer in elk geval niet.

En dat is nog niet alles. Obligate beschrijvingen als ‘het trekkepopje kabinetsopperhoofdje’, ‘de zalm met zijn lachebekjeduretandenhekje’ en ‘de randdebiele ongeluk brenger met zijn hoogblondgemaakte namaakhaar’ (p. 43), we hebben het vaker gehoord en gelezen, we moeten er nog een keertje om glimlachen, maar als het geen beginnend studentencabaret is, dan heeft het in elk geval weinig te maken met poëzie.
Anders dan de uitgever ons wil doen geloven, is Godijn niet de taalgeneraal die met zijn woordenleger de Nederlandse poëzie onderwerpt, maar laat hij eerder de exercities van een kletsmajoor zien.

Wanneer we Godijn vergelijken met een niet willekeurige Groningse dichter, een die ook droomgedichten schreef, wordt al snel duidelijk dat het werk van Godijn bij dat van Hendrik de Vries bleek afsteekt. Een van de belangrijkste verschillen is dat De Vries de taal als zijn materiaal altijd hoogst serieus bleef nemen en zichzelf bijvoorbeeld strenge vormregels oplegde (onder meer dat geen regel mocht beginnen met de letter waarmee de voorgaande eindigde). Voor De Vries was het schrijven van een gedicht gelijk aan het stellen van een daad in de context van het leven en iedere klap moest dus raak zijn.
Godijn daarentegen mijmert maar wat:

Over de blauwe lucht

Kan de blauwe lucht wolken,
wolkenslierten,
wolkenflarden,
schapenwolkjes,
slaperige wolken,
wolkenkastelen,
wolkengebergten,
wolken die lijken op speelgoeddieren, wolken die lijken op tekenfilmfiguren,
wolken die –

Kan de blauwe lucht al die wolken onthouden?

Ze probeert het, uit alle macht,
heeft de indruk dat het lukt
ontwikkelt bombastische theorieën: pas via de omweg van de herinnering
kan iets echt bestaan
mijn herinnering vormt mijn karakter
ik ontwikkel me
tot een rijpere persoonlijkheid
ik begrijp nu pas
wat ik heb gezien
ik kom verder
steeds verder
ik leg een weg af

intussen verdwijnen er wolken
eerst twee onopvallende schapenwolkjes
dan opeens een torenhoog gevaarte
dan een heel landschap
dan ik ook de herinnering blauw –

weet nog dat het ooit anders was, niet meer hoe
vage silhouetten, een soort goudkleurige mist

dan zelfs dat niet meer

 (p. 74)

Lees nu eens het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff (Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 156). En kom niet aan met het verweer dat Godijn daarop een ironisch commentaar zou leveren.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, zijn Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde de shortlist van de AKO-literatuurprijs. Maar ook heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Recensie van De professor en de hyena - Wouter Godijn

Het Ecce Homo van de hyena

Wouter Godijn
De professor en de hyena
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025444884
€ 21,99
60 blz.

Met taal kun je alle kanten uit.
Wanneer je denkt aan het verschil tussen de toespraken van Martin Luther King, en die van Adolf Hitler en je realiseert je hoe enthousiast zij menigten wisten te krijgen, dan besef je wat voor een wapen taal kan zijn, en hoe je er mee kunt manipuleren, ten goede of ten kwade.
Wanneer je beseft dat sommige teksten zelfs in vertaling invloed uitoefenen, over eeuwen – dat ze mensen weten te overtuigen van een waarheid die zij als de enige, als diepste waarheid zien, waardoor de waarheid van anderen vanzelfsprekend als inferieur, als onwaarheid wordt gezien en als verderfelijk –
Wanneer je poëzie benadert met deze wetenschap in je achterhoofd dan kan het niet anders dan dat je de meeste poëzie af kan doen als slechts spel. Spelen met taal. Volstrekt onschadelijk.

Alles kan en alles mag in de poëzie van Wouter Godijn. Hij kon het zo gek bedenken als hij maar wilde: hij neemt je mee zijn persoonlijke, soms angstwekkende universum in. Maar er is ook nog die zogenaamde werkelijkheid waarin hij zich bevindt, en die veel lijkt op de onze. De dagelijkse werkelijkheid.

We kennen het allemaal: je fantasieën worden telkens weer terug geroepen door die beperkende werkelijkheid. Niets aan te doen. Maar hoe ver kun je gaan in je fantasieën, zonder de draad die ze met je werkelijke leven verbindt door te knippen? Het uiterste bereik ervan is vervreemding, en daarmee gebrek aan betekenis. Of raak je juist daar aan een werkelijkheid die we doorgaans negeren? Dat is een vraag die zich na lezing van deze bundel aan je opdringt.

Het is een soort koorddansen waarvan we getuige zijn, tussen zin en onzin, tussen de vervreemding waar we toe worden uitgedaagd, en de relatieve veiligheid van onze vertrouwde wereld, waarin de dingen eruit zien alsof ze normaal zijn. Zolang je fantasieën verontrustender zijn, is die werkelijkheid geruststellend. De vervreemding van Godijn is immuniserend:

BIJNA WULPS GEZWEM (MET VERVOLG)

Na het optrekken van de rolgordijnen vastgesteld:

                                 huis ‘s nachts verplaatst!

Naar onder zee, tuin vol haaien.
Toonden die starre, wezenloze grijns – had ik ook zoveel en uitbundig gemoord, zou ik
waarschijnlijk ook zo lachen.
Eenmaal gewend aan het bijna wulpse gezwem
van het onderwatergedierte in mijn tuin, kwamen er zoals gewoonlijk
gedachten bij me op, de goddelijke zondeval enzovoort, zou het niet beter zijn als er niets bestond,
geen heelal, geen parallelle universa, – álles
schrappen, achterwege laten.
Vervolgens kreeg ik medelijden: met de hertjes, de lammetjes, de vogelbek- en schelpdieren en ook
met Hollands next topmodel,
kortom; met alles wat niet kon bestaan
– dat leek me zo sneu.
Ik besloot om dan toch maar in te stemmen
met de schepping, op één voorwaarde:
dat ik zelf niet mee hoefde te doen.
Ik begreep meteen dat zich hier iets openbaarde
wat veel overeenkomsten vertoonde met een logische tegenstrijdigheid. Tegelijk met de
opwindende achtergrondmuziek gepaard gaande gedachte:

als je deze tegenstrijdigheid ontraadselt
zul je iets heel belangrijks hebben ontdekt – in plaats van ‘ontdekt’
zou het misschien beter zijn ‘bereikt’ te schrijven.
De haaien waren nu ook in de huiskamer
en daarom ging ik op een drafje naar het toilet
waar ik me opsloot, om rustig verder te kunnen denken, maar weet u, ik kom er niet uit, als een
zeeslang blijft de hierboven beschreven
                                                                 tegenstrijdigheid
om me heen draaien, de haaien
duwen telkens met hun snuit tegen de wc-deur.

‘Kom eruit!’ roepen ze. ‘Kom eruit!’

Het lijkt alsof er een soort patstelling is ontstaan.
Dat het sneu zou zijn, als al die hoop op leven, gelukkig, onbezorgd leven niet zou bestaan. Zolang hij zelf maar niet hoeft mee te doen.
De dichter weet te goed dat het leven levensbedreigend is: terug getrokken in het enige hokje van het huis waar je privacy (min of meer) gewaarborgd is, waar je je kunt ‘ontlasten’ roepen de haaien hem om naar buiten te komen, om zich in te laten met de dreigingen van de alle veilige perken te buiten gaande werkelijkheid. Ontsnappen is onmogelijk, zelf wanneer je van prooidier zou veranderen in roofdier:

TEDDY

Toen ik, man ondergedompeld in een zinvol bestaan, wilde gaan slapen
trof ik in mijn bed een hyena aan
die zodra ik binn3enkwam uitbarstte in excuses:
niet kwalijk nemen kééééééfkefkefkef nergens plaats kééééééfkef kef kef
en geklaag: niemand houdt van me kééééééfkefkefkef sta overal alleen
                                                                                kééééééfkefkefkef.
Al goed, antwoordde ik, moe. Geen tijd
voor je gedoe – en ik ging liggen.
Misschien omdat ik de hyena als een teddybeer omklemde,
vermengde hij zich gedurende de nacht met mijzelf:
de hyena fröbelde aan gedichten terwijl ik onvermoeibaar rende
over door de zon gegeselde Afrikaanse vlakten
achter allerlei beeldschone, slanke, vredelievende, vegetarische dieren aan
die hun verbijsterde blikken in mijn geheugen griften (als een soort hoefafdrukken)
terwijl ik hun sappige, slangachtige, glimslierterige, Jezus wat een ellende!
Ingewanden ruktesleurde uit hun bevallige lijfjes.
Nu sla ik gggggrrrrrr een stukje over

en ga verder als ik de volgende morgen onderuitgezakt
ontbijt (de zachte hertenblik van nageslacht en vrouw
die ons wilde liefdesspel van de afgelopen nacht nog voelt
schrijnen) Niet zo’n trek, merk ik.
Op naar kantoor! De opwinding van een bunker, nee bánkgebouw, oprijzend,
blinkende god, uit het schuimwitte morgenlicht. Barbaars,
bruut en volmaakt. Broos en eeuwig. Binnen:
een bak bloederige drek.

Een echt menselijke, geordende samenleving waar in elk segment ervan het dierlijke onontkoombaar opduikt als een vorm van geweld. Zelfs het liefdesspel schrijnt na. De steriele tegenwoordigheid van een bankgebouw dat de hoofdpersoon van dit gedicht zo veilig van de buitenwereld lijkt af te kunnen schermen, barbaars, bruut en volmaakt, een niet te nemen bunker, blijkt tevens broos en eeuwig. Kwetsbaar als hij is, deze man, ondergedompeld in een zinvol bestaan; kan niets hem afsluiten van of afschermen voor wat er van binnenuit komt. Opnieuw speelt het ontlasten een rol, maar nu is het openbaar: in de bankensector niets dan roofdieren.
Wat zij afscheiden: bloederige drek.

Tot zover de hyena uit de titel van de bundel. Nu de professor:

3.

De professor bedenkt dat er een tijd is geweest
waarin alle speelgoeddieren écht levend waren
een Disneyfilmachtige tijd – alleen minder
wreed, gezelligheid en vrolijkheid
overheerste en de Schepper van Hemel en aarde moest nog beginnen

aan de opwindende en gevaarlijke ontdekkingsreis
die Hem uiteindelijk, na vele omzwervingen
naar Zijn eigen kwaadaardigheid zou leiden: de prinses
die hem opwachtte aan het einde van zijn avontuur.

Wat aan die tijd herinnert: één:
dat alle dieren en mensen als ze jong zijn op speelgoeddieren lijken – twee:
dat de meeste exemplaren de rest van hun leven in meer of mindere
                                                                                                                mate
           teleurstelling uitstralen.

Omdat de professor begint over te hellen naar het stoïcisme
(alles komt terug – en nog’s en nog’s)
Lijkt het hem waarschijnlijk dat de heerschappij van de speelgoeddieren
op zekere dag opnieuw zal beginnen.

Een zeer amusant en ernstig gedicht. Het is niet mis wat de dichter hier met elkaar verbindt; Walt Disneys zoete wreedheid, met die van de Bijbelse Schepper van Hemel en aarde; de belofte van de prinses aan het einde van het sprookje ter compensatie van het doorstane leed. Om te eindigen met de hoop van de professor op een wereld zonder kwaad, onder de heerschappij van de onschadelijke en niet te kwetsen speelgoeddieren.
Het blijft een gruwelijk sprookje!
We weten inmiddels dat er bij Godijn meer op het spel staat dan alleen taal. Net zo goed als de sprookjes van Grimm en Andersen aan een grond van ons bestaan raken, doet ook de poëzie van Wouter Godijn dat. Er is geen eind goed al goed bij hem, of liever: je kunt niet ontkomen aan de werkelijkheid:

18.

De dichter die eigenlijk de professor die eigenlijk de hyena is
heeft een droom (is het wel een droom?)
doorlooptdoorsukkelt steppeachtig land (uren druilen eindeloos
                                                                                      traag voorbij).
              Bewapend
met een bijl, nou ja in ieder geval iets hakkerigs ziet hij
onder wat struikgewas de hyena, vast in slaap
denkt hij: eindelijk, nu! nu! nu! zal ik hem!
Maar dan, nadersluipend,
ziet de professor dat de hyena de gazelle is
dat hij zelf de gazelle is
en de hyena
en de dichter en de lezer, dat zij allen slechts maskers zijn
en dan, vlak voor hij wakker schiet, beseft hij:

de maskers zullen vallen.

Toen gingen bij mij de haren overeind.
De professor en de hyena is een montere bundel. Je leest er het taalgenot van de dichter vanaf. De regels ervaar je als vertrouwd, terwijl de dichter nergens in clichés vervalt. Een prestatie op zich.
Maar de essentie van deze bundel gaat daar ver bovenuit: hij weet aan dat mysterie te raken waar we doorgaans aan voorbij gaan: dat we onszelf niet kennen, niet weten wie of wat we zijn, noch wat de reden is van ons bestaan. (Omdat de schepper eenzaam was, dachten de Hindoes.)
Als de maskers vallen, (áls de maskers vallen!) zijn we er dan dichterbij? Zijn we dan uit de droom? Wanneer Wouter Godijn gelijk heeft dan zullen we het ooit weten. Lotgenoten.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, waarvan de laatste, Hoe ik een beroemde Nederlander werd, de shortlist van de AKO Literatuurprijs haalde. Daarnaast heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en meest bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Recensie van Hoe H.H. de wereld redde - Wouter Godijn

Door de mazen van het net

Wouter Godijn
Hoe H.H. de wereld redde
Uitgever: Atlas Contact ,Atlas Contact ,Atlas Contact
2012
ISBN 9789025437831
€ 24,95
63 blz.

Je moet het maar durven: een dichtbundel publiceren met zes kapitale H’s op het voorplat, in een periode waarin die letterreeks menig lezer aan de gelauwerde roman van Laurent Binet zal doen denken (HhhH – Hitlers hersens heten Heydrich). Met zijn zevende dichtbundel Hoe H.H. de wereld redde nam Wouter Godijn de gok. En waarom ook niet: na het pompeuze Wiegeliederen en blaaskikkermuziek is het poëziepubliek al het een en ander van hem gewend. Datzelfde publiek wordt door de titel van Godijns jongste worp bovendien stevig geprikkeld: een H.H. die de wereld redt – zou dat allicht Ter Balkt zijn?
Gefascineerd door deze (schijnbare) intertekstuele inbedding van de bundel nam ik Hoe H.H. de wereld redde ter hand. Bij een eerste oriënterende lezing stuitte ik op het titelgedicht, waarin H.H. niet Herman Hendrik, maar Herbie Hancock blijkt te zijn:

HOE H.H. DE WERELD REDDE

Het was weer eens zover: Herbie Hancock moest de wereld redden.
Maar eerst was het tijd voor zijn ochtendgymnastiek.
Toen hij daarmee klaar was deed hij het

en daarna vroeg hij zich af: heb ik nu tien diepe kniebuigingen gemaakt?
of heb ik er, omdat ik in gedachten onwillekeurig bezig was met datgene
                 wat ik na mijn ochtendgymnastiek moest doen,
misschien een paar overgeslagen?
Hij besloot voor alle zekerheid nog een paar diepe kniebuigingen te maken.

Je moet Godijn nageven dat hij gevoel voor absurdisme heeft: een jazzmuzikant die een pseudo-superheld wordt en zijn ochtendgymnastiek vervolgens belangrijker vindt dan onmiddellijk ingrijpen bij groot gevaar – het moet je humor zijn, maar droge kost is deze poëzie beslist niet. Het probleem is echter dat de grollen zozeer de overhand nemen, dat de vraag die het gedicht in eerste instantie interessant maakt – hoe gaat H.H. die wereld precies redden? – geheel naar de achtergrond verdwijnt. Godijn serveert de kwestie (en daarmee het gedicht) af in het volstrekt vage ‘deed hij het’, waardoor hij de indruk wekt weinig wereldschokkends met zijn poëzie te zeggen te hebben.
Ik vind dat een gemiste kans, zeker omdat Godijn zich in het openingsgedicht van de bundel profileert als een auteur die afrekent met het clichébeeld van poëzie als romantische registratie van een natuurgevoelige dichtersziel. ‘Ik was ook zo’n dichter’, stelt hij ten aanzien van een strofe waarin de fijnbesnaarde verwondering besproken wordt:

een beetje giraffeachtig,
rondschrijdend, aandachtig proevend:
gebladerte, een vluchtig passerende vlinder,
een enkel, luchtig knapperend vinkje;
verwonderde dichters.

Ik betwijfel of Godijn ooit het type dichter is geweest dat ‘luchtig knapperende vinkjes’ bezingt – daarvoor moet je eerder bij Sjoerd Kuyper zijn, die schaamteloos over klapwiekende zwaluwtjes schrijft – maar zijn ironisering van de afgezaagdheid maakt hoe dan ook nieuwsgierig naar wat hij voor de passerende vlinders in de plaats wil stellen. Het lijkt erop dat dat vooral een associatieve gedachtestroom moet zijn, die vooral niet ‘te strak, hoekig, te uitgesproken, te niets’ is, maar eerder ‘een spoor van punaises’, dat de lezer moet volgen en waaraan hij zich zo nu en dan verwonden zal.
Die poëtica klinkt nogal vaag, maar wie Hoe H.H. de wereld redde leest, krijgt er een aardige voorstelling bij. Het begin van het gedicht ‘Haas in wording’ is een goede illustratie van de punaisepoëzie die Godijn serveert:

Mijn lichaam staat op een kier. Zo goed?
Of toch maar wijd open. Beter. Om welkom te heten: jajaja!
daar komt de eerste letter al, een d …? Precies wat u dacht…? Nouwwww –
tis niet wat ik zelf in gedachten had. Ik wou een h
zoals sommige restaurants hun deuren voor je openspreiden als uitnodigende
moederarmen
kommm dan kommm dan! (…)

Het fragment hangt van associatieve procédés aan elkaar: in de tweede regel herziet de dichter onmiddellijk de claim uit de openingszin; vervolgens ondermijnt hij zijn scheppende controle door een andere letter op te voeren dan hij ‘in gedachten had’ en ten slotte doorbreekt hij de logica door een ‘h’ te koppelen aan restaurantdeuren (die weer aansluiten bij het lichaam dat wijd open staat). In poëzie die strak, hoekig of uitgesproken is, resulteren deze regels dan ook niet: Godijn stuitert eerder alle kanten op en laat de lezer verbouwereerd achter. In mijn geval kwam daar bovendien een aardige dosis irritatie bij, door het aanstellerige ‘kommm dan kommm dan!’ en het zo mogelijk nog ergerlijke ‘Nouwwww’.
Zulke ergernis is enigszins positief te duiden, in die zin dat ik tijdens het lezen van Godijns poëzie vaststelde dat ik in elk geval iets voelde bij deze gedichten. Feit blijft echter dat het in Hoe H.H. de wereld redde vooral bij kitscherige overdaad blijft; bij ironie en absurdisme dat gespeend is van enige originele wereldvisie. In plaats van de lezer te verrijken, kan een gedicht als ‘Queen’ bijvoorbeeld het niveau van de slapstick niet overstijgen. Aan het begin van het gedicht treft het lyrische ik, dat later expliciet wordt gelijkgesteld aan de dichter, de koningin aan op de groenteafdeling van een supermarkt:

Ben ik in de supermarkt ja je raadt nóóit
wat me overkomt zie ik daar een koningin heel gewoon
tussen de tuinbonen en de hoe heet ut? de gerapste bietjes
(die lui van de marrekutting beschouwen zo’n majesteit kennelijk als een soort
                                 groente)
ze was in de aanbieding als je zo’n dinges zo’n kaart had
ik denk dat laat ik me geen twee keer zeggen
ik zet ur in me karretje en ik hop naar de kassa’s

Net als het titelgedicht heeft ‘Queen’ de potentie op de lachspieren te werken – niet alleen door het absurdistische idee vanwaaruit Godijn vertrekt, maar ook door het koddige gebruik van het spreektalige in zowel de syntaxis als de spelling van het gedicht. Maar wat is nu de inzet van deze exercitie? Neemt Godijn het Koningshuis op de hak met deze spraakwaterval, die uitmondt in de aanbeveling ‘neem een koningin in huis je ken se gewoon bij de super krijgen / iedereen se eigen queen kunnen we die Oranjes mooi afschaffen / die koste me toch een bak geld – dit is ja veel goedkoper’? Als dat zo is, dan lijkt het woord ‘goedkoop’ hier beslist op zijn plaats, want echt inhoudelijk wordt Godijn nergens. Eerder bijt hij zichzelf in de staart, door de uithaal naar ‘die lui van de marrekutting’, die feitelijk op hemzelf gericht is: voor zover ik kan overzien, is het immers niemand anders dan Godijn die de koningin tussen de groentebakken plaatst.
Naar aanleiding van Godijns bundel De zieken breken (2008) schreef Erik Lindner in Poëziekrant: “De gretigheid [van Godijn] om zich als een melige gek te presenteren, is ongekend.” Precies dat is wat Hoe H.H. de wereld redde in mijn ogen opbreekt. Het maakt niet uit hoe ernstig de thema’s zijn, of Godijn maakt er een grapje van:

                                                       (…)        Niet
zal ik meemaken: het opraken van de fossiele brandstoffen, het zo hoog zetten
van de planeetthermostaat dat de gevolgen een grootse, groteske, gruwelijke
gedaante aannemen. Als een vis door de mazen van het net ben ik
ertussendoor geglipt. Dank. Dank. Dank
o godin van het toeval. (…)

Met de komst van Fortuna is de zaak, meteen nadat de dichter haar aanstipte, onmiddellijk afgedaan. Daardoor blijft de problematiek onherroepelijk in het luchtledige hangen – het valt eerlijk gezegd nog mee dat Herbie Hancock de thermostaat niet wat lager komt zetten. Misschien had de titelheld het te druk met zijn ochtendgymnastiek, want uiteindelijk verkiest deze bundel ironisering en relativisme boven visie en urgentie. Dan zie ik H.H. toch liever gewoon als Ter Balkt, die eens aantekende: ‘Poëzie is géén spel, zelfs geen kinderspel … Poëzie is een vlag op een modderschuit, een vrolijke vlag die wappert boven de woede.’ Die vrolijke vlag, die zie ik bij Godijn nog wel. Maar de modderschuit en de woede? Die liggen geloof ik nog erruguns in de groentebak.

***
Wouter Godijn (1955) debuteerde in 1997 met de roman Witte tongen en schreef daarna nog de romans De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (2007) en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010).
Als dichter debuteerde hij met Alle kinderen zijn van glas (2000). Daarna volgden Langzame nederlaag (2002), De karpers en de krab (2003), Kamermuziek, of De weg naar onverschilligheid (2005), De zieken breken (2008) en Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010).

Recensie van Wiegeliederen en blaaskikkermuziek - Wouter Godijn

'Zing!' roept Ilja Leonard Pfeijffer. 'Zing!'

Wouter Godijn
Wiegeliederen en blaaskikkermuziek
Uitgever: Contact
2010
ISBN 9789025434373
€ 18,45
48 blz.

Wouter Godijn lezen, dat is je onderdompelen in onzekerheid. Of misschien beter: je onderdompelen in de zekerheid dat niets zeker is. Wouter Godijn lezen, dat is je onderdompelen in onvoorspelbaarheid, hoewel sommigen van mening zullen zijn dat die onvoorspelbaarheid bij Godijn een trucje geworden is en zo au fond toch weer voorspelbaar. Juist doordat deze poëzie erop gericht lijkt zichzelf onderuit te halen, is de kritiek over de gedichten van Godijn – over zijn proza ook trouwens – altijd nogal verdeeld geweest en die verdeeldheid is op zich al een prestatie, lijkt me. Zelf vind ik het moeilijk om over zijn poëzie te schrijven zonder in paradoxen te belanden. Ik heb het gevoel dat dat Godijn genoegen zou doen. Iedere dichter heeft twijfels. Geen enkele dichter weet voordat hij zijn pen op papier zet precies wat hij wil zeggen. Maar waar de meeste dichters in hun eentje zitten te piekeren totdat ze iets op papier hebben, iets wat zo goed mogelijk verwoord zo’n beetje in de buurt komt van wat ze dachten te willen vertellen, en dat dan vervolgens naar hun lezers sturen, maakt Godijn de lezer deelgenoot van de twijfel. En hij schept er duidelijk genoegen in. De derde regel van Wiegeliederen en blaaskikkermuziek luidt dan ook: ‘Dat had ik niet moeten zeggen.’

Natuurlijk heeft die ingebouwde onzekerheid, dat voortdurend herroepen van wat je net gezegd hebt, iets vrijblijvends. Godijn kan zogezegd wauwelen wat hij wil, straks keert hij het toch weer om. Het heeft ook niet alleen te maken met twijfel. Godijn dicht ook zeer associatief. Hij springt van de hak op de tak en verbindt zaken die door niets anders verbonden zijn dan door de grijze materie in het hoofd van Wouter Godijn. En als lezer hobbel je vaak achter de feiten aan. Tenminste, als je gehecht bent aan feiten. In zekere zin geldt dat natuurlijk voor alle goede poëzie. Alleen, Godijn maakt de twijfel en de onzin concreet. Hij benoemt ze en geeft ze een plaats, zeg maar gerust een monument, in zijn gedichten. En dat helpt om het, over het algemeen niet rooskleurige, wereldbeeld van Godijn luchtig te houden. Een goed voorbeeld is ‘Feest’:

Feest

Je huis baait kraswaas,
Mergoog brult op de heuvel
in woedend oranje. In maanzieke nevel.
Iemand trekt de darmen uit je reet;
smijt ze weg: verongelijkt.
Eenden lispelen in het moeras.
Sereen zak je ineen voor de tv:
(hoge holtes watten gesmoord keffend in je hamerende hoofd)
de kinderen worden opnieuw vermoord,
(men ademt, men bezoekt een kakstoel, beklimt een drillende vrouwenpudding)
de wc kan nu wel weg. Niet?
Plaats een oude moeder in de tuin
en hang er ballen in:
Want nu zullen ze kraaiend binnenrijden in hun arrenslee:
de volksvertegenwoordigers, de ondernemers,
                                     de ministers en hun kakelzieke wijven;
de pinguïns, de walrussen, de dwergzebra’s.
Ze zullen blazen op hun toeters, ja,
en de festiviteiten zullen beginnen
(in een hoekje van het schilderij zie je een hondje wegrennen,
in zijn bek mijn snotterende hart).

Een ontzettend fysiek gedicht, zintuiglijk en vol geweld, pijn, vernedering en de schaduw van de dood. Wat ook opvalt – en misschien wel belangrijker is dan de thematiek van het gedicht – is de enorme klankrijkdom. De neologismen in de eerste twee regels met hun twee keer voorkomende medeklinkers, de vele assonanties (smijt – verongelijkt, sereen – ineen – tv, gesmoord – vermoord) en de alliteratie hoge – holtes – hamerende – hoofd maken dit een muzikale tekst die erom smeekt voorgelezen te worden.
Er valt ook een hoop te lachen. De beelden zijn slapstickachtig en absurd. Persoonlijk geniet ik van die hilarisch-hyperbolische beeldtaal, maar ik kan me ook voorstellen dat hij bijdraagt aan het eerder genoemde zelfondermijnende aspect van Godijns poëzie.

Godijn problematiseert in deze bundel ook veelvuldig de poëzie en het schrijven zelf. Het begint al in het eerste gedicht (‘De hemelvaart van de reuzenmuis’), waarin hij een aantal bekende dichters aan het woord laat:

Daar is Ilja Leonard Pfeijffer. ‘Zing!’ roept hij. ‘Zing!’ Om tijd te winnen begin ik aan het gedicht over de vele veren en de reuzenmuis,

En even verderop:

‘Dit betekent niets,’ zegt Astrid Lampe samenzweerderig. Er hangen grote   
                                                 uitnodigende tuinscharen
achter haar aan het plafond.

In ‘Ring’ heet het: ‘Alleen koel, helder water / dat niemand leest / en niemand begrijpt.’ In ‘In de kelder’: ‘De dichter eet kan-niet, de dichter eet wil-niet, de dichter gaat poepen’, ‘krioelende letters; onvermogen’ en ‘Doe hem dicht. Dicht! Dicht! Dicht! Amen.’ En in ‘Dodendans’: ‘Vandaag Wouter Godijn en morgen… Ben ik morgen // Gerbrandy?’

Die meta-poëzie hangt sterk samen met het eerder genoemde, en belangrijkste, thema van de gedichten in Wiegeliederen en blaaskikkermuziek: de onmogelijkheid de werkelijkheid te kennen of weer te geven. Welke kant de gedichten ook uit waaien, ze worden altijd weer op de aarde gezet door een relativerende opmerking van de dichter. ‘De komst van de tuinmannen’ bijvoorbeeld, is een tweedelig gedicht waarvan deel 2 begint met: ‘Toen de dichter zijn regels overlas / begon zijn gezicht te gloeien: / van schaamte. Hoe was het mogelijk?’ Een gedicht daarvoor, in ‘Hoe God ziek werd’: Ik ben terechtgekomen in mijn eigen vergissing, / ik kan er niet meer uit / en ik vind het nog fijn ook’. Nog een klassieker, uit ‘De echte wereld’: ‘Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!’.

Maar goed, waar heb je de echte wereld voor nodig als je het drama, het tumult en de muziek van Godijn hebt. Als je verhaaltjes hebt die beginnen met ‘Boter springt door de kamer. Hijs de vlag!’ en liedjes die gaan van ‘Snikkende zwaan, wat heb je gedaan?’