Gedichten

ik voed mij met de dagelijkse sleur
van uw beschimmeld brood met kaas
en in een porseleinen schaal
uw stukgevallen dromen

verscheurde brieven, oude nota’s
en dat afgeschreven boek
waar u geen uitgever
mee blij kon maken

die ladderrijke kous
die tien geknipte nagels
dat leverworstje
met de kleur van goud

al wat ik wegvoer uit uw leven
en meeneem naar de afvalberg
stort ik in het totaal van mensenlevens
zodat het terugkeert

in een brood, een schaal

daar zit u en u kijkt naar mij
ik tracht mij voor te dragen

u volgt mijn dwalen door het brein
mijn zoeken naar nitrieten en neutronen
de juiste bits en bytes

u glimlacht om mijn dralen
weet van geen code die bevrijdt

– ik ben mijn eigen harde schijf

zodat mij nooit zoiets als tekstverlies
kan overkomen

zelfs als mijn memorie het af laat weten
en Alt S Heimer als een virus binnensluipt

zolang de harde schijf blijft draaien
in dit lijf, draag ik mij voor

een mens kan toch zichzelf niet vergeten?

binnen in het oog
en dan daar achter
bevindt zich op een vlies – zegt men –
het beeld van buiten

een hoge beuk
een houten trap
een kater

een beeld dat blijft
ook als de boom geen blad
de verf geen kleur
de kat geen angst meer heeft

ook als bewezen wordt
dat niet het vlies
de beelden vangt
maar iets daarin of elders

dan nog blijft het bestaan
die boom, die trap,
en daar de bange kater
die op mijn netvlies sproeit