Recensie van Dood werk - Maarten van der Graaff

Van irritatie naar waardering

Maarten van der Graaff
Dood werk
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025445782
€ 19,99
64 blz.

Maarten van der Graaff is een erudiet heer. Of een amusante lefgozer. Of beide. In Dood werk fungeert een lange reeks schrijvers, dichters, filmmakers en filosofen. Zij hebben invloed op zijn werk, hebben dat gehad, dienen als plaatsbepaling van zijn dichterschap, wekken zijn verzet op of zijn bentgenoten: Dorothea Lasky, Chris Kraus, Çağlar Köseoğlu, Léon Saarloos, Hannah van Binsbergen, Matthijs Ponte, Arno van Vlierberghe, Mathijs Tratsaert, Bert van der Beek, Max Czollek, Mina Pam Dick, Goethe, Bert Schierbeek, Friedrich Schiller, H.H. ter Balkt, Cathy Park Hong, CA Conrad, Pasolini, Emily Dickinson, Snoek, Pascal Mercier, Jack Spicer, Martijn Teerlinck, Kirill Medvedev, Ricardo Domeneck, Walt Whitman, David Foster Wallace, Gerrit Kouwenaar, Simone Weil en Yeats.
Dat is nog niet alles. Ik meen verwijzingen naar Vaandrager, Kopland en Lucebert te hebben gezien; van Ouwens weet ik dat zeker. En Jezus Christus ontbreekt natuurlijk ook niet – Van der Graaff is theoloog. Hij is overigens van zijn geloof gevallen: ‘Mijn geloof in Jezus is weggenomen door Jezus, / met zijn droevige koppetje. / Zijn wegneming en weigering / zitten ’s nachts met bebloede snuit / op mijn bed.’  Zijn jeugd op Flakkee is daarmee verder weg dan ooit.

Het vreemde is, dat al die verwijzingen me aanvankelijk irriteerden, maar bij herlezing steeds minder en op het laatst helemaal niet meer. Dat komt doordat Van der Graaff een onmiskenbare eigen toon blijft houden – tegen wil en dank: 

Mijn stijl is van mij doordrenkt,
heeft alle onechtheid opgenomen.
Omdat mijn stijl mij niet kan verslaan,
word ik erdoor opgegeten.
Nu de kunst mij opeet
zoek ik de achterdeur of de binnenzak
van dat lichaam.
 
(Uit: ‘Lijst met doordrenkingen’)

Maar waarom toch zoveel? Voor een plaatsbepaling van je dichterschap of het aangeven van voorbeelden heb je veel minder namen nodig. Misschien is het heel simpel. In een Meanderinterview met Antoinette Sisto vertelt hij wanneer hij aan een gedicht begint: ‘Ik heb er gewoon zin in en dan ga ik het doen. En ik krijg vaak zin in schrijven als ik iets van een ander lees dat heel goed is. Zeker als ik het net ontdekt heb.’

Originaliteit speelt daarbij geen doorslaggevende rol. In hetzelfde interview zei hij over ‘Vrije encyclopedie’, de laatste afdeling van zijn debuutbundel ‘Vluchtautogedichten’: ‘Ik las [Jack Spicer’s] bundel Ten poems for downbeat en ben die gedichten vervolgens gaan vertalen. Dat wil zeggen: ik vertaalde ze half en begon zelf nieuwe dingen toe te voegen. Ze dienden als motor om zelf te gaan dichten. Zijn poëzie is direct en affectief, het sluit aan bij wat ik zelf wil schrijven.’ In Dood werk komt hij daarop terug. Het tweede deel van de bundel, bestaande uit negentwintig ‘Geklokte gedichten’, is een alleenspraak, gericht  tot Jack Spicer: ‘Bij het schrijven van de ‘Vrije encyclopedie’ / was je er, ’s nachts, toen ik boos en dronken opschreef / wat ik niet wilde opschrijven. / Vertaal mijn gedichten met je ogen dicht, zei je / en ik deed het.’
Enkele andere gedichten (of delen daarvan) in de bundel zijn ready-mades en die zijn in dubbel opzicht onorigineel:  het overschrijven van teksten en Barbarbertje spelen. En rekenen we dadaïsten als Kurt Schwitters ook mee: dan driedubbel.

Die onverschilligheid tegenover originaliteit ervaar ik niet per se als negatief. Interessant in dit kader is de opvatting van de Amerikaanse dichter Kenneth Goldsmith. Hij pleitte op Poetry International voor ‘Uncreative writing’. In een NRC-interview dat voorafging aan zijn optreden vertelde hij waarom: ‘In dit digitale tijdperk moeten we plagiaat omarmen’. Poëzie moet dringend naar de eenentwintigste eeuw worden gebracht: ‘Internet vernietigt saaie, voorspelbare fictie en de verheerlijking van auteurs, het herdefinieert auteurschap. ( … ) Wat mij betreft is er geen beter gedicht dan Twitter.’

Dat zoeken naar een herdefiniëring  van auteurschap vind je ook bij Van der Graaff, hoezeer hij ook verschilt van Goldsmith. In feite is de hele bundel een worsteling daarmee.

Aansluiting bij de traditie is geen optie. In het gedicht ‘Lijst met rituelen’ worden onder andere dichters begraven en komen de volgende regels voor: ‘Vernietiging heeft ons gekozen, / vernietiging heeft zich geopend. ( … ) ‘Vernietiging heeft ons gemaakt.’ ( … ) ‘Vernietiging gaat in ons op’ ( … ) ‘Vernietiging is onze mondigheid’ ( … ) ‘De geschiedenis laat mij blind achter.’

Maar hoe moet het dan wel? Aan de bundel gaan twee motto’s vooraf. Het tweede is van Chris Kraus en komt uit de roman I love Dick. Ik geef ook de regels die eraan vooraf gaan, het motto zelf is vetgedrukt. Als kunstenaars worden mannen en vrouwen verschillend beoordeeld: ‘To be female still means being trapped within the purely psychological. No matter how dispassionate or large a vision of the world a woman formulates, whenever it includes her own experience and emotion, the telescope’s turned back on her. Because emotion’s just so terrifying the world refuses to believe that it can be pursued as discipline, as form. Dear Dick, I want to make the world more interesting than my problems. Therefore, I have to make my problems social.

In het eerste deel beschrijft hij die ook voor anderen relevante problemen ‘systematisch’ in lijsten  – dat is dan ook de titel daarvan. Dat blijkt heel moeilijk te zijn. Het motto maakt zijn onvermogen soms pijnlijk duidelijk: 

Mijn fascisme is dat ik niet weet hoe ik moet schrijven
over gemeenschap.
Ik maak openbaar dat Cathy Hong de poëzie gesegregeerd noemt
en dat ik niet weet hoe ik schrijven moet.
Dat ik hier verslag van doe.
 
( … )
 
Het is 2015 en ik maak openbaar
dat mijn kaken klemmen.
Ik doe het dode werk van een dode plant.
 

(Uit: ‘Lijst met openbaarmakingen’)

Of: 

Nederland, ik schrijf je dit niet zomaar,
ik zoek naar je dood en gemeenschap.
Ik zoek naar je waarheid en haat.
Ik schrijf gedichten.
Ik ben in de war.
 
( … )
 
Ik word bedekt door steden en dorpen
En lig ‘s morgens dood in je bed.
 
(Uit: ‘Lijst met bedekkingen’)

Dat klinkt zwaar, maar Van der Graaff beschikt over meer registers. In het ‘Zesde geklokte gedicht, waarin een plan van aanpak wordt gemaakt’, komen de volgende fragmenten voor: 

23:26                     Gebed tot de lichamen
                               van de gecanoniseerde dichters:
                               achterhaalde, in een hoek gedreven
                               aflijvigen, ik denk aan jullie!
                                                 ( … )
                               En ik bid voor de tamboerijnen en luiten
                               die klinken vanuit de ovens
                               waarin jullie opgewarmd worden.
                                                 ( … )
                               De wereld zal verpulverd worden,
                               de proefschriften over jullie
                               werk en leven
                               weggevaagd.

Geklokte gedichten zijn levendig, bewegen zich tussen ernst en humor, zijn soms helder, soms duister en zeer snel geschreven – Van der Graaf suggereert dit althans. Misschien is om die reden de tweede afdeling in een ander lettertype afgedrukt dan het eerste.
Met de nodige zelfspot beschrijft hij zijn werkwijze in het ‘Twaalfde geklokte gedicht, waarin ik het uitleg’. Ik parafraseer: je noteert de tijd, begint te schrijven en als je even zit te lummelen en vervolgens verdergaat, noteer je de tijd opnieuw. ‘Als je naar de wc moet of naar buiten wil / is het gedicht af.’ Je moet later niets, of bijna niets meer veranderen. En als je zijn voorschriften opvolgt, is de beloning groot: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend. / ( … ) Je bent een efficiënt spook van het modernisme.’

Hij geeft je als lezer alle ruimte: veel gedichten zijn polyinterpretabel (en vaak ook krijg je ze niet rond – geen bezwaar). Ik lees de volgende regels onder andere als een amusant pesterig recept voor poëticaal succes: 

16.43                    Je moet ergens beginnen en ergens eindigen.
                               Het maakt uit waar je begint, als je graag wilt eindigen
                               als een belangrijk iemand.
                               De tafel van twee is belangrijk, als je belangrijk wil worden.
                               Het klappen van de zweep is belangrijk en de regels
                               bij de verschillende varianten van het spel verstoppertje.
 16.44                   Verstoppertje is het mooiste spel.
 
                                                               ( … )

De criticus krijgt in dit gedicht ook een mooie rol toebedeeld: 

16.49                     Wie bij verstoppertje moet zoeken
                               – de beul –
                               kent de meeste angst.
                               Dat is een onvergetelijke ervaring.

 

Rest ons die eigenaardige titel van de bundel. Ik ervaar die als springlevend, ondanks het onvermogen waarvan de dichter regelmatig blijk geeft. Misschien ook beschouwt hij het gedicht als dood zodra het is voltooid. In het laatste geklokte gedicht zegt hij over zijn werk tegen Spicer: 

23.45                   Jij gaat zo weg
                            En dan ben ik alleen
                            Met mijn verstijfde bruidegom.
                                                ( … )

Een reden tot pessimisme is dat echter niet. Het plezier in het dichterschap blijft, ondanks alles: 

23.55                                       ( … )
               
                            Ik denk aan de toekomst
                            en hoe de alledaagse wereld van transacties
                            steeds verbouwd zal worden,
                            hoe ik steeds weer zal overgaan
                            in andere staten.
                            Daar denk ik opnieuw en opnieuw aan.
                            Gemeenschap, tijd, werk.
                            Het zuivere plezier van verandering.

 

Van der Graaff zal in de toekomst ongetwijfeld meer dood werk achterlaten en dat bevalt me.

***
Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten. In 2014 werd deze bundel met de C. Buddingh’-prijs bekroond. Hij is veel op de literaire podia te vinden en publiceerde poëzie en proza in o.a. De RevisornY, De Brakke HondDW&B en Het Liegend Konijn. Hij was medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon.  

Gedichten

Het zijn deze trends

om zich te ontdoen van
geloof in vergadering
van diepe aarde
om zich te ontdooien naar
het lot van de dobbelsteen
zal worden gecodeerd
staat u mij toe een laatste keer
te denken aan het nageslacht opdat dit niet significant verpietert
met startersnonchalance

Wij schrijven Apocalyps. Ze zeggen dat binnenkort de regering valt
of in ieder geval ontspant.
Nooit vertrouwd raken met iemand. Nooit een hand geven.
Honderdduizend metaforen voor het leven als toekomstige pausen
beijveren zich.
Het zijn deze trends: huiduitslag,
onverteerbare dagen.

139

Ik omgeef je van achter en van voren,
ik leg mijn hand op je.
Mijn hand is een eenzelvige korst op je.
Je voelt leem, de huid van
Leviathan. Vastberaden oeroude Leviathan.
Ik houd mijn oog op je.

Al week je voorbij mijn begrip (mijn begrip is een zee
je kunt geen kant op of er is begrip),
al kroop je terug bij je moeder,
dan nog zou mijn hand zich vergrijpen,
mijn rechterhand smoren als
mos zonder weet van zijn
stugheid.
Mijn linkerhand aanhalen, met trage halen tot
stilte manen.

Word ik wakker,
dan nog ben ik bij je.

De grote verscheidenheid

Van minuut tot minuut zou er niets van mij overblijven.
Een wandeling met aan weerskanten bedwelmende aspecten leerde mij dit.
Ik brak een angst aan die hierop had gewacht.
Het aanbreken van een angst na jaren van plompe,
aromatische stilte is niet niks, maar ook zeker geen spektakel.
De extremiteit ervan wordt binnensmonds ervaren.
Ik zou het je willen toefluisteren, maar moet mijn systemen in acht nemen.

De locaties waar wij kwamen waren motoren van een sadistisch raadsel.
Een raadsel dat door sadisten was bedacht,
maar ook een eigen sadisme bezat,
dat er niet door de makers was ingelegd.
Toen wij ons afgrijzen lieten blijken wees men ons op
de grote verscheidenheid.
Wij moesten toch toegeven dat de grote verscheidenheid
indrukwekkend was en ongeëvenaard.
Wij zagen ons genoodzaakt hierin te overnachten.
Na vier nachten besloten wij te vluchten. Na vier nachten reden wij,
met gedoofde koplampen, de bedwelmende aspecten in.
Het was stil, wij leken niet te worden opgemerkt. Voor ons was geen plaats
en geen omgeving om een plaats in te hebben.
De locaties stelden ons voor vragen.
Bevonden wij ons op de graden van de grote verscheidenheid
of waren wij buiten zicht?
Wij sliepen dag na dag in zonder dit te weten.

VRIJE ENCYCLOPEDIE

10.
Ik moet lezen
omdat Logos leest d.w.z. verzamelt; hij rust niet voordat hij alles
met alles heeft doen samenzijn in een contradictieloos geheel.
Midden in de nacht wikkel ik dit gedicht in een zware deken.
We zijn opgestaan voordat Logos zich naar zijn auto sleept.
Logos is wakker, maar probeert zijn vrouw nog op te geilen,
we hebben tijd.

Met dit gedicht in mijn achterbak rijd ik de hele dag.
Zo zullen we nog tientallen jaren leven.
Elke woning die we betrekken zal uiteindelijk moeten worden vernietigd.
Elk lichaam verbrand.
Zonder lijf ben je niemands eigendom,
zonder voordeur krijg je geen bezoek.

Uit: Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten, Atlas Contact 2013

Recensie van Vluchtautogedichten - Maarten van der Graaff

De bader draagt zijn kleren

Maarten van der Graaff
Vluchtautogedichten
Uitgever: Atlas Contact
2013
ISBN 9789025441173
€ 21,95
80 blz.

Er is een archaïsche poëzie die tegenwoordig nog steeds uitgegeven wordt. Zij is te typeren als een versmelting van de literair-historische stromingen het Modernisme en het Postmodernisme. Deze poëzie is opzettelijk verwarrend geschreven. Ze is niet bedoeld om een boodschap over te brengen, zoals je wel van een tekst zou verwachten. In plaats daarvan wordt de lezer opzettelijk in verwarring gebracht.
Het gevolg hiervan is dat de tekst op een andere wijze gelezen moet worden. Zo’n tekst moet eerder associatief dan logisch benaderd worden. De dichter pretendeert niets meer te willen dan suggereren, zijn tekst draagt geen eenduidige, logische boodschap. De lezer moet zelf maar weten wat hij of zij uit diens gedicht zal halen. Iedere poging om zo’n gedicht te interpreteren is niets anders dan een interpretatie. De ‘poëzie’ van zulke poëzie schuilt in de suggestieve kracht van de taal. Over zo’n gedicht kan dan ook geschreven worden dat zij ‘zwanger is van betekenis’, dat wil zeggen dat er verschillende spannende interpretaties mogelijk zijn. Deze interpretaties worden door literatuurwetenschappers geanalyseerd en verwoord.

Vanuit stilistisch oogpunt gezien verschillen zulke gedichten niet veel van het gedicht The Waste Land (1922) van T.S. Elliot of de roman Ulysses (eveneens uit 1922) van James Joyce. Vaak is er enkel op het gebied van de beeldspraak een verschil. De modernere teksten gebruiken hedendaagse beelden en willen nog meer shockeren, bijvoorbeeld door het gebruik van seksuele en gewelddadige beelden.
Vanuit ideologische oogpunt herhalen ze de boodschap van de Postmodernisten die stelden dat alle grote verhalen om de werkelijkheid te beschrijven hadden afgedaan. Waarom zouden we elkaar nog voor de gek houden met het vertellen van een eenduidig verhaal als de werkelijkheid geen kenbaar eenduidig verhaal heeft? En wat doet de literatuur anders dan de werkelijkheid beschrijven?

De oude Grieken daarentegen hadden met hun mythen nog een verhaal dat voor hen de samenhang van de werkelijkheid verklaarde. En voor de Christenen is dat hun Bijbel. Het feit dat de werkelijkheid en het verhaal van de Bijbel niet overeenkomen, zorgt voor grote problemen en daardoor voor creatieve oplossingen, zoals het creationisme.
Maar voor de moderne mens bestaat er niet langer zo’n tekst. De politieke denker en schrijver Fukuyama verwoordde deze ideologie in zijn boek The end of history and the last man (1992), toen hij schreef dat hij getuige was van het eindpunt van de ideologische evolutie van de mensheid.

Op taalkundig niveau werd dezelfde boodschap geuit door postmodernistische filosofen als Jacques Derrida. Zij stelden dat taal een gekunstelde constructie is met een vooraf bedachte coherentie die los staat van de werkelijkheid. Iedere taalconstructie is een door mensen bedacht systeem. Dit heeft tot gevolg dat iedere waarheid die beschreven wordt in deze taalstructuur niets met de waarheid buiten deze taalstructuur te maken heeft. Om dit toonbaar te maken, braken schrijver die zich op deze ideeën baseerden, hun teksten opzettelijk in fragmenten om te laten zien wat de taal werkelijkheid is: een stelsels van afspraken.
Deze taalexperimenten vonden veertig jaar geleden, en eerder, in Europa plaats. Sindsdien zijn er geen wezenlijke vernieuwers in de poëzie meer geweest. Hoogstens is de boodschap wat verfijnder geraakt.
Aangezien ik goed bekend ben met deze visie op poëzie, weet zulke poëzie mij vaak nog nauwelijks te boeien. In plaats van een vernieuwende tekst lees ik hetzelfde trucje, maar dan met andere woorden. Gezien het feit dat zulke bundels nog steeds uitgegeven worden, ben ik vermoedelijk een van de weinigen die dit vindt.

Maarten van der Graaff doet met zijn bundel Vluchtautogedichten zijn duit in dit zakje. Deel twee van deze bundel is getiteld de ‘Vrije Encyclopedie’, naar Wikipedia, de Vrije Encyclopedie op het Internet. Dit deel wil hier het tegenovergestelde van zijn. Helaas heeft hij niet voor het tegenovergestelde van vrij gekozen, maar voor het tegenovergestelde van Encyclopedie. Ik ben zeer benieuwd naar een Onvrije Encyclopedie. Ik denk dat daar wel het een en ander aan wezenlijke zaken over deze tijd in te vinden zijn.

Nu omvat dit deel talrijke pagina’s ogenschijnlijk onsamenhangende regels die alles willen zijn behalve een kennisverstrekkende encyclopedie.
Waar heb ik dat eerder gelezen? Bij het Cadavre Exquise van de Surrealisten? Bij de collagekunst van de Dadaïsten? Bij de écriture automatique van Yeats en anderen? Het is niet vernieuwend noch experimenteel te noemen.
Het eerste deel van zijn bundel bevat korte teksten die ook binnen het hierboven uitgelegde stramien vallen:

Uitbreiding

De bader draagt zijn kleren. Wie is hij?
Sla de maat, verlam. Of doe het daadwerkelijk.

De Internationale Vereniging voor de Studie van Pijn
breidt uit.
Niet je prooi zwermen: ruk de nummers van ziekten.
Het was weldadig om, ontdaan van een symbolisch kleed,
op een verfijnde manier
in zonlicht op schrijftafels te spetteren.
Nu ligt hij onder zure lakens.
‘Ik wil niet sentimenteel doen,’ brult hij,
‘maar dát waren nog eens tijden!’

Deze tekst staat bol van de suggesties, van de mogelijke associaties, en lijkt om een gedegen analyse te vragen. Tegelijkertijd kun je je afvragen wat het nut is van (alweer) zo’n tekst. Wat communiceert het? Wat doet het met de lezer? Waarom zou iemand dit willen lezen?
Op dit punt lijkt de poëzie soms te lijden aan hetzelfde autisme dat ook al jarenlang in de beeldende kunst rondwaart waar ieder werk ‘een maatschappelijke discussie op gang wil brengen’. Bijzonder weinige werken weten hier echter in te slagen. Een kunstenares als Tinkebell is hier een uitzondering op. En zij is een van de zeer weinigen. Wat betreft de poëzie schiet alleen de naam van Peter Verhelst mij te binnen als iemand die met deze opvattingen intrigerende bundels heeft geschreven.
Ik heb deze bundel dus van kaft tot kaft gelezen en de bundel heeft bitter weinig met mij gedaan. Er waren een paar teksten die mij wel aanspraken, zoals onderstaande, maar dat kwam vooral omdat ik zelf in Utrecht gestudeerd heb:

Gedicht voor Laurie Steinbusch

Met een heggenschaar in mijn hand stap ik naar binnen.
Ik ben voorbereid, zou je kunnen zeggen.
Dat dit alles in Lombok, Utrecht gebeurt,
heel duidelijk en zonder adem te verspillen,
is mooi.
’s Nachts hangt een raaf in zijn vlucht verstard,
wanneer jij de ochtend ruikt is hij vrij.

Ik ben verliefd op jou.
De lege auto’s in de straat weten dat niet.
Alle mensen die in Utrecht met elkaar in bed liggen
hebben hiervan niet het flauwste benul.
Meestal neem ik ze het niet kwalijk.

De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich
loom voor ons uit. Veelgeurig en
nutteloos en licht.

***
Maarten van der Graaff (1987) publiceerde poëzie en proza in o.a. De Revisor, nY, De Brakke Hond, DW&B en Het Liegend Konijn. Hij is redacteur en medeoprichter van het online literair tijdschrift Samplekanon.

Gedichten

Bosrijke omgeving

Hij reed ons door de bosrijke
omgeving.
Ik keek naar de formele bomen,
naar het kalende achterhoofd van de chauffeur
en vervloekte het. ‘Even uitwaaien’, zei de debiel.

Dat de wind alles
uit         maakt, ons allen uit         waait
is erg genoeg. Debiel.

Proef

Voor de tweede keer wast hij zijn handen, stapt op.
Kijkt naar de Natuur, enkele bekende werken.
Normaal verveelt het. Nu is alles goed.

Ook toen hij de wanden doof
kalkte kwam de schelle vork binnen:
de uitslaande smalltalk.

Je hebt zelfvertrouwen. Je hebt een lijst met onderwerpen in je hoofd, nu
moet het dan echt gebeuren. Trek die stoute schoenen maar aan en begin
met smalltalk.

In de Natuur valt blad met
sierlijk instinct. Hij gaapt maar voelt zich fris.
Alleen zijn handen plakken
een beetje.

Leer hoe je het maken van een praatje voorbereidt, hoe je een gesprek opent,
gaande houdt en weer
beëindigt.

1 nagel van zijn rechter-
hand in het hart
van een berk:

hij verwacht
sloom donker sap

Brandende longen, schreeuwvogels

Hoofd zit vast in wat
brutaalweg nachten worden genoemd,
maar erg behendige, lichtgevende dingen zijn: ik vind
mij.
De lichamen van de goden worden vervuld, er
stort regenwater in de letter, luister!
Donkere nieuwsgierigheid is vrijgelaten uit de muil van de opwekkende natuurwetenschap.
Ik ben bang.
Ik heb het bestaan minder belangrijk gevonden en vervangen door brandende longen
schreeuwvogels: het zwijgen met de schroeven aan de
zijkant van de letter.
Ik zit neer, ik ben gevlucht tot aan de afgrijselijke lach van de zee.

Ik ga voor lange tijd op de open oceaan die opflakkert en terug naar de moerassen
waar een maaier met blauwgekleurde gulzigheid het staande koren verzamelt
en de as.

Ik heb beulen gedacht. Visioenen opgegraven.
De Dood is bij toverslag verdwenen, om het denken te worden.